Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.4.2.3:8.4.2.3 Niet beperkt tot rechtsoordelen maar ook bij 'vaste gedragslijnen' toepasbaar
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.4.2.3
8.4.2.3 Niet beperkt tot rechtsoordelen maar ook bij 'vaste gedragslijnen' toepasbaar
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575946:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. § 8.2.3.
Dubbink 1980, p. 94.
Zie § 4.4.2.4.
Ook hier blijkt dat het verschijnsel (rechterlijke) beleidsruimte een dynamische grootheid is, die onder invloed staat van de rechtsontwikkeling (vgl. § 4.4.2.3).
HR 17 november 2000, NJ 2001, 215 m.nt. ARB.
HR 28 juni 1996 (De Nieuwe Woning/Staat), NJ 1997, 495 m.nt. HJS, waarover § 4.2.4.
Zie hierover hoofdstuk 4, in het bijzonder § 4.4.5.
Vgl. § 4.4.4.4.
Tenzij het zou gaan om precedenten m.b.t. de toepassing van een rolreglement.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 8.2.3 is besproken dat precedentwerking in beginsel slechts ziet op de oordelen omtrent het objectieve recht (ook wel aan te duiden als rechtsoordelen, rechtsopvattingen of rechtsbeslissingen) die door de rechter in een uitspraak zijn neergelegd. Wanneer de rechter slechts gebruik maakt van een bepaalde vorm van beleidsruimte waarover hij beschikt, zonder dat daaraan een bepaald rechtsoordeel ten grondslag ligt, leidt dit niet tot een precedent in de gebruikelijke betekenis van het woord. Dit is een situade die zich ook bij de toepassing van een rechtersregeling soms zal voordoen. Als voorbeeld hiervan kan worden gewezen op de NVvR-alimentatienormen: de toepassing hiervan zal waarschijnlijk doorgaans niet zozeer berusten op het oordeel van de rechter dat deze rechtersregeling de enig juiste rekenmethode inhoudt, als wel op overwegingen van praktische aard - bijvoorbeeld dat de rechtbank beschikt over software die specifiek op de alimentadenormen is afgestemd. Een precedent in de gebruikelijke zin zal deze toepassing dan ook niet opleveren.1
De vraag is echter of hierover niet anders moet worden geoordeeld indien een of meer rechters deze alimentadenormen - of een andere rechtersregeling -stelselmatig toepassen. Zoals Dubbink reeds in 1980 schreef met betrekking tot de alimentatienormen:
"Wanneer een rechter negen maal de methode van de werkgroep heeft gevolgd, zal hij' de tiende keer niet meer mogen afwijken. Het is een rechtsbeginsel dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld. Natuurlijk is het waar dat het rapport van de werkgroep de afzonderlijke rechter niet bindt, ook niet wanneer een vergadering van rechters met het rapport zou hebben ingestemd. Maar wie zich gewend heeft de richtlijnen van het rapport toe te passen, is wél gebonden."2 [Mijn cursivering - kt]
Inderdaad zou het merkwaardig zijn wanneer een rechter die consequent de NVvR-alimentatienormen toepast, in een volgend geval opeens deze normen buiten toepassing zou kunnen laten, zelfs al was die eerdere toepassing enkel gebaseerd op gemakzucht in plaats van op een rechtsoordeel omtrent de toepasselijkheid van deze rechtersregeling.
De in de vorige paragraaf uiteengezette theorie kan echter ook toepassing vinden in dit soort gevallen, waarin slechts sprake is van louter 'feitelijk' gevolgde (vaste) gedragslijnen bij de mvulling van (rechterlijke) beleidsruimte. Anders dan precedentwerking in de gebruikelijke zin, waaraan mede het feit ten grondslag ligt dat door de rechter, ter onderbouwing van de uiteindelijke beslissing, een normatief oordeel is gegeven omtrent hetgeen rechtens geldt, is de hier bedoelde vorm van precedentwerking uitsluitend gebaseerd op algemene rechtsbeginselen als het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel. Het valt echter niet in te zien waarom deze fundamentele beginselen bij de invulling van rechterlijke beleidsruimte geen betekenis zouden hebben. Integendeel, de beleidsruimte van de rechter wordt steeds begrensd door het recht, waartoe ook de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging behoren.3 De wijze waarop rechters met de hun (aanvankelijk) toekomende beleidsruimte omgaan, kan dan ook - via de werking van deze rechtsbeginselen - leiden tot nieuwe grenzen.4 Een voorbeeld hiervan vormt het eerder besproken arrest Druijff/Bouw,5 waarin de beslissingen van rechters in vergelijkbare gevallen door de Hoge Raad uitdrukkelijk werden genoemd als factor (ofwel: grens) die de rechter bij de begroting van het smartengeld in acht dient te nemen.
Aldus is ook bij de uitoefening van beleidsruimte een zekere precedentwerking van rechtersregelingen mogelijk te achten. Wanneer een rechtersregeling waarin een bepaalde vorm van beleidsruimte wordt ingevuld, min of meer consequent in rechterlijke uitspraken wordt toegepast, zal die regeling een steeds sterker wordende mate van precedentwerking kunnen verkrijgen. Zoals in de vorige paragraaf al werd aangegeven komt in deze situatie - anders dan in verticale verhoudingen het geval kan zijn - niet reeds binding toe aan één enkele uitspraak, maar ontstaat allengs een toenemende mate van gebondenheid wanneer een reeks van uitspraken in dezelfde lijn wordt gedaan. Dit zou bijvoorbeeld betoogd kunnen worden ten aanzien van de NVvR-alimentadenor-men of de diverse liquidatietarieven: rechtersregelingen die zodanig frequent door rechters worden toegepast dat een zekere - of zelfs sterke - precedentwerking daarvan kan worden aangenomen.
Bij het voorgaande moet tot slot erop worden gewezen dat diverse vormen van rechterlijke beleidsruimte ook nog op andere wijze via een rechtersregeling bindend kunnen worden ingevuld. Indien een rechtersregeling op dit gebied immers voldoet aan de criteria uit het rolrichtlijnen-arrest6 - met name: is vastgesteld door het bevoegde orgaan en behoorlijk bekend is gemaakt -bindt zij de rechter reeds op voorhand, en geheel los van de vraag of de regeling ook door de rechter wordt toegepast.7 De hier besproken vorm van precedentwerking is dus op het gebied van rechterlijke beleidsruimte vooral van belang voor die rechtersregelingen die (nog) niet aan de criteria uit het rolrichtlijnen-arrest voldoen, zoals bijvoorbeeld de zojuist genoemde alimentatienormen en liquidatietarieven.8 Ten aanzien van rolreglementen en aanverwante regelingen zal precedentwerking in deze vorm in het algemeen geen rol spelen,9 aangezien dit bij uitstek de rechtersregelingen zijn die wél op voorhand de rechter kunnen binden.