Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1406.
HR, 12-12-2025, nr. 25/01812
ECLI:NL:HR:2025:1888
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-12-2025
- Zaaknummer
25/01812
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1888, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑12‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2025:1406
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1149
ECLI:NL:PHR:2025:1149, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1888
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑05‑2025
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2026-0005
Uitspraak 12‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Incidentele vordering tot voeging in cassatie (art. 415 lid 1 Rv). Uiterste tijdstip waarop vordering tot voeging in cassatie kan worden ingesteld. Belang bij voeging in cassatie?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01812
Datum 12 december 2025
ARREST IN HET INCIDENT
In de zaak van
1. [X] ,
wonende te [plaats] ,
2. [Y] ,
wonende te [plaats] ,
EISERESSEN in het incident,
hierna: X en Y,
advocaat: A. Knigge,
tegen
CHRISTELIJKE GEMEENTE VAN JEHOVAH'S GETUIGEN IN NEDERLAND,
gevestigd te Emmen,
VERWEERSTER in het incident, eiseres in cassatie,
hierna: CGJG,
advocaat: A. Knigge,
en tegen
[Z] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: Z,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/19/139514 / HA ZA 22-54 van de rechtbank Noord-Nederland van 26 juli 2023;
b. het arrest in de zaak 200.334.028/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025.
CGJG heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen Z is verstek verleend.
X en Y hebben bij incidentele conclusie gevorderd zich in het geding tussen partijen aan de zijde van CGJG te mogen voegen.
CGJG heeft ingestemd met het verzoek tot voeging aan haar zijde.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot toewijzing van de incidentele vordering tot voeging.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot voeging kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) CGJG is een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW en bezit civielrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Jehovah’s getuigen komen voor de eredienst bijeen in gemeenten, waarvan er in Nederland ongeveer 350 zijn. Een zogeheten ‘lichaam van ouderlingen’ wordt gevormd door de mannen in de gemeente die het ambt van ouderling bekleden.
(ii) Z is in 1997 toegetreden als lid van een gemeente die behoort tot CGJG (hierna: de gemeente). Z was van 2011 tot 2019 ouderling van de gemeente.
(iii) In het najaar van 2019 hebben ouderlingen van de gemeente een melding ontvangen van Y, de zes jaar jongere zus van Z, dat zij en haar anderhalf jaar oudere zus X in hun jeugd seksueel misbruikt zijn door Z.
(iv) Naar aanleiding van deze melding hebben twee ouderlingen van de gemeente onderzoek gedaan naar vermeend seksueel kindermisbruik door Z.
(v) Op basis van de bevindingen van de ouderlingen heeft CGJG in januari 2020 restricties aan Z opgelegd. Daarnaast hebben de ouderlingen de ouders van minderjarigen in de gemeente meegedeeld dat zij alert moeten zijn op contacten van hun kinderen met Z.
(vi) De aan Z opgelegde restricties zijn in november 2021 opgeheven. De informatie die is gegeven aan de gezinnen die zijn bezocht, is niet teruggenomen.
2.2
Z vordert in de hoofdzaak van dit geding, voor zover in cassatie van belang, een verklaring voor recht dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door Z ten onrechte als dader van kindermisbruik te hebben aangemerkt, en een bevel dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat Z geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor Z als kindermisbruiker.
2.3
De rechtbank heeft beslist dat CGJG naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid heeft kunnen komen tot het punt waarop het de onderhavige belangenafweging maakte en het besluit nam om de interne procedure te volgen die is voorgeschreven bij aanwijzingen voor seksueel kindermisbruik. Voor het overige heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om inhoudelijk kennis te nemen van de door Z ingestelde vorderingen.
2.4
Het hof1.heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door Z ten onrechte als dader van kindermisbruik te hebben aangemerkt. Voorts heeft het hof bevolen dat CGJG erin toestemt en erop toeziet dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat Z geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor Z als kindermisbruiker, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2.5
CGJG heeft cassatieberoep ingesteld van het arrest van het hof. Tegen Z is verstek verleend.
3. Beoordeling van de incidentele vordering tot voeging
3.1.1 Op grond van art. 415 lid 1 Rv dient een incidentele vordering tot voeging in cassatie te worden ingesteld bij conclusie. Art. 218 Rv, dat voor de procedure in eerste aanleg en – ingevolge art. 353 lid 1 Rv – voor de procedure in hoger beroep bepaalt dat de vordering tot voeging wordt ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen, is in art. 418a Rv niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de procedure in cassatie.
Bij gebreke van een wettelijke bepaling op dit punt wordt het tijdstip waarop een incidentele vordering tot voeging in cassatie uiterlijk kan worden ingesteld, bepaald door de eisen van een goede procesorde. Met het oog op een voortvarend verloop van de procedure in cassatie geldt daarbij als uitgangspunt dat een incidentele vordering tot voeging in cassatie tijdig is ingesteld indien dit gebeurt – ingeval de verweerder is verschenen – vóór of op de datum waarop de verweerder zijn verweerschrift moet indienen, dan wel – ingeval de verweerder niet is verschenen – vóór of op de datum waarop tegen de verweerder verstek wordt verleend.
3.1.2 X en Y hebben hun incidentele vordering tot voeging in cassatie ingesteld op 9 september 2025, nadat op 13 juni 2025 tegen Z verstek was verleend. In dit geval verzetten de eisen van een goede procesorde zich niet ertegen dat deze vordering niettemin als tijdig ingesteld wordt beschouwd, gelet op het ontbreken van eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over het uiterste tijdstip waarop een incidentele vordering tot voeging in cassatie in een verstekzaak kan worden ingesteld.
3.2.1 X en Y hebben aan hun incidentele vordering tot voeging in cassatie aan de zijde van CGJG het volgende ten grondslag gelegd. Het hof heeft geoordeeld over de maatregelen die CGJG naar aanleiding van de verklaringen van X en Y heeft genomen, en heeft CGJG bevolen erin toe te stemmen en erop toe te zien dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente alle gezinnen van die gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat Z geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor Z als kindermisbruiker. Bij naleving van dit rechterlijk bevel kan het beeld ontstaan dat X en Y geen slachtoffer zijn van seksueel kindermisbruik. In dit verband wijzen zij erop dat deze zaak zich afspeelt in een kleine en besloten gemeenschap waarin het aan iedereen bekend is wie X en Y zijn.
3.2.2 Met het hiervoor in 3.2.1 weergegeven betoog hebben X en Y hun belang bij voeging aan de zijde van CGJG voldoende onderbouwd. Aannemelijk is dat het door het hof aan CGJG opgelegde bevel nadelige gevolgen kan hebben voor X en Y, omdat uit de mededeling die over Z moet worden gedaan aan de gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen, zou kunnen worden afgeleid dat X en Y geen slachtoffer zijn van seksueel misbruik door Z, terwijl CGJG eerder de boodschap heeft uitgedragen dat wel sprake was van seksueel misbruik van X en Y door Z.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- wijst de incidentele vordering toe;
- reserveert de beslissing omtrent de kosten van dit incident tot de uitspraak in de hoofdzaak;
- begroot deze kosten tot op deze uitspraak aan de zijde van X en Y op € 800,-- voor salaris, aan de zijde van CGJG op € 800,-- voor salaris, en aan de zijde van Z op nihil;
- verwijst de zaak naar 27 maart 2026 voor schriftelijke toelichting.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 12 december 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑12‑2025
Conclusie 24‑10‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01812
Zitting 24 oktober 2025
CONCLUSIE
R.H. de Bock
Conclusie in het incident tot voeging van:
1. [X]
2. [Y]
advocaat: mr. A Knigge
in de zaak
Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland (CGJG)
advocaat: mr. A. Knigge
tegen
[Z]
niet verschenen
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In dit incident vorderen [X] en [Y] om zich te mogen voegen in de procedure tussen CGJG en [Z] , aan de zijde van CGJG.
1.2
Na een melding van [Y] dat zij en [X] in hun jeugd seksueel misbruikt zijn door [Z] heeft CGJG een onderzoek ingesteld en restricties opgelegd aan [Z] . Deze restricties zijn later weer ingetrokken. [Z] heeft zich tot de burgerlijke rechter gewend omdat hij vindt dat hij ten onrechte is beschuldigd van seksueel kindermisbruik.
1.3
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft voor recht verklaard dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door [Z] ten onrechte als dader van kindermisbruik te hebben aangemerkt en heeft geboden dat CGJG toestemming geeft aan en erop toeziet dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente Harderwijk-Oost alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat [Z] geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor [Z] als kindermisbruiker.
1.4
CGJG heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Nadat tegen [Z] verstek is verleend, hebben [X] en [Y] gevorderd zich te mogen voegen in de cassatieprocedure aan de zijde van CGJG (art. 217 Rv). M.i. hebben zij deze incidentele vordering tijdig ingesteld en hebben zij daarbij voldoende belang, zodat de voeging kan worden toegewezen.
2. Feiten
2.1
Voor de beoordeling van de incidentele vordering tot voeging in cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025.1.
2.2
CGJG is een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW en bezit civielrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Jehovah’s getuigen komen voor eredienst bijeen in gemeenten, waarvan er in Nederland ongeveer 353 zijn. Een zogeheten ‘lichaam van ouderlingen’ wordt gevormd door de mannen in de gemeente die het ambt van ouderling bekleden.
2.3
[Z] is in 1997 toegetreden als lid van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen Harderwijk-Oost (hierna ook: de gemeente). Deze gemeente behoort tot het kerkgenootschap CGJG. [Z] was van 2011 tot 2019 gemeenteouderling.
2.4
Tot het statuut van CGJG in de zin van art. 2:2 lid 2 BW behoren haar statuten, het ‘Ouderlingenboek’ en het orgaan van de ‘Wachttoren’. Het Ouderlingenboek uit 2019 bevat richtlijnen waaraan ouderlingen zich moeten houden als zij op de hoogte raken van een kwestie inzake kindermisbruik. Ook in de ‘Wachttoren’ is daarover geschreven.
2.5
Op 27 november 2019 hebben ouderlingen van de gemeente een melding ontvangen van [Y] , de zes jaar jongere zus van [Z] , dat zij en haar anderhalf jaar oudere zus [X] in hun jeugd seksueel misbruikt zijn door [Z] .
2.6
Naar aanleiding van deze melding is door twee ouderlingen van de gemeente onderzoek gedaan naar vermeend seksueel kindermisbruik door [Z] .
2.7
Op basis van de bevindingen van de ouderlingen zijn in overleg met en door CGJG in januari 2020 restricties aan [Z] opgelegd. Daarnaast hebben de ouderlingen de ouders van minderjarigen in de gemeente medegedeeld dat zij alert moeten zijn op contacten van hun kinderen met [Z] . Daarbij zijn ouders aangemoedigd om het voorlichtingsmateriaal te lezen dat door Jehovah’s Getuigen is gepubliceerd over het beschermen van kinderen tegen seksueel misbruik.
2.8
De aan [Z] opgelegde restricties zijn in november 2021 opgeheven. De informatie die aan de gezinnen is gegeven die zijn bezocht, is evenwel niet teruggenomen.
3. Procesverloop
3.1
[Z] heeft bij dagvaarding van 22 maart 2022 gevorderd dat de rechtbank Noord-Nederland, uitvoerbaar bij voorraad:
I) voor recht verklaart dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door [Z] ten onrechte als dader van kindermisbruik aan te merken;
II) gebiedt dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat [Z] geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor [Z] als kindermisbruiker;
III) bepaalt dat CGJG een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat CGJG voornoemd gebod niet nakomt;
IV) CGJG veroordeelt tot vergoeding van materiële schade van € 423,44 met wettelijke rente daarover dan wel de schade nader op te maken bij staat;
V) CGJG veroordeelt tot vergoeding van immateriële schade ter grootte van € 25.000,- met wettelijke rente;
VI) CGJG veroordeelt in de kosten van de procedure.
3.2
De rechtbank heeft bij vonnis van 26 juli 2023 vastgesteld dat CGJG “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid [heeft] kunnen komen tot het punt waarop de belangenafweging gemaakt en het besluit om de interne procedure te volgen, genomen werd.”2.De rechtbank heeft zich voor het overige onbevoegd verklaard om inhoudelijk kennis te nemen van de door [Z] ingestelde vorderingen, omdat, kort gezegd, de overheidsrechter niet in de interne kerkelijke regels recht mag treden.
3.3
[Z] heeft hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden en geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.
3.4
CGJG heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het incidenteel hoger beroep strekt ertoe dat het hof zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van [Z] kennis te nemen.
3.5
Bij arrest van 11 februari 2025 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, samengevat:
- voor recht verklaard dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door [Z] ten onrechte als dader van kindermisbruik te hebben aangemerkt;
- geboden dat CGJG toestemming geeft aan en erop toeziet dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente Harderwijk-Oost alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat [Z] geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor eiser als kindermisbruiker, op straffe van betaling van dwangsommen (punt 4.3 van het dictum);
- CGJG veroordeeld tot betaling van materiële schade, immateriële schade en terugbetaling aan [Z] van alles wat hij op grond van het vonnis van de rechtbank aan CGJG heeft betaald, alle posten te vermeerderen met de wettelijke rente;
- CGJG veroordeeld tot betaling van de proceskosten;
- de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- en het verder gevorderde afgewezen.
3.6
Het hof heeft daartoe, kort samengevat en onder meer, overwogen dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen door CGJG het eigen kerkrecht, de statuten, het Ouderlingenboek en het orgaan van de Wachttoren van CGJG richtinggevend zijn en een terughoudende, marginale toets door het hof is geboden (rov. 3.35). Het hof is van oordeel dat onduidelijk is welke feiten en daarmee welk misbruik door CGJG op basis van haar eigen onderzoek zijn respectievelijk is vastgesteld, wanneer dat vermeende misbruik precies heeft plaatsgevonden en daarmee hoe oud de betrokkenen daarbij zijn geweest (rov. 3.36). CGJG heeft het vereiste onderzoek naar de beschuldiging onzorgvuldig uitgevoerd. Zij heeft gehandeld in strijd met haar eigen kerkelijk recht op basis waarvan ‘de feiten’ moeten worden vastgesteld en heeft daarbij fundamentele rechtsbeginselen geschonden (rov. 3.41).
3.7
CGJG heeft daarna in een kortgedingprocedure gevorderd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland met onmiddellijke ingang de tenuitvoerlegging van het arrest van 11 februari 2025 van het hof Arnhem-Leeuwarden zal schorsen totdat in cassatie zal zijn beslist. [X] en [Y] hebben in een incident gevorderd dat zij worden toegelaten als gevoegde partijen aan de zijde van CGJG.
3.8
Bij vonnis van 16 april 2025 heeft de voorzieningenrechter toegestaan dat [X] en [Y] zich voegen aan de zijde van CGJG. De voorzieningenrechter heeft de tenuitvoerlegging van overweging 4.3 van het dictum van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 geschorst, voor zover dit dictum behelst dat CGJG erop toeziet (onderstreping rechtbank) dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente Harderwijk-Oost alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat [Z] geen kindermisbruiker is.3.
3.9
CGJG heeft bij procesinleiding, ingekomen op 11 mei 2025, tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.4.
3.10
Op 13 juni 2025 is tegen [Z] verstek verleend. De zaak is op de rol van 19 september 2025 geplaatst voor het nemen van een schriftelijke toelichting. Bij incidentele conclusie, ingekomen op 9 september 2019, hebben [X] en [Y] gevorderd om te worden toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van CGJG en om [Z] te voordelen in de kosten van het incident en die kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.11
M.i. is de incidentele vordering tijdig ingesteld. Met betrekking tot het tijdstip van indiening van de incidentele conclusie bevat de Derde Afdeling van Titel 11 van Boek 1 Rv geen bepalingen. Art. 218 Rv bepaalt voor de procedure in eerste aanleg en hoger beroep (zie art. 353 lid 1 Rv) dat de vordering tot voeging moet worden ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen. In de parlementaire geschiedenis is ‘ten overvloede’ vermeld dat dit betekent dat de vordering tot voeging of tussenkomst niet meer kan worden ingesteld nadat een dag is bepaald voor het uitspreken van een vonnis. Wordt vervolgens een tussenvonnis gewezen, dan kan de vordering daarna weer wel worden ingesteld, totdat opnieuw een dag voor vonnis is bepaald.5.
3.12
Voor voeging in feitelijke instanties na verstekverlening wordt aangenomen dat een incidentele vordering tot voeging kan worden ingesteld tot de datum die is bepaald voor vonnis. Als dat niet zo zou zijn, zou verwezenlijking van het doel van de regeling van voeging – bescherming van de belangen van derden bij een procedure tussen andere partijen – in het gedrang komen.6.
3.13
3.14
Aangenomen wordt dat de incidentele vordering tot voeging in cassatie (in ieder geval) tijdig is ingediend, indien zij is ingediend voor of op de roldatum waarop verweerder in cassatie een verweerschrift heeft ingediend.8.In dit geval is verweerder in cassatie echter niet verschenen, waardoor er ook geen datum voor indiening van het verweerschrift is bepaald.9.De vraag rijst dan ook tot welk moment in cassatie een incidentele vordering tot voeging kan worden ingediend wanneer tegen verweerder in cassatie verstek is verleend.
3.15
Als zou worden aangesloten bij de ruime benadering die in feitelijke instanties wordt gehanteerd in de situatie dat tegen gedaagde verstek is verleend, zou dat betekenen dat een incidentele vordering tot voeging kan worden ingesteld tot aan het moment dat de zaak voor arrest staat. Die benadering ligt echter niet voor de hand, omdat het een noodgreep is die wordt toegepast omdat na verstekverlening er geen roldatum is ‘waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen’, zoals art. 218 Rv bepaalt. In cassatie is die er echter wel, namelijk de datum waarop de zaak voor schriftelijke toelichting staat. Het lijkt mij dan ook dat dat het uiterste moment is voor het instellen van een incidentele voeging tot vordering in cassatie in een verstekzaak. Een andere mogelijkheid is het moment waarop de verweerder in cassatie zijn verweerschrift had moeten indienen indien hij op de in de procesinleiding vermelde datum was verschenen, oftewel vier weken nadien.10.Dit is echter een hypothetisch moment en daarom minder eenvoudig bepaalbaar dan het moment dat voor de schriftelijke toelichting is bepaald. Het moment dat voor de schriftelijke toelichting is bepaald heeft daarom m.i. de voorkeur.
3.16
Uitgaande van de datum die voor schriftelijke toelichting is bepaald, is de voorliggende incidentele vordering tijdig ingediend. Aangezien op dit punt geen duidelijkheid bestaat in rechtspraak en literatuur, ligt het hoe dan ook voor de hand om de voorliggende vordering als tijdig aan te merken en regels te geven voor toekomstige gevallen.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Bij de beoordeling van deze vordering tot voeging dient het volgende tot uitgangspunt.11.
4.2
Ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voeging houdt in dat een partij zich aansluit bij het standpunt van de partij aan wiens zijde hij zich heeft gevoegd. Hij kan slechts dit standpunt ondersteunen.12.Voegen is in de meeste zaken ook mogelijk in cassatie.13.Ook is het mogelijk dat voor het eerst in cassatie een vordering tot voeging wordt ingesteld. De aard van de cassatieprocedure verzet zich niet tegen voeging, met dien verstande dat de derde die zich heeft mogen voegen gebonden is aan de rechtsstrijd zoals die door de middelen is bepaald. Hij kan niet zelf middelen tegen de bestreden uitspraak aanvoeren, ook al mocht de cassatietermijn nog niet zijn verstreken.14.De gevoegde partij zal zich moeten houden aan de beperkingen van het cassatiedebat en dus onder andere geen nieuwe feiten kunnen aanvoeren.15.
4.3
Voor het aannemen van het voor voeging vereiste belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich wenst te voegen. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert. In de mogelijke precedentwerking van die uitspraak is dus niet reeds een voldoende belang gelegen, ook niet indien sprake is van sterk op elkaar gelijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen.16.
4.4
De partij die een vordering tot voeging instelt, dient gemotiveerd te stellen en, bij betwisting, te bewijzen welke de voor haar nadelige gevolgen van toe- dan wel afwijzing van de in de procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen kunnen zijn.17.
4.5
De eisen van een goede procesorde kunnen aan toewijzing van de gevorderde voeging in de weg staan.18.Dat kan onder meer het geval zijn indien toewijzing tot een onredelijke vertraging van de hoofdzaak zou leiden (art. 20 Rv), maar daarvan is geen sprake enkel omdat een op zich tijdig ingestelde vordering ook eerder had kunnen worden ingesteld.19.
4.6
[X] en [Y] hebben aan hun vordering tot voeging ten grondslag gelegd dat het hof heeft geoordeeld over de maatregelen die CGJG naar aanleiding van en op basis van de verklaringen van [X] en [Y] heeft genomen en dat het resultaat daarvan is dat het hof CGJG heeft geboden toestemming te geven aan en erop toe te zien dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente Harderwijk-Oost alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat [Z] geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor [Z] als kindermisbruiker. Hierdoor is/wordt door de ouderlingen het beeld geschapen dat [X] en [Y] geen slachtoffer zijn van seksueel kindermisbruik.20.Daarbij wordt erop gewezen dat de gebeurtenissen zich afspelen in een kleine en besloten gemeenschap waarin het aan iedereen bekend is dat het om [X] en [Y] gaat.
4.7
Hiermee hebben [X] en [Y] hun belang bij voeging in cassatie voldoende onderbouwd. De procedure in de hoofdzaak heeft betrekking op de wijze waarop CGJG heeft gehandeld naar aanleiding van de melding van [Y] dat zij en [X] in hun jeugd seksueel zijn misbruikt door [Z] . Van in het bijzonder het gebod dat CGJG erop moet toezien dat het lichaam van ouderlingen de ouders van minderjarige kinderen in de gemeente moet vertellen dat [Z] geen kindermisbruiker is, is aannemelijk dat dit negatieve (feitelijke) gevolgen heeft voor [Y] en [X] , omdat die mededeling impliceert dat [Z] [X] en [Y] niet seksueel heeft misbruikt, terwijl CGJG eerder restricties heeft opgelegd en ouders heeft gewaarschuwd naar aanleiding van de melding van [Y] .
4.8
Het toewijzen van de voeging leidt niet tot strijd met de goede procesorde.
4.9
Bij deze stand van zaken kunnen de overige stellingen die [X] en [Y] aan hun vordering tot voeging ten grondslag hebben gelegd, onbesproken blijven. Veel van die stellingen zullen nader aan de orde komen bij de bespreking van het cassatiemiddel in de hoofdzaak, zij het dat [X] en [Y] als gevoegde partijen gebonden zijn aan de rechtsstrijd zoals die door de middelen is bepaald.
Slotsom
2.31
De slotsom is dat [X] en [Y] kunnen worden toegelaten om zich in de cassatieprocedure tussen CGJG en [Z] te voegen aan de zijde van CGJG.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot toewijzing van de incidentele vordering tot voeging.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑10‑2025
Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1406, JA 2025/123 m.nt. P.B.C.D.F. van Sasse van IJsselt, rov. 2.1 en rov. 3.2-3.24. De feiten zijn verkort opgenomen.
Rechtbank Noord-Nederland 26 juli 2023, zaaknummer C/19/139514 / HA ZA 22-54. De uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl. In rov. 4.5 verwoordt de rechtbank het als volgt: “Op basis van het voorgaande heeft CGJG destijds naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid en op goede gronden tot een belangenafweging mogen komen waarbij zij het interne protocol inwerking zou stellen, temeer nu [Z] destijds als ouderling werkzaam was.”
Rechtbank Noord-Nederland 16 april 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1550.
De procesinleiding is op 11 mei 2025 ingekomen via het Portaal van de Hoge Raad.
Kamerstukken II 26855, nr. 3, p. 128 (MvT).
G.J. Harryvan, in: Sdu Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 218 Rv, aant. 2 (actueel t/m 11 juli 2023). Vgl. Rb. Maastricht 23 februari 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BP6046, NJF 2011/275, rov. 2.12. Vgl. ook G. Snijders, in: Groene Serie Burgerlijke rechtsvordering, art. 218, aant. 2 (actueel t/m 29-01-2024).
HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2220, NJ 2018/471, JOR 2019/47, m.nt M.C. van Genugten, rov. 3.5. De vordering tot voeging was in die zaak ingesteld nadat verweerders in cassatie een verweerschrift hadden ingediend. Zie rov. 2, 3.3.2, 3.3.3, 3.3.7 van het arrest. Zie ook mijn conclusie in die zaak, onder 2.5-2.7 in samenhang met 3.1-3.6. Volgens plv. P-G Wissink kan art. 218 in cassatie analogisch worden toegepast: ECLI:NL:PHR:2025:695, voor HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1534, voetnoot 4. Vgl. ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/243.
Conclusie A-G Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2019:999, voor 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1788, voetnoot 16; conclusie A-G Vlas, ECLI:NL:PHR:2019:1008, voor HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787, NJ 2019/451, JBPr 2020/6, m.nt. M.O.J. de Folter, onder 2.6; conclusie plv. P-G Wissink, ECLI:NL:PHR:2025:695, voor HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1534, voetnoot 4; B.T.M. van der Wiel m.m.v. M.M. Stolp, in: Cassatie (BPP nr. 20) 2019/236.
Zie op dit punt art. 3.1.6.2 van het Procesreglement van de Hoge Raad der Nederlanden.
Dit juridisch kader is gedeeltelijk ontleend aan de conclusie van plv. P-G Wissink, ECLI:NL:PHR:2025:695, voor HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1534, onder 2.2-2.10, 2.2.6 en 2.29.
Vgl. HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787, NJ 2019/451, JBPr 2020/6, m.nt. M.O.J. de Folter, rov. 2.4.3; G. Snijders, in: GS Burgerlijke rechtsvordering, § 3. Voeging en tussenkomst, aant. 2 (actueel t/m 29-01-2024); N. Mirzojan, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 217 Rv, aant. 1.b (actueel t/m 01-04-2025).
Voeging is bijvoorbeeld niet mogelijk in onteigeningszaken: HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5706, NJ 2010/375, rov. 2.2.
Aldus HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168, JBPr 2008/26 m.nt. M.O.J. de Folter, rov. 3.3.
Zie G. Snijders, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, § 3. Voeging en tussenkomst, aant. 8 (actueel t/m 29-01-2024).
Aldus HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1534, rov. 3.2.1 en eerder ook HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602, NJ 2015/295, JBPR 2015/64, m.nt M.O.J. de Folter; HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:750, NJ 2021/199, JBPr 2022/3, m.nt T.G. Lautenbach, rov. 2.4. Zie voorts de volgende arresten, waarin de rechtsregel over het belang van precedentwerking nog niet wordt genoemd: HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, NJ 2015/206 m.nt. H.B. Krans, JIN 2014/93 m.nt. J. van Weerden, rov. 4.1.2; HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534, NJ 2015/369, rov. 3.4; HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:306, NJ2017/125, JBPr 2017/37 m.nt. M.O.J. de Folter, rov. 3.3; HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787, NJ 2019/451, JBPr 2020/6, m.nt. M.O.J. de Folter, rov. 2.3. Zie nader o.m. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/46.
Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, NJ 2015/206 m.nt. H.B. Krans, JIN 2014/93 m.nt. J. van Weerden, rov. 4.1.4; HR 11 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534, NJ 2015/369, rov. 3.5; concl. A-G Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2021:154, voor HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:750, JBPr 2022/3 m.nt. Th.G. Lautenbach, onder 2.14; plv. P-G Wissink, ECLI:NL:PHR:2025:695, voor HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1534, onder 2.26, G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 217 Rv, aant. 4 (actueel t/m 15 januari 2024).
HR 2025, rov. 3.2.2; HR 15 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:43, JBPr 2021/36, m.nt M.O.J. de Folter, JIN 2021/30, m.nt G.J. de Bock, rov. 3.3; HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787, rov. 2.4.4
HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206 m.nt. H.B. Krans, JIN 2014/93 m.nt. J. van Weerden, rov. 4.1.2, 4.2.2-4.2.3.
Incidentele vordering tot voeging, onder 2.3 en 2.7.
Beroepschrift 11‑05‑2025
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE IN CASSATIE
11 mei 2025
Eiser:
Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland,
gevestigd te Emmen (‘CGJG’)
De advocaat bij de Hoge Raad mr. A. Knigge (Houthoff, Gustav Mahlerplein 50, 1082 MA Amsterdam) vertegenwoordigt als zodanig CGJG in deze cassatieprocedure.
Verweerder:
Dhr. [Z],
wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats] (‘[Z]’)
Verweerder heeft in deze zaak laatstelijk woonplaats gekozen bij de advocaat mr. J.R. Bügel (Helmantel & Bügel Advocaten, De Bolder 10, 8251 KC te Dronten).
Bestreden uitspraak
CGJG stelt cassatieberoep in tegen het arrest, uitgesproken op 11 februari 2025, van het Gerechtshof te Arnhem (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.334.028/01 tussen CGJG als geïntimeerde en [Z] als appellant (het ‘arrest’).
Verschijningsdatum verweerder
Dhr. [Z] wordt opgeroepen om ten laatste op woensdag 11 juni 2025 bij de Hoge Raad te verschijnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur 's ochtends in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
Middel van cassatie
CGJG voert tegen het arrest het volgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft over-wogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
A. Inleiding
1. De kern van de zaak
1.1.
Deze zaak betreft een kerkelijke aangelegenheid. Het hof heeft een oordeel geveld over het handelen van (ouderlingen van) het kerkgenootschap CGJG in een zaak die uitsluitend door het kerkelijk recht wordt beheerst. De aanleiding voor dit handelen zijn klachten aangaande seksueel kindermisbruik door één van zijn leden, de heer [Z]. De ouderlingen van de kerkelijke gemeente hebben naar aanleiding van deze klachten mede met het oog op de bescherming van minderjarigen binnen de gemeente [Z] beperkingen (restricties) opgelegd en ouders van minderjarige kinderen in de gemeente gewaarschuwd. [Z] is van mening dat CGJG bij de behandeling van deze meldingen onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem. Het hof heeft op vordering van [Z] (i) geoordeeld dat CGJG onrechtmatig jegens [Z] heeft gehandeld, (ii) CGJG geboden toestemming te geven en erop toe te zien dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente [a-plaats] alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om hen te vertellen dat [Z] geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor [Z] als kindermisbruiker (en waaraan het hof een last onder dwangsom heeft verbonden), (iii) CGJG veroordeeld tot betaling van EUR 423,44 aan materiële schade en EUR 25.000,00 aan immateriële schade en (iv) CGJG veroordeeld in de proceskosten van het geding.
1.2.
Met de toewijzing van de vorderingen van [Z] miskent het hof dat de kwestie die aan de orde is, valt onder het ‘kerkelijk statuut’ zoals bedoeld in artikel 2:2 lid 2 BW, als gevolg waarvan de burgerlijke rechter in deze aangelegenheid niet bevoegd is. Althans het hof had de zaak moeten terugverwijzen naar de rechtbank conform artikel 76 Rv, omdat de rechtbank zich in eerste instantie (grotendeels) onbevoegd had verklaard. In elk geval heeft het hof ten onrechte [Z] ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen, althans kon het hof niet overgaan tot een inhoudelijke toetsing van het kerkrechtelijke besluit van CGJG. Bovendien heeft het hof een (deels) onuitvoerbare uitspraak gedaan.
B. Feiten en procesverloop
2. De kerkelijke kwestie
2.1.
CGJG is een kerkgenootschap. [Z] maakt deel uit van de toenmalige (kerkelijke) gemeente [a-plaats]1., welke gemeente behoort tot het kerkgenootschap CGJG.2. In januari 2020 zijn restricties aan [Z] opgelegd na onderzoek naar klachten over seksueel misbruik van zijn minderjarige zussen. In november 2021 zijn deze restricties opgeheven.3.
2.2.
De restricties zijn opgelegd naar aanleiding van een melding door het jongste en zes jaren jongere zusje van [Z], [Y] (‘[Y]’), en een daaropvolgend onderzoek door twee ouderlingen van de gemeente inzake seksueel kindermisbruik door [Z].4. De melding door [Y] hield in dat zij en haar anderhalf jaar oudere zus [X] (‘[X]’) in hun jeugd seksueel zijn misbruikt door [Z].5. De ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2] hebben vervolgens het Bijkantoor geinformeerd over de melding. Op instructie van de Dienstafdeling van het bijkantoor hebben de ouderlingen een onderzoek ingesteld naar de beschuldiging.6. Nadat deze ouderlingen hadden gesproken met [Y] en haar echtgenoot, [X] (en haar echtgenoot), de ouders van [Z] en [Z] zelf, en nadat zij contact hadden opgenomen met het Bijkantoor, heeft CGJG restricties opgelegd aan [Z].7. De ouderlingen hebben de brief met de opgelegde restricties op 12 januari 2020 aan [Z] voorgelezen.8.
3. De procedures in feitelijke instantie
3.1.
[Z] heeft zich op 22 maart 2022 gewend tot de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen. [Z] beklaagt zich in deze zaak over het handelen van CGJG. Meer in het bijzonder betreft de klacht van [Z] dat CGJG onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem ten onrechte te beschuldigen van seksueel kindermisbruik en op basis daarvan ten onrechte restricties heeft opgelegd met als gevolg dat het recht van [Z] op zijn eer en goede naam is aangetast. Volgens [Z] zouden door CGJG de relevante kerkelijke regels zijn geschonden als gevolg waarvan CGJG onzorgvuldig en onrechtmatig jegens hem zou hebben gehandeld.9. [Z] vorderde — in de kern — dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door [Z] ten onrechte als dader van kindermisbruik te hebben aangemerkt, een gebod dat CGJG zou toezien op rectificatie van die beschuldiging en toewijzing van (im)materiële schadevergoeding.10. CGJG voerde hiertegen verweer. Het primaire standpunt van CGJG, voor alle weren, betrof dat de burgerlijke rechter zich ratione materiae onbevoegd diende te verklaren om van het geschil kennis te nemen.11. Bij vonnis van 26 juli 2023 heeft de rechtbank Noord-Nederland vastgesteld dat CGJG naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid heeft kunnen komen tot het punt waarop CGJG haar belangenafweging maakte en het besluit nam om de interne procedure te volgen en verklaarde zich voor het overige onbevoegd om inhoudelijk kennis te nemen van de door [Z] ingestelde vorderingen.12.
3.2.
Op 20 oktober 2023 heeft [Z] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.13. De strekking van de grieven loopt uiteen, maar de grieven hebben alle tot doel de vorderingen zoals bij de rechtbank ingesteld alsnog toegewezen te krijgen.14. CGJG heeft incidenteel beroep ingesteld.15. Dat beroep strekt ertoe dat het hof zich alsnog als burgerlijke rechter in het geheel onbevoegd dient te verklaren.16. Het hof heeft op 11 februari 2025 arrest gewezen. Daarin heeft het hof de vorderingen van [Z], uitvoerbaar bij voorraad, toegewezen en het door CGJG ingestelde incidenteel hoger beroep verworpen.17.
3.3.
CGJG heeft op 18 maart 2025 [Z] in kort geding gedagvaard. CGJG vorderde — kort gezegd — schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest. Op 2 april 2025 heeft bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (‘Voorzieningenrechter’) een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Op 16 april 2025 heeft de Voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het dictum van het arrest geschorst voor zover het behelst dat CGJG er op toe ziet dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente [a-plaats] alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat [Z] geen kindermisbruiker is. CGJG heeft inmiddels — onder protest — voor het overige uitvoering gegeven aan de veroordeling uit het arrest.
4. De cassatieklachten samengevat
4.1.
Hierna voert CGJG een zestal klachten aan tegen het arrest. De eerste vier klachten zijn gericht tegen het oordeel van het hof ten aanzien van zijn bevoegdheid of de ontvankelijkheid van [Z] in zijn vorderingen. Klachtonderdeel 1 komt in de kern erop neer dat het hof zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard op de grond dat sprake is van een geschil tussen een kerklid en een kerk over vermeend onrechtmatig handelen door de kerk, en het hof met dat oordeel heeft miskend dat onder andere artikel 2:2 lid 2 BW, welk artikel een verankering betreft van het beginsel van scheiding tussen kerk en staat, aan die bevoegdheid in de weg staat. Klachtonderdeel 2 komt erop neer dat het hof in strijd met artikel 76 Rv de zaak aan zich heeft gehouden, althans in strijd met de goede procesorde partijen niet de gelegenheid heeft geboden hun stellingen aan te passen, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. Klachtonderdeel 3 richt zich tegen het ontvankelijkheidsoordeel van het hof. Klachtonderdeel 4 klaagt, voortbouwend op klachtonderdelen 1 en 3, dat het hof heeft miskend dat slechts sprake kan zijn van bemoeienis door de overheidsrechter in het geval dat een belang van zo fundamentele aard in het geding is dat ondanks de aan de kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid afwijking van dwingend recht niet kan worden aanvaard, althans dat het oordeel van het hof dat sprake zou zijn van een dergelijk belang onbegrijpelijk gemotiveerd is.
4.2.
Klachtonderdeel 5 betreft een rechtsklacht inhoudende dat het hof heeft miskend dat zelfs in het geval de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen over een kerkelijke kwestie, de burgerlijke rechter daarbij terughoudendheid aan de dag dient te leggen en slechts marginaal kan toetsen ten aanzien van de vraag of een besluit van een kerkgenootschap in de gegeven omstandigheden onverenigbaar is met de wet in de zin van artikel 2:2 lid 2 BW.
4.3.
Klachtonderdeel 6 klaagt tot slot dat een deel van het dictum uit het arrest onuitvoerbaar is.
C. Klachten
1. Het hof neemt ten onrechte bevoegdheid aan
In rov. 3.1 verklaart het hof zich bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [Z]. Onder het kopje ‘Bevoegdheid’ verwerpt het hof in rov. 3.29 CGJG's beroep op de onbevoegdheid van de burgerlijke rechter, onder meer door — samengevat — te overwegen dat de scheiding tussen kerk en staat een gang naar de burgerlijke rechter niet per definitie uitsluit aangezien artikel 17 Grondwet gelezen in samenhang met artikel 112 Grondwet zich daartegen verzet. Het hof overweegt — samengevat — dat, nu [Z] met zijn vordering uit onrechtmatige daad civiele rechten inroept waarvoor het Nederlands burgerlijk recht bescherming biedt, de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van de vordering. In rov. 3.30 passeert het hof het beroep van CGJG op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (‘EHRM’). In rov. 4.1 van het dictum vernietigt het hof het vonnis waarin de rechtbank zich gedeeltelijk onbevoegd heeft verklaard.
Klachten
1.1.
Het hof heeft met deze oordelen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent immers dat in een geval als het onderhavige waarin de vorderingen van [Z] een onderwerp betreffen dat valt onder het ‘kerkelijk statuut’ van CGJG zoals bedoeld in artikel 2:2 lid 2 BW,18. en dat uitsluitend door het ‘kerkelijk statuut’ wordt beheerst,19.artikel 9 jo. artikel 11 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (‘EVRM’) en/of artikel 6 Grondwet in samenhang met het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat20. een religieuze gemeenschap of kerk bescherming biedt tegen bemoeienis van de Staat of de overheidsrechter en het hof zich daarom onbevoegd had dienen te verklaren althans zich van een oordeel had dienen te onthouden. Het hof miskent immers dat die bescherming tegen statelijke inmenging in kerkelijke aangelegenheden niet (reeds) doorbroken kan worden op de (enkele) grond dat een lid van die kerk in een geschil met die kerk zich ten overstaan van de burgerlijke rechter beroept op onrechtmatig handelen door de kerk. Onjuist is ook dat een dergelijke rechtsopvatting zoals in de vorige volzin verwoord, die religieuze gemeenschappen en kerken vrijwaart tegen ongerechtvaardigde bemoeienis van de Staat met religieuze en kerkelijke aangelegenheden, in strijd is met grondwettelijke waarborgen zoals neergelegd in de artikelen 17 en 112 Grondwet. Dit is immers in elk geval zo in het onderhavige geval waarin de vorderingen een onderwerp betreffen dat valt onder het kerkelijk statuut en uitsluitend door het statuut wordt beheerst, en het hof niet — althans niet in het kader van de beoordeling van zijn bevoegdheid — heeft vastgesteld dat sprake is van strijd met de wet zoals bedoeld in artikel 2:2 lid 2 BW. Indien 's hofs oordeel in rov. 3.29 niettemin aldus moet worden begrepen dat dit in samenhang met rov. 3.41 dient te worden gelezen en het hof wel heeft vastgesteld dat sprake is van strijd met de wet zoals bedoeld in artikel 2:2 lid 2 BW, kan dit op de gronden zoals toegelicht in klachtonderdeel 4 evenmin in stand blijven.
1.2.
Eveneens/althans is onjuist, zoals het hof in rov. 3.29 (slot) oordeelt, dat de burgerlijke rechter in een geschil tussen een kerklid en een kerk (steeds) bevoegd is van de vordering van het kerklid kennis te nemen. Dit oordeel miskent hetgeen in klachtonderdeel 1.1 is verwoord en bovendien dat artikel 9 jo. 11 EVRM in samenhang met artikel 6 Grondwet en het beginsel van scheiding tussen kerk en staat, zoals ook verankerd in artikel 2:2 lid 2 BW, de kerk waarborgen biedt tegen bemoeienis door de Staat (en de burgerlijke rechter) met interne kerkelijke geschillen, en de burgerlijke rechter dus niet bevoegd is te oordelen in en over een dergelijk kerkelijk geschil, althans zich van een oordeel daarover dient te onthouden en dat dit slechts anders is — hetgeen het hof ook in rov. 3.30 miskent — indien een ‘civil right’ in de zin van artikel 6 EVRM in het geding is. Het hof heeft niet vastgesteld dat daarvan sprake is.21.
1.3.
Althans is onbegrijpelijk het oordeel in rov. 3.29 dat de burgerlijke rechter bevoegd is omdat [Z] zich op civiele rechten beroept waarvoor het Nederlands burgerlijk recht bescherming biedt. [Z] heeft zijn vordering weliswaar gepresenteerd als ‘civiele’ vordering, waarbij hij zich beroept op onrechtmatig handelen jegens hem. Echter, uit hetgeen door hem is betoogd, blijkt dat het hem in werkelijkheid te doen is om ‘de wijze waarop het interne kerkrecht is toegepast’22. en de volgens hem ten onrechte opgelegde restricties ‘ten gevolge waarvan [[Z]] zijn recht op zijn eer en goede naam is aangetast’ (binnen de kerkelijke gemeenschap).23. CGJG heeft reeds toegelicht dat dat vermeende ‘onrecht’ ziet op de enige verhouding tussen hen, namelijk (enkel) een kerkelijke verhouding.24.
Het betoog van [Z] maakt aldus juist duidelijk dat [Z] klaagt over een geheel kerkelijke aangelegenheid. Daarom is niet in te zien waarom zijn vordering (ook) betrekking heeft op een 'civil right’ in de zin van artikel 6 EVRM, althans een burgerlijk recht, waarover de burgerlijke rechter bevoegd zou zijn te oordelen.
2. Het hof heeft in strijd met artikel 76 Rv de zaak aan zich gehouden, althans in strijd met de goede procesorde partijen niet de gelegenheid geboden hun stellingen aan te passen, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven waardoor de zaak op grond van een onvolledige feitelijke grondslag is beoordeeld en beslist
CGJG heeft zich in eerste aanleg primair beroepen op de onbevoegdheid van de rechtbank.25. De rechtbank heeft in haar vonnis van 26 juli 2023 (het ‘vonnis’) onder rov. 4.1 overwogen dat zij dit meest verstrekkende verweer eerst dient te beoordelen omdat, indien het slaagt, zij niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. In rov. 4.4 en 4.5 van het vonnis onderzoekt de rechtbank haar bevoegdheid in het licht van de stellingen van partijen. In rov. 4.6 van het vonnis oordeelt de rechtbank dat CGJG naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot het punt heeft kunnen komen waarop de belangenafweging werd gemaakt en het besluit om de interne procedure te volgen werd genomen, en dat de rechtbank zich voor het overige onbevoegd zal verklaren om van de vorderingen van [Z] kennis te nemen. De rechtbank overweegt voorts in rov. 4.6 dat dit met zich brengt dat zij niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de overige standpunten van partijen. Het dictum van het vonnis onder rov. 5.1 en 5.2 is in overeenstemming met dit oordeel.26.
In het principaal beroep heeft CGJG haar primaire bevoegdheidsverweer (exceptie) gehandhaafd,27. en in incidenteel beroep gegriefd28. tegen het oordeel van de rechtbank voor zover zij zich bevoegd had verklaard.29.
Het hof heeft zich in rov. 3.1 bevoegd verklaard van de vorderingen van [Z] kennis te nemen, in rov. 3.28 — 3.30 het primaire bevoegdheidsverweer (exceptie) in het principaal en incidenteel beroep (thematisch) behandeld en verworpen, en — anders dan de rechtbank — vervolgens de (gehele) zaak inhoudelijk beoordeeld en beslist. In rov. 4.1 van het dictum van het arrest vernietigt het hof het vonnis waarin de rechtbank zich onbevoegd had verklaard, en in rov. 4.2 e.v. van het dictum wijst het hof de vorderingen van [Z] toe.
Klachten
2.1.
Het oordeel van het hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk.
2.1.1.
Immers, door aldus te oordelen, namelijk door de zaak aan zich te houden zonder dat partijen hebben verklaard dat te verlangen, en door niet te verwijzen naar de rechtbank teneinde het geding te voltooien met het oog op een inhoudelijke uitspraak maar in plaats daarvan in hetzelfde arrest als waarin het hof de onbevoegd-verklaring van de rechtbank heeft vernietigd en zich bevoegd heeft verklaard, de zaak inhoudelijk te behandelen, te beoordelen en te beslissen, heeft het hof artikel 76 Rv geschonden, althans heeft het hof miskend dat de rechtbank zich onbevoegd had verklaard uit hoofde van het onderwerp van het geschil en dat na vernietiging van die uitspraak de zaak verwezen diende te worden naar de rechtbank.
2.1.2.
Voor zover het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, is dit ondeugdelijk gemotiveerd nu zonder nadere motivering — die ontbreekt — onbegrijpelijk is wat de gedachtegang van het hof is geweest die ertoe heeft geleid dat het hof — in weerwil van artikel 76 Rv, althans niettegenstaande de vernietiging van de uitspraak waarin de rechtbank zich onbevoegd had verklaard uit hoofde van onderwerp van het geschil — de zaak aan zich heeft gehouden en niet heeft verwezen naar de rechtbank voor een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
2.1.3.
Het verzuim de zaak te verwijzen naar de rechtbank heeft tot gevolg gehad dat een voldragen inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg (én in hoger beroep) niet heeft plaatsgevonden. CGJG is hierdoor ernstig in haar verdedigingsbelang geschaad. Zij heeft geen gelegenheid gehad naar aanleiding van de bevoegd-verklaring door het hof haar stellingen aan te vullen en aan te passen en bewijs bij te brengen, en haar is een inhoudelijke behandeling van de zaak in twee feitelijke instanties onthouden. In dit kader is van belang dat het hof onder meer in rov. 3.36 overweegt dat sprake is van onduidelijkheid, en in rov. 3.37 — 3.41 overweegt dat bepaald bewijs en nadere details ontbreken terwijl CGJG na verwijzing naar de rechtbank haar stellingen had kunnen, willen en zullen aanvullen en bewijs zou hebben bijgebracht. Het gaat onder meer om drie documenten inzake het onderzoek naar de beschuldiging aan het adres van [Z], die CGJG bij een eerder door haar ingeschakelde advocaat heeft kunnen achterhalen:
- a.
Productie C-3, ‘Verslag seksueel misbruik’ d.d. 19 januari 2020, opgesteld door ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2]. In dit verslag is gedocumenteerd wie de betrokkenen zijn, welke feiten zijn verklaard en hoe de ouderlingen hebben gehandeld. Onder meer is verklaard dat het misbruik over een periode van 2 à 3 jaar meerdere keren per week heeft plaatsgevonden en dat dit misbruik door [Z] in verschillende gesprekken is bevestigd. Verder blijkt uit dit verslag dat [Z] heeft verklaard dat hij ongeveer 18 jaar was toen het misbruik plaatsvond, en dat hij later met betrekking tot de aanvang van het misbruik heeft verklaard dat hij toen 14 à 15 jaar was. Uit het verslag blijkt eveneens dat het misbruik bestond uit het strelen van de geslachtsorganen en borsten, het aanzetten tot seksuele handelingen, geslachtsgemeenschap en orale seks.
- b.
Productie C-4, lijst van bezochte gezinnen januari 2020. Dit betreft een lijst van tien gezinnen binnen de gemeente [a-plaats]. De heer [ouderling 1] (‘[ouderling 1]’) en de heer [ouderling 2] (‘[ouderling 2]’) hebben in januari 2020 gesproken met de ouders van deze tien gezinnen met minderjarige kinderen in de gemeente. In overeenstemming met de religieuze wet van Jehovah's getuigen waarschuwden zij de ouders ervoor te zorgen dat hun kind nooit alleen zal zijn met [Z].
- c.
Productie C-5, aantekeningen van [ouderling 2] en [ouderling 3] van 9 november 2020. Dit betreft het transcript van een zoomgesprek — tijdens corona — waarin [ouderling 2] en de heer [ouderling 3] verslag doen van het onderzoek naar en de beraadslagingen over de verklaring van [X] en mededelen, onder verwijzing naar het Bijbelse standpunt van Jehovah's Getuigen met betrekking tot de bescherming van kinderen, alinea 5, dat geen wijziging wordt aangebracht in de opgelegde restricties.
Bewijs dat CGJG na verwijzing in feitelijke instantie had kunnen bijbrengen betreft voorts verklaringen van directe betrokkenen, zoals die ook blijken uit de volgende documenten:
- d.
Productie C-6, gezamenlijke schriftelijke verklaring van [X] en [Y] en hun echtgenoten [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. [X] en [Y] bevestigen beiden dat ze herhaaldelijk seksueel zijn misbruikt door [Z]. [X] was ongeveer 12 jaar oud en het misbruik duurde 2,5 jaar. [Y] was ongeveer 10 jaar oud en het misbruik gebeurde meer dan eens. [Z] was ongeveer 17 jaar toen hij begon met het misbruik van beide meisjes, wat betekent dat het misbruik zou hebben geduurd tot hij minstens 18 of 19 jaar oud was.
- e.
Productie C-7, schriftelijke verklaring van [betrokkene 2]f van 25 februari 2025. Deze verklaring vult de bovenstaande gezamenlijke verklaring aan en legt uit dat [X] het misbruik voor het eerst meldde aan een vriend van de familie in haar late tienerjaren (rond 1999 of 2000). Ze herhaalde de details van het misbruik in 2015, 201 9 en begin 2020. Met betrekking tot het misbruik waarvan [Y] het slachtoffer was, vernam [betrokkene 2] sommige details van [Y] kort nadat ze getrouwd waren en later toen hij door [Y]'s vader op de hoogte werd gebracht tijdens een familievakantie. In augustus 2019 onthulde [Y] aan [betrokkene 2] de volledige details van het misbruik.
- f.
Productie C-8, schriftelijke verklaring van [ouderling 1] van 22 februari 2025. [ouderling 1] heeft onder meer verklaard hetgeen [X] tegen hem heeft verteld op 25 november 2019 inzake het door [Z] gepleegde misbruik. [X] had hem verteld dat ze twee tot drie jaar lang meerdere keren per week seksueel werd misbruikt door [Z]. Ze was toen 12–13 jaar oud op het moment van het misbruik. [Y] had aan Lars verteld dat ze minstens één keer seksueel misbruikt is door [Z], toen ze 11 of 12 jaar oud was. Uit de verklaring van [ouderling 1] volgt eveneens dat hij en [ouderling 2] [Z] hebben bezocht en [Z] heeft bevestigd dat de beschuldigingen waar waren en heeft verklaard dat zijn misbruik van [X] zeer regelmatig gebeurde en dat [X] 12–13 jaar was op het moment van het misbruik. Over het misbruik van [Y] verklaarde [Z]: ‘dat moet dan wel gebeurd zijn'. Op de vraag of het misbruik plaatsvond toen hij 18 jaar oud was, bevestigde [Z] tot drie keer toe die leeftijd. Tot slot verklaart [ouderling 1] dat hij — noch enige andere ouderling — nooit heeft gezegd dat alle ouderlingen de ouders willen informeren dat [Z] geen kindermisbruiker is, maar dat het bijkantoor dat tegenhoudt.
- g.
Productie C-9, schriftelijke verklaring van [ouderling 2] van 23 februari 2025. [ouderling 2] verklaart eveneens dat [X] en [Y] tegenover hem en [ouderling 1] hebben verteld dat [Z] [Y] en [X] in het verleden had gedwongen om deel te nemen aan seksuele activiteiten. [X] vertelde dat ze meerdere keren per week werd misbruikt en dat dit twee jaar of langer duurde. [X] vertelde dat ze toen 13 jaar oud was. [ouderling 2] en [ouderling 1] hebben ook [Z] bezocht. [ouderling 1] vroeg herhaaldelijk of het waar was dat [Z] zijn zussen seksueel had misbruikt toen hij 18 jaar was. [Z] bevestigde dat. Later stelde [Z] de leeftijd die hij beweerde te hebben tijdens het seksueel misbruik bij naar 14 jaar.
- h.
Productie C-10, schriftelijke verklaring van [betrokkene 3] van 22 februari 2025. Uit de verklaring van [betrokkene 3] volgt dat [X] [betrokkene 3] en zijn vrouw heeft verteld over het seksueel misbruik door [Z]. Bovendien verklaart hij dat hij nooit heeft gezegd dat alle ouderlingen de ouders willen informeren dat [Z] geen kindermisbruiker is.
- i.
Productie C-11, schriftelijke verklaring van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] van 24 februari 2025. [betrokkene 4] en [betrokkene 5] verklaren dat [Z] hen heeft verteld dat er iets tussen hem en [X] was gebeurd op seksueel gebied, wat meer was dan ‘doktertje spelen’. Hij zou dit aan iedereen vertellen waar hij mee bevriend was. Hij vertelde dat [Y] hetzelfde beweerde, maar dat dat niet waar was. Later vertelde [X] aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] dat ze wist dat [Z] aan hen had verteld wat er was gebeurd. [X] vertelde hen dat het ging om seksueel misbruik gedurende een langere periode en dat haar vader [Z] en [X] een keer ‘betrapte’ en [Z] streng toesprak. Ook is aan hen verteld dat de man van [X] boos was dat de vader van [Z] en [Z] [X] hadden gedwongen de brief waarmee ze haar eerdere verklaring zou intrekken, te ondertekenen.
- j.
Productie C-12, schriftelijke verklaring van [betrokkene 6] van 24 februari 2025. [X] verklaarde ten overstaan van [betrokkene 6] dat ze de intrekkingsbrief had geschreven omdat ze de zaak achter zich wilde laten. Ze heeft in de brief niet gezegd dat [Z] haar niet seksueel had aangeraakt.
Tot slot legt CGJG het beleidsdocument Child Sexual Abuse — Guidelines for Branch Office Service Desks over als Productie C-13. Dit betreft een van de vier beleidsdocumenten die door het bijkantoor worden gebruikt om het kinderbeschermingsbeleid van Jehovah's Getuigen uit te voeren. Naar dit document wordt verwezen in CGJG's Productie 2, paragraaf 8, zoals ingediend in eerste aanleg. Die paragraaf luidt:
‘De restricties die in stap 6 aan een kwaaddoener worden opgelegd, gelden voor iedereen die met de gemeente verbonden is (gedoopt of niet). Deze beperkingen kunnen ook worden opgelegd als de kwaaddoener op dat moment jonger was dan 18 jaar (zie Zorg als een herder voor Gods kudde, hoofdstuk 14, alinea 11 en de Service Desk CSA Guidelines, alinea 13).’
De Service Desk CSA Guidelines bepalen in alinea's 13 en 15 dat in kwesties van ‘Sexual misconduct’ tussen minderjarigen, restricties worden opgelegd ingeval ‘one minor is significantly older than the other or in which the younger minor was not a willing participant or in which one minor has been involved with multiple minors.’
2.2.
Ook indien artikel 76 Rv in het onderhavige geval niet noopte tot verwijzing naar de rechtbank, is 's hofs oordeel in elk geval strijdig met de goede procesorde. Immers, waar, zoals in het onderhavige geval, wegens onbevoegd-verklaring door de rechtbank (uit hoofde van onderwerp van het geschil) een inhoudelijke behandeling en beoordeling in eerste aanleg (vrijwel geheel) achterwege is gebleven maar in hoger beroep het hof anders dan de rechtbank de exceptie van onbevoegdheid (geheel) verwerpt, de zaak aan zich houdt en overgaat tot een inhoudelijke behandeling daarvan, eist de goede procesorde dat het hof partijen eerst in de gelegenheid stelt hun stellingen daarop aan te passen. Door dit na te laten is CGJG ernstig in haar zijn verdedigingsbelang geschaad, zoals toegelicht in subonderdeel 2.1.3.
2.3.
Althans heeft het hof door zich anders dan de rechtbank wel bevoegd te verklaren en in hetzelfde arrest als waarin het zich bevoegd verklaarde, in rov. 3.35 — 3.42 over te gaan tot de inhoudelijke toetsing van de vorderingen van [Z] een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven, die (grotendeels) steunt op volgens het hof onvoldoende betwiste stellingen van [Z], welke stellingen CGJG wel degelijk nader gemotiveerd en nader gesubstantieerd had kunnen en willen betwisten. Het hof overweegt onder meer:
- a.
In rov. 3.38 dat ‘onvoldoende door CGJG is weersproken dat [Y] tot de beschuldiging is gekomen omdat zij tijdens een therapeutische behandeling een lichtflits heeft waargenomen en gezien heeft dat er door [Z] handelingen bij haar zijn verricht in de badkamer.’
- b.
In rov. 3.38 dat ‘[o] nweersproken is (…) de verklaring van [betrokkene 7], de vrouw van [Z]. Zij heeft verklaard dat de ouderlingen in het gesprek waar zij bij was leeftijden zijn gaan schatten, waartegen zij vervolgens heeft geprotesteerd.’
- c.
In rov. 3.38 dat '[v]oor wat betreft de verklaring van [Y] als getuige (…) CGJG [heeft] aangevoerd dat zij tijdens het onderzoek tegenover de ouderlingen heeft verklaard dat [Z] in de periode 1993–1996 haar eenmalig op een seksuele manier heeft aangeraakt. Ook hiervan is geen (schriftelijke) onderbouwing door CGJG gegeven, zodat niet valt na te gaan hoe het gesprek is verlopen en wat precies is verklaard. (…)’
- d.
In rov. 3.40 naar aanleiding van de schriftelijke intrekking van de verklaring van [X] uit 2020 dat ‘de ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2] [hebben] aangegeven dat er geen heroverweging zou plaatsvinden, terwijl de contacten met de kringopziener [betrokkene 8] ook geen verandering in de situatie hebben gebracht. Hij had echter, zoals onbetwist is gesteld, aangegeven dat de situatie anders zou komen te liggen als getuigen op een eerdere verklaring terugkomen.'
- e.
In rov. 3.40 dat CGJG ‘onvoldoende’ heeft toegelicht .[w] aarom zo'n lichte vorm van onreinheid, als dat heeft plaatsgevonden tussen de minderjarige [Z] en [X], niettemin als seksueel kindermisbruik moet worden aangemerkt’.
- f.
In rov. 3.41 dat .[o] nduidelijk is op basis van welke feiten CGJG tot de vergaande en voor [Z] verstrekkende conclusie heeft kunnen komen dat hij een dader is van seksueel kindermisbruik. Hetgeen CGJG daartoe naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om die conclusie te rechtvaardigen.’
- g.
In rov. 3.41 dat ‘[Z] (…) met de beschuldiging dader van seksueel misbruik te zijn, ernstig in zijn eer en goede naam [is] aangetast, ook dat is onrechtmatig. Op basis van deze onvoldoende onderbouwde beschuldiging zijn vergaande restricties opgelegd, die diffamerend zijn geweest voor [Z].’
- h.
In rov. 3.43 dat ‘onbetwist [is] gesteld dat (het lichaam van ouderlingen van) de gemeente [a-plaats] hiertoe [lees: alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen te bezoeken om de ouders te vertellen dat eiser geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor eiser als kindermisbruiker] reeds bereid is, maar dat [betrokkene 9] dit tegen houdt.’30.
2.4.
Het hof heeft voorts door in de hiervoor in randnummers 2.3.a, 2.3.c en 2.3.e genoemde rechtsoverwegingen te oordelen over feiten die betrekking hebben op [X] en [Y], zonder (ambtshalve) gelegenheid te bieden hen te (doen) horen, artikel 8 EVRM en artikel 56(d) van het Verdrag van Istanbul geschonden. Immers, aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [Z] en het handelen van CGJG liggen de verklaringen van [X] en [Y] ten grondslag, en de beschuldigingen aan het adres van [Z] betreffen zijn handelen jegens [X] en [Y]. Bevindingen ten aanzien van de verklaringen van [X] en [Y] of de gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt raken direct hun reputatie. Dit betreft een beperking van artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven waarborgt. Immers, de bescherming van reputatie maakt onderdeel uit van de bescherming die artikel 8 EVRM biedt en het trekken van conclusies met betrekking tot verklaringen van misbruikslachtoffers zonder die slachtoffers te horen althans gelegenheid te bieden te worden gehoord, kwalificeert als een inbreuk daarvan.31. Het hof heeft ten onrechte geen (ambtshalve) gelegenheid geboden [X] en [Y] als slachtoffers en getuigen te (doen) horen. Ook het Verdrag van Istanbul verplichtte het hof (ambtshalve) gelegenheid te geven [X] en [Y] te (doen) horen, nu artikel 56(d) van dat verdrag bepaalt dat (vermeende) slachtoffers van onder meer misbruik gelegenheid moeten worden geboden te worden gehoord en hun visie naar voren moeten kunnen brengen.32. Deze (direct werkende) verplichting, die neerkomt op het waarborgen van een spreekrecht van het slachtoffer, is in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering neergelegd.33. Dit spreekrecht geldt ook in het geval van seksueel misbruik van een minderjarig slachtoffer.34. Met de invoering van het spreekrecht in 2005 werd beoogd een bijdrage te leveren aan het herstel van emotionele schade en erkenning van het slachtoffer. Voorts dient het spreekrecht tot informatieverschaffing ten behoeve van het rechterlijk oordeel, tot speciale en tot generale preventie.35. Weliswaar betreft de onderhavige procedure een civiele zaak, maar dit op het Verdrag van Istanbul gestoelde spreekrecht van het slachtoffer werkt door in een zaak als deze, waarin het hof zich wel uitspreekt over het (tuchtrechtelijk) optreden van een kerkelijk instantie jegens een dader naar aanleiding van verklaringen van slachtoffers, echter zonder dat het hof zich zelf heeft vergewist van wat deze slachtoffers over het handelen van de misbruiker kunnen of willen verklaren. Ook om die reden had het hof niet mogen oordelen en beslissen zonder [X] en [Y] als slachtoffers van het handelen van [Z] (ambtshalve) gelegenheid te geven te worden gehoord.
2.5.
Het hof heeft ook ten onrechte nagelaten (ambtshalve) de twee ouderlingen die namens de gemeente [a-plaats] deze zaak hebben behandeld, [ouderling 1] en [ouderling 2], als getuigen te (doen) horen. De conclusies van het hof in rov. 3.36 — 3.40 die erop neerkomen dat het kerkelijk recht onjuist is toegepast en/althans dat de kerkrechtelijke regels niet nauwlettend zijn gevolgd, waardoor de ouders van minderjarige kinderen ten onrechte zijn gewaarschuwd voor [Z], betreffen immers het handelen van de ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2]. Het hof heeft, vanwege dit handelen CGJG opgedragen toestemming te geven en erop toe te zien dat de ouderlingen alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen bezoeken om het handelen van deze twee ouderlingen te rectificeren. Het hof heeft deze conclusie getrokken zonder [ouderling 1] en [ouderling 2] te horen, noch hen de gelegenheid te bieden te reageren op de verwijten die hun handelen als ouderling betreffen, 's Hofs oordeel is daarom in strijd met artikel 6 en 8 EVRM tot stand gekomen.
2.6.
Doordat het hof de zaak niet heeft verwezen noch partijen na (algehele) bevoegd-verklaring gelegenheid heeft gegeven hun stellingen daarop aan te passen en nader bewijs bij te brengen, dient — na vernietiging van het arrest en verwijzing — alsnog mede acht te worden geslagen op de in randnummers 2.1.3.a tot en met 2.1.3.j, genoemde bescheiden en gelegenheid te worden geboden [X] en [Y] en de twee ouderlingen ([ouderling 1] en [ouderling 2]) te (doen) horen.
3. Het hof oordeelt ten onrechte dat [z] ontvankelijk is in zijn vorderingen
Na zich in rov. 3.1 bevoegd te hebben verklaard en in rov. 3.29 en 3.30 het beroep van CGJG (exceptie) op de onbevoegdheid van de burgerlijke rechter te hebben verworpen, overweegt het hof in rov. 3.31 dat ‘[e] en andere vraag is of [Z] in zijn vorderingen ontvankelijk is.’
Bij de beantwoording van deze ‘andere vraag’ overweegt het hof in rov. 3.31 dat niet in geschil is dat de vordering van [Z] een onderwerp betreft dat onder ‘het statuut’ van CGJG valt. Volgens het hof moet — samengevat — de burgerlijke rechter in zo'n geval eiser niet-ontvankelijk verklaren indien gedaagde zich erop beroept, en toereikend onderbouwt, dat deze vordering uitsluitend in een met voldoende waarborgen omklede kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld.
In rov. 3.32 oordeelt het hof dat [Z] ontvangen kan worden in zijn vorderingen omdat — samengevat — een interne kerkelijke procedure voor geschilbeslechting ontbreekt waarin [Z] de tegen hem genomen maatregelen, die zijn eer en goede naam aantasten, kan aanvechten.
Klachten
3.1.
Het hof geeft met dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent immers — mede gelet op artikel 6 Grondwet en artikel 9 jo. 11 EVRM — dat in een geval als het onderhavige, waarin het onderwerp van de vordering wordt beheerst door ‘het statuut’ zoals bedoeld in artikel 2:2 lid 2 BW en dat daarom valt onder en binnen het bereik van de in die bepaling vervatte inrichtingsvrijheid, een kerkgenootschap het interne functioneren naar eigen inzicht kan vormgeven en daarbij zelfs kan afwijken van dwingend recht. Het hof heeft miskend dat ten aanzien van een dergelijk onderwerp en een dergelijke vordering de wet geen ruimte laat voor bemoeienis door de overheidsrechter, tenzij een belang van zo fundamentele aard in het geding is dat ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid afwijking van dwingend recht niet kan worden aanvaard.
3.2.
Voor zover het oordeel van het hof niet onjuist is, is dit onbegrijpelijk nu zonder nadere motivering — die ontbreekt — niet duidelijk is welk belang in het geding is dat van zo fundamentele aard is, dat ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende en met artikel 2:2 lid 2 BW gewaarborgde inrichtingsvrijheid, ingrijpen door de overheidsrechter in het onderhavige geval gelegitimeerd is.
3.3.
Indien het hof met zijn oordeel wel een dergelijk belang op het oog heeft gehad en doelt op het effect van de interne kerkelijke maatregelen op de eer en goede naam van [Z], miskent het hof dat kerkelijke maatregelen inzake vermaning en tucht met het oog op het welzijn van zowel een lid van de kerkelijke gemeenschap als die kerkelijke gemeenschap bij uitstek een zaak is die het interne functioneren en de inrichtingsvrijheid van een kerk betreft en dat een lid dat zich niet aan deze ordening en dit gezag wil onderwerpen daarvan kan afzien of deze kan verlaten, dat artikel 9 jo. 11 EVRM eraan in de weg staan dat de overheidsrechter beslist in een kwestie waarin een lid over die maatregelen in geschil is met de geestelijke autoriteiten binnen kerk, en dat deze maatregelen en de daardoor getroffen belangen dus niet een burgerlijk recht of civil right betreffen ter zake waarvan ingrijpen door de overheidsrechter gerechtvaardigd is.
3.4.
Indien 's hofs oordeel in rov. 3.32 aldus moet worden begrepen dat het (enkel) ontbreken van een kerkelijke rechtsgang of interne geschilbeslechtingsprocedure, (steeds) legitimeert dat de overheidsrechter intervenieert in een onderwerp dat door ‘het statuut’ wordt beheerst en daarmee valt binnen het bereik van de in die bepaling vervatte inrichtingsvrijheid, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting aangezien een ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepaling’ ontbreekt die kerkgenootschappen noopt steeds voor alle onderwerpen die door ‘het statuut’ worden beheerst een interne geschilbeslechtingsprocedure of kerkelijke rechtsgang open te stellen.
3.5.
Indien 's hofs oordeel in rov. 3.32 aldus moet worden begrepen dat door het nietinstellen van een rechterlijk comité [Z] een interne rechtsgang is onthouden, waardoor interventie door de overheidsrechter is gewettigd, is dit oordeel niet alleen op de in onderdeel 3.4 toegelichte gronden onjuist, maar ook onbegrijpelijk aangezien niet in geschil is dat een rechterlijk comité niet wordt ingesteld om een geschil met een lid van het kerkgenootschap te beslechten, maar een geestelijke en religieuze functie heeft en dient om op Bijbelse gronden te beoordelen of de betrokkene berouw heeft van een ernstige zonde begaan na zijn doop, dan wel dient te worden uitgesloten uit de Gemeente.36.
4. Oordeel dat sprake zou zijn van schending van fundamentele rechtsbeginselen is onjuist althans onbegrijpelijk
In rov. 3.35 overweegt het hof onder meer — samengevat — dat bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatig handelen, daarvan in elk geval sprake is als blijkt dat kerkelijk recht niet is gevolgd en daarbij fundamentele rechtsbeginselen in de kerkelijke rechtsgang zijn geschonden. In rov. 3.41 oordeelt het hof onder meer dat CGJG heeft gehandeld in strijd met haar eigen kerkelijk recht op basis waarvan ‘de feiten’ moeten worden vastgesteld en daarbij ‘fundamentele rechtsbeginselen’ heeft geschonden waarbij — samengevat — CGJG heeft gehandeld in strijd met de door hem in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm en daarmee onrechtmatig.
Klachten
4.1.
Dit oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De in artikel 2:2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid brengt immers mee dat beslissend is en dat het hof had dienen te beoordelen of sprake is van een inbreuk op dwingend recht — waaronder dient te worden verstaan ‘bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend’ recht, waarbij gedacht is aan ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’’ en waarbij de wetgever onder meer heeft gedacht aan het verbod om mensenoffers te brengen of het verbod van polygamie — dat een belang van zo fundamentele aard beschermt dat afwijking daarvan in de omstandigheden van het geval, ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid, niet kan worden aanvaard. Het hof heeft niet vastgesteld of hier sprake van is maar heet niettemin geoordeeld over het handelen van CGJG in het kader van een onderwerp dat — zoals het hof ook heeft vastgesteld — wordt beheerst door ‘het statuut’ van CGJG.
4.2.
Indien het oordeel van het hof niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting is het onbegrijpelijk. Immers, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk — ook niet met het bezigen van de term ‘fundamentele rechtsbeginselen’ — welke bepaling of bepalingen van fundamentele aard of ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’ niet in acht zijn genomen, en welk belang van zo fundamentele aard daarmee is beschermd dat afwijking daarvan, ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid, niet kan worden aanvaard en ingrijpen door de overheidsrechter gerechtvaardigd is.
4.3.
Indien het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat het niet nauwlettend volgen van de ‘eigen’ regels strijdig is met de door CGJG in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm en daarmee onrechtmatig is en (daarom) dient te worden gelijkgesteld met het handelen in strijd met ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’ die een belang van zo fundamentele aard beschermen dat ingrijpen door de overheidsrechter gerechtvaardigd is, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daarmee miskend dat het al of niet (nauwgezet) volgen van de interne kerkelijke procedure niet kan worden gelijkgesteld aan of heeft te gelden als het al of niet handelen in ‘strijd met de wet’ in de zin van artikel 2:2 lid 2 BW en ingrijpen door de overheidsrechter rechtvaardigt. Voor zover dit oordeel niet onjuist is, is het onbegrijpelijk omdat zonder nadere motivering niet inzichtelijk is waarom die niet-naleving van interne kerkelijke procedures wel dient te worden gelijkgesteld met ‘strijd met de wet’ in de zin van artikel 2:2 lid 2 BW en ingrijpen door de overheidsrechter rechtvaardigt.
4.4.
Althans, zonder nadere motivering — die ontbreekt — is niet in te zien of en in het geval van een bevestigend antwoord, op welke wijze het hof in zijn oordeel heeft betrokken dat het handelen van CGJG jegens [Z] binnen de door ‘het statuut’ bepaalde orde heeft plaatsgevonden. Uit de motivering over de beoordeling van dat handelen, volgt niet of een kerkrechtelijke maar een civielrechtelijke maatstaf wordt aangelegd. Evenmin volgt uit de motivering of althans dat bij de invulling van de toe te passen zorgvuldigheidsnorm uit artikel 6:162 BW rekening is gehouden met de kerkelijke context waarin dat handelen heeft plaatsgevonden.
5. Het hof toetst de toepassing van het kerkrecht door CGJG volledig en niet marginaal
In rov. 3.35 oordeelt het hof onder meer — samengevat — dat bij de beoordeling of CGJG onrechtmatig heeft gehandeld, het eigen kerkrecht, de statuten, het Ouderlingenboek en het orgaan van de Wachttoren van CGJG richtinggevend is en dat daaraan terughoudend en marginaal dient te worden getoetst.
Vervolgens treedt het hof blijkens rov. 3.36 op basis van het Ouderlingenboek, hoofdstuk twaalf onder punt 40 in de rov. 3.37 — 3.40 in een gedetailleerd onderzoek naar de feiten, de weging van verklaringen en de betekenis die [ouderling 1] en [ouderling 2] dan wel CGJG met in achtneming van het kerkrecht volgens het hof aan die feiten en verklaringen hadden behoren te geven waarbij het zijn eigen oordeel in de plaatst stelt van dat van [ouderling 1] en [ouderling 2] dan wel CGJG, kwalificeert het de aan [Z] opgelegde restricties als vergaand en draconisch, waarna het in rov. 3.41 concludeert dat het onduidelijk is op basis van welke feiten CGJG conclusies heeft getrokken en CGJG het vereiste onderzoek naar de beschuldigingen onzorgvuldig heeft uitgevoerd, door niet nauwlettend de eigen regels te volgen:
‘Rov. 3.37 Voor wat een eventuele bekentenis door [Z] is relevant dat [Z] heeft betwist dat hij ooit heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan seksueel kindermisbruik, zowel ten aanzien van [Y] als ten aanzien van [X]. CGJG heeft weliswaar erkend dat [Z] het misbruik van [Y] heeft ontkend, maar heeft aangevoerd dat [Z] gedurende het onderzoek tegenover de ouderlingen wel heeft bekend dat hij, toen hij circa 18 à 19 jaar was, [X] een aantal keren heeft misbruikt over een tijdsperiode van enkele jaren en dat gezien de aangegeven leeftijd dit dan rond 1995–1996 moet zijn geweest. Daarbij heeft CGJG aangevoerd dat in een nader gesprek met de onderzokende ouderlingen [Z] zijn verhaal heeft gewijzigd en de leeftijd, heeft aangepast naar circa 16 à 17 jaar (wat het misbruik in 1993–1994 doet plaatsvinden). Een onderbouwing voor dit verweer geeft CGJG. evenwel niet. Gespreksverslagen of aantekeningen zijn er niet of zijn vernietigd, zoals tijdens de mondelinge behandeling bij het hof namens CGJG is verklaard. Dat geldt ook voor het gesprek tussen [Z] en [ouderling 1] en [ouderling 2] op 4 december 2019 in de [locatie]. Hoe het gesprek is verlopen, kan niet worden nagegaan. Evenmin kan worden vastgesteld of sprake is geweest van een ‘duidelijke en ondubbelzinnige’ bekentenis door [Z] van seksueel kindermisbruik, zoals het Ouderlingenboek in hoofdstuk twaalf onder punt 40 voorschrijft, noch ten aanzien van [Y], noch ten aanzien van [X], Het hof gaat er dan ook vanuit dat daarvan geen sprake is geweest. Voor wat betreft de verklaring van [Z] over [X], verwijst het hier kortheidshalve naar rechtsoverweging 3.39.
Rov. 3.38 Voor wat betreft de verklaring van [Y] als getuige heeft CGJG aangevgerd dat zij tijdens het onderzoek tegenover de ouderlingen heeft verklaard dat [Z] in de periode 1993 — 1996 haar eenmalig op een seksuele manier heeft aangeraakt. Ook hiervan is geen (schriftelijke) onderbouwing door CGJG gegeven, zodat niet valt na te gaan hoe het gesprek is verlopen en wat precies is verklaard. Vaststaat tussen partijen dat van de vermeende aanraking van [Y] door [Z] geen getuigen zjjn geweest, Nadere details over wat precies zou hebben plaatsgevonden en of [Z] op dat moment 16 dan wel 18 of 19 is geweest, ontbreken. Onweersproken is daarbij de verklaring van Esther [Z], de vrouw van [Z]. Zij heeft verklaard dat de ouderlingen in liet gesprek waar zij bij was leeftijden zijn gaan schatten, waartegen zij vervolgens heeft geprotesteerd. Van belang in dit verband, is verder dat onvoldoende door CGJG is weersproken dat [Y] tot de beschuldiging is gekomen omdat zjj tijdens een therapeutische behandeling een lichtflits heeft waargenomen en gezien heeft dat er door [Z] handelingen bij haar zijn verricht in de badkamer. In de Wachttoren uit 1995 wordt ten aanzien van ‘flashbacks’ en ‘verdrongen herinneringen’ betreffende kindermisbruik opgemerkt dat wanneer de beschuldiging wordt ontkend, zoals in dit geval door [Z] wordt gedaan, de ouderlingen de beschuldiger moeten uitleggen dat er langs rechterlijke weg niets gedaan kan worden en de beschuldigde als onschuldig wordt beschouwd. Daarbij wordt opgemerkt dat zelfs als meer dan één persoon zich ‘herinnert’ door dezelfde persoon misbruikt te zijn, de aard van deze herinneringen te onzeker is om daarop zonder ander ondersteunend bewijsmateriaal rechterlijke beslissingen te baseren. Ten aanzien van het gestelde misbruik van [Y] ontbreekt ondersteunend bewijsmateriaal. Ten aanzien van [Y] heeft ook [X] verklaard hierover niets te weten.
Rov. 3.39: Voor wat betreft de verklaring van [X] als getuige heeft CGJG aangevoerd dat uit het onderzoek van de ouderlingen naar voren is gekomen dat bij haar rond 1994–1995 gedurende een periode van 2 tot 3 jaar bijna dagelijks sprake was van betastingen en dat er meerdere keren orale seks heeft plaatsgevonden met [Z]. Ook zou zij hebben verklaard dat zij omstreeks 2015 over de gebeurtenissen heeft gesproken met haar ouders en [Z] zelf en dat zij er moeite mee heeft dat [Z] ouderling in de gemeente is. Dat [X] dit ten overstaan van de ouderlingen heeft verklaard is verder niet door CGJG onderbouwd en wordt gemotiveerd betwist. Nadere details over, wat er precies zou zijn gebeurd, wanneer en of [Z] op dat moment minderjarig was of niet, ontbreken ook hier. In dit verband is van belang dat [Z] zelf heeft erkend dat, voor zover sprake was van ontoelaatbaar gedrag tussen hem en zijn viereneenhalfjaar jongere zus [X], die feiten zich hebben voltrokken toen hij minderjarig was, niet ouder dan 14 jaar en dat van seksueel kindermisbruik geen sprake is geweest. Hij en zijn zusje konden, aldus [Z], ook altijd goed met elkaar overweg en ondervonden steun aan elkaar in de soms moeilijke thuissituatie. De door [Z] genoemde leeftijd wordt bevestigd door zowel zijn moeder als zijn vader. Volgens de verklaringen van beiden die in het geding zjjn gebracht, hebben zij ook tegenover, de ouderlingen verklaard dat grensoverschrijdend gedrag door [Z] ten opzichte van zijn zusje — niet wordt weergegeven waaruit dit zou bestaan — heeft plaats gehad, toen [Z] nog, ‘een jonge jongen’ van veertien jaar was. De vader heeft over het gedrag verklaard, hetgeen in zoverre als ondersteunend bewijsmateriaal kan gelden voor wat betreft het handelen van [Z] ten ogzighte van [X], dat hij beiden ‘één keer betrapt’ heeft, dat hij toen heeft ingegrepen en dat [X] vervolgens aan hem heeft bevestigd, dat het niet meer is gebeurd. Het hof, constateert dat voor zover het hier om gedrag gaat dat door het intern kerkelijk recht als seksueel wangedrag moet worden aangemerkt, het in beginsel niet seksueel kindermisbruik betreft; omdat [Z] toen veertien jaar was. Ook wanneer, de verklaring van [Y] wordt meegewogen (vergelijk liet Ouderlingenboek, hoofdstuk twaalf onder punt 40), kan dat gelet op de onduidelijkheid over de leeftijd van [Z], niet tot een ander oordeel leiden. CGJG, heeft weliswaar, aangevgerd dat de ouderlingen hebben waargenomen dat [X] hevig was getraumatiseerd door liet seksueel misbruik van [Z], maar CGJG heeft daarvoor geen enkele onderbouwing gegeven. Voor zover al sprake zou zijn van trauma's bjj [X] en deze bovendien door ‘leken’ op het gebied van de psychiatrie in een enkel gesprek zouden kunnen worden vastgesteld — het hof weet dat niet -, ontbreekt in ieder geval een aanknopingspunt voor de conclusie dat het gedrag van [Z] daarvan de oorzaak is. Voor zover [X] al verklaard zou hebben dat zij er moeite mee heeft dat [Z] ouderling in de genneente was, wil dat verder -zonder nadere toelichting die ontbreekt- nog niet zeggen dat daadwerkelijk sprake is geweest van seksueel kindermisbruik. Het hof gaat dan ook aan het verweer van CGJG voorbij.
Rov 3.40: ‘CGJG heeft op 2 januari 2020 op basis van de verklaring van [Z] en de verklaringen van [Y] en [X] niettemin aan [Z] als dader van seksueel kindermisbruik vergaande en draconische restricties opgelegd. Daarbij hebben ouderlingen de ouders van minderjarige kinderen in de gemeente bezocht en hen gewaarschuwd voor contacten tussen [Z] en hun minderjarige kinderen, waarbij verboden werd dat kinderen bij de kinderen van [Z] gingen spelen of logeren. Dit terwijl de vaststaande feiten ook in onderlinge samenhang beschouwd conform het intern kerkelijk recht, ‘in het algemeen’ niet de conclusie rechtvaardigen dat [Z] een dader van seksueel kindermisbruik was. Ook nadat [X] op 12 oktober 2020 haar mondelinge verklaring ten opzichte van de ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2] schriftelijk had ingetrokken, veranderde aan die situatie niets. Dat valt CGJG aan te rekenen, te meer omdat het verwijt van seksueel kindermisbruik door CGJG aan het adres van [Z] met de schriftelijke verklaring van [X] verder werd ondergraven, toen zij verklaarde alleen oppervlakkig te zijn aangeraakt en niet meer dan dat. Het woord ‘seksuele’ komt in deze verklaring niet voor. Deze oppervlakkige aanrakingen zouden hebben plaatsgevonden in een korte periode waarin zij en haar broer ‘op jonge leeftijd te close met elkaar’ zijn geweest. Nadat was onderzocht en bevestigd dat [X] deze verklaring uit eigen wil, zonder druk en in eigen bewoordingen heeft opgesteld, hebben de ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2] aangegeven dat er geen heroverweging zou plaatsvinden, terwijl de contacten met de kringopziener [betrokkene 8] ook geen verandering in de situatie hebben gebracht, Hij had echter, zoals onbetwist is gesteld, aangegeven dat de situatie anders zou komen te liggen als getuigen op een eerdere verklaring terugkomen.
Het verweer van CGJG dat het ten aanzien van het begrip ‘seksueel kindermisbruik’ een zekere interne beleidsvrijheid heeft getuige de woorden uit het Ouderlingenboek dat seksueel kindermisbruik ‘over het algemeen’ niet omvat situaties waar alleen minderjarige bij betrokken zijn, rechtvaardigt naar, het oordeel van het hof evenwel in deze omstandigheden nog niet de conclusie dat vanwege het leeftijdsverschil tussen de minderjarige [Z] en zijn vierenhalfjaar jongeren zusje [X] hiervan wel sprake is. Het hof verwijst hierbij, gezien de schriftelijke verklaring van [X] van 12 oktober 2020 naar het Ouderlingenboek hoofdstuk twaalf onder 15 (1) waar is weergegeven dat voor zover het gaat om slechts enkele op zichzelf, staande gevallen van ‘vluchtig aanraken van intieme lichaamsdelen of strelen van borsten (…) zo'n lichte vorm van onreinheid’ kan worden afgedaan met raad van twee ouderlingen. Waarom zo'n lichte vorm van onreinheid, als dat heeft plaatsgevonden tussen de minderjarige [Z] en [X], niettemin als seksueel kindermisbruik moet worden aangemerkt heeft CGJG onvoldoende toegelicht.’
Rov. 3.41: ‘Onduidelijk is op basis van welke feiten CGJG tot de vergaande en voor [Z] verstrekkende conclusie heeft kunnen komen dat hij een dader is van seksueel kindermisbruik. Hetgeen CGJG daartoe naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om die conclusie te rechtvaardigen. Daarmee heeft CGJG het vereiste onderzoek naar de beschuldiging onzorgvuldig uitgevoerd. Zij heeft gehandeld in strijd met haar eigen kerkelijk recht op basis waarvan ‘de feiten’ moeten worden vastgesteld en heeft daarbij fundamentele rechtsbeginselen geschonden. Van een nauwlettend volgen van de regels is geen sprake geweest, zodat CGJG gehandeld heeft in strijd met de door hem in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm en daarmee onrechtmatig. (…)’ (onderstreping toevoeging adv.)
Klacht
5.1.
Anders dan het hof in rov. 3.35 heeft overwogen, heeft het in rov. 3.36 — 3.41 niet terughoudend en marginaal getoetst, maar zeer indringend en uitgebreid, waarbij het een eigen uitleg geeft aan de kerkelijke regels. Het hof heeft tot in detail de feiten beoordeeld en de verklaringen gewogen en zijn eigen oordeel in de plaats gesteld van dat [ouderling 1] en [ouderling 2] dan wel CGJG. Daarbij heeft het hof beoordeeld welke weging en betekenis zij volgens het hof aan die verklaringen haden behoren toe te kennen, welke feiten zij al of niet voldoende aannemelijk mochten achten en getoetst of zij daarbij nauwgezet de kerkelijke regels hebben gevolgd zoals die regels door het hof worden uitgelegd. Door aldus te toetsen en te oordelen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft immers miskend dat in een geval als het onderhavige dat onder het bereik valt van het ‘kerkelijk statuut’, artikel 9 jo. 11 EVRM, het beginsel van scheiding tussen kerk en staat en de daarmee samenhangende inrichtingsvrijheid zoals dat in artikel 2:2 lid 2 BW is verankerd, aan CGJG eigen gezag en beoordelingsvrijheid toekomt, en indien en voor zover de burgerlijke rechter al enige bevoegdheid zou toekomen de beoordelingsmarge is beperkt tot de vraag of het besluit van CGJG in de gegeven omstandigheden onverenigbaar is met de wet in de zin van artikel 2:2 lid 2 BW.
5.2.
Voor zover het hof bij zijn (volle) toetsing in rov. 3.35 — 3.41 de regelgeving van Jehovah's Getuigen heeft geïnterpreteerd, is dat bovendien in strijd met het EVRM, meer in het bijzonder artikel 9 en 11 EVRM en vaste rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad, dat waarborgt dat religieuze gemeenschappen autonomie wordt gegarandeerd en dat de Staat niet mag treden in een beoordeling of interpretatie van geloofszaken of doctrines.
6. Het hof wijst een onuitvoerbaar dictum
Het hof heeft in rov. 3.43 van het lichaam van het arrest en in het dictum in rov. 4.3 geboden dat CGJG ‘toestemming geeft aan’ en ‘erop toeziet’ dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente [a-plaats] alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat [Z] geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor [Z] als kindermisbruiker.
Klachten
6.1.
Het hof geeft in rov. 3.43 en rov. 4.3 (in het dictum) blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof gebiedt CGJG erop toe te zien dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente [a-plaats] alle gezinnen in de gemeente mededeelt dat [Z] géén kindermisbruiker is, terwijl een aantal ouderlingen die deel uitmaakt van het lichaam van ouderlingen niet bereid is om die mededeling te doen. Een dergelijk gebod is in strijd met de wet en meer in het bijzonder artikel 10 EVRM en leidt tot een onuitvoerbare uitspraak. CGJG kan het lichaam van ouderlingen immers niet dwingen om een ‘een negatief geformuleerde stelling die in zijn algemeenheid over geen enkele persoon met zekerheid kan worden vastgesteld’ in te nemen.37.
6.2.
Voor zover het oordeel van het hof niet onjuist is, is het oordeel onbegrijpelijk nu zonder nadere motivering — die ontbreekt — niet valt in te zien op welke wijze het hof artikel 10 EVRM in zijn overwegingen heeft betrokken bij het toewijzen van voornoemd gebod. Het hof heeft niet kenbaar getoetst aan de strikte voorwaarden die gelden voor een toelaatbare inperking van de vrijheid van meningsuiting, zoals dat wordt beschermd door artikel 10 lid 1 EVRM.
6.3.
Daarnaast is het oordeel van het hof onjuist althans onbegrijpelijk, omdat het hof miskent dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden — in geval van het openstaan van hogere voorzieningen, de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar te maken en niet duidelijk is wat ‘erop toezien’ inhoudt en wat de grondslag is voor dit toezien. Voor zover die grondslag bestaat uit de onbetwiste stelling dat (het lichaam van ouderlingen van) de gemeente [a-plaats] bereid is genoemde mededelingen te doen, miskent het hof dat CGJG die stelling wel degelijk heeft betwist althans heeft verklaard niet bekend te zijn met die bereidheid,38. dat uit een door [Z] gestelde bereidheid niet volgt dat ouderlingen die bereidheid in de praktijk ook daadwerkelijk zullen hebben, en dat indien die bereidheid er wel is niet valt in te zien waarom CGJG daarop toezicht dient te houden.
7. Veegklacht
7.1.
Het slagen van één of meer van klachtonderdelen 1 tot en met 6 vitieert ook de oordelen in rov. 3.42 — 3.49 en het dictum van het arrest.
Conclusie
CGJG vordert op grond van dit middel de vernietiging van het arrest, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten en om [Z] te veroordelen om al hetgeen CGJG ter uitvoering van het bestreden arrest aan [Z] heeft voldaan aan CGJG terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling. CGJG vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑05‑2025
Deze (kerkelijke) gemeente bestaat inmiddels niet meer als zodanig, maar is opgegaan in twee andere (kerkelijke) gemeentes.
Arrest, rov. 2.1; Dagv., rnrs. 1 en 2; CvA, rnr. 4.1.
Arrest, rov. 2.1; Dagv., rnr. 39; CvA, rnr. 23,1.
Arrest, rov. 2.1; CvA, rnrs. 12.1–12.3 en 13; MvA tevens MvG in incidenteel appel, rnr. G4.9.
Arrest, rov. 3.8; CvA, rnrs. 14.1–14.4 en 15.1–15.2.
Arrest, rov. 3.9–3.10; CvA, rnr. 13.
Arrest, rov. 3.10–3.14; CvA, rnrs. 20.1–20.3.
Arrest, rov. 3.14; Dagv., rnr. 14.
Arrest, rov. 3.33; Dagv., rnr. 70, petitum onder I.
Arrest, rov. 2.2; Vonnis, rov. 3.1; Dagv., rnrs. 70–71, 97–101 en petitum onder I-V.
Vonnis, rov. 4.1; CvA, hoofdstuk D.
Arrest, rov. 2.3.
Zie Appeldagvaarding.
MvG, grieven I-VII.
MvA tevens MvG in incidenteel appel, hoofdstuk F.
Arrest, rov. 2.4; MvA tevens MvG in incidenteel appel, hoofdstuk F.
Arrest, rov. 4.1–4.12 (dictum).
Zoals het hof ook heeft vastgesteld, tussen partijen niet in geschil is. Zie arrest, rov. 3.31, slot.
Zoals CGJG heeft betoogd en door het hof niet is verworpen. Zie MvA tevens MvG in incidenteel appel, F3, F4.4 en G1.8.
EHRM 14 september 2017, nr. 56665/09 (Karoly Nagy/Hongahje).
MvG, rnr. 34. Zie ook MvG, rnrs. 9 en 10.
MvG, rnrs. 5 en 9.
MvA, rnr. G1.8.
CvA, rnr. 29.5.
Zie ook arrest, rov. 2.3.
MvA tevens MvG in incidenteel appel, C2.1-C2.2 en hoofdstuk G, met de conclusie tot onbevoegdheid in G8.1.
MvA tevens MvG in incidenteel appel, C2.1, F1 en F4.
Zie ook arrest, rov. 2.4.
Ten overvloede: onduidelijk is bovendien hoe het hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat de stelling van [Z] inzake het bezoek aan de gezinnen door het lichaam van ouderlingen onbetwist is gebleven door CGJG. Immers, de heer Den Hertog, werkzaam op de Juridische Afdeling van CGJG, heeft ten tijde van de zitting in hoger beroep verklaard: ‘Dat opnieuw over de kwestie van [Z] is gesproken door de ouderlingen is mij niet bekend.’ Zie Proces-verbaal zitting hof, blad 3.
EHRM 22 september 2021, nr. 87/18 (S.W. t. het Verenigd Koninkrijk), §§ 61 en 63. Zie voorts o.m. EHRM 7 februari 2012 (39954/08) ECLI:CE:ECHR:2012:0207JUD003995408(Axel Springer v. Germany),https://hudoc.echr.coe.int/fre?i=001-109034, § 83; EHRM 29 uni 2004, (64915/01) ECLI:CE:ECHR:2004:0629JUD006491501 (Chauvy and others v. France),https://hu-doc.echr.coe.int/fre?i=001-61861 § 70; EHRM 15 november 2007,(12556/03) ECLI:CE:ECHR:2007:1115JUD001255603(Pfeifer v. Austria),https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-83294 § 35, en EHRM 21 september 2010, (34147/06) ECLI:CE:ECHR:2010:0921 JUD003414706 (Polanco Torres and Movilla Polanco v. Spain),https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-100510, § 40.
Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, artikel 56(d). Zie ook in dit verband EHRM 27 mei 2021, nr. 5671/16 (J.L. v. Italy), §§ 65 en 120.
Artikel 51e, lid 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt: ‘Het spreekrecht kan worden uitgeoefend indien het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld’. Daarnaast noemt het artikel expliciet enkele misdrijven in welk geval het spreekrecht ook geldt.
Dagv., rnrs. 68 en 69; CvA rnrs. 19 en 35.1–35.4.
Rb. Noord-Nederland (vzr.), C/19/151226 / KG ZA 25–36 (CGJG/[Z]), rov. 4.25.
Proces-verbaal zitting hof, blad 3 (M. den Hertog).