Rechtbank Rotterdam 13 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9815.
HR, 21-02-2025, nr. 23/04354
ECLI:NL:HR:2025:316
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-02-2025
- Zaaknummer
23/04354
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:316, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑02‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1494
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1326
ECLI:NL:PHR:2024:1326, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:316
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑12‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑11‑2023
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/231
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/122
JERF Actueel 2025/90
ERF-Updates.nl 2025-0145
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0145
JERF 2025/65
JERF Actueel 2025/22
ERF-Updates.nl 2025-0083
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0083
Uitspraak 21‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Vermogensrecht. Erfrecht. Berekening legitieme portie. Is t.z.v. verkoop woning erflaatster aan zoon sprake geweest van gift (art. 4:67 BW)? Samenstel van rechtshandelingen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/04354
Datum 21 februari 2025
ARREST
In de zaak van
[de dochter] ,
wonende te [plaats] ,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: [de dochter] ,
advocaat: J. van Duijvendijk-Brand,
tegen
[de zoon] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: [de zoon] ,
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/369726 / HA ZA 11-9 van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2011, 9 januari 2013, 6 augustus 2014, 19 april 2017 en 13 december 2017;
b. de arresten in de zaak 200.235.298/02 van het gerechtshof Den Haag van 12 mei 2020, 8 december 2020 en 8 augustus 2023.
[de dochter] heeft tegen het arrest van het hof van 8 augustus 2023 beroep in cassatie ingesteld.[de zoon] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt in het principale cassatieberoep en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [de dochter] en [de zoon] zijn de dochter respectievelijk de zoon van [erflaatster] (hierna: erflaatster).
(ii) Bij akte van levering van 17 juli 1995 heeft erflaatster de door haar bewoonde woning (hierna: de woning) in eigendom overgedragen aan [de zoon] voor fl. 479.500,--. Daarbij is aan erflaatster het recht van gebruik en bewoning van de woning verleend.
(iii) In de akte van levering zijn erflaatster en [de zoon] voor het bedrag van de koopsom een overeenkomst van geldlening aangegaan. Volgens de akte is [de zoon] over deze lening geen rente verschuldigd en is hij niet verplicht aflossingen te doen. De hoofdsom of het onafgeloste restant daarvan is te allen tijde opeisbaar.
(iv) Bij akte van 26 oktober 2005 heeft erflaatster afstand gedaan van het recht van gebruik en bewoning van de woning.
(v) In 2009 is erflaatster overleden. Volgens het laatste testament is [de zoon] haar enige erfgenaam.
(vi) [de dochter] heeft zich beroepen op haar legitieme portie en verzocht om een boedelbeschrijving teneinde de omvang van haar legitieme portie te kunnen berekenen.
2.2
In dit geding vordert [de dochter] , voor zover in cassatie van belang, veroordeling van [de zoon] tot betaling van de haar toekomende legitieme portie uit de nalatenschap van erflaatster, die volgens [de dochter] € 496.295,30 bedraagt. Daaraan heeft zij onder meer ten grondslag gelegd dat het samenstel van rechtshandelingen, bestaande in de verkoop van de woning tegen een (volgens haar) te lage prijs en de lening ter zake van de koopsom zonder verplichting tot betaling van rente en aflossing, een gift oplevert als bedoeld in art. 4:67 BW. De waarde van die gift moet volgens [de dochter] worden bepaald naar het moment waarop erflaatster afstand deed van haar recht van gebruik en bewoning, dus 26 oktober 2005. [de zoon] heeft reconventionele vorderingen ingesteld.
2.3
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 9 januari 2013 geoordeeld dat ter zake van de woning sprake is geweest van een gift aan [de zoon] en dat de waarde daarvan zal worden bepaald per 26 oktober 2005. Het beroep van [de zoon] op verrekening van het bedrag van de lening met volgens hem door erflaatster aan hem verschuldigde bedragen heeft de rechtbank verworpen. In haar eindvonnis1.heeft de rechtbank [de zoon] veroordeeld tot betaling aan [de dochter] van € 461.295,30. De reconventionele vorderingen van [de zoon] heeft zij afgewezen.
2.4.1
Het hof2.heeft de vonnissen van de rechtbank vernietigd, de legitieme portie van [de dochter] vastgesteld op € 65.689,40 en [de zoon] veroordeeld dit bedrag aan [de dochter] te betalen.
2.4.2
Het hof is tot het oordeel gekomen dat de verkoop van de woning in 1995 geen gift oplevert, ook niet in samenhang met de renteloze en aflossingsvrije lening ter zake van de koopsom:
“22. Naar het oordeel van het hof kan de verkoop van de woning in 1995 door erflaatster aan [de zoon] niet aangemerkt worden als een gift. Erflaatster en [de zoon] zijn, volgens onweersproken stelling van [de zoon] , bij de bepaling van de koopprijs uitgegaan van de taxatie van Kolpa van 30 december 1993 en van de bepaling door het hof Den Haag van de waarde in het economisch verkeer van de woning per peildatum 1 januari 1990. [de dochter] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan partijen destijds deze waardebepalingen niet als uitgangspunt hadden mogen nemen. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat Kolpa op 30 december 1993 de onderhandse verkoopwaarde bij lege en ontruimde levering aan een willekeurige derde heeft gesteld op fl. 590.000,-, terwijl erflaatster het recht van gebruik en bewoning kreeg. Kolpa heeft in diens taxatie de waarde van de woning in verhuurde staat berekend op fl. 410.000,-. Dat de koopprijs bestond uit een renteloze lening aan [de zoon] zonder aflossingsverplichting is onvoldoende om van een schijnconstructie en – daarmee – een gift uit te gaan. Immers, voor zover deze lening niet is afgelost, had
erflaatster een vordering op [de zoon] . (…)”
Ook de afstand van het recht van gebruik en bewoning in 2005 levert volgens het hof geen gift op:
“23. (…) Afgezien van de vraag of erflaatster door de afstand van het genotsrecht economisch is verarmd, kan het hof niet vaststellen of de erflaatster door de afstand ook gewild heeft om [de zoon] te bevoordelen. Gezien de feitelijke gang van zaken is het hof van oordeel dat geen sprake is van een gift.”
De waarde van de woning behoort volgens het hof dan ook niet tot de legitimaire massa. (rov. 55)
2.4.3
In het kader van de vraag of voor de berekening van de legitimaire massa rekening moet worden gehouden met de schuld van [de zoon] uit hoofde van de geldlening ter zake van de koopsom van de woning, heeft het hof het betoog van [de zoon] dat hij deze schuld door verrekening heeft afgelost, verworpen. [de zoon] heeft volgens het hof niet aangetoond dat hij de schuld aan erflaatster kon verrekenen met betalingen die hij voor erflaatster zou hebben gedaan. Het hof heeft in dit verband, samengevat, overwogen dat (i) [de zoon] gehouden was een deugdelijke administratie bij te houden van het aflossen of verrekenen van zijn schuld aan erflaatster en dat hij dat niet heeft gedaan, (ii) [de zoon] er een eigen belang bij heeft dat zijn schuld aan erflaatster uit haar administratie verdween, (iii) het hof de afboeking van fl. 289.575,-- op de schuld daags na het ondertekenen van de notariële akte (van 17 juli 1995) ongeloofwaardig acht en mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [de dochter] als een schijnhandeling kwalificeert, (iv) overgelegde overzichten oncontroleerbaar en ongespecificeerd zijn, (v) [de zoon] uitgaven opvoert die niet ten behoeve van erflaatster zijn gedaan, respectievelijk door zijn BV zijn betaald en (vi) het feit dat erflaatster bedragen voor akkoord heeft getekend, aan een en ander niet afdoet. (rov. 28-33)
2.4.4
Het hof heeft vervolgens het saldo van de nalatenschap vastgesteld op € 262.757,60 en de legitieme portie van [de dochter] op € 65.689,40. (rov. 55)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1.1
Onderdeel 2 van het middel klaagt onder meer dat het hof bij de beoordeling of ter zake van de woning sprake is van een gift, had moeten betrekken de stellingen van [de dochter] over de poging van [de zoon] en erflaatster om door middel van het opvoeren van niet-bestaande schulden van erflaatster aan [de zoon] en een niet-toegestane en ongeloofwaardige verrekening daarvan, betaling van de koopsom te suggereren, en zijn oordeel daarover.
3.1.2
Deze klacht is gegrond. Een gift kan besloten liggen in een samenstel van rechtshandelingen.3.[de dochter] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de gift is gelegen in het samenstel van rechtshandelingen van de verkoop van de woning tegen een te lage prijs, de omzetting van de koopprijs in een lening zonder rente en zonder aflossing en vervolgens de zogenaamde verrekening tegen niet-bestaande schulden (zie rov. 18 en 27 van het bestreden arrest). Bij deze ‘verrekening’ ging het volgens [de dochter] om een schijnconstructie waaraan erflaatster meewerkte door het voor akkoord ondertekenen van door [de zoon] opgestelde briefjes. Het hof heeft bij zijn beoordeling of de verkoop van de woning een gift oplevert, wel de koopprijs van de woning en de rente- en aflossingsvrije lening in onderlinge samenhang in aanmerking genomen, maar daarbij niet betrokken het betoog van [de dochter] over het beroep op verrekening van [de zoon] . Daarmee heeft het hof miskend dat bedoeld betoog, alsook zijn oordeel daarover in het kader van de beoordeling of op de lening ter zake van de koopsom is afgelost – welk oordeel onder meer inhoudt dat sprake is geweest van een schijnhandeling en ten onrechte voor rekening van erflaatster opgevoerde posten (zie hiervoor in 2.4.3) – van belang kan zijn voor de vraag of bij de verkoop van de woning in 1995 sprake is geweest van een gift.
3.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1.2 is overwogen, zal na verwijzing opnieuw moeten worden beoordeeld of bij het hiervoor in 3.1.2 bedoelde samenstel van rechtshandelingen sprake is geweest van een gift. Onderdeel 1, dat is gericht tegen het oordeel van het hof dat in 1995 een reële koopprijs is overeengekomen, behoeft daarom geen behandeling.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
4.1
Hiervoor in 3.1.2 is geoordeeld dat het middel in het principale beroep doel treft. Daarmee is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld. Het daarin voorgestelde middel moet daarom worden onderzocht.
4.2
Onderdeel IV van het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op onder meer de vordering van [de zoon] betreffende een bedrag van € 16.219,05 aan afwikkelingskosten.
Het onderdeel slaagt voor zover het gaat om posten die tezamen € 895,87 belopen (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 4.37.3).
4.3
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale en in het incidentele beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 augustus 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
in het principale beroep:
- veroordeelt [de zoon] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de dochter] begroot op € 2.264,86 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
- veroordeelt [de dochter] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de zoon] begroot op € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de dochter] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 februari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑02‑2025
Gerechtshof Den Haag 8 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1494.
Vgl. HR 19 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4343, rov. 8.
Conclusie 06‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Schenking. Overdracht van woning onder voorbehoud recht van gebruik en bewoning met omzetting koopprijs in renteloze lening.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04354
Zitting 6 december 2024
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
[de dochter] ,
eiseres tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
advocaat: J. van Duijvendijk-Brand
tegen
[de zoon] ,
verweerder in cassatie, eiser in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
advocaat: H.J.W. Alt
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Partijen, hierna aangeduid als [de dochter] respectievelijk [de zoon] , zijn de kinderen van erflaatster. [de zoon] is enig erfgenaam. [de dochter] heeft zich beroepen op haar legitieme portie. Voor de berekening van de omvang van de legitimaire massa speelt met name of de verkoop en overdracht van de woning van erflaatster aan [de zoon] in 1995 – waarbij de koopsom is omgezet in een lening zonder rente en aflossingsverplichting en erflaatster zich het recht op gebruik en bewoning heeft voorbehouden – kwalificeert als een gift van erflaatster aan [de zoon] . Voorts spelen een rol de afstand van het recht op gebruik en bewoning door erflaatster in 2005, of de koopprijs voor de woning door [de zoon] is voldaan door middel van verrekening, of [de zoon] een vordering uit hoofde van het zogenaamde Canadaproject op erflaatster had en of [de zoon] een schuld van € 20.000 aan erflaatster heeft terugbetaald.
1.2
In het principale beroep wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat geen sprake is van een gift. Dit beroep slaagt naar mijn mening gedeeltelijk. Het hof heeft weliswaar geoordeeld dat de koopprijs niet door verrekening is voldaan, maar heeft de daarop ziende stellingen van [de dochter] niet betrokken bij zijn beoordeling of sprake was van een gift (onderdeel 2).
1.3
In het voorwaardelijk incidentele beroep wordt naar mijn mening vergeefs geklaagd over de oordelen dat de koopprijs niet door verrekening is voldaan, dat er geen vordering uit hoofde van het Canadaproject is en dat schuld van € 20.000 aan erflaatster niet is terugbetaald. Naar mijn mening slaagt wel de klacht dat het hof niet heeft gereageerd op een klein deel van de vorderingen van [de zoon] (onderdeel IV).
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) [de dochter] en [de zoon] zijn de respectievelijk dochter en zoon van erflaatster.
(ii) Erflaatster heeft [de woning] te [plaats] (hiervoor en -na: de woning) die haar eigendom was, bij akte van levering van 17 juli 1995 in eigendom overgedragen aan [de zoon] voor fl. 479.500,-, waarbij aan erflaatster het recht van gebruik en bewoning van de woning is verleend. Vanaf de datum van levering komen de baten ten goede aan [de zoon] , zijn de lasten voor zijn rekening en draagt hij het risico van het verkochte. De woning is bezwaard met een eerste recht van hypotheek van fl. 250.000,- ten laste van erflaatster en [de zoon] en een tweede recht van hypotheek van fl. 275.000,- ten laste van [de zoon] en diens echtgenote.
(iii) In voornoemde akte van levering zijn erflaatster en [de zoon] een overeenkomst van geldlening aangegaan ten bedrage van de hoofdsom. [de zoon] is over deze lening geen rente verschuldigd en is niet verplicht aflossingen te doen. De hoofdsom of het onafgeloste restant daarvan is te allen tijde opeisbaar.
(iv) Bij akte van 26 oktober 2005 heeft erflaatster afstand gedaan van het recht van gebruik en bewoning van de woning.
(v) Op 2 mei 2009 is erflaatster te [plaats] overleden. Volgens het laatste testament van erflaatster (akte van 26 november 2001) is [de zoon] haar enige erfgenaam.
(vi) [de dochter] heeft zich, bij schrijven van haar notaris van 29 september 2010, beroepen op haar legitieme portie en verzocht om een boedelbeschrijving teneinde de omvang van haar legitieme portie te kunnen berekenen.
2.2
In deze zaak is veel geprocedeerd. Ik benoem de processtappen voor zover deze van belang zijn voor de beoordeling van de cassatiemiddelen.
2.3
Bij inleidende dagvaarding van 17 december 2010 heeft [de dochter] [de zoon] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en, samengevat, gevorderd (a) veroordeling van [de zoon] tot het in het geding brengen van bepaalde bescheiden, (b) benoeming van deskundigen ter bepaling van de waarde van de woning per 26 oktober 2005 teneinde haar legitieme portie te kunnen berekenen, en (c) veroordeling van [de zoon] tot betaling van de aan [de dochter] toekomende legitieme portie uit de nalatenschap van erflaatster op een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag. Nadien heeft [de dochter] haar eis gewijzigd en veroordeling van [de zoon] gevorderd tot betaling van haar legitieme portie ten bedrage van € 502.545,30,2.later aangepast naar € 496.295,30.3.[de dochter] heeft gesteld dat de waarde van de nalatenschap vastgesteld dient te worden op de dag van versterf. Bij deze waarde dient volgens [de dochter] te worden opgeteld de door erflater aan een afstammeling gedane giften overeenkomstig art. 4:67 BW, verminderd met de in aanmerking te nemen schulden zoals bedoeld in art. 4:7 BW. [de dochter] stelt dat erflaatster diverse giften heeft gedaan. De belangrijkste gift of schenking betreft de overdracht van de woning. Deze overdracht heeft plaatsgevonden voor een volgens [de dochter] te laag bedrag van fl. 479.500,-. Voor zover de rechtbank in het samenstel van rechtshandelingen (de overdracht van de woning tegen kwijting van de koopsom en de lening van moeder aan [de zoon] zonder de verplichting tot het betalen van aflossing en rente) geen gift zou zien, is [de dochter] van mening dat sprake is van een schenking van de koopprijs van de woning, omdat [de zoon] deze nooit aan erflaatster heeft voldaan.
2.4
[de zoon] heeft zich in conventie onder meer verweerd met de stelling dat de overdracht van de woning in 1995 geen gift is en dat hij zijn geldleningen van erflaatster heeft afgelost door verrekening met vorderingen die hij op erflaatster verkreeg, en in reconventie vorderingen ingesteld die onder meer zagen op het Canadaproject.
2.5
Bij tussenvonnis van 9 januari 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat de woning een gift aan [de zoon] was en dat waarde daarvan zal worden bepaald per 26 oktober 2005. Voorts verwierp de rechtbank het verrekeningsverweer van [de zoon] .
2.6
Bij tussenvonnis van 6 augustus 2014 heeft de rechtbank [de zoon] toegelaten tot bewijslevering van de door hem gestelde feiten en omstandigheden met betrekking tot de aan- en verkoop van de grond in Canada, de vordering van [de dochter] tot het verstrekken van de door haar bij dagvaarding verzochte informatie toegewezen en een deskundige benoemd om de waarde van de woning te bepalen.
2.7
Vervolgens heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden en is het deskundigenbericht uitgebracht.
2.8
Bij tussenvonnis van 19 april 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat [de zoon] niet is geslaagd in het bij tussenvonnis van 6 augustus 2014 opgedragen bewijs van de vordering op erflaatster uit hoofde van het zogenoemde Canadaproject. De rechtbank heeft de schenking van de woning gewaardeerd per 26 oktober 2005 en de waarde daarvan vastgesteld op € 1.800.000. De omvang van de legitimaire massa stelt de rechtbank vast op € 1.845.181,20 en de omvang van de legitimaire portie van [de dochter] op € 461.295,30 (rov. 3.11.1).
2.9
Bij eindvonnis van 13 december 2017 heeft de rechtbank [de zoon] veroordeeld tot betaling aan [de dochter] van het bedrag van € 461.295,30 en zijn vordering in reconventie afgewezen.
2.10
[de zoon] heeft hoger beroep ingesteld van de door de rechtbank [plaats] gewezen vonnissen van onder meer 9 januari 2013, 6 augustus 2014, 19 april 2017 en 13 december 2017. Bij eindarrest van 8 augustus 2023 heeft het gerechtshof Den Haag de vonnissen van de rechtbank waartegen hoger beroep was ingesteld gedeeltelijk vernietigd, het verrekeningsverweer van [de zoon] en diens stelling dat hij een vordering heeft ter zake van het Canadaproject verworpen. Het hof heeft de legitimaire massa berekend zoals de rechtbank had gedaan, met uitsluiting van de waarde van de woning van € 1.800.000,- omdat het hof van oordeel is dat de woning niet behoort tot de legitimaire massa. Het hof heeft het saldo van de nalatenschap gesteld op € 262.757,60 en de legitieme portie voor [de dochter] op € 65.689,40. Het hof heef [de zoon] veroordeeld om € 65.689,40 aan [de dochter] te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, [de zoon] veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd.
2.11
[de dochter] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 8 augustus 2023. [de zoon] heeft in het principaal cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [de dochter] heeft tot verwerping van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep geconcludeerd. Voor partijen zijn hun standpunten schriftelijk toegelicht.4.[de dochter] heeft afgezien van repliek. [de zoon] heeft gedupliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
3.1
Paragraaf 1 van de procesinleiding bevat geen klachten. Paragraaf 2 bevat algemeen geformuleerde klachten over het oordeel van het hof in rov. 22 dat de verkoop van de woning niet kan worden aangemerkt als gift aan [de zoon] en een toelichting op de voor een gift vereiste bevoordelingsbedoeling. In de paragrafen 3 tot en met 6 worden de in paragraaf 2 geformuleerde klachten uitgewerkt en toegelicht in de onderdelen 1 tot en met 4. Paragraaf 7 bevat een voorbouwklacht. De klachten in paragraaf 2, onderdeel 1 en onderdeel 2 zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 22 dat de overdracht van de woning in 1995 geen gift is. Onderdeel 3 komt op tegen het oordeel in rov. 23 dat de afstand van het recht van gebruik en bewoning in 2005 geen gift is. Onderdeel 4 klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een subsidiaire vordering van [de dochter] .
3.2
Alvorens de klachten te bespreken schets ik het relevante juridisch kader ten aanzien van de legitieme portie (nrs. 3.3-3.8) en de gift of schenking (nrs. 3.9-3.17). Daarna geef ik de overwegingen van het hof weer die relevant zijn voor de beoordeling of sprake was van een gift (nrs. 3.18-3.27). Vervolgens bespreek in de klachten.
De legitieme portie
3.3
Het erf- en schenkingsrecht als geregeld in Boek 4 en titel 7.3 BW is per 1 januari 2003 in werking getreden.5.Vanaf dat moment zijn de daarin opgenomen bepalingen in beginsel van toepassing (zie art. 68 e.v. en vgl. 128 lid 1 Overgangswet NBW). Erflaatster is op 2 mei 2009 overleden. Aan de hand van Boek 4 en titel 7.3 BW dient te worden beoordeeld of de handelingen met betrekking tot de woning die hebben plaatsgevonden in de jaren ‘90 en de afstand van recht op 26 oktober 2005 zijn aan te merken als een gift of schenking.6.
3.4
De legitieme portie van legitimaris is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater, waarop de legitimaris in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan maken (art. 4:63 lid 1 BW). Legitimarissen zijn de in art. 4:63 lid 2 BW genoemde afstammelingen van de erflater (te kort gezegd: de kinderen). De legitieme portie van een kind van de erflater bedraagt de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het aantal in art. 4:10 lid 1 onder a BW genoemde, door de erflater achtergelaten personen (art. 4:64 lid 1 BW). Dat zijn de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater en diens kinderen.7.
3.5.1
De legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden (art. 4:65 BW). Welke giften voor de berekening van deze zogenoemde legitimaire massa in aanmerking komen, en voor welke waarde, wordt geregeld in de artikelen 4:65-4:69 BW. Daartoe behoren op grond van art. 4:67 onder d BW ook giften aan een afstammeling waarvan de prestatie langer dan vijf jaar voor het overlijden is geschied.
3.5.2
Uitgangspunt is dat voor de toepassing van afdeling 4.4.3 (legitieme portie) giften worden gewaardeerd naar het tijdstip van de prestatie (art. 4:66 lid 1 BW).Giften waarbij de erflater zich het genot van het geschonkene gedurende zijn leven heeft voorbehouden, worden echter geschat naar de waarde onmiddellijk na zijn overlijden (art. 4:66 lid 2 BW). Een voorbeeld daarvan is de overdracht van een huis om niet met voorbehoud van een recht van gebruik en bewoning. De schenker ervaart tijdens zijn leven dan niet de gevolgen van zijn schenking en daarom wordt de gift gewaardeerd onmiddellijk na zijn overlijden.8.
3.6
Op grond van de hoofdregel in art. 150 Rv rust op de legitimaris die geen erfgenaam is en die afdracht van zijn legitieme portie verlangt de stelplicht en bewijslast van de omvang daarvan.9.Dat betekent dat die legitimaris eventuele giften die bij de berekening in aanmerking genomen moeten worden, dient aan te tonen. Voor het verkrijgen van de informatie die daarvoor nodig is, zal die legitimaris afhankelijk kunnen zijn van bijvoorbeeld de erfgenamen. Deze legitimaris die geen erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen (art. 4:78 lid 1 BW).10.
3.7
Na berekening van de omvang van de legitimaire massa kan de legitieme portie worden vastgesteld door de legitimaire massa te vermenigvuldigen met het breukdeel bepaald aan de hand van art. 4:64 BW.11.
3.8
Ten aanzien van het geldend maken van de legitieme portie, bepaalt art. 4:79 aanhef en onder a BW dat de legitimaris terzake van zijn legitieme portie een vordering kan verkrijgen op de gezamenlijke erfgenamen. Een legitimaris die daarop aanspraak maakt, heeft terzake van hetgeen hem met inachtneming van de art. 4:70 tot en met 4:76 BW als legitieme portie toekomt, een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen (art. 4:80 lid 1 BW). Is hetgeen een legitimaris op grond van zijn in art. 4:80 lid 1 BW bedoelde vordering kan verkrijgen onvoldoende om hem zijn legitieme portie te verschaffen, dan kan hij de daarvoor vatbare giften inkorten, voor zover zij aan zijn legitieme portie afbreuk doen (art. 4:89 lid 1 BW). Voor inkorting vatbaar zijn de art. 4:67 BW bedoelde giften (art. 4:89 lid 2 BW).
Schenking en gift
3.9
Voor het antwoord op de vraag wat een gift is, wordt aangeknoopt bij Boek 7 BW. Art. 7:186 lid 2 BW bepaalt dat als gift wordt aangemerkt iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt. De gift omvat onder andere de in art. 7:175 lid 1 BW geregelde schenking (art. 7:186 lid 1 BW). Schenking is de overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt.
3.10
Uit de definitie van gift kan worden afgeleid dat sprake moet zijn van een handeling, verrijking, verarming en een bevoordelingsbedoeling (vrijgevigheid).12.
3.11
De vereiste handeling kan een rechtshandeling of een feitelijke handeling zijn.13.De voor een gift vereiste handeling is bij schenking steeds een tweezijdige rechtshandeling, nu zij een overeenkomst is tussen schenker en begiftigde.14.Een overeenkomst tot afstand doen van vorderingsrecht als bedoeld in art. 6:160 BW – kwijtschelding – valt ook onder het schenkingsbegrip.15.Aan een gift – niet zijnde een schenking – kan ook een tweezijdige rechtshandeling ten grondslag liggen, bijvoorbeeld een koop tegen een te lage prijs.16.Het kan ook gaan om een samenstel van handelingen (zie nader in 3.15).
3.12
De begiftigde moet door de handeling verrijkt zijn ten koste van het vermogen van de schenker. De verarming van de schenker staat tegenover de verrijking van de begiftigde, maar zij hoeven niet altijd te corresponderen. Beide elementen moeten objectief worden vastgesteld. Zolang de begiftigde de verrijking niet heeft ontvangen of daarop nog geen aanspraak kan maken, is geen sprake van een gift (zie art. 7:186 lid 2, tweede volzin, BW). Er moet dus sprake zijn van een voltooide vermogensverschuiving.17.
3.13.1
Uit de woorden ‘die ertoe strekt’ in art. 7:186 lid 2 BW volgt de eis van bevoordelingsbedoeling bij de gever. In de toelichting op art. 7.3.1. Ontwerp BW is ten aanzien van de definitie van schenking opgemerkt:
“Het is immers niet in die mate normaal dat iemand zijn vermogen ten voordele van een ander wil verarmen, dat het recht de aanwezigheid van die rechtsgrond [schenking; plv. PG] stilzwijgend bij iedere verrijking om niet zou mogen aannemen. Ook de enkele omstandigheid dat degeen die een ander om niet bevoordeelt, zich daarvan bewust is, levert niet altijd voldoende grond op voor het aannemen van een schenking. Dit zou immers betekenen dat geen terugvordering wegens onverschuldigde betaling mogelijk zou zijn, wanneer de nietigheid van de verbintenis bekend zou zijn aan degeen die voldoet (...). Anderzijds hoeft men niet zo ver te gaan dat men voor schenking eist dat degeen die zich verarmt, dit doet met het oogmerk de ander te bevoordelen. Door de overeenkomst hiervan afhankelijk te maken zou men zich verder begeven in de drijfveren van wat iemand tot bevoordeling van een ander beweegt, dan met het oog op de rechtszekerheid doelmatig en juist geacht moet worden. Voor het geldende recht heeft de Hoge Raad zich dan ook beperkt tot het stellen van de eis van vrijgevigheid. (…)”18.
3.13.2
In overeenstemming hiermee oordeelt de rechtspraak dat niet voldoende is dat degene die een ander bevoordeelt ten koste van zijn eigen vermogen, zich daarvan bewust is. Vereist is dat diens wil is gericht op bevoordeling van die ander.19.Voor schenking is vereist dat wilsovereenstemming bestaat over de verrijking van de een ten koste van de ander.20.Het onderscheid tussen bewustheid van en de wil tot bevoordelen blijkt duidelijk uit een arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002,21.dat gaat over de Successiewet 1956, welke wet als uitgangspunt voor het begrip schenking verwijst naar de civielrechtelijke gift.22.De Hoge Raad (derde kamer) overwoog:
“3.5. Opmerking verdient nog dat, naast bewustheid van bevoordeling, de wil tot bevoordelen een afzonderlijk vereiste vormt voor het aannemen van een schenking in de zin (…) van de Successiewet 1956, en dat de aanwezigheid van de wil tot bevoordeling zelfstandig moet worden beoordeeld op grond van de omstandigheden, en niet kan worden afgeleid louter uit de aanwezigheid van bevoordelingsbewustheid bij degene die bevoordeelt.”
Bewustzijn van bevoordeling zonder bevoordelingsbedoeling kan bijvoorbeeld aanwezig worden gedacht wanneer een verkoper door geldnood gedwongen wordt om een object aan de eerste de beste gegadigde voor een niet optimale prijs te verkopen.23.
3.13.3
Het bewustzijn dat een ander wordt verrijkt, kan, maar hoeft geen bevoordelingsbedoeling te impliceren. In deze zin kan de opmerking in de toelichting worden begrepen, dat bevoordelingsbewustzijn “niet altijd voldoende grond” oplevert voor het aannemen van een schenking. Of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld.24.Dat een bevoordeling heeft plaatsgevonden in de familiesfeer kan wijzen op de aanwezigheid van zo’n bedoeling.25.De rechter kan ook aan de omstandigheden van het geval een vermoeden ontlenen dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig was.26.De bevoordelingsbedoeling wordt beoordeeld naar het moment van de handeling, ook al wordt het voordeel pas later genoten.27.
3.13.4
De rechtspraak oordeelt dat weliswaar de wil om de ander te bevoordelen dient vast te staan, maar dat diens daaraan ten grondslag liggende motieven in beginsel niet relevant zijn.28.In dit verband spreekt de Hoge Raad wel van een ‘geobjectiveerd schenkingsbegrip’.29.Voldoende is dat de handelende, hoewel zich bewust van het ontbreken van enigerlei verplichting, desondanks de verrijking van de begiftigde heeft gewild.30.Zo kan sprake zijn van vrijgevigheid ook indien er een sterk motief van eigen belang speelt, zoals de hoop een grotere gift terug te zullen krijgen.31.Schols merkt op dat er een grijs gebied bestaat tussen wil en motief.32.
3.13.5
Kortom, bewustheid van bevoordeling is niet voldoende (‘ik handel terwijl ik weet dat u daardoor wordt verrijkt’). Er moet een bevoordelingsbedoeling zijn, dat wil zeggen dat de wil van de handelende partij moet zijn gericht op de verrijking van de ander (‘ik handel omdat ik wil dat u daardoor wordt verrijkt’). Buiten beschouwing kan blijven, waarom die wil er is; dit betreft slechts de motieven van de handelende partij (‘ik wil u verrijken, omdat …’).33.
3.13.6
De beoordeling of in het concrete geval een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt. De Hoge Raad beoordeelt slechts of het oordeel van de rechter op dat punt blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en of het oordeel van het hof voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.34.
3.14.1
Ik geef hierna enige voorbeelden.
3.14.2
Een renteloze, niet opeisbare lening is een gift.35.Daarentegen is het (nog) niet innen van een te allen tijde opeisbare en aflosbare renteloze geldlening naar het oordeel van de Hoge Raad geen schenking, omdat geen sprake is van verrijking van de begiftigde ten koste van het vermogen van de schenker:
“De enkele omstandigheid dat belanghebbende zich rente heeft bespaard doordat zijn ouders het geleende bedrag in 1979 niet hebben opgevraagd en evenmin de lening rentedragend hebben gemaakt, brengt niet mede dat belanghebbende enig voordeel ten koste van het vermogen van zijn ouders heeft verkregen. De mogelijkheid voor de ouders om het met de lening gemoeide bedrag opbrengstgevend aan te wenden is immers verdisconteerd in de – nominale – waarde van hun vordering, terwijl opbrengsten die belanghebbendes ouders hadden kunnen genieten maar in feite niet hebben genoten, nimmer tot hun vermogen hebben behoord. Van een schenking (…) is hier derhalve geen sprake.”36.
3.14.3
Bij verkoop tegen een lage, maar reële koopprijs, geldt de ‘meerwaarde’ als schenking voor de berekening van de legitieme en bij verkoop tegen een niet-werkelijke koopprijs, heeft te gelden dat het goed zelf is geschonken, zo heeft de Hoge Raad overwogen in […] / […]:
“dat in deze zaak de vraag rijst in hoeverre de vervreemding van een onroerend goed tegen een prijs beneden de werkelijke waarde met de bedoeling de verkrijger te bevoordelen, moet leiden tot inkorting ten behoeve van legitimarissen;
dat bij de beantwoording van deze vraag moet worden onderscheiden tussen het geval, dat het goed is verkocht voor een weliswaar lage maar toch reële koopprijs, en het geval dat de bedongen tegenprestatie van zo geringe betekenis is, dat zij niet als een werkelijke koopprijs kan worden beschouwd;
dat in het eerste geval de verkrijger is bevoordeeld met het bedrag waarmede de waarde die het goed ten tijde van de verkoop had de koopprijs overtreft, en voor de berekening van het wettelijk erfdeel ten hoogste dit bedrag als bevoordeling in aanmerking komt;
dat in het tweede geval moet worden aangenomen, dat het goed zelf is geschonken, hetgeen medebrengt, dat bij de bepaling van de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel ingevolge art. 968 BW het goed in aanmerking moet worden genomen naar zijn waarde op het ogenblik van het overlijden van de gever;”37.
3.14.4
De overdracht van een onroerende zaak onder voorbehoud van vruchtgebruik tegen betaling van een reële koopprijs is geen gift. De enkele waardevermeerdering die het gevolg is van het einde van het vruchtgebruik door overlijden van de erflater is dan niet een gift.38.
3.15
Voor het beantwoorden van de vraag of aan een bepaalde handeling het karakter van een schenking of een gift toekomt, kunnen andere (rechts)handelingen van belang zijn. In verband met laatstgenoemde wordt wel gesproken van een samenstel van rechtshandelingen.39.De verschillende, samenhangende rechtshandelingen of transacties moeten dan als een geheel worden beschouwd. Een samenhangend geheel van rechtshandelingen dient in onderling verband te worden beoordeeld.40.
3.16.1
De zaak Erven/ […] betrof de volgende casus, zoals samengevat door annotator Kleijn:
“Moeder […] had met haar 2 zoons en 3 dochters de nalatenschap van haar vooroverleden echtgenoot zodanig verdeeld dat Moeder een woon/winkelhuis voor 5/8 deel en ieder der 3 dochters voor 1/8 deel verkreeg. Daarna hadden er drie handelingen plaats als volgt.
Op 17 april 1973 werd door moeder en dochters het winkel/woonhuis aldus verdeeld dat de 3 dochters het geheel in bloot-eigendom verkregen en moeder het levenslang recht van gebruik en bewoning ervan. Vanwege de overbedeling van de 3 dochters werd door ieder van haar schuldig erkend aan moeder een bedrag van ƒ 2916.
Op 10 juni 1973 schold moeder hierop een bedrag van ƒ 2000 kwijt en op 17 maart 1974 het restant ad ƒ 916. Basis voor deze genoemde verdeling was een waardering van het huis op ƒ 50 000, waarvan de waarde van het recht en gebruik en bewoning werd gesteld op 45% of ƒ 22 500. Moeder […] overleed op 27 aug. 1978, op welk tijdstip het huis ƒ 165 000 waard was. De zoons stelden zich op het standpunt dat hun legitieme door een en ander was aangetast, (…) op basis van het feit dat de scheiding en deling gevolgd door de kwijtscheldingen als schenking van het huis moest worden aangemerkt (…).”41.
3.16.2
De Hoge Raad heeft overwogen:
“8. Het Hof stelt vast dat de gezusters op 17 april 1973 voor het bedrag van de overbedeling een schuldbekentenis ter zake van geldlening tegen de toen niet ongebruikelijke rente van 6% ’s jaars hebben afgegeven aan […] , en vervolgt dan: ‘zijnde het voor de beoordeling van de hierbedoelde op 17 april 1973 gerealiseerde rechtshandeling niet relevant of […] in latere jaren kwijtschelding van de desbetreffende schuld heeft gegeven’. Blijkens de memorie van grieven hebben de gebroeders (…) gesteld dat deze kwijtscheldingen in dier voege hebben plaatsgevonden dat ƒ 2000 aan ieder der gezusters op 10 juni 1973 is kwijtgescholden en het restant of ƒ 916 aan ieder harer op 17 maart 1974. Tegen de achtergrond van deze stellingen is niet begrijpelijk dat het Hof spreekt over een kwijtschelding ‘in latere jaren’. Deze discrepantie zou juist van belang kunnen zijn, nu het Hof niet aangeeft waarom de gestelde kwijtscheldingen ‘niet relevant’ zijn voor de beoordeling van de op 17 april 1973 gerealiseerde rechtshandeling. In dit verband verdient immers opmerking dat de vermelde stellingen van de gebroeders kennelijk de strekking hebben te betogen dat uit de binnen een jaar gevolgde kwijtscheldingen moet worden afgeleid dat aan de toebedeling van het goed in april 1973 het karakter toekomt van een schenking van dat goed aan de gezusters. Als dat betoog juist zou zijn, zou er in feite sprake zijn van een gift van dat goed (…), zij ‘t onder voorbehoud van het aan het leven van de erflaatster gebonden recht van gebruik en bewoning (…).”42.
3.16.3
Deze uitspraak kan niet zo worden opgevat dat alle gevallen waarin een overdracht van een goed wordt gevolgd door een kwijtschelding van de tegenprestatie als een schenking van dat goed zelf moet worden gezien.43.Uit het arrest Erven/ […] wordt wel afgeleid dat een kwijtschelding binnen een jaar na de overdracht ‘een sterke aanwijzing’ is voor de aanwezigheid van een schenking.44.
3.17
Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een samenstel van rechtshandelingen, zodat een dergelijk geval – of het in de praktijk eveneens voorkomende geval dat de koopprijs ook nog in een geldlening is omgezet45.– als een schenking moet worden gezien, is uiteindelijk de partijbedoeling beslissend. Deze kan mede blijken uit de inhoud van de desbetreffende rechtshandelingen, de onderlinge afstemming daarvan (die mede kan blijken uit de formulering van de daarvan eventueel opgemaakte akten) en de samenhang tussen die rechtshandelingen wat betreft het moment waarop zij tot stand zijn gekomen.46.In een dergelijk geval zal men de werkelijkheid boven de schijn moeten laten gaan en schenking aannemen.47.
Overwegingen van het hof die relevant zijn voor de beoordeling of sprake was van een gift
3.18
Het hof heeft afzonderlijk beoordeeld of sprake was van een gift (rov. 15-23), of sprake was van verrekening met de koopsom (rov. 24-33) en of [de zoon] een vordering op erflaatster had ter zake van het stuk grond in Canada (rov. 38-47).
3.19
Het hof heeft in rov. 17 en 18 de standpunten van partijen weergegeven ten aanzien van de vraag of sprake was van een gift.
3.20
[de zoon] heeft, samengevat, het volgende gesteld (rov. 17).(i) De erflaatster heeft geen bevoordelingsbedoeling gehad bij de verkoop van de woning aan [de zoon] in 1995, nu zij de woning heeft verkocht voor een reële prijs en de koopsom door [de zoon] moet worden afbetaald. De koopprijs van de woning sluit aan bij de taxatie uit 1993 en de WOZ-uitspraak van het gerechtshof Den Haag uit 1995. Het recht van gebruik en bewoning drukt de waarde van de woning. De woning had achterstallig onderhoud.(ii) [de zoon] heeft de lasten van de woning betaald en heeft op zijn kosten onderhoudswerkzaamheden laten verrichten, zowel in de periode voor de verkoop van de woning aan hem als nadien. Hij legt een overzicht van door hem betaalde kosten over, brieven van erflaatster en een overeenkomst tussen erflaatster en [de zoon] van 18 juli 1995, die volgens dit document te lezen is als appendix bij de koopakte van de woning. Deze overeenkomst betreft een cumulatieve afboeking van nog openstaande posten ten bedrage van fl. 289.575,- zodat na verrekening met de koopsom van fl. 479.500,- een bedrag resteert van fl. 189.925,-. Deze overeenkomst is ondertekend door [de zoon] en voor akkoord getekend door erflaatster. Er was in 1995 geen verrijking van [de zoon] en geen verarming van erflaatster.(iii) In 2005 was geen sprake van verrijking van [de zoon] en een verarming van erflaatster toen erflaatster afstand deed van het recht van gebruik en bewoning van de woning. Dit recht vertegenwoordigde op dat moment geen waarde meer, nu het feitelijk niet werd geëffectueerd en was vervangen door het recht van gebruik en bewoning van het [appartement] dat [de zoon] in 2003 heeft gekocht.(iv) Nu [de dochter] stelt dat er sprake is van een schijnconstructie met betrekking tot de woning moet zij feiten en omstandigheden stellen die daarop duiden en ligt de bewijslast bij haar. Het door [de dochter] opgenomen gesprek van erflaatster bij de notaris onderbouwt niets ten aanzien van de bevoordelingsbedoeling en is in tegenspraak met de door haar gedane aangifte bij de politie.
3.21
[de dochter] heeft, samengevat, het volgende gesteld (rov. 18).(i) Er is sprake van een samenstel van rechtshandelingen van de verkoop van de woning tegen een te lage prijs, de omzetting van de koopprijs in een lening zonder rente en zonder aflossing en vervolgens de zogenaamde verrekening tegen niet-bestaande schulden.(ii) De bewering van [de zoon] dat sprake is van wederkerige overeenkomsten is ongeloofwaardig. De overeenkomst van erflaatster met [de zoon] waarbij gemaakte kosten worden verrekend met de koopprijs, is in tegenspraak met hetgeen in de akte van levering staat vermeld, te weten dat niet mocht worden verrekend. Ook zijn betalingen niet door [de zoon] zelf, maar door zijn BV verricht. Het onderhoud van de woning werd niet door [de zoon] , maar door de partner van erflaatster gepleegd. De enorme vordering van [de zoon] op grond van gepleegd onderhoud aan de woning wordt door hem gecombineerd met de bewering dat de koopprijs van de woning zo laag was juist vanwege het ontbreken van onderhoud.(iii) Door afstand te doen van het recht van gebruik en bewoning van de woning in 2005 is erflaatster verarmd. Bovendien moest zij hypotheekrente gaan betalen na de aankoop van [appartement] terwijl de woning eerder hypotheekvrij was.(iv) Dat sprake is van een bevoordelingsbedoeling bij de verkoop van de woning aan [de zoon] blijkt uit het door haar opgenomen gesprek van erflaatster met [notaris] van 16 augustus 2008, waarbij [de dochter] aanwezig was. Erflaatster heeft volgens [de dochter] in dat gesprek zelf aangegeven dat ten aanzien van de woning sprake was van een gift.
3.22
Het hof heeft afzonderlijk beoordeeld of de verkoop en overdracht48.van de woning door erflaatster aan [de zoon] ten tijde van de levering in 1995 is aan te merken als een gift (rov. 22) dan wel dat pas sprake is van een gift in 2005 bij de afstand van het recht van gebruik en bewoning door erflaatster (rov. 23).
3.23
In rov. 22 concludeert het hof dat de verkoop van de woning in 1995 geen gift is:
“22. Naar het oordeel van het hof kan de verkoop van de woning in 1995 door erflaatster aan [de zoon] niet aangemerkt worden als een gift. Erflaatster en [de zoon] zijn, volgens onweersproken stelling van [de zoon] , bij de bepaling van de koopprijs uitgegaan van de taxatie van Kolpa van 30 december 1993 en van de bepaling door het hof Den Haag van de waarde in het economisch verkeer van de woning per peildatum 1 januari 1990. [de dochter] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan partijen destijds deze waardebepalingen niet als uitgangspunt hadden mogen nemen. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat Kolpa op 30 december 1993 de onderhandse verkoopwaarde bij lege en ontruimde levering aan een willekeurige derde heeft gesteld op fl. 590.000,-, terwijl erflaatster het recht van gebruik en bewoning kreeg. Kolpa heeft in diens taxatie de waarde van de woning in verhuurde staat berekend op fl. 410.000,-. Dat de koopprijs bestond uit een renteloze lening aan [de zoon] zonder aflossingsverplichting is onvoldoende om van een schijnconstructie en - daarmee - een gift uit te gaan. Immers, voor zover deze lening niet is afgelost, had erflaatster een vordering op [de zoon] . Het opgenomen gesprek bij [notaris] op 16 januari 2008 brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof slaat in dit verband acht op het - aanzienlijke -tijdsverloop tussen de levering van de woning en deze verklaring. Bovendien is de verklaring die erflaatster bij de notaris heeft afgelegd in tegenspraak met de verklaring die zij ten aanzien van de woning heeft afgelegd tegenover de politie Rotterdam-Rijnmond, zoals blijkt uit het proces-verbaal van aangifte van 20 mei 2008.”
Het hof heeft dus geoordeeld, samengevat, dat er in 1995 een reële koopprijs is overeengekomen en dat de omstandigheid dat de koopprijs bestond uit een renteloze lening zonder aflossingsverplichting onvoldoende is om van een gift uit te gaan.
3.24
In rov. 23 concludeert het hof dat de afstand van recht in 2005 geen gift is:
“23. De koop/verkoop tussen erflaatster en [de zoon] heelt plaatsgevonden onder het voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning door erflaatster. Vanaf de datum van de overdracht tot aan de datum dat erflaatster de woning heeft verlaten heeft zij het genot van de woning gehad. Door het vertrek uit de woning had het recht van gebruik en bewoning voor de erflaatster economisch in beginsel geen waarde meer omdat zij op grond van artikel 3:226 lid 4 BW niet bevoegd is om dit recht te vervreemden of de woning door een ander te laten gebruiken en/of bewonen (zie ook hetgeen is bepaald in de leveringsakte). Dit betekent dat de afstand van het genotsrecht in beginsel niet heeft geleid tot een schenking omdat zij hierdoor niet is verarmd. In randnummer 152 van de memorie van antwoord stelt [de dochter] : “De verarming van moeder is evident. Immers door afstand te doen van het recht van gebruik en bewoning, raakte zij het recht kwijt om een groot en kostbaar huis te bewonen.” In randnummer 155 van de memorie van antwoord stelt [de dochter] : “Het recht van gebruik en bewoning is ook niet voortgezet op de andere woning, want dit recht is niet gevestigd op de andere woning. [de dochter] betwist dat er in goed overleg vervangende woonruimte zou zijn gevonden. Uit de feiten blijkt dat moeder helemaal niet wilde verhuizen, maar dat [de zoon] haar hiertoe heeft bewogen.” In randnummer 1.15 van de memorie van antwoord stelt [de zoon] : “Partijen hadden destijds niet voorzien wat er zou gebeuren indien moeder dat recht van gebruik en bewoning niet langer kon effectueren en hadden gaandeweg een nieuwe overeenkomst gesloten doordat [de zoon] een woning ten gebruiken van moeder heeft aangeschaft waarin zijn nog wel gelet op haar medische conditie nog kon wonen, die zo dicht mogelijk de andere woning benaderde en de zelfde voorwaarden van toepassing zouden zijn.” Op basis van hetgeen partijen hebben gesteld kan het hof niet vaststellen wat de beweegredenen voor erflaatster zijn geweest om de woning te verlaten en haar intrek te nemen in het appartement dat door [de zoon] is aangekocht. Feitelijk heeft erflaatster de woning verlaten en heeft zij haar intrek genomen in het appartement wat door [de zoon] is aangekocht. Uit de bewoordingen van [de zoon] leidt het hof af dat erflaatster als het ware het recht van gebruik en bewoning heeft voortgezet, zij het in een andere woning. Afgezien van de vraag of erflaatster door de afstand van het genotsrecht economisch is verarmd, kan het hof niet vaststellen of de erflaatster door de afstand ook gewild heeft om [de zoon] te bevoordelen. Gezien de feitelijke gang van zaken is het hof van oordeel dat geen sprake is van een gift.”
3.25
Zoals blijkt uit de door het hof in rov. 17 en 18 weergegeven stellingen van [de zoon] en [de dochter] , speelt in verband met de vraag of in 1995 sprake was van een gift ook een rol of de [de zoon] de koopsom heeft voldaan (zie hiervoor in 3.20 onder (ii) en 3.21 onder (ii).
3.26
Het hof heeft de stellingen die partijen in verband met de verrekening hebben ingenomen weergegeven in rov. 24-27. Het hof heeft deze stellingen betrokken bij zijn onderzoek van de vraag of de koopprijs door verrekening is voldaan (rov. 24-33). Het hof concludeert dat [de zoon] dit niet heeft aangetoond (rov. 32 en 33). Het hof overweegt daartoe onder meer:(i) Het Canadaproject is een privéaangelegenheid van [de zoon] en hij dient de kosten uit eigen middelen te voldoen (rov. 30 met verwijzing naar rov. 38-47).(ii) De aankoop van het appartement te [plaats] op naam van [de zoon] is een transactie waarvan de financiële gevolgen voor rekening en risico van [de zoon] dienen te komen (rov. 30).(iii) [de zoon] had er een eigen belang bij dat de schuld (ad fl. 479.500,-) uit de administratie van erflaatster verdween (rov. 31).(iv) De cumulatieve afboeking op 18 juli 1995 van fl. 289.575,- is ongeloofwaardig en een schijnhandeling. Niet vastgesteld kan worden of de uitgaven voor erflaatster zijn gedaan en of er sprake is van werkelijke uitgaven. [de zoon] schuift de kosten van het Canadaproject op rekening van erflaatster. Er zijn verrekenposten opgenomen die betaald zijn door HTR BV. (rov. 32)
3.27
Ik merk op dat het voorwaardelijk incidentele middel klaagt over rov. 28-33 en 38-47. Deze klachten dienen naar mijn mening te falen of kunnen bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden (behoudens een in dit verband niet relevante klacht van onderdeel IV; zie hierna bij de bespreking van het incidentele middel), zodat in cassatie moet worden uitgegaan van de hiervoor in 3.26 weergegeven oordelen van het hof.
3.28
Tegen deze achtergrond bespreek ik hierna de klachten van het principale middel tegen de oordelen van het hof in rov. 22 en 23 dat geen sprake is van een gift.
Onderdelen 1 en 2 en paragraaf 2 van de procesinleiding; gift van de woning?
3.29
Onderdeel 1 klaagt over de overwegingen ten aanzien van de taxatie van Kolpa in onderdeel 1.A (procesinleiding nrs. 3.1-3.1.4) en in onderdeel 1.C (procesinleiding nr. 3.6) en ten aanzien van de bepaling door het hof Den Haag van de WOZ-waarde in onderdeel 1.B (procesinleiding nrs. 3.2-3.5.1). Deze klachten zien dus op het oordeel dat er in 1995 een reële koopprijs is overeengekomen. Het eerste onderdeel klaagt voorts in onderdeel 1.D (procesinleiding nrs. 3.7-3.7.2) over de overweging over het opgenomen gesprek bij de notaris.
3.30
Onderdeel 2 bevat een op onderdeel 1 voortbouwende klacht in nr. 4.2 van de procesinleiding (nr. 4.1 bevat geen klacht). Het tweede onderdeel klaagt voorts over het oordeel dat onvoldoende is dat de koopprijs bestond uit een renteloze lening aan [de zoon] zonder aflossingsverplichting (procesinleiding nrs. 4.3-4.9).
3.31
Ik bespreek eerst de klachten van onderdeel 2 ( procesinleiding nrs. 4.3-4.9) in verbinding met de klachten in paragraaf 2 van de procesinleiding (nrs. 2.1-2.6).
3.32.1
Hierin klaagt het onderdeel in de kern dat het oordeel in rov. 22 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (in het licht van het arrest Erven […]) en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd in het licht van de feiten en essentiële stellingen van [de dochter] (nr. 4.3). Het hof heeft de vraag of [de zoon] heeft aangetoond dat hij de koopprijs voor de woning heeft betaald uitsluitend geplaatst en beantwoord in het kader van de door [de zoon] gevorderde verklaringen voor recht dat hij de koopprijs heeft betaald en dat hij nog een vordering op [de dochter] heeft omdat de nalatenschap negatief is, maar niet bij zijn beoordeling van de vraag of inzake de woning sprake is van een gift49.(nr. 4.4). Gezien de stellingen van [de dochter] had het hof bij zijn beoordeling of sprake was van een gift van de woning moeten betrekken de poging van [de zoon] (en erflaatster) om door middel van het opvoeren van niet bestaande schulden van erflaatster aan [de zoon] en een niet toegestane (en ongeloofwaardige) verrekening daarvan betaling van de koopsom te suggereren (nr. 4.5), alsmede zijn oordelen daarover in rov. 32 en 33, en door dat niet te doen geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting (nr. 4.6), althans is het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd (nr. 4.7). In paragraaf 2 van de procesinleiding – waarnaar wordt verwezen in nr. 4.6 − wordt geklaagd dat het hof in rov. 22 kennelijk op grond van de overeengekomen prijs geen bevoordelingsbedoeling aanwezig acht en over het oordeel dat onvoldoende is dat de koopprijs bestond uit een renteloze lening zonder aflossingsverplichting (nr. 2.1). Daartoe wordt aangevoerd, samengevat, dat het gaat om een geobjectiveerd vrijgevigheidsbegrip (nr. 2.2) dat moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, zoals de omstandigheid dat de bevoordeling heeft plaatsgevonden in de familiesfeer, aan de hand van objectieve feiten (nrs. 2.3-2.4). Voorts wordt aangevoerd dat een gift besloten kan liggen in een samenstel van rechtshandelingen (nrs. 2.5-2.6).
3.32.2
Verder klaagt onderdeel 2 dat het hof bij zijn oordeel had moeten betrekken: dat verrekening niet was toegestaan (nr. 4.5), andere factoren dan tijdsverloop tussen verkoop en kwijtschelding (nr. 4.6), zijn vaststelling in rov. 31 dat [de zoon] er belang bij had dat de schuld uit de administratie van erflaatster verdween (nr. 4.8) en de in nr. 4.9 bedoelde omstandigheden.
3.33.1
Ik meen dat de hiervoor in 3.32.1 bedoelde kernklacht slaagt. Zoals het hof overweegt in rov. 18, heeft [de dochter] aangevoerd dat ter zake van de verkoop en overdracht van de woning sprake is van een samenstel van rechtshandelingen van de verkoop van de woning tegen een te lage prijs, de omzetting van de koopprijs in een lening zonder rente en zonder aflossing en vervolgens de zogenaamde verrekening tegen niet-bestaande schulden. Een gift kan besloten liggen in een dergelijk samenstel van (rechts)handelingen. Voor zover het hof in respons op het betoog van [de dochter] de elementen uit het door haar gestelde samenstel slechts afzonderlijk heeft beoordeeld, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de beoordeling van een samenstel van rechtshandelingen.
3.33.2
Voor zover het hof bij zijn beoordeling wel is uitgegaan van een samenstel van rechtshandelingen, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof de stellingen van [de dochter] dat sprake is van een samenstel van rechtshandelingen, waaronder de zogenaamde verrekeningen, niet voldoende kenbaar in onderling verband heeft beoordeeld. Het hof heeft in rov. 22 beoordeeld of sprake was van een reële prijs en vervolgens geoordeeld dat de omstandigheid dat de koopprijs bestond uit een renteloze lening aan [de zoon] zonder aflossingsverplichting onvoldoende is om van een gift uit te gaan. Het hof concludeert in rov. 22 dat erflaatster, voor zover de lening niet is afgelost, een vordering had op [de zoon] . In de conclusie ligt besloten dat het de bedoeling van erflaatster en [de zoon] was dat [de zoon] de in de lening omgezette koopprijs daadwerkelijk zou betalen. Zonder nadere motivering is deze conclusie onvoldoende begrijpelijk in het licht van de omstandigheden die [de dochter] blijkens rov. 18 heeft aangevoerd en waarop het onderdeel een beroep doet. De omstandigheden dat geen betaling van de koopsom heeft plaatsgevonden, de koopsom is omgezet in een lening, geen renteverplichting en aflossingsverplichting is overeengekomen, de lening niet is afgelost, het hof tot de slotsom komt dat de administratieve onderbouwing door [de zoon] van de betaling van zijn schuld aan erflaatster ondeugdelijk is en [de zoon] niet heeft aangetoond dat deze schuld is tenietgegaan door verrekening, kunnen in onderling verband beschouwd duiden op de door [de dochter] aangevoerde gift (schijnconstructie).
3.33.3
Het voorgaande geldt ook indien het hof kon oordelen dat sprake was van een reële prijs voor de woning (waarover onderdeel 1 klaagt). Indien partijen weliswaar een reële prijs hebben afgesproken, maar niet de intentie hadden dat deze prijs moest worden voldaan, kan ook geoordeeld worden dat sprake is van een gift (vgl. hiervoor in 3.14.3 t.a.v. een onrealistisch lage koopprijs en 3.17).50.
3.34.1
Na cassatie en verwijzing zal het door [de dochter] gestelde samenstel van rechtshandelingen opnieuw dienen te worden beoordeeld en bij dat oordeel dient het verwijzingshof alle feiten en omstandigheden van het geval te betrekken.
3.34.2
Het is daarom niet nodig om nader in te gaan op de omstandigheden die worden genoemd in de hiervoor in 3.32.2 bedoelde (delen van de) nrs. 4.5, 4.6, 4.8 en 4.9.
3.34.3
Voorts bestaat er geen noodzaak om de klachten van onderdeel 1 en de daarop voortbouwende klacht in nr. 4.2 van de procesinleiding te bespreken. Indien de Hoge Raad deze klachten niet behandelt, heeft het verwijzingshof de ruimte om zich eventueel een eigen oordeel te vormen over de stelling van [de dochter] dat de woning in 1995 is verkocht tegen een te lage prijs (onderdelen 1.A, 1.B en 1.C) en kan dit hof zo nodig de betekenis beoordelen van hetgeen door erflaatster bij de notaris is gezegd (onderdeel 1.D). Ik merk op dat ook de klacht in nr. 4.9 verwijst naar stellingen die hierop betrekking hebben.
3.35
De slotsom is dat onderdeel 2 gedeeltelijk slaagt en voor het overige, evenals onderdeel 1, geen bespreking behoeft.
Onderdeel 3; gift door afstand van het recht van gebruik en bewoning?
3.36
Dit onderdeel klaagt in de nrs. 5.1-5.5.4 over rov. 23 waarin het hof beoordeelt of de afstand van het recht van gebruik en bewoning in 2005 een gift is. Het hof overweegt dat: (i) erflaatster in beginsel niet door de afstand van recht is verarmd, omdat dit recht voor haar geen waarde meer had nadat zij de woning had verlaten; (ii) het hof niet kan vaststellen wat de beweegredenen voor erflaatster zijn geweest om de woning te verlaten; (iii) erflaatster als het ware het recht van gebruik en bewoning heeft voortgezet in het appartement dat [de zoon] voor haar heeft gekocht; (iv) − afgezien van de vraag of erflaatster door de afstand van het genotsrecht economisch is verarmd – het hof niet kan vaststellen of erflaatster door de afstand ook gewild heeft om [de zoon] te bevoordelen; en (v) gezien de feitelijke gang van zaken geen sprake is van een gift.
3.37
De klachten van dit onderdeel betreffen mijns inziens enerzijds de vraag of het hof voldoende is ingegaan op de stelling van [de dochter] dat de afstand van recht in 2005 onderdeel is van de schijnconstructie uit 1995 (zie hierna in 3.38 e.v.) en anderzijds de vraag of de afstand van recht van gebruik en bewoning in 2005 als een afzonderlijke gift moet worden beschouwd (zie hierna in 3.41 e.v.)
3.38
Het onderdeel klaagt dat het oordeel in rov. 23 rechtens onjuist is, omdat het hof één element van de reeks van (rechts)handelingen geïsoleerd beoordeelt, zonder daarbij het geheel van rechtshandelingen in ogenschouw te nemen, terwijl de afstand van recht door erflaatster volgens de stellingen van [de dochter] de finale stap was in een samenstel van rechtshandelingen (nr. 5.4). Het oordeel is in ieder geval onvoldoende begrijpelijk, omdat het hof niet heeft gerespondeerd op de stellingen van [de dochter] dat de afstand van het genotsrecht deel uitmaakt van het samenstel van rechtshandelingen en daarmee van de schijnconstructie; dit geldt temeer waar het hof in rov. 30 overweegt dat de aankoop van het appartement om voor erflaatster woonruimte te creëren een ‘opmerkelijke transactie’ is en dat de bloot eigendom van de woning van [de zoon] is aangegroeid tot vol eigendom, wat aansluit bij de stellingen van [de dochter] over het samenstel van rechtshandelingen (nrs. 5.1, 5.5.3 en 5.5.4).
3.39
Deze klachten slagen naar mijn mening niet, omdat zij berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en daarom feitelijke grondslag missen. [de dochter] heeft, blijkens de gedingstukken waarnaar het onderdeel verwijst, niet gesteld dat (mede) uit de afstand van het recht van gebruik en bewoning in 2005 blijkt dat in 1995 sprake was van een schijnconstructie. Die schijnconstructie bestond volgens haar stellingen immers uit de verkoop van de woning tegen een te lage prijs, de omzetting van de koopprijs in een lening zonder rente en zonder aflossing en vervolgens de zogenaamde verrekening tegen niet-bestaande schulden (zie hiervoor in 3.21 en 3.33.1). Om deze reden is, anders dan het onderdeel aanvoert in nr. 5.5.4, slot, ook niet onbegrijpelijk dat het hof de stelling van [de dochter] over de schijnconstructie en zijn vaststellingen in rov. 30 niet kenbaar heeft betrokken bij zijn oordeel over de vraag of de afstand van het recht van gebruik en bewoning een gift was.
3.40.1
Aanvullend merk ik op dat [de dochter] , blijkens de gedingstukken waarnaar het onderdeel verwijst, wel heeft gesteld dat met de afstand van het recht van gebruik en bewoning in 2005 de gift compleet werd, zodat de waarde van gift moet worden beoordeeld naar de waarde van de woning in 2005. [de dochter] heeft in verband met de afstand van recht in 2005 in de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel nr. 152 aangevoerd dat erflaatster door de afstand van recht is verarmd, zoals het hof in rov. 23 vermeldt. [de dochter] heeft daarop laten volgen dat de afstand de finale stap in het samenstel van rechtshandelingen was, waarbij erflaatster na de verkoop voor een te lage prijs en een lening zonder rente die niet werd afgelost, uiteindelijk definitief de woning kwijt raakte. Met deze finale stap is bedoeld dat in 2005 de gift van de woning compleet werd en dat dáárom de waarde van de woning op grond van art. 4:66 lid 1 BW moet worden gewaardeerd per 2005. [de dochter] heeft in verband met de peildatum voor de waarde van de gift betoogd − onder verwijzing naar door haar geraadpleegde deskundigen51.– dat op het moment van afstand van recht in 2005 de woning in onbewoonde staat ter beschikking is gekomen aan [de zoon] c.q. de schenkingsprestatie werd voltooid. Hieraan heeft zij de conclusie verbonden dat de gift van de woning moet worden gewaardeerd naar de waarde van de woning in 2005, omdat dit de waarde op het tijdstip van de prestatie is in de zin van art. 4:66 lid 1 BW.52.
3.40.2
Alternatief heeft [de dochter] zich erop beroepen dat de gift met worden gewaardeerd naar het moment van afstand van recht in 2005, omdat dit volgt uit de strekking van art. 4:66 lid 2, eerste zin, BW. Daarin is bepaald dat giften waarbij de erflater zich het genot van het geschonkene gedurende zijn leven heeft voorbehouden, en andere giften van een voordeel bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten, worden geschat naar de waarde onmiddellijk na zijn overlijden. De ratio van deze bepaling is dat eerst op het moment van overlijden het voordeel van een dergelijke gift door de begiftigde wordt genoten, zodat de waarde van de gift naar dat moment moet worden gewaardeerd (zie hiervoor 3.5.2). Deze bepaling veronderstelt dat de gever tot aan diens overlijden het voorbehouden recht heeft benut. Omdat in deze zaak erflaatster afstand van het recht van gebruik en bewoning deed in 2005, dus enige jaren voor haar overlijden in 2009, zou uit de strekking van art. 4:66 lid 2, eerste zin, BW volgen dat de gift van de woning onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning moet worden gewaardeerd naar het moment waarop het voorbehouden recht van gebruik en bewoning eindigt, in dit geval (niet door overlijden, maar) door afstand van dat recht.53.Dit lijkt mij een op zichzelf aannemelijke toepassing van art. 4:66 lid 2 BW.
3.40.3
Het hof is niet toegekomen aan de beoordeling van de vraag op welk moment de gift van de woning gewaardeerd moet worden, omdat het hof in rov. 22 heeft geoordeeld dat er geen gift was. Nu de daartegen gerichte klachten van het middel slagen, zal het verwijzingshof na cassatie en verwijzing opnieuw moeten onderzoeken of sprake was van een gift van de woning op de door [de dochter] aangevoerde gronden en, indien het hof die vraag bevestigend zou beantwoorden, moeten beoordelen welk moment geldt als de peildatum voor de bepaling van de waarde van de gift.
3.41
Het onderdeel klaagt voorts dat het oordeel in rov. 23 dat de afstand van het recht van gebruik en bewoning door erflaatster geen gift is, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd (nr. 5.1). Daartoe voert het onderdeel, samengevat, het volgende aan in de nog niet besproken nrs. 5.2, 5.3, 5.5, 5.5.1 en 5.5.2.
3.42.1
Het onderdeel voert in nr. 5.2 aan dat in het licht van de in de klacht genoemde (bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag aan te nemen) omstandigheden het oordeel van het hof dat het niet kan vaststellen of erflaatster door de afstand van het genotsrecht ook heeft gewild [de zoon] te bevoordelen en dat het gezien de feitelijke gang van zaken tot het oordeel komt dat geen sprake was van een gift, geen stand houden. De bedoelde omstandigheden zijn: 1. verarming van erflaatster; 2. door [de zoon] afgedwongen vertrek van erflaatster uit de woning/verhuizing van erflaatster tegen haar zin; 3. (aanzienlijke) verrijking door [de zoon] ; en 4. geen vestiging van een vervangend recht van gebruik en bewoning ten aanzien van het appartement.
3.42.2
Deze klacht slaagt naar mijn mening niet, omdat zij berust op een onjuiste lezing van rov. 23 en daarom feitelijke grondslag mist. Het hof heeft namelijk niet, anders dan de klacht veronderstelt, in het midden gelaten of erflaatster was verarmd door de afstand van recht. Het hof heeft immers geoordeeld dat erflaatster in beginsel niet is verarmd door de afstand van recht, omdat het recht van gebruik en bewoning voor erflaatster in beginsel geen waarde meer had. Het hof is verder niet ingegaan op omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Aan het slot van rov. 23 heeft het hof de verarming niet in het midden gelaten, maar − afgezien van de verarming – geoordeeld dat het geen bevoordelingswil kan vaststellen.
3.43.1
Het onderdeel voert in nr. 5.3 aan dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd voor de beoordeling van de aanwezigheid van een bevoordelingsbedoeling en de subjectieve wil van erflaatster bepalend heeft geacht voor de aanwezigheid van de bevoordelingsbedoeling en/of heeft aan het bewijs van de innerlijke wil van erflaatster in de zin van een objectieve bevoordelingsbedoeling eisen gesteld waarvoor geen steun is te vinden in het recht.
3.43.2
Deze klacht slaagt naar mijn mening niet, omdat zij berust op een onjuiste lezing van rov. 23 en daarom feitelijke grondslag mist. De klacht bouwt voort op de hiervoor besproken, onjuiste veronderstelling dat het hof in het midden zou hebben gelaten of sprake zou zijn van verarming van erflaatster door de afstand van recht. Voorts heeft het hof onderzocht of erflaatster heeft gewild om [de zoon] te bevoordelen door de afstand. Niet valt in te zien dat het hof daarmee iets anders op het oog heeft gehad dan de vraag of erflaatster een verrijking van [de zoon] heeft gewild. Het hof heeft, anders dan de klacht veronderstelt, niet onderzocht of er een oogmerk om te bevoordelen was (zie hiervoor in 3.13.1). In de omstandigheden van het geval heeft het hof vervolgens geconcludeerd dat het niet kan vaststellen dat erflaatster met de afstand van recht een bevoordelingsbedoeling had.
3.44.1
Anders dan het onderdeel aanvoert in nr. 5.5, is het oordeel in rov. 23 naar mijn mening niet onbegrijpelijk te noemen om de (hiervoor nog niet besproken) redenen die worden aangedragen in nrs. 5.5.1 en 5.5.2.
3.44.2
Met ‘de feitelijke gang van zaken’ heeft het hof kennelijk het oog op de verhuizing van erflaatster naar het appartement, waar zij als het ware het recht van gebruik en bewoning heeft voortgezet. Anders dan het onderdeel in nr. 5.5.1 aanvoert, behoefde het hof niet feiten en omstandigheden te benoemen die maken dat er geen sprake was van een gift. Het hof kon volstaan met een beoordeling of er feiten en omstandigheden waren die maken dat er wel sprake was van een gift.
3.44.3
Met zijn overweging dat erflaatster ‘als het ware’ het recht van gebruik en bewoning heeft voortgezet ten aanzien van het appartement, heeft het hof slechts het oog op de feitelijke gang van zaken. Anders dan de klacht in nr. 5.5.2 aanvoert, heeft het hof daarmee geen oordeel gegeven over de afwezigheid van bewustzijn bij erflaatster dat door de afstand van het recht [de zoon] werd verrijkt.
3.45
De slotsom is dat onderdeel 3 niet slaagt.
Onderdeel 4; subsidiaire vordering
3.46
Dit onderdeel klaagt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend en/of in strijd met art. 23 Rv heeft gehandeld, omdat het ten onrechte in rov. 13 van zijn eindarrest niet de subsidiaire vordering van [de dochter] heeft vermeld en daarop niet heeft beslist. Deze subsidiaire vordering houdt in dat als er slechts een te lage prijs is betaald voor het blooteigendom van de woning, er sprake is van een gift ten bedrage van het verschil tussen de betaalde prijs en de reële prijs voor het blooteigendom op het moment dat de rechten van gebruik en bewoning of vruchtgebruik eindigen door overlijden of door afstand. Hiertoe verwijst de klacht naar de ‘conclusie van antwoord na deskundigenrapport en na enquête tevens houdende wijziging van eis’ nrs. 26-36 en 41-45, met producties 34-35, van [de dochter] .
3.47
Het onderdeel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 22 heeft geoordeeld dat er sprake was van een reële koopprijs. Het hof had reeds om die reden geen aanleiding om in te gaan op het in het onderdeel bedoelde betoog.
Slotsom
3.48
De slotsom is dat onderdeel 2 deels slaagt. De voortbouwklacht in paragraaf 7 van de procesinleiding slaagt in zoverre ook.
4. Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidentele beroep
4.1
Het incidentele cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat één of meer klachten van het principale cassatieberoep tot vernietiging van het eindarrest van 8 augustus 2023 en verwijzing naar een ander hof leiden. Gelet op de in het principale beroep bereikte slotsom is aan deze voorwaarde voldaan, zodat het incidentele cassatieberoep bespreking behoeft. Er is geen gebruik gemaakt van het voorbehoud om het incidentele middel aan te vullen na ontvangst van de processen-verbaal van de pleidooien bij het hof.
4.2
Het incidentele middel bevat zes onderdelen. Onderdeel I is gericht tegen het oordeel in rov. 30 dat het hof uit het zeer omvangrijke dossier niet heeft kunnen afleiden dat er voor erflaatster een noodzaak was om de woning te verkopen aan [de zoon] zoals door hem is beweerd en het oordeel van het hof in rov. 33 dat het vermogen van erflaatster is verdampt. Onderdeel II komt op tegen het oordeel over de verrekening van de schuld van [de zoon] in de rov. 28-33. Onderdeel III komt op tegen het oordeel over het Canadaproject in de rov. 30, 32 en 38-47. Onderdeel IV klaagt dat het hof op twee vorderingen niet heeft beslist. Onderdeel V bevat klachten tegen rov. 19 van het eindarrest en het oordeel van het hof in rov. 50 over een geldlening van € 20.000. Onderdeel VI bevat een louter voortbouwende klacht.
4.3.1
Ik stel voorop dat het incidentele middel zich gedeeltelijk keert tegen overwegingen die het hof ten overvloede heeft gegeven. In rov. 13 agendeert het hof onder meer als beslispunten – naast de vraag of sprake was van een gift – de verrekening van de koopsom, het Canadaproject en de geldlening van € 20.000,-. Ter zake van de koopsom, het Canadaproject en de geldlening stelt [de zoon] zijn schulden aan erflaatster te hebben voldaan en nog aanvullende vorderingen te hebben. In zijn overwegingen benoemt het hof vervolgens ook een aantal aspecten van de zaak, die niet rechtstreeks verband houden met de beslispunten waarover het hof een oordeel diende te geven.
4.3.2
Zo stelt het hof in rov. 19 voorop dat de handelwijze van [de zoon] en erflaatster jegens [de dochter] erg ongelukkig is te noemen, dat door het feitelijk handelen van [de zoon] het vermogen van erflaatster naar [de zoon] is verschoven en dat [de dochter] in beginsel met lege handen staat. Het hof ziet deze overwegingen kennelijk niet als juridisch dragend voor zijn beoordeling, want het besluit rov. 19 met de overweging dat het de feiten zal beoordelen binnen het juridische kader. Rov. 19 is dus ten overvloede gegeven.
4.3.3
In rov. 28-33 beoordeelt het hof of de vordering van erflaatster op [de zoon] voor de koopprijs van de woning door verrekening is voldaan, maar in die overwegingen gaat het hof ook in op de volgende aspecten.(i) De aard van de afspraak van 4 december 2000 tussen erflaatster en [de zoon] en de daaruit voor [de zoon] voortvloeiende verplichtingen. Het hof kan de inhoud ervan niet exact vaststellen, maar het is volgens het hof een overeenkomst waarbij [de zoon] zou zorgdragen voor de financiën van erflaatster, door het hof ook ‘vermogensbeheer’ genoemd, en die [de zoon] verplicht tot het voeren van een deugdelijke administratie (rov. 29). Aan deze administratie mogen hogere eisen worden gesteld naarmate de bedragen groter worden (rov. 31). De door [de zoon] gevoerde administratie is ondeugdelijk (rov. 30).(ii) De noodzaak voor erflaatster om de woning aan [de zoon] te verkopen. Deze noodzaak heeft het hof niet kunnen vaststellen (rov. 30).(iii) De handelwijze van [de zoon] jegens [de dochter] in verband met het ontbreken van een deugdelijke administratie. Deze handelwijze is volgens het hof in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid (rov. 33).(iv) De omstandigheid dat het vermogen van erflaatster is verdampt terwijl [de zoon] de regie voerde over het vermogen van erflaatster (rov. 33).De onder (i)-(iv) genoemde aspecten van de zaak zijn niet nodig voor de beoordeling van het beroep op verrekening. De betreffende overwegingen zijn daarom ten overvloede gegeven.
4.3.4
In cassatie kan niet worden geklaagd over overwegingen die door het hof ten overvloede zijn gegeven. Dit betekent dat er geen belang bestaat bij de klachten van: - onderdeel I nu deze klachten zijn gericht tegen de hiervoor in 4.3.3 onder (ii) en (iv) bedoelde overwegingen; - onderdeel II.2 voor zover deze klachten onder ‘ten tweede’ (deels), ‘ten derde,’ ‘ten vierde’, ‘ten vijfde’ en ‘ten zesde’ (deels) zijn gericht tegen de hiervoor in 4.3.3 onder (i), ii) en (iv) bedoelde overwegingen;- onderdeel II.3 nu deze zijn gericht tegen de hiervoor in 4.3.3 onder (i) bedoelde overwegingen;- onderdeel II.4 voor zover deze klachten zijn gericht tegen de hiervoor in 4.3.3 onder (i) bedoelde overwegingen;- onderdeel II.5 nu deze zijn gericht tegen de hiervoor in 4.3.3 onder (iii) bedoelde overwegingen; - onderdeel V.1 nu deze zijn gericht tegen de hiervoor in 4.3.2 bedoelde overweging.
4.4
Ik bespreek hierna de overige klachten van het incidentele middel.
Onderdeel II; verrekening
4.5
Dit onderdeel bevat acht subonderdelen die op hun beurt uiteenvallen in verschillende klachten. Ik bespreek hierna de onderdelen II.1, II.2 (deels), II.4 (deels), II.6, II.7 en II.8.
4.6
Onderdeel II.1 klaagt dat het hof met zijn oordeel in rov. 29 dat de bewijslast van de afbetaling van de schuld op [de zoon] ligt, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent dat het hier gaat om een zuivere betwisting van [de zoon] dat de woning en de lening überhaupt nog onderdeel uitmaakt van de nalatenschap van moeder voor de berekening van de legitieme portie van [de dochter] . De woning is verkocht en, anders dan [de dochter] stelt, is de lening volgens [de zoon] afgelost. Dat is geen zelfstandig verweer, maar een zuivere betwisting van de vordering van [de dochter] , aldus het onderdeel. In elk geval had het hof zijn oordeel beter moeten motiveren, aldus de klacht.
4.7.1
Deze klacht slaagt niet. In rov. 24 e.v. beoordeelt het hof de door [de zoon] gevorderde verklaringen voor recht die inhouden, kort gezegd, dat [de zoon] bepaalde uitgaven mocht verrekenen met de koopprijs voor de woning en dat hij op basis daarvan de koopsom heeft afgelost en een bedrag van ruim € 12.000 te veel heeft betaald dat nog in de boedelbeschrijving moet worden opgenomen (rov. 24) respectievelijk dat de bedragen waarvoor erflaatster heeft getekend gelden als afbetaald op de schuld, subsidiair als vordering van [de zoon] bij de berekening van de legitieme van [de dochter] in mindering kunnen worden gebracht (rov. 25).
4.7.2
Nu [de zoon] zich beroept op het bestaan van de rechtsgevolgen zoals vermeld in de door hem gevorderde verklaringen voor recht, en [de dochter] daartegen gemotiveerd verweer heeft gevoerd (rov. 27), heeft het hof [de zoon] terecht op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv belast met het bewijs van de feiten en omstandigheden die hij aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Daartoe behoort zijn stelling dat hij gerechtigd was om bepaalde uitgaven, die hij naar hij stelde ten behoeve van erflaatster had gedaan, te verrekenen. Het hof overweegt in rov. 29 daarom terecht dat de bewijslast van de betaling van de schuld rust op [de zoon] .
4.8.1
Het onderdeel veronderstelt overigens terecht, dat het hof het beroep van [de zoon] op verrekening ook een rol heeft laten spelen bij de beoordeling van de vorderingen van [de dochter] . Het hof heeft in rov. 55 de legitimaire massa immers bepaald met inachtneming van zijn oordelen dat geen sprake was van een gift (rov. 22-23) en dat [de zoon] niet heeft aangetoond dat hij aanspraak kan maken op de bedragen die hij stelt te hebben verrekend (rov. 32-33). Voor zover de klacht ook daartegen is gericht, geldt mijns inziens het volgende.
4.8.2
[de dochter] moet volgens de hoofdregel van art. 150 Rv feiten en omstandigheden stellen en, bij voldoende betwisting, bewijzen waaruit blijkt wat de omvang is van de legitimaire massa waarop zij haar vordering tot betaling van haar legitieme portie baseert (zie hiervoor 3.6). Het hof heeft haar stelling dat sprake was van een gift verworpen, maar wel geoordeeld dat [de zoon] nog een bedrag van fl. 479.500 (€ 217.587,61) ter zake van de koopprijs54.van de woning aan erflaatster verschuldigd was. Met inachtneming daarvan heeft het hof [de zoon] veroordeeld om de legitieme portie ad € 65.689,40 aan [de dochter] te betalen. Het hof heeft in de vordering van [de dochter] tot betaling van een bedrag van € 502.545,30 dan wel € 496.295,30 (zie hiervoor in 2.3) kennelijk ook een vordering gelezen tot betaling van een lager bedrag en de vordering in zoverre toegewezen.
4.8.3
[de zoon] heeft de vordering van [de dochter] betwist, zoals het onderdeel aanvoert. Maar hij heeft daarbij het bestaan van de verbintenis tot betaling van de koopprijs erkend (zie rov. 17 en 26). [de zoon] stelt zich in deze procedure immers op het standpunt dat geen sprake was van een schijnconstructie en gift, maar van een werkelijke koop. Er was daarom geen aanleiding om [de dochter] in het kader van haar vordering tot betaling van de legitieme portie nog te belasten met het bewijs van het bestaan van de verbintenis tot betaling van de koopprijs.[de zoon] stelde voorts dat deze verbintenis door betaling (verrekening) teniet is gegaan. Dat is een bevrijdend verweer. Het hof heeft hem, ook zo bezien, terecht belast met het bewijs van betaling.55.
4.9
Ten overvloede merk ik nog op dat in de schriftelijke toelichting namens [de dochter] (nr. 3.2) wordt aangevoerd dat het onderdeel reeds dient te falen op de grond dat [de zoon] geen kenbare grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de bewijslast van de aflossing van de lening (voor de koopsom) op [de zoon] rust.56.In de schriftelijke dupliek (nr. 5) wordt aangevoerd dat volstaat dat [de zoon] de bewijswaardering heeft bestreden.57.Het betoog van [de dochter] gaat naar mijn mening niet op. In grief VI onder c heeft [de zoon] zich onder meer gekeerd tegen de overwegingen waaruit [de dochter] afleidt dat de rechtbank de bewijslast van de betaling op [de zoon] heeft gelegd. In de toelichting op deze grief (memorie van grieven nr. 133) is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [de zoon] zijn stelling dat hij de geldschuld heeft afgelost, niet heeft bewezen. Kennelijk heeft het hof (mede) hierom in rov. 29 geoordeeld dat de bewijslast van de betaling van de schuld op [de zoon] rust.
4.10
Onderdeel II.2 komt (gezien hetgeen hiervoor in 4.3.4 is opgemerkt) nog voor bespreking in aanmerking voor zover dit onderdeel is gericht tegen de overwegingen dat: - het hof met [de dochter] van oordeel is dat de verrekening met de koopprijs diverse vragen oproept (rov. 28); - [de zoon] er een eigen belang bij heeft dat de schuld uit de administratie van erflaatster verdween (rov. 31); - het feit dat erflaatster voor akkoord heeft getekend niet wegneemt dat het hof de afboeking als een schijnhandeling kwalificeert, mede bezien het gemotiveerde verweer van [de dochter] waarbij zij nadrukkelijk betwist dat [de zoon] voor een zeer aanzienlijk bedrag aan kluswerkzaamheden heeft verricht (rov. 32); - het feit dat erflaatster enkele bedragen voor akkoord heeft getekend, niet betekent dat dit zonder meer jegens [de dochter] in stelling kan worden gebracht, en dat [de zoon] niet heeft aangetoond dat er gronden zijn op basis waarvan geoordeeld kan worden dat hij de schuld aan erflaatster van fl. 479.500,- kon verrekenen met betalingen die hij voor erflaatster zou hebben voldaan (rov. 33).
4.11
Het onderdeel klaagt onder ten eerste dat het hof heeft miskend dat de uitleg en vaststelling van wat erflaatster en [de zoon] zijn overeengekomen dient te worden vastgesteld aan de hand van de Haviltexmaatstaf en de art. 3:33-3:35 BW, dan wel zijn arrest onvoldoende heeft gemotiveerd, ook omdat het hof niet kenbaar respondeert op het beroep van [de zoon] op een dynamische uitleg van de overeenkomst. Onder ten tweede klaagt het onderdeel onder meer dat de genoemde oordelen van het hof in de rov. 28-33 onjuist en ontoereikend zijn gemotiveerd in het licht van de toepassing van de Haviltexmaatstaf. Onder ten zesde klaagt het onderdeel onder meer dat het hof heeft miskend dat de handgeschreven, ondertekende verklaringen van moeder dat bedragen van de schuld mogen worden afgetrokken nadere overeenkomsten zijn en dat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dat het hof daaraan voorbij is gegaan.
4.12.1
Deze klachten dienen te falen. Voor zover deze klachten teruggrijpen naar de stellingen van [de zoon] over de overeenkomst met erflaatster die het hof in rov. 29 behandelt, zijn zij gericht tegen ten overvloede gegeven overwegingen. Voor zover deze klachten zien op de waardering door het hof van de omstandigheid dat erflaatster bepaalde verrekenposten voor akkoord heeft getekend, keren zij zich tegen feitelijke oordelen van het hof in rov. 32, waarin het gemotiveerd uiteenzet waarom het geen waarde hecht aan de afboekingen van deze posten.
4.12.2
De klacht onder ten tweede over het passeren van de bewijsaanbiedingen in de memorie van grieven nrs. 134 en 153 kon het hof gezien het voorgaande als niet ter zake doende passeren, zoals het hof kennelijk58.heeft gedaan. Deze aanbiedingen betroffen (voor zover nog relevant met het oog op de bespreking van de resterende klachten van het onderdeel), kort gezegd, het bewijs dat erflaatster de stukken heeft getekend, de werkzaamheden die [de zoon] vóór 17 juli 1995 aan de woning heeft laten verrichten, dat erflaatster niets zomaar blind tekende, en dat betalingen die door de BV zijn gedaan ten laste van [de zoon] zijn gekomen.
4.13
Onderdeel II.4 bestrijdt de rov. 29-33, voor zover het hof daarin heeft geoordeeld dat het aan [de zoon] was om een deugdelijke administratie te voeren. Gezien hetgeen hiervoor in 4.3.4 is opgemerkt, komt het onderdeel nog slechts voor bespreking in aanmerking voor zover het klachten richt tegen de overwegingen dat [de zoon] er een eigen belang bij heeft dat de schuld uit de administratie van erflaatster verdween (rov. 31).
4.14
Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof de handgeschreven nadere overeenkomsten tussen [de zoon] , waarin erflaatster de verrekenposten akkoord heeft bevonden, buiten beschouwing heeft gelaten.
4.15
Deze klachten dienen te falen om de redenen die hiervoor (in 4.12.1) bij de bespreking van onderdeel II.2 zijn gegeven.
4.16
Onderdeel II.6 klaagt over het oordeel van het in rov. 32 dat de zogenoemde ‘grote afboeking’ van fl. 289.575 een schijnhandeling was. Het hof overwoog:
“32. Het hof heeft diverse producties bestudeerd die door [de zoon] in het geding zijn gebracht. Het hof verwijst naar productie 6 bij de akte van 5 oktober 2010 in eerste aanleg. Onder nr. 5 staat appendix bij koopsom, cumulatieve afboeking 18 juli 1995 fl. 289.575,- in euro € 134.404,-. Ongeloofwaardig acht het hof deze afboeking, gezien het feit dat [de zoon] in de notariële akte – een dag eerder – verklaart dat hij een bedrag van fl. 479.500,- aan erflaatster verschuldigd is. Het feit dat erflaatster voor akkoord heeft getekend neemt niet weg dat het hof de afboeking als een schijnhandeling kwalificeert mede bezien het gemotiveerde verweer van [de dochter] waarbij zij nadrukkelijk betwist dat [de zoon] voor een zeer aanzienlijk bedrag aan bluswerkzaamheden heeft verricht. Het overzicht is oncontroleerbaar, zie ook nr. 9 cumulatieve afboeking fl. 29.427,- (€ 13.353,45), geen nadere specificering. Het hof verwijst ook naar productie H2 en H3 bij de memorie van grieven. Productie H2 is genaamd onderbouwing c.q. uitleg inzake de eerste (cumulatieve) afboekingen. In de inleiding is vermeld: "Deze eerste afboeking op de koopsom bedraagt NLG 289.575,00. Deze kosten betreffen een totaal van de uitgevoerde werkzaamheden voorafgaand aan de koop en zijn dienovereenkomstig ondertekend voor nagezien en akkoord. Helaas kunnen we een document niet meer vinden en trachten hieronder een zo volledig mogelijk beeld te verschaffen. Aangezien de originele (25 jaar oud) met de hand geschreven zijn, hebben we zoveel mogelijk deze posten en teksten in de computer gezet, zodat het e.e.a. overzichtelijk en leesbaar wordt”. Ook voor deze lijst geldt dat niet vastgesteld kan worden of de uitgaven voor erflaatster zijn gedaan en of er sprake is van werkelijke uitgaven. Ook de werkzaamheden aan de schoorsteen uit 1976 zijn vermeld. Op blz. 3 vermeldt [de zoon] kosten inzake Canada. De kosten van dit project schuift [de zoon] op rekening van erflaatster, terwijl vaststaat dat [de zoon] de grond heeft gekocht, de grond aan hem is geleverd en hij de grond weer heeft verkocht en de opbrengst heeft behouden. Het hof is met [de dochter] van oordeel dat al deze kosten niet thuishoren in uitgaven ten behoeve van erflaatster. Het hof gaat hierna daarop nog nader in. Voorts heeft het hof vastgesteld dat [de zoon] ook verrekenposten heeft opgenomen die betaald zijn door 11 IR BV. Kort en goed samengevat: de administratieve onderbouwing door [de zoon] van zijn vordering op erflaatster acht het hof ondeugdelijk [de zoon] heeft derhalve niet aangetoond dat de schuld van hem aan erflaatster van ft. 479.500,- teniet is gegaan door verrekening.”
4.17
Volgens het onderdeel getuigt deze overweging van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is zijn zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd. Het onderdeel verwijst daartoe naar de klacht over de bewijslastverdeling. Voor het overige betoogt het onderdeel dat de onderhandse geschreven verklaringen van erflaatster bewijskracht hebben als bedoeld in art. 152 Rv en moeten worden beoordeeld in samenhang met de in de klacht genoemde stellingen van [de zoon] .
4.18.1
Voor zover het onderdeel voortbouwt op de door onderdeel II.1 bestreden bewijslastverdeling, faalt het om de daar genoemde redenen.
4.18.2
Voor het overige kan niet worden gezegd dat het oordeel dat sprake was van een schijnhandeling, blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van de stellingen van [de zoon] .Het hof heeft niet miskend dat bewijs kan worden geleverd met alle middelen rechtens (art. 152 lid 1 Rv). Voor zover het onderdeel beoogt een beroep te doen op de dwingende bewijskracht van een onderhandse akte (art. 156 lid 1 in verbinding met art. 157 lid 2 Rv), geldt dat deze slechts geldt tussen partijen en hun rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel (en dus niet kan worden tegengeworpen aan [de dochter] die geen erfgenaam is).Voor zover deze klachten zien op de waardering door het hof van de omstandigheid dat erflaatster bepaalde verrekenposten voor akkoord heeft getekend, keren zij zich tegen feitelijke oordelen van het hof in rov. 32 waarin het hof gemotiveerd uiteenzet waarom het geen waarde hecht aan de afboekingen van deze posten. Niet valt in te zien dat het hof daarbij art. 24 of 149 Rv zou hebben miskend. Ook de in het onderdeel bedoelde bewijsaanbiedingen kon het hof passeren (zie hiervoor in 4.12.2).
4.19
Onderdeel II.7 klaagt over de oordelen in rov. 32 (i) dat voor de posten genoemd in producties H2 en H3 niet vastgesteld kan worden of de uitgaven voor erflaatster zijn gedaan en of er sprake is van werkelijke uitgaven en (ii) dat de post van fl. 29.427 in productie 6 onvoldoende gespecificeerd is. Ten eerste zijn deze oordelen volgens het onderdeel onbegrijpelijk, omdat het hof eraan voorbijziet dat het gaat om afspraken in de familiesfeer. Het oordeel achter i) is volgens het onderdeel rechtens onjuist vanwege het bepaalde in art. 149 Rv, dan wel onbegrijpelijk. Ten tweede heeft het hof bij dit oordeel niets overwogen over de overgelegde bankafschriften en de aankoopfactuur van een computer. De derde en vierde klacht voeren in de kern genomen aan dat het hof ten onrechte de bewijsaanbiedingen van [de zoon] heeft gepasseerd.
4.20
Voor zover het onderdeel aanvoert dat het hof zou hebben voorbijgezien aan de omstandigheid dat het afspraken betreft in de familiesfeer, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof deze omstandigheid in zijn overwegingen heeft betrokken (zoals ten overvloede blijkt uit rov. 29 slotzin).Voor het overige getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de in rov. 32 door het hof gegeven motivering niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld of de uitgaven voor erflaatster zijn gedaan en of er sprake is van werkelijke uitgaven. Dat het hof daarbij niet zou zijn ingegaan op alles wat door [de zoon] (en [de dochter] ) in dat verband is aangevoerd maakt dit niet anders, omdat het hof daartoe niet gehouden is.59.Ook de in het onderdeel bedoelde bewijsaanbiedingen kon het hof passeren (zie hiervoor in 4.12.2).
4.21
Onderdeel II.8 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 32 dat het heeft vastgesteld dat [de zoon] ook verrekenposten heeft opgenomen die betaald zijn door HTR BV. Met dit oordeel miskent het hof volgens het onderdeel dat [de zoon] gemotiveerd heeft gesteld dat die betalingen in rekening-courant worden geboekt en dan een schuld van [de zoon] in privé aan zijn B.V. vormen. Met het onbesproken laten van deze essentiële stellingen, is het oordeel van het hof rechtens onjuist op grond van art. 149 Rv en onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft bovendien ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd het bewijsaanbod van [de zoon] terzake gepasseerd, aldus het onderdeel.
4.22
Het onderdeel faalt. Voor verrekening is vereist dat partijen over en weer schuldeiser en schuldenaar zijn (art. 6:127 lid 1 BW). Om die reden kon het hof erop wijzen dat [de zoon] verrekenposten heeft opgenomen die zijn betaald (niet door hem, maar) door de B.V. en dit laten meewegen bij zijn beoordeling dat de administratieve onderbouwing van de door [de zoon] opgevoerde verrekenposten ondeugdelijk is. Bovendien heeft [de zoon] op de plaatsen in de processtukken waarnaar het onderdeel verwijst, niet duidelijk gesteld en onderbouwd dat de betreffende kosten ten laste van hem in privé zijn gekomen, maar slechts gewezen op de mogelijkheid dat dat zou gaan gebeuren. Op die plaatsen stelt [de zoon] bijvoorbeeld dat de betalingen ‘in rekening courant als privé worden geboekt en uiteindelijk alsnog voor rekening [de zoon] privé [zullen] zijn gekomen’60.en ‘zullen zijn geboekt’ en ‘zijn gekomen’.61.Het is dan niet rechtens onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in rov. 32 heeft geoordeeld dat het heeft vastgesteld dat [de zoon] ook verrekenposten heeft opgenomen die zijn betaald door HTR B.V. Meer dan dat is naar het kennelijke oordeel van het hof niet gesteld of gebleken. Het hof kwam dan ook niet toe aan het geven van een bewijsopdracht.
4.23
Onderdeel II slaagt niet.
Onderdeel III; Canadaproject en kosten appartement
4.24
Dit onderdeel bestrijdt vooral het oordeel van het hof over het Canadaproject en voorts het oordeel de kosten van het [appartement] in de rov. 30, 32 en 38 t/m 47.
4.25
Het hof overwoog in rov. 30 dat het Canada-project een privéaangelegenheid van [de zoon] is en in rov. 32 dat de kosten van het project niet thuishoren in de uitgaven ten behoeve van erflaatster. Voorts overwoog het hof dat in geschil is de vraag of erflaatster, zoals [de zoon] stelt, mee wilde emigreren met [de zoon] en heeft geparticipeerd in de aankoop van het perceel grond (rov. 40). Gelet op de stellingen van partijen, dient het hof te beoordelen of in dit verband sprake was van lastgeving door erflaatster aan [de zoon] (rov. 42). Vervolgens heeft het hof geoordeeld:
“43. De rechtbank heeft [de zoon] bij vonnis van 6 augustus 2014 de bewijsopdracht gegeven voor zijn stelling dat er een overeenkomst van lastgeving tussen hem en erflaatster was en voor zijn stellingen dat hij in mei/juni 1990 op eigen naam (en van diens echtgenote) voor rekening van erflaatster een perceel grond in Canada heeft gekocht en uit dien hoofde nog een bedrag van ten minste fl. 185.500,- van erflaatster te vorderen had.
44. De rechtbank heeft in het vonnis van 19 april 2017 overwogen dat [de zoon] niet in de bewijsopdracht is geslaagd. Volgens de rechtbank was er geen sprake van participatie van erflaatster in de aankoop van de grond omdat [de zoon] (en zijn echtgenote) geen enkel financieel risico liep. Het risico lag uitsluitend bij erflaatster. Ook blijkt volgens de rechtbank niet dat [de zoon] en zijn echtgenote bij de aankoop dan wel verkoop van het stuk grond hebben gehandeld voor en namens erflaatster. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [de zoon] geen vordering had op erflaatster en dus ook geen vordering heeft op de nalatenschap ter zake de aankoop van het perceel grond in Canada.
45. Het hof sluit bij de overwegingen van de rechtbank aan. Erflaatster en [de zoon] zijn op 9 augustus 1990 een hypothecaire geldlening aangegaan voor fl. 250.000,- met als onderpand de woning van erflaatster. [de zoon] heeft op 19 april 1990 het stuk grond in Canada gekocht voor CND 160.000 (ongeveer fl. 250.000,- volgens [de zoon] ). Hij heeft dit stuk grond gekocht op naam van hemzelf en zijn echtgenote. In de verklaring van 25 oktober 1989 staat dat erflaatster de opdracht verstrekt aan haar zoon. Waarom [de zoon] de grond mede op naam van zijn echtgenote heeft gekocht, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft slechts aangegeven dat het makkelijker was om de grond op deze manier te kopen, omdat hijzelf en zijn echtgenote al huurders waren in Canada en erflaatster nog in Nederland woonde. Het hof merkt op dat [de zoon] als gevolmachtigde van erflaatster de grond (mede) voor haar had kunnen kopen. Het stuk grond is in 1994 weer verkocht voor een bedrag van CND 90.000,-. De verkoopopbrengst heeft [de zoon] niet aan erflaatster afgedragen. Dit zou wel een logisch voortvloeisel zijn uit de door [de zoon] zelf aangehaalde overeenkomst, echter hij heeft hiervoor geen enkele nadere onderbouwing gegeven, anders dan te stellen dat de verkoopopbrengst nu in de boedelbeschrijving is opgenomen. [de dochter] heeft onbetwist gesteld dat de hypothecaire geldlening op 13 oktober 1997 is doorgehaald. [de zoon] benoemt slechts dat deze geldlening is meegenomen in de hypothecaire geldlening die [de zoon] en zijn echtgenote in 1993 hebben afgesloten toen zij een woning in Nederland kochten (zie getuigenverklaring [de zoon] van 8 december 2014). [de zoon] heeft niet duidelijk gemaakt op welke wijze en waarom een door hemzelf en erflaatster aangegane hypothecaire geldlening, waarbij de woning van erflaatster als onderpand diende, is meegenomen in een door [de zoon] en zijn echtgenote gesloten hypothecaire geldlening. Dit klemt temeer nu [de zoon] de door hem voorgeschoten betalingen van de rente ter zake de in 1990 door hem en erflaatster aangegane hypothecaire geldlening in de jaren 1990 tot en met 1994 in zijn vordering op de nalatenschap meeneemt.
46. Het hof is voorts van oordeel dat [de zoon] , gezien de betwisting hiervan door [de dochter] , niet aannemelijk heeft gemaakt dat erflaatster zelf ook naar Canada wilde emigreren. Dit blijkt niet uit meergenoemde verklaring van 25 oktober 1989. Ook uit de overige stukken en het verhandelde ter zitting is dit niet aannemelijk geworden. Volgens [de zoon] wilde erflaatster emigreren omdat zij anders alleen achter zou blijven in Nederland. [de dochter] heeft hiertegen ingebracht dat erflaatster nog een relatie had met [betrokkene 1] en zijzelf in die tijd ook nog een goede band met erflaatster had. [de zoon] en zijn echtgenote hebben hierover verklaard tijdens hun getuigenverhoor van 8 december 2014. In de getuigenverklaring van [de zoon] staat dat erflaatster in de twee periodes dat [de zoon] en zijn echtgenote (en later hun oudste dochter) in Canada verbleven om het project van de grond te krijgen, ondanks een uitnodiging van hen daartoe niet naar Canada wilde komen omdat haar vriend met wie zij toen samenwoonde dat niet wilde. Het hof merkt op dat deze vriend in november 2000 is overleden en dat de relatie met erflaatster, zo staat niet ter discussie, tot zijn overlijden heeft geduurd.
47. Het vorenstaande in samenhang bezien brengt het hof tot het oordeel dat [de zoon] geen vordering op erflaatster had ter zake de aan- en verkoop van het stuk grond in Canada.”
4.26
4.26 Onderdeel III.1 klaagt onder ten eerste en ten tweede, samengevat, dat het oordeel van het hof dat het Canada-project een privéaangelegenheid van [de zoon] is, rechtens onjuist en onbegrijpelijk is, omdat [de zoon] deze kosten ten behoeve van erflaatster heeft gemaakt en hij dit voldoende heeft onderbouwd.
4.27
Deze klachten falen, omdat het uitgebreid gemotiveerde oordeel van het hof over het Canadaproject niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is. Het hof heeft de stellingen van [de zoon] en hetgeen hij ter onderbouwing daarvan had aangedragen, beoordeeld en te licht bevonden.
4.28
Onderdeel III.1 klaagt ten derde het subonderdeel dat het hof het bewijsaanbod van [de zoon] niet mocht passeren, zodat zijn oordeel onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Het bewijsaanbod betrof de stelling (1) dat erflaatster mee wilde naar Canada, (2) dat de deal was dat erflaatster de grond zou kopen en (3) dat [de zoon] daartoe een overeenkomst tot lastgeving is aangegaan en (4) dat hij daartoe op eigen naam maar voor rekening en risico van erflaatster grond in Canada heeft gekocht, alsook (5) dat hij het huis zou bouwen, dat dat zou worden verkocht en dat de opbrengst zou worden gedeeld, (6) dat moeder deze lening nooit heeft terugbetaald en (7) dat de hypothecaire verplichting tot op de dag van vandaag op [de zoon] en zijn echtgenote rust
4.29.1
Volgens vaste rechtspraak is uitgangspunt dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.62.Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en terzake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt vermeld in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.63.
4.29.2
De klacht dient te falen. De rechtbank had [de zoon] reeds opgedragen te bewijzen dat er een overeenkomst van lastgeving tussen hem en erflaatster was, dat hij in mei/juni 1990 op eigen naam (en van diens echtgenote) voor rekening van erflaatster een perceel grond in Canada heeft gekocht en dat hij uit dien hoofde nog een bedrag van ten minste fl. 185.500,- van erflaatster te vorderen had. De rechtbank heeft [de zoon] niet geslaagd geacht in dit bewijs en het hof heeft zich daarbij aangesloten. Dit betreft de punten 2–7 van het in de klacht bedoelde bewijsaanbod in hoger beroep. Het hof heeft dit aanbod kennelijk gepasseerd door te oordelen dat de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en terzake dienend moet zijn, in dit geval meebracht dat nader wordt vermeld in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. Dit getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde in de omstandigheden van dit geval geen nadere motivering. In het licht hiervan kwam geen zelfstandige betekenis meer toe aan het aanbod om te bewijzen (1) dat erflaatster mee wilde naar Canada, zodat het hof ook daaraan voorbij kon gaan.
4.30
Onderdeel III.2 klaagt dat het oordeel in rov. 45 dat het voor wat betreft de beoordeling van het Canadaproject aansluit bij de overwegingen van de rechtbank in het licht van de in het subonderdeel genoemde stellingen van [de zoon] onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd is, omdat het hof die stellingen onbesproken laat.
4.31
Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof de stellingen niet onbesproken heeft gelaten. De stelling in het onderdeel onder (a) dat was overeengekomen dat de verkregen grond niet op naam van erflaatster staat, ligt besloten in het onderzoek van het hof in rov. 42 naar de vraag of sprake was van lastgeving. Een overeenkomst van lastgeving kan de lasthebber immers verplichten te handelen in eigen naam (art. 7:414 lid 2 BW). Uit dat onderzoek blijkt ook dat het hof de stelling onder (b) dat [de zoon] de last van erflaatster had gekregen, heeft meegewogen.In rov. 40 overweegt het hof dat in geschil is de vraag of erflaatster mee wilde emigreren met [de zoon] , zodat ook de stelling onder (c) dat erflaatster graag mee wilde, onderdeel is van de beoordeling door het hof. Dat het hof daarbij niet kenbaar ingaat op de redenen waarom erflaatster dat wilde, zoals het de klacht ook lijkt aan te voeren, maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.De stelling onder (d) dat de opbrengst van de verkoop ‘inderdaad’ niet bij erflaatster terechtkwam en in de boedelbeschrijving is opgenomen, heeft het hof expliciet genoemd in rov. 45. Tot slot heeft het hof de stelling onder (e) dat de hypotheek (kennelijk bedoeld: die verband hield met het Canadaproject) is meegegaan in de hypothecaire lening van [de zoon] en hij hiervoor nog steeds rente afdraagt, eveneens expliciet genoemd in rov. 45.
4.32
Onderdeel III.1 klaagt onder ten vierde over het oordeel in rov. 30 dat de financiële gevolgen van de aankoop van het [appartement] voor rekening van [de zoon] dienen te komen. Het hof overwoog:
30. (…) De aankoop van het appartement te [plaats] op naam van [de zoon] is naar het oordeel van het hof eveneens een opmerkelijke transactie waarvan de financiële gevolgen voor rekening en risico van [de zoon] dienen te komen. Het appartement behoorde tot het vermogen van [de zoon] , gebruikelijk is dan ook dat hij de lasten van het appartement draagt. Het appartement is aangekocht omdat erflaatster de woning te [plaats] had verlaten met als gevolg dat het blooteigendom van [de zoon] met betrekking tot de woning te [plaats] is aangegroeid tot voleigendom. [de zoon] had dus de woning kunnen verkopen, zijn schuld aan erflaatster kunnen aflossen en vervolgens had erflaatster het appartement kunnen aankopen. (…)”
4.33
Het onderdeel klaagt dat het oordeel dat de kosten met betrekking tot het appartement voor rekening van [de zoon] dienen te blijven, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is. Volgens onderdeel blijkt uit de door [de zoon] overgelegde nadere overeenkomsten dat [de zoon] en erflaatster het erover eens waren dat de kosten verrekend mochten worden.
4.34
Deze klacht faalt, omdat het oordeel van het hof onjuist noch onbegrijpelijk is in het licht van diens vaststelling dat het appartement behoorde tot het vermogen van [de zoon] en gebruikelijk is dat hij dan ook de lasten daarvan draagt. Voor het overige berust het oordeel op een aan het hof voorbehouden feitelijke waardering van de betekenis die in dit geval moet worden toegekend aan de door [de zoon] overgelegde stukken.
Onderdeel IV; vorderingen waarop niet is beslist
4.35
Dit onderdeel klaagt dat het hof niet heeft beslist op twee vorderingen en daarmee art. 23 Rv heeft miskend, dan wel zijn uitspraak ontoereikend of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
4.36
De eerste van de in het onderdeel bedoelde vorderingen houdt in dat het hof voor recht verklaart dat ook de nadien opgekomen afwikkelingskosten € 16.219,05 bedragen.
4.37.1
Het hof noemt deze vordering in rov. 8 onder j). Blijkens de memorie van grieven nr. 161 gaat het om verschillende posten die opgeteld uitkomen op een bedrag van € 16.719,04. Daarvan vordert [de zoon] betaling van € 16.219,05 (memorie van grieven p. 93 onder 10). Onduidelijk is waar het verschil van € 499,99 op berust.64.
4.37.2
De vordering bestaat voor een bedrag van € 10.051,67 uit notariskosten en voor een bedrag van € 5.771,50 uit makelaarskosten, totaal € 15.823,17, ter zake van het [appartement] . Het hof heeft geoordeeld dat [de zoon] de kosten ter zake van het [appartement] niet kan afwentelen op erflaatster. Het hof heeft de vordering dus in zoverre afgewezen in zijn dictum waarin het meer of anders gevorderde is afgewezen.
4.37.3
Voor het overige bestaat de vordering uit verschillende posten die optellen tot een bedrag van € 895,87. Van een aantal van die posten is niet duidelijk of zij al dan niet betrekking hebben op het [appartement] , van een aantal andere is duidelijk dat zij dat niet hebben. Ik zie in het arrest van het hof geen aanwijzing voor de veronderstelling dat het hof ook een oordeel heeft gegeven over de toewijsbaarheid van deze posten. Het hof heeft bij de bepaling van de legitimaire massa in rov. 55 geen aandacht besteed aan deze posten. De afwijzing van het meer of anders gevorderde in het dictum heeft daarom naar mijn mening geen betrekking op deze posten. In zoverre slaagt de klacht.Na cassatie en verwijzing zal opnieuw moeten worden beoordeeld of de verschillende posten die optellen tot een bedrag van € 895,87 al dan niet betrekking hebben op het [appartement] en, voor zover dat niet geval is, of zij bij de bepaling van de legitimaire massa in aanmerking komen op de grond dat het gaat om schulden als bedoeld in art. 4:7 lid 1 onder a-c of f BW (art. 4:65 lid 1 BW). Voor zover posten voor vergoeding in aanmerking komen, zal tevens moeten worden beoordeeld of [de zoon] inderdaad ook vergoeding van die posten heeft gevorderd (dit in verband met de omstandigheid dat de vordering € 499,99 lager is dan het totaalbedrag dat wordt genoemd in de memorie van grieven nr. 161).
4.38
De tweede van de in het onderdeel bedoelde vorderingen houdt in dat het hof, in geval het hof niet het beslag opheft maar [de dochter] dit zelf moet doen, dit opheffen te gebieden op straffe van een dwangsom.
4.39
Deze klacht slaagt niet, omdat zij berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en daarom feitelijke grondslag mist.Het hof noemt deze vordering in rov. 8 onder k). De vordering houdt (onder meer) in dat het hof [de dochter] gebiedt op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, althans een door het hof te bepalen bedrag, het op dat huis gelegde conservatoire beslag op te heffen.Het hof heeft in het dictum deze vordering gedeeltelijk toegewezen. Het hof bepaalt in het dictum, in aansluiting op zijn rov. 60, dat [de dochter] gehouden is het conservatoire beslag op te heffen op het moment dat haar vordering door [de zoon] wordt voldaan.Het hof heeft kennelijk geen aanleiding gezien in dit verband een dwangsom op te leggen. Het is een discretionaire bevoegdheid van de rechter om een gevorderde dwangsom al dan niet toe te wijzen (art. 611a lid 1 Rv (‘kan’)).65.De vordering valt dus in zoverre onder de afwijzing in het dictum van hetgeen meer of anders is gevorderd.
Onderdeel V; schuld van € 20.000.
4.40.1
Onderdeel V.1 richt klachten tegen rov. 19 en behoeft geen bespreking nu deze overweging ten overvloede is gegeven (zie hiervoor in 4.3.4).
4.40.2
Rov. 19 is wel dragend voor het oordeel in rov. 59 dat de proceskosten in eerste aanleg voor rekening van [de zoon] dienen te komen. De dragende overweging in rov. 19 is de overweging (die hiervoor in 4.3.4 niet is weergegeven) dat door de schimmige handelwijze van erflaatster en [de zoon] zij een latente conflictsituatie hebben geschapen die uiteindelijk een bron is geworden voor een langdurige procedure tussen [de zoon] en [de dochter] . Onderdeel V.1 klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, maar legt niet specifiek uit waarom dat het geval zou zijn. In ieder geval wordt het oordeel voldoende gedragen door rov. 32. De klacht faalt daarom.
4.41
Onderdeel V.2 richt het klachten tegen rov. 50, waarin het hof oordeelt dat op [de zoon] de bewijslast rust dat hij de lening van € 20.000,- aan erflaatster heeft terugbetaald, dat de door [de zoon] gevoerde financiële administratie niet deugdelijk is en dat door [de zoon] onvoldoende is onderbouwd dat hij de lening heeft terugbetaald.
4.42
Het onderdeel faalt voor zover het voortborduurt op de klachten in de overige onderdelen, in het bijzonder ten aanzien van de verdeling van de bewijslast en het aanbod van [de zoon] om te bewijzen dat was overeengekomen dat hij alle schulden mocht verrekenen.
4.43
Voor het overige getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
Slotsom
4.44
De slotsom is dat de klacht van onderdeel IV slaagt voor zover het hof ten aanzien van verschillende posten die optellen tot een bedrag van € 895,87 niet is ingegaan op de gevorderde verklaring voor recht dat ook de nadien opgekomen afwikkelingskosten € 16.219,05 bedragen. De voortbouwklacht in onderdeel VI slaagt in zoverre ook. Dit betreft alleen de eventuele aanpassing van de vaststelling van de legitimaire massa in rov. 55. Het slagen van het hiervoor genoemde deel van onderdeel IV staat verder los van de overwegingen in rov. 56-59, waaronder die over de veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg. Voor het overige faalt het incidentele middel.
Na cassatie en verwijzing
4.45
Uit het slagen van onderdeel 2 van het principale middel volgt dat het verwijzingshof opnieuw moet beoordelen of, kort gezegd, de verkoop van de woning in 1995 in werkelijkheid een gift was. In het incidentele cassatieberoep slaagt onderdeel IV gedeeltelijk en voor het overige faalt dit beroep. Dit betekent dat onder meer vaststaat dat [de zoon] geen beroep toekomt op verrekening. Het verwijzingshof zal opnieuw moeten oordelen over de proceskosten in hoger beroep.
5. Conclusie
De conclusie strekt in het principale cassatieberoep en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑12‑2024
Vgl. hof Den Haag 8 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1494, rov. 1.
Zie het tussenvonnis van de rechtbank van 19 april 2017, rov. 2.2.
Rov. 9 van het bestreden arrest.
[de dochter] heeft afgezien van het geven van een verdere toelichting op haar principale cassatieberoep (onder B van de schriftelijke toelichting) en [de zoon] acht zijn cassatieklachten in het incidentele beroep afdoende toegelicht, zodat geen behoefte bestaat aan een nadere toelichting.
Stb. 2002, 230 en Stb. 2002, 558.
De rechtspraak over het voor 1 januari 2003 geldende recht blijft overigens van belang. Zie Asser/Perrick 4 2021/252.
Zie in het algemeen A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht (SBR 1), 2024/312 e.v., p. 458; G.G.B. Boelens, Compendium erfrecht 2022/74 e.v.; M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Mon. Pr.nr. 1), 2021/53 e.v.; Asser/Perrick 4 2021/297 e.v.; M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/hoofdstuk X.
Vgl. M.D. Wisman & S.W. Autar-Malawlie, Compendium Erfprocesrecht, 2021/12.4.2
Zie over deze inlichtingenplicht o.a. Asser/Perrick 4 2021/333; M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/X.17.2-17.en 17.3; M.D. Wisman & S.W. Autar-Malawlie, Compendium Erfprocesrecht, 2021/12.3.1 e.v.
Zie voor voorgaande tevens mijn conclusie van 25 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1083, nr. 2.2-2.3.4.
G.G.B. Boelens, Compendium erfrecht 2022/81; M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Mon. Pr.nr. 1), 2021/57.1; Asser/Perrick 4 2021/254-258 en 266; M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/XVIII.2.2.2-2.2.6; F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82) 2011/4. M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/XVIII.2.2.5 betrekken vrijgevigheid op de verarming bij de schenker en bevoordelingsbedoeling op de verrijking bij de begiftigde, maar voegen daaraan toe dat beide begrippen worden gebezigd om de wil van de schenker en de begiftigde weer te geven. Zie ook Drielsma, ‘Liberaliteit, causaliteit en finaliteit bij schenking’, WPNR 1966/4896-4898.
HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8172, NJ 2004/653 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.5.2, overwoog dat bevoordeling uit vrijgevigheid onder omstandigheden ook kan plaatsvinden door een niet-handelen. Zie hierover ook Asser/Perrick 4 2021/255.
Zie M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/XVIII.2.2.2, p. 680. Vgl. Toelichting Wiersma, Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek van prof. mr. E.M. Meijers, Toelichting vierde gedeelte (Boek 7), 1972, p. 892.
P.C. van Es, ‘Het paard van Libourel: iets over het vrijgevigheidsvereiste bij giften’, Tijdschrift Erfrecht 2008/2, p. 28, die tevens behandelt dat de koop tegen een te hoge prijs ook een gift kan zijn (p. 29).
Toelichting Wiersma, Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek van prof. mr. E.M. Meijers, Toelichting vierde gedeelte (Boek 7), 1972, p. 892; Asser/Perrick 4 2021/256; W.J.M. Freek, Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82), Deventer: Wolters Kluwer 2011/6.
Toelichting Wiersma, Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek van prof. mr. E.M. Meijers, Toelichting vierde gedeelte (Boek 7), 1972, p. 894.
Vgl. HR 15 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5687, NJ 1995/577 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.4. Zie voorts Asser/Perrick 4 2021/257; M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/XVIII.1 en XVIII.2.2.5; F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82), 2011/7; H. Schuttevâer & J.W. Zwemmer, Schenking (Studiepockets privaatrecht 8), Deventer: Kluwer 2002, p. 5-6.
Toelichting Wiersma, Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek van prof. mr. E.M. Meijers, Toelichting vierde gedeelte (Boek 7), 1972, p. 894. Vgl. p. 892.
HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7272, BNB 2002/317 m.nt J.W. Zwemmer.
P.C. van Es, ‘Het paard van Libourel: iets over het vrijgevigheidsvereiste bij giften’, Tijdschrift Erfrecht 2008/2, p. 25 e.v.; F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82), 2011/7. Zie ook H. Schuttevâer & J.W. Zwemmer, Schenking (Studiepockets privaatrecht 8), Deventer: Kluwer 2002, p. 6.
Zie hiervoor, naast het in 3.13.2 bedoelde citaat, ook de conclusie van A-G Groeneveld, nr. 4.5, voor HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7272, BNB 2002/317 m.nt. J.W. Zwemmer.
Vgl. H. Schuttevâer & J.W. Zwemmer, Schenking (Studiepockets privaatrecht 8), Deventer: Kluwer 2002, p. 6. A-G Pauwels merkt in zijn conclusie van 25 augustus 2023, ECLI:NL:PHR:2023:733, nr. 4.7, op dat de omstandigheid dat er geen familie- of vriendenrelatie bestaat een contra-indicatie kan zijn voor een bevoordelingsbedoeling.
Vgl. HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1516, NJ 1996/485 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.7; Asser/Kleijn 5-IV 1988/202, p. 167-168; F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82), 2011/7.
M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2015/X.8 en XVIII.2.2.4, p. 688.
Zie HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3410, NJ 2003/493 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 4.6.1 (ten aanzien van art. 4:1132 oud BW). Vgl. HR 15 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5687, NJ 1995/577 m.nt. W.M. Kleijn, BNB 1994/261 m.nt. Laeijendecker, rov. 3.4 (geen afzonderlijk ‘oogmerk’ vereist); HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1516, NJ 1996/485 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.7. Zie voorts Asser/Perrick 4 2021/257; M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/XVIII.2.2.5; F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82), 2011/7; H. Schuttevâer & J.W. Zwemmer, Schenking (Studiepockets privaatrecht 8), Deventer: Kluwer 2002, p. 5-6; J.L.D.J. Maasland, ‘H.A. Drielsma, ‘Liberaliteit, causaliteit en finaliteit bij schenking’. WPNR 1966/4896-4898’, WPNR 2019/7243, p. 465; W.M. Kleyn, ‘Schenking in het NBW,’ NJB 1973, afl. 24a, p. 30-31.
HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3410, NJ 2003/493 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 4.6.1-4.6.2 (ten aanzien van art. 4:1132 oud BW).
Toelichting Wiersma, Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek van prof. mr. E.M. Meijers, Toelichting vierde gedeelte (Boek 7), 1972, p. 894; Asser/Perrick 4 2021/257; F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82), 2011/7.
Asser/Perrick 4 2021/257; H. Schuttevâer & J.W. Zwemmer, Schenking (Studiepockets privaatrecht 8), Deventer: Kluwer 2002, p. 8.
F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82), 2011/7.
Zie mijn conclusie van 25 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1083, nr. 2.8. Zie ook concl. A-G M.R.T. Pauwels, 25 augustus 2023, ECLI:NL:PHR:2023:733, nr. 4.2-4.9, i.h.b. nr. 4.6; concl. A-G R.J. Koopman, 11 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1055 en ECLI:NL:PHR:2024:1056, nr. 5.6.
Vgl. HR 23 mei 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6896, NJ 1980/432 m.nt. G.J. Scholten, rov. 4.
HR (derde kamer) 26 februari 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AC9248, NJ 1986/776 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 4.2. Asser/Perrick 4 2021/256 merkt op dat door het enkele niet opeisen van de opeisbare vordering titel 7.3 ontdoken kan worden.
HR 6 december 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB7278, NJ 1969/310 m.nt. K. Wiersma.
M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/X.8.4; Asser/Perrick 4 2021/317 op p. 389.
L. Verstappen, Hulde aan Huijgen 2023/30.4; I.J.F.A. van Vijfeijken & N.C.G. Gubbels, Cursus Belastingrecht S&E.9.4.0.D.a. Vgl. 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378 m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.3.3 en 3.3.5; HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, NJ 2017/437 m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.5. Zie over deze rechtspraak S.H. Oosterhuis-Broers & C. Hokken, ‘Het samenstel van rechtshandelingen en de uitsluitingsclausule’, EB 2018/3, p. 6-9.
Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1117, NJ 2009/220 (Pannevis/Air Holland), r.ov. 3.6.2.
HR 19 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4343, NJ 1983/250 m.nt. W.M. Kleijn, onder 1 van de noot.
HR 19 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4343, NJ 1983/250 m.nt. W.M. Kleijn.
Zie ook T.M. Subelack, De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.5.2.3. Vgl. P.C. van Es, GS Vermogensrecht, art. 3:89 BW, aant. 8.11, die de vraag opwerpt wat de reikwijdte van het arrest is.
C.H.J. van der Meer, Sdu Commentaar Erfrecht, art. 7:175 BW, aant. 2.2. Zie ook R.E. Brinkman, ‘Over de legitieme bij verkoop onder voorbehoud van vruchtgebruik met lage(re) tegenprestatie. Of: waaruit bestaat de gift eigenlijk?’, FtV 2023/10, p. 26. Vgl. P.C. van Es, GS Vermogensrecht, art. 3:89 BW, aant. 8.11 en annotator Kleijn, die spreekt van een vermoeden van een gift, welk vermoeden sterker of minder sterk is naar mate tijd verstreken is tussen de overdrachtshandeling en de kwijtschelding (NJ 1983/250, nrs. 4-6). Vgl. M.J.A. van Mourik, Handboek Erfrecht 2020 XVIII.2.2.3 over ‘direct’ en ‘te snel’ kwijtgescholden.
M.J.A. van Mourik, Handboek Erfrecht 2020 XVIII.2.2.1.
Vgl. HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9234, NJ 2007/21 m.nt. P. van Schilfgaarde, rov. 3.4.3, over een samenstel van rechtshandelingen i.v.m. een beroep op nietigheid van een transactie o.g.v. art. 42 Fw. Zie over het tijdsaspect bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 15 juni 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ7908, rov. 4.6 (rechtshandelingen op dezelfde dag bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht van een woning) en Hof Arnhem 13 juli 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AR7720, rov. 5.2 en 5.6. Zie over laatstgenoemd arrest T.J. Mellema-Kranenburg, JBN 2005/21.
Het hof spreekt afwisselend van verkoop, overdracht en verkoop en overdracht. Zie rov. 13, 16, 21 en 22.
Het middel spreekt van schenking, maat ik neem aan dat hiermee (ook) gift is bedoeld nu het hof in verband met de berekening van de legitieme portie heeft beoordeeld of sprake is van een gift (zie rov. 13, 16 en 20-22).
Vgl. R.E. Brinkman, ‘Over de legitieme bij verkoop onder voorbehoud van vruchtgebruik met lage(re) tegenprestatie. Of: waaruit bestaat de gift eigenlijk?’, FTV 2023/32, par. 2 (t.a.v. een kwijtschelding die ‘snel’ volgt op de overdracht).
Producties 34 en 35 bij Conclusie na deskundigenrapport en na enquête tevens houdende wijziging van eis.
Pleitnota mr. Kool van 9 september 2021 nr. 22 (zie ook nrs. 5-7).
Pleitnota mr. Kool van 9 september 2021 nr. 22. Zie ook het vonnis van 9 januari 2013 rov. 9.2 en het vonnis van 19 april 2017 rov. 3.8 e.v. Vgl. Klaassen-Eggens/E.A.A. Luijten & W.R. Meijer, Erfrecht, Deventer: Kluwer, 2008, p. 349, nr. 547a; Rb Dordrecht 5 december 2007, ECLI:NL:RBDOR:2007:BC0103, rov. 3.8.5-3.8.6.
Of meer precies: de lening ter zake van het bedrag van de koopprijs.
Vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8725, rov. 3.4.2 en vgl. rov. 3.4.3. Zie over dit arrest Asser/Sieburgh 6-I 2024/370 en E.J. Bellaart, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:265 BW, alsook kritisch voor wat betreft rov. 3.4.3 A.C. van Schaick, ‘Wie bewijst de (niet-)nakoming?’, NTBR 2010/40 en W.L. Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 BW, voetnoot 8. Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/61c deelt deze kritiek niet.
Vonnis van 9 januari 2013 rov. 9.2, gehandhaafd in het vonnis van 13 december 2017). Zie ook rov. 2.8 van het vonnis van 6 augustus 2014 waarin uitdrukkelijker staat dat [de zoon] bewijslast heeft.
Zie HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4007, NJ 2000/428 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4.1, slot; NJ 2010/49 HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3160NJ 2012/582 m.nt. H.B. Krans, rov. 3.3.3-3.3.4.
Vgl. rov. 54, slot, waarin het hof wel met zoveel woorden aandacht aan een bewijsaanbod.
Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/188 met verwijzingen naar vaste jurisprudentie; Van der Voort Maarschalk & Knigge, Cassatie (BPP nr. 20) 2019/43.
Memorie van grieven c.a., p. 11, eerste gedachtestreepje. Zie ook vierde gedachtestreepje en p. 78 eerste alinea en derde gedachtestreepje.
Memorie van grieven c.a., p. 11, tweede gedachtestreepje. Zie ook p. 78, eerste gedachtestreepje
HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:65, NJ 2017/382 met annotatie van H.J. Snijders, rov. 3.6.2.
HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.6; HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3262, NJ 2015/343 m.nt. T. Hartlief, rov. 4.13.
Dit punt wordt niet genoemd in de akte rectificatie van 19 januari 2020.
Beroepschrift 15‑12‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
zitting: 5 april 2024
VERWEERSCHRIFT IN HET PRINCIPALE CASSATIEBEROEP, TEVENS HOUDENDE VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
inzake:
[de zoon],
wonende te [woonplaats],
verweerder in het principale cassatieberoep,
eiser tot cassatie in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. H.J.W. Alt
tegen:
[de dochter],
wonende te [woonplaats],
eiseres in het principale cassatieberoep,
verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand
A. In het principaal cassatieberoep
Verweerder in het principaal cassatieberoep, hierna [de zoon], doet eerbiedig zeggen voor antwoord in het principaal cassatieberoep, dat het recht niet is geschonden, noch op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd op de gronden zoals in het door eiseres van cassatie, hierna [de dochter], voorgestelde middel van cassatie, zodat dit middel moet worden verworpen.
B. Voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
[de zoon] stelt hierbij onder de voorwaarde dat één of meer van de klachten in het principale cassatieberoep tot vernietiging van het eindarrest van 8 augustus 2023 en verwijzing naar een ander hof leiden voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in tegen het in het principaal beroep bestreden arrest van 8 augustus 2023 door het Gerechtshof Den Haag onder zaaknummer 200.235.298/02, onder aanvoering van het navolgende incidentele middel van cassatie.
Voorbehoud processen-verbaal
Ten tijde van het opstellen van dit incidentele middel zijn de processen-verbaal van het eerste pleidooi d.d. 9 september 2021 en van het tweede pleidooi d.d. 6 april 2023 nog niet beschikbaar maar — naar [de zoon] begrijpt — door mr A.C Kool, advocaat in feitelijke instantie van [de dochter] opgevraagd. [de zoon] behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor dit navolgende cassatiemiddel aan te vullen indien en voor zover die processen-verbaal daartoe aanleiding geven.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het Hof bij het te dezen bestreden arrest heeft overwogen en beslist gelijk in arrest van het hof vermeld, ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen:
Inleiding
1.
Partijen zijn al jaren aan het procederen en deze procedure trekt een zware wissel op [de zoon] en zijn gezin. Vernietiging en verwijzing betekent vervolgens weer nog vele jaren procederen. En dit terwijl hij zich al vele jaren tegen hoge kosten heeft moeten verdedigen tegen — naar zijn overtuiging — uiterst onterechte vorderingen. [de zoon] wil — als het even mogelijk is — het boek sluiten, ook al betekent dit dat hij het door het hof bepaald bedrag aan [de dochter] zou moeten betalen en dit de facto betekent dat hij voor de aflossing van de lening per saldo twee keer betaalt.
2.
Dit is dan ook de reden dat het incidentele beroep voorwaardelijk wordt ingesteld. Indien er een (al dan niet gedeeltelijke) herbeoordeling na vernietiging en verwijzing dient plaats te vinden en het boek dus nog steeds niet gesloten kan worden, dan wenst [de zoon] ook zijn bezwaren tegen de uitspraak van het hof Den Haag ter beoordeling voor te leggen.
3.
Hij voert voor dat geval dan ook de navolgende klachten aan.
I. Noodzaak opeetconstructie:
Het hof overweegt in rov. 30 dat het niet uit het zeer omvangrijke dossier heeft kunnen afleiden dat er voor erflaatster een noodzaak was om de woning te verkopen aan [de zoon] zoals door hem is beweerd. Dit oordeel is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd in het licht van onder meer de eigen stellingen van [de dochter] in de inleidende dagvaarding (onderstreept door mij-HJWA):
- ‘10.
Op het moment van verkoop van de woning door moeder aan gedaagde was zij 71 jaar oud. Zij leefde van een AOW uitkering en was niet in staat de hoge kosten van de (grote) woning te betalen, waaronder de onderhoudskosten en de onroerende zaakbelasting. Tegen de waarde vaststelling van de woning in het kader van de bepaling van de onroerende zaakbelasting werd door de moeder dan ook bezwaar gemaakt (productie 5 ; kopie van bezwaarschrift van 16 juli 1994).’
en in het licht van de navolgende stellingen van [de zoon].
- —
CvD in conventie rnr. 18 en 19 (onderstreept door mij-HJWA):
- ‘18.
Moeder was niet in staat de kosten van onderhoud en bewoning die het huis met zich bracht, te dragen. [de dochter] stelt dat zelf bij dagvaarding sub 10. (…)
- 19.
Moeder was zich van haar financiële situatie al langer bewust; er was gezien haar leeftijd immers geen verbetering voorzienbaar in haar financiële situatie, terwijl de kosten door- en opliepen. (…)’
- —
de memorie van grieven (niet uitputtend) (onderstreept door mij-HJWA):
- ‘rnr. 8:
Moeder moest van uitsluitend een AOW rond zien te komen, hetgeen uiteraard niet lukte. De vele betalingen ten gunste van moeder gaven zelfs aanleiding tot spanningen binnen het huwelijk van [de zoon].1. Het was voor [de zoon] echter van enorm groot belang de wens van moeder in te willigen dat moeder in het familiehuis kon blijven wonen. Zie in dat verband ook de verklaring van buurvrouw en vriendin [betrokkene 2] die verklaart dat zij met geen mogelijkheid naar een verzorgingshuis wilde2.
- rnr. 25:
Het was en is dan ook evident dat de moeder dit al veel te lang — uit algeheel gebrek aan middelen daartoe — had verwaarloosd3. en dit vervolgens zelf nooit met alleen haar AOW kon handhaven. [de zoon] had in de jaren daarvoor al het hoognodige gedaan en de kosten daarvan voorgeschoten, zoals nader uitgewerkt in grief VI, maar rond 1995 werd duidelijk dat voortgaan op deze weg niet langer mogelijk was. Als productie H5 wordt overgelegd een brief van [de zoon] d.d. 14 april 2015 waarin een aantal foto's met toelichting over de staat in 1995 worden overgelegd. Op elke foto is te zien hoe ernstig verwaarloosd de woning was en hoe ernstig de gebreken waren bijlage 1 daarvan laat de staat van de kozijnen zien, bijlage 2 de staat van een plafond, bijlage 3de keuken en de oude leidingen, bijlage 4 toont een volkomen verrotte badkamervloer. Ook de andere bijlagen spreken boekdelen met betrekking tot verval, houtrot, scheurvorming, door lekkage aangetaste plafonds etc. Het is dus niet zo vreemd dat moeder in 1995 besloot dat er iets moest gebeuren en dat op de oude voet verdergaan geen zin had. (…)
- rnr. 29:
Moeder had dus geen andere keuze dan verkoop, nu verder onderhoud door haar in dit stadium met alleen AOW onmogelijk was. Ook voor (onder)verhuur zou drastisch opknappen noodzakelijk zijn. Geen enkele huurder accepteert een dergelijk bouwvallig object. Omdat zij echter wèl in die — voor haar dierbare — woning wilde blijven wonen is er toen voor gekozen om die in bewoonde staat te verkopen, dus met een levenslang recht van gebruik en bewoning. Het behoeft geen betoog dat dit van invloed is op de waarde van de woning bij verkoop. (…)
- rnr. 58.
(…) Indien zij de woning in 1995 voor NLG aan een derde had verkocht en was gaan huren dan had moeder alles zelf moeten betalen en was dit bedrag van € 267.7730,33 in 14 jaar wel op geweest. Dat is immers zo'n € 19.123,59 per jaar oftewel € 1.593,63 per maand. Het is de vraag of moeder daar überhaupt adequate woonruimte voor kon huren. En dan hebben we het nog niet eens over een service- of verzorgingsflat. Kopen zou ook geen optie zijn geweest omdat ook dan weer alleen AOW ontoereikend zou zijn geweest. Dat was ook de reden waarom moeder naar eigen verklaring (zie productie H7 zie hiervoor randnummer 36 de onders[t]reepte passages) nachten wakker heeft gelegen en uiteindelijk heel blij was met de gekozen oplossing, die er de facto op neerkwam dat zij haar huis ‘opat’ in ruil voor gratis wonen en totale verzorging in financiële zin. Daarbij heeft [de zoon] uiteindelijk veel meer betaald dan alleen de koopprijs.(…).
- rnr. 61.
(…) Als productie H5 wordt een set kleurenfoto's met toelichting overgelegd omtrent de toestand van de woning rond 2005 hetgeen overigens in 1995 zo mogelijk nog slechter was.4.Het was en is dan ook evident dat de moeder dit al veel te lang — uit algeheel gebrek aan middelen daartoe — had verwaarloosd en dit vervolgens zelf nooit met alleen haar AOW kon handhaven. [de zoon] had in de jaren daarvoor al het hoognodige gedaan en de kosten daarvan voorgeschoten, zoals nader uitgewerkt in grief VII, maar rond 1995 werd duidelijk dat voortgaan op deze weg niet langer mogelijk was. Moeder had dus geen andere keuze dan verkoop, nu verder onderhoud door haar in dit stadium met alleen AOW onmogelijk was. Ook voor (onder)verhuur zou drastisch opknappen noodzakelijk zijn. Geen enkele huurder accepteert een dergelijk bouwvallig object. Omdat zij echter wèl in die — voor haar dierbare — woning wilde blijven wonen is er toen voor gekozen om die in bewoonde staat te verkopen, dus met een levenslang recht van gebruik en bewoning.(…)
- rnr. 123:
Partijen hebben een allesomvattende afspraak gemaakt die er op neerkwam dat moeder haar eigen huis opat, nu zij — zoals tussen partijen vaststaat- rond moest komen van slechts AOW. [de zoon] heeft dat mogelijk gemaakt. Hoewel in grief II al — aan de hand van de uitlatingen van moeder zelf op papier als gezegd schreef zij zeer veel op en bewaarde zij daarvan kopieën — veel is gezegd over die partijbedoeling — volgt hier nog het belangrijkste citaat en wel uit de brief van 4 december 2000, aangehecht als productie H7:
- 115.
(…) Financieel werd het steeds moeilijker voor me om alles te kunnen dragen van mijn kale A.O.W. Mijn zoon zat er met z'n bedrijf in en had al voor behoorlijke bedragen verbouwingen uitgevoerd. Na ruim overleg met mijn broer en een zeer goede huisvriend besloot ik een bod aan mijn zoon te doen om mijn huis aan hem te verkopen. De onroerendgoed-aanslagen. de opstalverzekeringen rioolrecht het G.E.B. en het onderhoud voor het huis werden me te veel. Nachten lang lag ik te piekeren hoe alles op te brengen. Een ander alternatief was. om te gaan verhuizen. maar dat kon ik niet. het was mijn ouderlijk huis met veel herinneringen. Het huis is zowel door de gemeente als ook door Kolpa getaxeerd. Alles is officieel gegaan er zijn geen fictieve getallen gebruikt door [de zoon] zoals door [de dochter] gesuggereerd. De taxatie is zelfs bij het gerechtshof in Den Haag goedgekeurd. Een van de verkoopvoorwaarden was dat ik er tot aan mijn dood in kon blijven wonen. Mijn zoon nam alle persoonlijke en financiële verplichtingen. van mij over. welke hij in mindering kon brengen op zijn schuld aan mi j. Dat was een enorme geruststelling voor mi i. Als er [ … ] noodzakelijke aanpassingen aangebracht moesten worden, deed mijn zoon dat. [de dochter] heeft
( … )
Ze heeft nooit willen informeren of interesse getoond, over het waarom en hoe alles toen is gegaan. Als ze zelf nagedacht had. had ze kunnen begrijpen, dat ik van een W.A.O. uitkering in de A.O.W. kwam en van een kale A.O.W. het op mijn leeftijd niet meer te doen was.(…)’
Zie in gelijke zin Memorie van Antwoord in het Incidenteel appel 1.5, de Pleitnota HB 2e pleidooi in appel onder 2.5 en 2.6
Kortom dat het niet uit het zeer omvangrijke dossier heeft kunnen afleiden dat er voor erflaatster een noodzaak was om de woning te verkopen aan [de zoon] zoals door hem is beweerd, is onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd, niet alleen omdat [de dochter] die noodzaak in de inleidende dagvaarding zelf al heeft erkend, maar ook omdat [de zoon] gelet op het bovenstaande daaraan heeft toegevoegd dat:
- —
moeder in een uiterst onderhoud behoevende woning woonde,
- —
die zwaar was verwaarloosd,
- —
die voor haarzelf met alleen AOW niet op te brengen was,
- —
waarin zij (erg) graag wilde blijven wonen,
- —
dit haar emotioneel bijzonder bezig hield en dat
- —
zij het e.e.a., vervolgens met haar broer en een zeer goede huisvriend heeft besproken en
- —
zij daarna het huis aan [de zoon] heeft aangeboden;
- —
zij ook als zij aan een derde had verkocht de gelden van die opbrengst had moeten aanspreken om ergens te kunnen wonen
- —
partijen voor deze constructie hebben gekozen dat [de zoon] allerhande mogelijke kosten betaalde en die in mindering mocht brengen op de lening ter zake van de koopsom
Het hof miskent aldus dat de gekozen optie de enige mogelijkheid voor moeder was om in die woning te blijven wonen, hetgeen blijkens haar eigen verklaringen haar vurige wens was, waarvan zij ook wakker lag. Die optie om in die woning te blijven wonen was er niet indien zij de woning aan een derde verkocht. Ook zou in dat geval, gelet op die opbrengst en de noodzaak om dan elders woonruimte te betrekken, dat bedrag eveneens zijn verbruikt.
Het hof laat hierbij ook onbesproken het in MvG rnr. 58 gestelde en in de Pln. HB eerste pleidooi rnr. 2.30 herhaalde berekening, te weten dat wanneer moeder de woning in 1995 aan een derde had verkocht zij dan een bedrag bovenop haar AOW ter beschikking had van € 267.773 (NLG 590.0005.). Uitgaande van de 14 jaar tot aan haar overlijden was dit dan € 19.123,59 per jaar ofwel € 1.500,= per maand, aldus de MvG rnr. 58 en Pln. HB eerste pleidooi rnr. 2.30. Aldaar wordt ook gesteld dat het maar de vraag is of moeder daarvoor adequate woonruimte kon huren. Ook is aldaar gesteld dat dit bedrag dan na 14 jaar wel op zou zijn geweest. In de Pln. HB eerste pleidooi rnr. 2.316. wordt deze exercitie herhaald indien zou worden uitgegaan van het — destijds door makelaar Kolpa onhaalbaar geachte — bedrag van NLG 800.000,= .7. In dit verband is, gelet op deze stellingname die het hof onbesproken laat en derhalve in cassatie hypothetisch feitelijke grondslag heeft, eveneens onbegrijpelijk dat het hof oordeelt in rov. 33 dat het vermogen is ‘verdampt’ in rov 33. Het vermogen is immers door haarzelf verbruikt, hetgeen niet anders zou zijn geweest indien moeder immers de woning zou hebben verkocht en daarvoor andere woonruimte had gehuurd.8.
II. Het oordeel over de terugbetaling van de lening
Dit onderdeel is gericht tegen rovv 28 t/m 33 waarin het hof kort gezegd tot het oordeel komt dat [de zoon] niet heeft aangetoond dat er gronden zijn op basis waarvan geoordeeld kan worden dat hij de schuld aan erflaatster van NLG 479.500,- kon verrekenen met betalingen die hij voor erflaatster zou hebben voldaan (rov. 33). Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, onder meer in de zin van art 24 en 149 Rv, althans is dit oordeel onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd, alles gezien de onderbouwing die [de zoon] onder meer in prod. 31 in eerste aanleg, pleidooi eerste aanleg 19 januari 2017, rnr. 8 e.v., in appel prod. H2 en H3 en de MvG nr. 7 e.v., Grief IV nrs 89 e.v. en Grief VI 125–127 e.v. heeft gegeven. Ter toelichting en verdere uitwerking diene het navolgende.
II.1. Onjuiste rechtsopvatting bewijslastverdeling
In rov. 29 stelt het hof voorop dat de bewijslast van de afbetaling van de schuld op [de zoon] rust. Blijkens de inleidende dagvaarding (rnr. 24) stelt [de dochter] dat moeder diverse giften zou hebben gedaan en dat de belangrijkste gift betreft de overdracht van de woning onder voorbehoud van rechten van gebruik en bewoning, tegen kwijting van de koopsom. Zij vordert vaststelling van de legitieme, stellende dat de woning daartoe behoort (inleidende dagvaarding rnrs. 24 t/m 26). Wanneer [de zoon] aantoont dat hij een tegenprestatie heeft verricht voor de overdracht van de woning (lees: de lening heeft afgelost) dient de waarde in mindering te worden gebracht op de vrije verkoopwaarde van de woning op 26 oktober 2005, aldus [de dochter] in de inleidende dagvaarding rnr. 25. [de dochter] stelt dus in de inleidende dagvaarding (en overigens ook nog in cassatie) dat de waarde van de woning per 26 oktober 2005 tot de nalatenschap behoort en voor haar legitieme in aanmerking moet worden genomen. Die zou ten minste € 687.500,= bedragen (inleidende dagvaarding rnr. 26). Bij conclusie van antwoord rnr. 3 betwist [de zoon] deze vordering door te stellen dat die nihil is. In de CvA rnr. 6 voert [de zoon] in het kader van zijn betwisting aan dat de transactie met betrekking tot de woning ten tijde van het overlijden al lang was afgewikkeld, zodat die bij de afwikkeling van de nalatenschap geen rol speelt en dus ook niet bij het vaststellen van de legitieme portie van [de dochter]. In rnrs. 8 t/m 17 CvA werkt [de zoon] dat uit en sluit dan in rnr. 18 af als volgt:
- ‘18.
De vordering tot betaling van de koopprijs werd voldaan, doordat moeder aan [de zoon] het betreffende bedrag ter leen verstrekte. Hoewel geen verplichting bestond tot aflossing van deze geldlening, heeft [de zoon] in de jaren nadien (bij leven van moeder), de geldlening geheel afgelost. De aanname van [de dochter], dat [de zoon] de geldlening niet aan moeder zou hebben afgelost, is derhalve onjuist. Ook de verdere stellingen van [de dochter], die op deze onjuiste aanname zijn gebaseerd, missen derhalve grondslag en zijn onjuist. Zodoende was geen sprake van een gift van moeder aan [de zoon] en missen de door [de dochter] in dat verband aangevoerde stellingen en jurisprudentie, hun doel. [de zoon] komt daarop terug.’
Bij conclusie van repliek rnrs. 5 t/m 8 betwist [de dochter] deze betwisting. Het hof gaat door desalniettemin te oordelen dat de bewijslast van de afbetaling van de schuld op [de zoon] van een onjuiste rechtsopvatting uit, nu het miskent dat het hier gaat om een zuivere betwisting van [de zoon] dat de woning en de lening überhaupt nog onderdeel uitmaakt van de nalatenschap van moeder voor de berekening van de legitieme: de woning is verkocht en anders dan [de dochter] stelt is de lening afgelost. Dat is dus, anders dan het hof kennelijk meent, in het licht van dit debat geen zelfstandig verweer maar een zuivere betwisting van de vordering van [de dochter]. Het hof heeft dit hetzij miskend hetzij had het hof in elk geval zijn oordeel op dit punt beter moeten motiveren, nu in rov. 29 en ook overigens elke nadere motivering ontbreekt. Dit vitiëert ook rovv 28, 30 t/m 33 en het dictum.
II.2. Miskenning gesloten nadere overeenkomsten en Haviltex, artt. 3:33 en 3:35 BW
In lijn daarmee, maar ook los daarvan is het oordeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk in rovv 28 en 29 dat het hof oordeelt
- i.
dat het hof met [de dochter] van oordeel is dat de verrekening met de koopprijs diverse vragen oproept, alsook dat
- ii.
‘wat deze overeenkomst exact inhield het hof mede bezien de zeer gebrekkige vastlegging door erflaatster en [de zoon], het tijdsverloop en het overlijden van erflaatster niet meer kan vaststellen’.
- iii.
in rovv. 30 t/m 33 dat er het hof uit het dossier niet kon afleiden dat er voor moeder een noodzaak was voor moeder om te verkopen (zie onderdeel I), er geen deugdelijke administratie zou zijn gevoerd, waartoe [de zoon] een eigen belang zou hebben (rov. 31) en in het bijzonder door te oordelen in rov. 32:
‘(…) Het feit dat erflaatster voor akkoord heeft getekend neemt niet weg dat het hof de afboeking als een schijnhandeling kwalificeert mede bezien het gemotiveerde verweer van [de dochter] waarbij zij nadrukkelijk betwist dat [de zoon] voor een zeer aanzienlijk bedrag aan kluswerkzaamheden heeft verricht.(…)’
en in rov. 33:
‘Het feit dat erflaatster enkele bedragen voor akkoord heeft getekend, betekent niet dat dit zonder meer jegens [de dochter] in stelling kan worden gebracht. Vast staat dat het vermogen van erflaatster is verdampt terwijl [de zoon] de regie voerde over het vermogen van erflaatster en [de zoon] nog steeds in het bezit is van de voormalige woning van erflaatster in Rotterdam met een geschatte waarde van thans € 2.500.000,-. Kort en goed samengevat: [de zoon] heeft niet aangetoond dat er gronden zijn op basis waarvan geoordeeld kan worden dat hij de schuld aan erflaatster van fl. 479.500,- kon verrekenen met betalingen die hij voor erflaatster zou hebben voldaan’
- iv.
Dit al dan niet in samenhang met het oordeel zoals in onderdeel I besproken dat er uit het dossier geen noodzaak voor moeder zou zijn gebleken om de woning aan [de zoon] te verkopen.
Het hof miskent aldus oordelend sub i t/m iv ten eerste dat uitleg en vaststelling van wat moeder en [de zoon] zijn overeengekomen dient plaats te vinden aan de hand van het Haviltexcriterium9. en (daarmee ook) artt 3:33 en 3:35 BW. Het gaat er dus om wat partijen uit elkaars uitlatingen en gedragingen over en weer hebben begrepen en hebben mogen begrijpen. Daarbij is de wijze waarop partijen invulling hebben gegeven10. aan de overeenkomst een aanwijzing voor datgene wat partijen bij het aangaan voor ogen heeft gestaan en dus voor de inhoud van die overeenkomst. Het hof geeft er geen blijk van deze maatstaf te hebben toegepast11., zodat het hof deze maatstaf hetzij heeft miskend, hetzij het arrest niet toereikend heeft gemotiveerd.
Ook het beroep in de MvG rnr. 122 op de dynamische uitleg die aan de orde is indien partijen gaandeweg een nadere of andere invulling aan hun overeenkomst of rechtsbetrekking geven laat het hof onbesproken. In casu betrof dat laatste het feit dat er voor moeder toen het voor haar op medische gronden12. te zwaar werd om nog in de woning te wonen een vervangend appartement werd gekocht. Althans heeft het hof ook op dit punt zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd.
Ten tweede is alsdan in het licht van die toepassing van Haviltex (dus ook indien het hof die maatstaf wel zou hebben toegepast), het oordeel zoals hierboven weergegeven sub i t/m iv rechtens onjuist en onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd, gelet op de onderbouwing met nadere handgeschreven overeenkomsten en de daaraan ten grondslag liggende overzichten13.. Het slagen van onderdeel I draagt bij aan de te wegen omstandigheden: nu anders dan het hof overweegt in rov 30 er dus wel degelijk een noodzaak was voor moeder om aan [de zoon] te verkopen omdat dit de enige mogelijkheid was om in die woning te blijven wonen, dan dient deze omstandigheid ook te worden betrokken bij de vaststelling van de verdere afspraken tussen partijen.
Daarbij, maar ook los daarvan, volgt hetgeen moeder in dat kader met [de zoon] is overeengekomen wel degelijk uit de in de MvG rnr. 37 geciteerde handgeschreven brief van moeder van 4 december 2000, in het bijzonder uit de door het hof in rov. 29 aangehaalde passage, temeer indien ook daarbij — op grond van het Haviltexcriterium — ook de overige gestelde omstandigheden van het geval worden betrokken14. zoals hierna wordt uitgewerkt:
- —
In de MvG rnr. 36 worden voorts de door [de dochter] bij inleidende dagvaarding overgelegde brieven aangehaald van kort na de verkoop, waarin al gerefereerd wordt aan de afspraak tussen partijen. Het hof laat ook deze passages onbesproken
- —
Het hof laat daarbij ook onbesproken de als H8 overgelegde verklaring van [betrokkene 1], echtgenote van [de zoon], waarnaar in de MvG rnr. 38 eveneens naar is verwezen.15. Uit die verklaring volgt evenzeer hoe partijen invulling hebben gegeven aan de afspraken tussen partijen, hetgeen bovendien, zoals eveneens uit die verklaring bleek, in het huwelijk voor de nodige spanningen zorgde.
- —
Daarnaast heeft ook [de zoon] zelf blijkens de integraal overgenomen verklaring in de MvG rnr. 5, rnrs. 5.14 en 5.15 nog eens onderbouwd wat de afspraken tussen partijen waren.
- —
Zie verder ook rnrs. 37, 38, 122 t/m 126 waarin in extenso wordt ingegaan op de bedoeling van de tussen partijen gesloten overeenkomsten en MvG rnrs 128 t/m 132 waarin wordt ingegaan op de wijze waarop partijen daaraan invulling hebben gegeven.
Het getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting (miskenning/verkeerd gebruik Haviltex) althans is het onbegrijpelijk dat de tussen partijen geldende afspraak niet exact kan worden vastgesteld. Uit hetgeen tussen partijen is overeengekomen volgt dat wat de afspraken tussen partijen waren, te weten dat de in de MvG rnrs. 7 en 125 genoemde overeenkomsten in mindering strekken op de openstaande schuld. Moeder en [de zoon] hebben die afspraak bovendien omgezet in nadere (handgeschreven) overeenkomsten zoals nader uiteengezet in de MvG rnrs. 7 en 125, als invulling van die overeenkomst.
Dit geldt zowel in het geval de bewijslast van de door [de dochter] gestelde omvang van de nalatenschap niet alleen door haar gesteld, maar ook bewezen moet worden (zie onderdeel II.1), maar ook indien dat anders is. In beide gevallen had het hof zo nodig het ter zake dienend en voldoende gespecificeerde bewijsaanbod (bijvoorbeeld MvG rnrs. 134 en 153) op dit punt moeten honoreren ten bewijze van het totstandkomen van die overeenkomsten, de grondslag daarvan, het feit dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd en de kosten zijn gemaakt, alsmede moeder die kosten heeft geaccordeerd na eerst zich ervan te hebben vergewist dat die kosten terecht waren.
Het hof miskent ten derdeartikel 24 en 149 Rv, alsmede zijn taak als appelrechter, door in r.o. 33 te oordelen dat [de zoon] ‘de regie’ over het vermogen van moeder voerde en treedt daarmee tevens buiten het debat van partijen. Nergens in de stukken heeft [de dochter] aangevoerd dat [de zoon] de regie over het vermogen van moeder zou hebben gevoerd.
's hofs oordeel is ten vierde onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd in het licht van de door het hof niet behandelde stellingen (die dus in cassatie hypothetisch feitelijke grondslag hebben) dat moeder ‘on top16.’ was ten aanzien van de financiën en dat zij — ter invulling van de tussen partijen gemaakte afspraak — minutieus controleerde of de rekeningen terecht waren aan de hand van specificaties en eerst dan haar toestemming gaf om die te mogen verrekenen met de openstaande schuld ter zake van de koopsom.17.
Dat [de zoon] regie zou voeren over het vermogen van moeder is ook onbegrijpelijk in het licht van de aangehaalde verklaringen van moeder zelf blijkens voormelde MvG rnr. 36 (onderstreept door mij-HJWA):
‘Ik heb je medegedeeld dat ik mijn huis (niet jouw huis) aan je broer [de zoon] kon verkopen. Hierdoor kwam ik van mijn schulden af en de door mij niet meer op te brengen vaste lasten. Tevens kreeg ik van [de zoon] de garantie dat ik tot aan mijn dood gratis in het huis kon blijven wonen. Jij [de dochter] wilde mij niet hebben of was daartoe niet in staat. (…)’
Zie ook de in de MvG rnr. 44 geciteerde brief van begin 2001 waarin zij verslag doet van een toevallige ontmoeting bij de Albert Heijn (onderstreept door mij-HJWA):
‘(…) Ondanks dat ik haar maar haar gif laat spuien, kom ik niet van haar af, in elk geval is ze van kind af niet verandert, of het is in negatieve zin. Hoe ouder ze wordt hoe extremer haar uitingen worden. Hetgeen mij noopte om het verloop op papier te zetten, is het feit dat ze zeker wel 20 x [de zoon] beschuldigde, dat hij mij manipuleerde, en dat ik het niet in de gaten had.
Dit vond ik erg neerbuigend, alsof ik geen eigen wil had en me niet bewust van handelingen zou zijn. [de dochter] heeft mij nooit begrepen ik kon haar zeggen en schrijven wat ik wilde, alles was zo als zij het vond. Haar ideeen, wat zij dacht of vond was de waarheid. Zo ook bij AH., 90 % wat ze zei was niet waar. Ik kreeg de indruk dat het een jaren-lange opsessie van haar was, die als maar meer eskaleerde. Ze kan de werkelijkheid niet meer van haar ziekelijke ideeen, uit elkaar houden. Zo schijnt niet te beseffen dat ze over mijn bezit of eigendommen geen zeggenschap heeft, pas na mijn dood kan ze er over oordelen. De hele tijd hield ze mijn boodschappenwagentje vast, zodat ik niet weg kon’
Moeder klaagt er dus over dat [de dochter] niet wil inzien dat zij een eigen wil heeft, zelf beslist over haar vermogen en dat ze dus zelf over haar bezit en eigendommen beschikt.18.
Uit dit alles volgt dat het dus niet[de zoon] was die ‘de regie’ over het vermogen van moeder voerde, maar moeder zelf, zodat het oordeel van het hof ook onbegrijpelijk is in dit licht, althans niet toereikend gemotiveerd. Moeder was volledig compos mentis en sloot zelf de handgeschreven nadere overeenkomsten, waarin werd bepaald hoeveel er van de schuld op basis van de gedane uitgaven mocht worden afgetrokken. Dit deed zij nadat zij zich met facturen en betalingen zich er nauwkeurig van had vergewist of die betalingen voor haar waren gedaan en haar goedkeuring konden wegdragen. [de zoon] heeft hiervan uitdrukkelijk getuigenbewijs aangeboden.19.
Althans had het hof ten vijfde in elk geval niet tot deze vaststelling van de regierol van [de zoon] mogen beslissen zonder de in dit subonderdeel genoemde bewijsaanbieding20. te honoreren, waardoor het hof het bepaalde in artikel 166 Rv heeft geschonden. Althans had het hof in elk geval moeten responderen op die bewijsaanbiedingen, hetgeen het hof heeft nagelaten als gevolg waarvan de uitspraak niet toereikend is gemotiveerd.
Het hof miskent ten zesde dat de handgeschreven verklaringen waar moeder verklaart en ondertekent dat bedragen van de schuld mogen worden afgetrokken nadere overeenkomsten21. zijn tussen moeder en [de zoon] die moeder vrijhield en faciliteerde. Deze overeenkomsten zijn vormvrij, maar worden bewezen door de handgeschreven verklaringen zoals overgelegd en zoals besproken in onder meer de MvG rnr. 7 en 125. Het getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof in rovv 28 t/m 33 daaraan geheel voorbij gaat met de hierna nog apart te bespreken argumenten als ‘vermogensbeheer’, ‘deugdelijke administratie’ en het ‘niet voldoende onderbouwd zijn van overzichten’. Moeder was zelf ‘in charge’, keurde de betalingen goed die [de zoon] eerst uit eigen middelen deed en bepaalde vervolgens of en zo ja in welke mate die in mindering strekten op de openstaande schuld.
Primair betreft het dan telkens een nadere overeenkomst tussen moeder en [de zoon] ter invulling van een alomvattende overeenkomst22. die de basis was van de tussen moeder en [de zoon] aangegane verplichtingen, waarbij het ook primair aan moeder was om te bepalen of en zo ja in welke mate door [de zoon] gedane betalingen konden en mochten worden afgetrokken.
Het hof gaat aldus oordelend en dan in het bijzonder in de hierboven aangehaalde passage uit rov. 33 voorbij aan het expliciete beroep van [de zoon] op de status van nadere overeenkomsten, die immers tot gevolg hebben dat moeder kennelijk, na de te verrekenen posten akkoord te hebben bevonden, is overeengekomen dat die in mindering strekten op de openstaande schuld. Het getuigt dan van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof aan deze handgeschreven overeenkomsten geen waarde hecht en dat het nadere eisen stelt aan onderbouwing of het voeren van (verdere) administratie. Althans is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd. Immers, de handgeschreven nadere overeenkomsten corresponderen blijkende de MvG rnrs 7 en 125 met facturen en bankafschriften en zonder nadere toelichting is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd waarom dit niet betekent dat dit zonder meer jegens [de dochter] in stelling kan worden gebracht. Het zijn toch gewoon overeenkomsten, waaraan een titel ten grondslag ligt en die onderbouwd worden met stukken en bankafschriften?
Ook hetgeen het hof daarop laat volgen is in dat kader geen toereikende motivering: het vermogen is niet ‘verdampt’, maar door moeder zelf ‘opgegeten’ en [de zoon] voerde hier geenszins regie over het vermogen van moeder. Evenmin is een argument dat [de zoon] nog steeds in het bezit is van de voormalige woning van erflaatster in Rotterdam en dat die een geschatte waarde van thans € 2.500.000,- zou hebben. Wat daar ook van zij, voorbijgegaan wordt aan het zelfbeschikkingsrecht van moeder ten aanzien van haar vermogen (bestaande uit de lening) en zij was zelf gerechtigd om een afspraak te maken dat [de zoon] kosten voor haar zou betalen die na haar goedkeuring in mindering werden gebracht op die openstaande lening. Aldus is ook de conclusie van het hof dat [de zoon] niet heeft aangetoond dat er gronden zijn op basis waarvan geoordeeld kan worden dat hij de schuld aan erflaatster van fl. 479.500,- kon verrekenen met betalingen die hij voor erflaatster zou hebben voldaan rechtens onjuist (gelet op het bepaalde in art 149 en 150 Rv) en onbegrijpelijk.
II.3. Hoezo is er sprake van ‘vermogensbeheer’?
Daarnaast miskent het hof in rovv 29 t/m 33, in het bijzonder in rov 29, waarin het hof overweegt:
‘Op alle overeenkomsten is artikel 6:2 BW van toepassing. Een redelijke uitleg van deze overeenkomst brengt met zich mede dat [de zoon] zich als een redelijk handelend vermogensbeheerder zou gedragen waarbij hij de belangen van erflaatster en die van de crediteuren van erflaatster in ogenschouw zou nemen. Gezien de familierechtelijke betrekking tussen erflaatster en [de zoon] behoeft niet iedere euro die is voldaan door [de zoon] te worden verantwoord, echter van omvangrijke transacties mag van hem in redelijkheid worden verlangd dat hij een deugdelijk administratie zou hebben bijgehouden.’
allereerst dat er geen sprake was van ‘vermogensbeheer’ of een overeenkomst van opdracht van die strekking, waarop de maatstaf van een ‘redelijk handelend vermogensbeheerder’ op van toepassing zou zijn. Het hof treedt andermaal buiten het debat van partijen en miskent artt 24 en 149 Rv, alsmede zijn taak als appelrechter, nu geen der partijen zich daarop heeft beroepen.
Ten tweede kan een dergelijke kwalificatie onmogelijk ex art. 25 Rv uit de feiten worden afgeleid of via de route van artikel 6:2 BW worden bereikt. Zoals uit de door het hof genoemde handgeschreven verklaring, de in het vorige onderdeel genoemde verklaringen van moeder zelf, van [betrokkene 1] en [de zoon] zelf in MvG rnr. 5 blijkt, betreft het een afspraak in de familiesfeer om moeder — die de kosten en lasten zelf financieel niet meer kon opbrengen — uit de brand te helpen door niet alleen de woning aan [de zoon] te verkopen, maar ook door haar gratis te laten wonen en alle persoonlijke en financiële verplichtingen (brief van 4 december 2000) voor moeder te betalen. Van een beheer van vermogen is dan geen sprake. De renteloze schuld behoorde tot het vermogen van moeder en moeder besliste zelf of en zo ja in hoeverre gedane betalingen daarop in mindering strekten. Het was [de zoon] die uit eigen middelen voor moeder betalingen deed. Hij had geen beheer over bankrekeningen van moeder o.i.d. en besliste evenmin of een door hem gedane betaling van de schuld mocht worden afgetrokken. Die beslissing was geheel bij moeder. Het was moeder zelf die, ook blijkens de in onderdeel II.2 aangehaalde eigen verklaringen, het beheer voerde over haar vermogen en zelfs gepikeerd was dat [de dochter] haar daarin niet serieus nam. [de zoon] wijst ook in dit kader op zijn bewijsaanbiedingen23. terzake van de wijze waarop het e.e.a. door moeder minutieus werd gecontroleerd alvorens zij een post goedkeurde, die het hof hetzij ten onrechte en in strijd met het bepaalde in artikel 166 eerste lid Rv, heeft gepasseerd, althans op dit punt zijn oordeel in elk geval niet toereikend heeft gemotiveerd.
Een pregnant voorbeeld van hoe het in de praktijk ging wordt geïllustreerd aan de hand van de gang van zaken van de nota van de door [de dochter] ingeschakelde notaris [notaris]: de door [de dochter] ingeschakelde notaris stuurde een nota aan moeder voor het gesprek (waarop [de dochter] zich in deze procedure beroept). Uiteindelijk heeft [de zoon] die voor moeder betaald.24.
II.4. Moet [de zoon] een ‘deugdelijke administratie’ voeren?
Het hof miskent in rovv. 29 t/m 33, in het bijzonder in zijn oordeel
- —
in rov. 29 dat van [de zoon] gelet op de omvangrijke transacties verwacht kon worden dat hij een deugdelijke administratie zou bijhouden en
- —
in rov. 30 dat het de administratie die [de zoon] heeft gevoerd, mede bezien de bedragen waarover het gaat, ondeugdelijk acht, waarop het hof nog nader zal ingaan en
- —
in rov. 31 dat naar het oordeel van het hof heeft [de zoon] er een eigen belang bij dat de schuld uit de administratie van erflaatster verdween omdat als de schuld van [de zoon] bij het overlijden van erflaatster er nog was, dan dat een vordering van de nalatenschap is die wordt meegenomen bij de berekening van de legitieme portie van [de dochter] en dat de rechtsverhouding tussen erflaatster en [de zoon] in beginsel met zich meebreng dat [de zoon] op deugdelijke wijze inzicht geeft in de betalingen die hij voor erflaatster heeft verricht. Naarmate de bedragen groter worden — in deze zaak gaat het over fl.479.500,- — mogen strengere eisen worden gesteld aan de wijze waarop [de zoon] de administratie heeft gevoerd met betrekking tot uitgaven die hij voor, namens of ten behoeve van erflaatster heeft voldaan,
- —
en daarop voortbouwend in rovv. 32 en 33
allereerst dat moeder en hij nadere overeenkomsten hebben gesloten, waarbij telkens expliciet is afgesproken dat die op de openstaande schuld in mindering strekken. Het is immers het vermogen van moeder, waarover zij zelf de beschikking had en waarover zij zelf het beheer voerde waarvan zij zelf na controle en goedkeuring besliste aan de hand van de daarbij gegeven onderbouwing of en zo ja in welke mate dat in mindering strekte op die openstaande schuld. Het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting om — op straffe van het buiten beschouwing laten van die nadere overeenkomsten — een verdergaande administratie te eisen dan [de zoon] in casu aan onderbouwing heeft gegeven.
Ten tweede miskent het hof dat er ook geen rechtsregel bestaat die een partij verplicht om tijdens het leven van een erflater die het eigen beheer heeft over zijn of haar vermogen om een nadere, laat staan ‘deugdelijke’ zoals het hof kennelijk voor ogen heeft, administratie te voeren. Een erflater is tijdens het leven geheel vrij om te doen en laten wat hij of zij met haar vermogen wenst te doen en dus ook om dat ‘op te eten’ op een wijze zoals in casu aan de orde is. Zolang er geen sprake is van een curatele of bewind is het primair aan de erflater zelf welke onderbouwing die wenst te zien alvorens in te stemmen met een afboeking op een openstaande schuld.
Dit nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat — in tegenstelling tot [de dochter]25. — [de zoon] op de hoogte was van de inhoud van het testament van moeder, dat daarin was opgenomen dat [de dochter] werd onterfd en dat [de zoon] in het kader van de te zijner tijd te berekenen legitieme van [de dochter] daaromtrent iets zou moeten. Sterker nog, uit de in de MvG onder rnr. 5 opgenomen verklaring van [de zoon] in het bijzonder rnr. 5.23, volgt dat [de zoon] na het overlijden van moeder van de notaris moest horen wat er in het testament van moeder stond, dat [de dochter] onterfd was en wat dat betekende. Nu het voor [de zoon] dus onbekend was wat moeder met betrekking tot haar nalatenschap had beschikt, valt ook niet in te zien dat en waarom [de zoon] over een vermogen waarover hij niet het beheer had, wel een ‘deugdelijke administratie’ zou voeren met het oog op een eventuele rechtsverhouding na het overlijden.
Het gaat daarentegen om de verhouding tussen moeder en [de zoon]. Voldoende was in die verhouding dat in de handgeschreven verklaringen werd vastgelegd dat de kosten die hij voor moeder had gemaakt, na door haar te zijn gecontroleerd en akkoord bevonden konden en mochten worden afgetrokken van de lening en dat dit in de handgeschreven verklaringen werd vastgelegd. Het enige dat [de zoon] immers heeft gedaan en altijd heeft willen doen is het leven voor moeder zo optimaal mogelijk te maken.26. Vervolgens werden er telkens nadere, handgeschreven overeenkomsten gesloten waarin werd bepaald hoeveel er van de schuld op basis van de gedane uitgaven mocht worden afgetrokken. Daarin ligt niet alleen besloten dat die kosten/uitgaven daadwerkelijk zijn gemaakt, maar ook dat er ook omtrent het in mindering strekken op de lening tussen moeder en [de zoon] wilsovereenstemming bestaat. Die overeenkomsten dienen in beginsel als voldoende bewijs.
Het getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het hof nadere eisen aan een administratie stelt en mede op basis daarvan oordeelt dat er geen bewijs is geleverd dat de lening van de koopprijs is afgelost.
Ook overigens was er geen enkele aanleiding of noodzaak voor een verdergaande administratie: moeder was, zoals reeds gezegd, volstrekt compos mentis en was ‘on top27.’ ten aanzien van de financiën. Zij controleerde — ter invulling van de tussen partijen gemaakte afspraak — minutieus of de rekeningen terecht waren aan de hand van specificaties.28. [de zoon] heeft hiervan uitdrukkelijk getuigenbewijs aangeboden.29. Het hof kon en mocht dat bewijsaanbod dan ook niet passeren, zoals ook nog nader wordt uitgewerkt in onderdeel II.6 en II.7.
II.5. Onrechtmatig handelen?
Hof overweegt in rov. 33 in samenhang met rovv. 29, 30 en 31 dat [de zoon] in strijd heeft gehandeld met de maatschappelijke zorgvuldigheid die hij jegens [de dochter] in acht had dienen te nemen omdat ter zake van haar legitieme portie [de dochter] een vordering kan krijgen op de nalatenschap en wel in dit geval op [de zoon] als enig erfgenaam. Het hof overweegt verder in rov. 33 dat [de zoon] in 1995 al wist dat hij een aanzienlijke schuld had aan erflaatster, zodat van hem in redelijkheid had mogen worden verlangd dat hij een deugdelijke administratie had bijgehouden van het aflossen/verrekenen van zijn schuld aan erflaatster, hetgeen hij zoals het hof ‘hiervoor’ (kennelijk verwijzend naar rovv. 30 en 31) al heeft overwogen, heeft hij dit niet gedaan, aldus het hof in rov 33.
Het hof treedt andermaal buiten het debat van partijen en miskent daarom artikel 24 en 149 Rv alsmede zijn taak als appelrechter, nu, noch in de inleidende dagvaarding noch in de overige processtukken in eerste aanleg en in hoger beroep door [de dochter] is aangevoerd dat [de zoon] in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid handelt en zeker niet op gronden zoals door het hof in rov. 33 in samenhang met rovv. 30 en 31 heeft overwogen.
Het hof miskent aldus ook dat naar vaste rechtspraak het de rechter niet vrij staat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen.30. Er is dus ook sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
Indien immers dit argument zou zijn gevoerd door [de dochter] dan had [de zoon] er op gewezen dat, als gezegd, gesteld noch gebleken is dat — in tegenstelling tot [de dochter]31. — [de zoon] op de hoogte was van de inhoud van het testament van moeder, dat daarin was opgenomen dat [de dochter] werd onterfd en dat [de zoon] in het kader van de te zijner tijd te berekenen legitieme van [de dochter] daaromtrent iets zou moeten.32. Aldus was [de zoon] zich in 1995, toen de schuld werd aangegaan, geenszins bewust dat hij daarmee iets zou moeten in het kader van een mogelijke legitieme van [de dochter]. Dit nog daargelaten dat moeder [de dochter] kennelijk eerst in 2001 heeft onterfd.33.
Ook zou indien dit argument zou zijn gevoerd door [de zoon] als verweer zijn aangevoerd dat het ook overigens niet bekend was dat [de dochter] in dat kader iets tekort zou komen, nu evident moeder zelf niet over voldoende middelen beschikte om de woning te kunnen aanhouden (zie onderdeel I), daaromtrent twee opties had (1) verkopen aan een derde, dan wel (2) verkoop aan de zoon met recht van bewoning en onderhoudsplicht van moeder ten aanzien van allerhande kosten die in mindering strekten. Zoals uit onderdeel I en de daar aangehaalde passages uit de MvG met verwijzingen blijkt, koos moeder voor de optie om in het door haar zo geliefde huis te blijven wonen. Ook is in onderdeel I aangevoerd met verwijzing naar passages uit de MvG34. dat, indien zij voor die andere route had gekozen, na 14 jaar bij haar overlijden, haar vermogen evenzeer opgebruikt zou zijn geweest. Er was dan ook — vanuit de optiek van [de zoon] — hoe dan ook geen gerechtvaardigd belang van [de dochter] waarmee hij geacht werd rekening te houden op straffe van het aannemen van een onrechtmatige daad. Integendeel: moeder beschikte zelf over haar eigen vermogen, controleerde wat was uitgegeven en tekende vervolgens voor akkoord dat dit in mindering strekte op de openstaande schuld. Dat levert bewijs op van de voldoening, alsook van de titel van die nadere overeenkomsten. Meer of anders kon en mocht van [de zoon] niet worden verwacht.
Er is geen rechtsregel die verbiedt om ten aanzien van een geldlening met een ouder of ander familielid nadere — handgeschreven — overeenkomsten te sluiten die in mindering strekken op die lening. Daarbij handelt die partij die op een dergelijke wijze nadere overeenkomsten sluit geenszins onrechtmatig jegens een eventuele legitimaris van dat familielid.
Het is dan ook rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd dat het hof in rov. 33 in samenhang met rovv. 29, 30 en 31 oordeelt dat [de zoon] in strijd heeft gehandeld met de maatschappelijke zorgvuldigheid die hij jegens [de dochter] in acht had dienen te nemen omdat ter zake van haar legitieme portie [de dochter] een vordering kan krijgen op de nalatenschap en wel in dit geval op [de zoon] als enig erfgenaam, alsook de conclusie die het hof daar klaarblijkelijk (mede) uit trekt in rov 33. dat [de zoon] niet zou hebben aangetoond dat er gronden zijn op basis waarvan geoordeeld kan worden dat hij de schuld aan erflaatster van NLG 479.500,- kon verrekenen met betalingen die hij voor erflaatster zou hebben voldaan.
Daarbij geeft het hof ook niet aan — zo het al artikel 25 Rv zou toepassen, hetgeen in casu in strijd is met voormelde regel uit het arrest Spector/Fotoshop 2000 — op welke stellingen van [de dochter] daarbij het oog heeft. Het oordeel is dus daarnaast ontoereikend gemotiveerd, dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
II.6. De eerste grote afboeking
In rov. 32 oordeelt het hof dat mede gezien hetgeen [de dochter] stelde de afboeking van EUR 289.575,- een schijnhandeling was. Het hof oordeelt dat het e.e.a. ongeloofwaardig is, gezien het feit dat [de zoon] in de notariële akte — een dag eerder — verklaart dat hij een bedrag van fl. 479.500,- aan erflaatster verschuldigd is. Het feit dat erflaatster voor akkoord heeft getekend neemt, volgens het hof, niet weg dat het hof de afboeking als een schijnhandeling kwalificeert mede bezien het gemotiveerde verweer van [de dochter] waarbij zij nadrukkelijk betwist dat [de zoon] voor een zeer aanzienlijk bedrag aan kluswerkzaamheden heeft verricht. Het overzicht is volgens het hof oncontroleerbaar, zie ook nr. 9 cumulatieve afboeking fl. 29.427,- (€ 13.353,45), geen nadere specificering. Het hof verwijst naar productie H2 en H3 bij de memorie van grieven. Productie H2 is genaamd onderbouwing c.q. uitleg inzake de eerste (cumulatieve) afboekingen. In de inleiding is vermeld:
‘Deze eerste afboeking op de koopsom bedraagt NLG 289.575,00. Deze kosten betreffen een totaal van de uitgevoerde werkzaamheden voorafgaand aan de koop en zijn dienovereenkomstig ondertekend voor nagezien en akkoord. Helaas kunnen we een document niet meer vinden en trachten hieronder een zo volledig mogelijk beeld te verschaffen. Aangezien de originele (25 jaar oud) met de hand geschreven zijn, hebben we zoveel mogelijk deze posten en teksten in de computer gezet, zodat het e.e.a. overzichtelijk en leesbaar wordt’.
Ook voor deze lijst geldt dat, aldus het hof, niet vastgesteld kan worden of de uitgaven voor erflaatster zijn gedaan en of er sprake is van werkelijke uitgaven. Ook de werkzaamheden aan de schoorsteen uit 1976 zijn vermeld, aldus het hof.
Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd. Dit om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen.
Allereerst miskent het hof de bewijslastverdeling. Daarvoor wordt primair verwezen naar onderdeel II.1. waarin wordt aangegeven dat het [de dochter] is die zich op een rechtsgevolg beroept dat door [de zoon] wordt betwist. In het verlengde, maar ook los daarvan geldt het volgende. Vaststaat dat moeder en [de zoon] ter zake van dit bedrag van € 289.575,= een (nadere) overeenkomst hebben gesloten. Het is vervolgens [de dochter] die, zoals het hof aanhaalt in rovv. 27 en 32, stelt dat het zou gaan om een schijnhandeling.
Het hof miskent aldus dat dit kwalificeert als een zelfstandig verweer, waarvoor [de dochter] niet alleen de stelplicht, maar ook de bewijslast heeft ex artikel 150 Rv. [de dochter] erkent immers met die lezing, althans betwist onvoldoende dat die overeenkomst is gesloten, maar stelt dat dit een schijnhandeling betreft, waarmee zij kennelijk bedoelt dat daartegenover geen daadwerkelijke tegenprestatie heeft gestaan. De hierboven geparafraseerde overwegingen van het hof in rov. 32 laten echter geen andere uitleg toe dan dat het hof de bewijslast op [de zoon] legt. Nu het echter gaat om een door [de dochter] gevoerd zelfstandig verweer miskent het hof hetzij dat de bewijslast daarvan op [de dochter] rust, hetzij is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
Maar ook indien de bewijslast wel op [de zoon] rust getuigt deze overweging op een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is deze onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd. Immers de onderhandse handgeschreven verklaring kwalificeert als (nadere) overeenkomst die bewijskracht heeft als bedoeld in artikel 152 Rv en die moet worden beschouwd en beoordeeld in samenhang met de navolgende stellingen:
- a.
[de zoon] heeft gemotiveerd gesteld dat hij vóór de aankoop van de woning in 1995 al aanzienlijke kosten voor onderhoud heeft moeten maken.35.
- b.
Voorts heeft [de zoon] gesteld dat deze post aanvankelijk veel hoger was, maar dat niet alle posten door moeder werden geaccepteerd.36.
- c.
Voorts verklaart moeder zelf al in een brief aan [de dochter] geciteerd in de MvG rnr. 36 dat zij door de verkoop ‘van haar schulden afkwam’. Het hof laat deze verklaring onbesproken, evenals de in rnr. 37 opgenomen handgeschreven bief van moeder waarin de volgende passage staat opgenomen (onderstreept door mij-HJWA):
‘Financieel werd het steeds moeilijker voor me om alles te kunnen dragen van mijn kale A.O.W. Mijn zoon zat er met z'n bedrijf in en had al voor behoorlijke bedragen verbouwingen uitgevoerd’.
- d.
In rnr. 38 MvG wordt de koppeling gelegd met de eerste grote afboeking. Ook wordt aldaar in MvG rnr. 38 verwezen naar de verklaring van [betrokkene 1] (overgelegd als productie H4).
- e.
[de zoon] doet een gespecificeerd en ter zake dienend bewijsaanbod waarin [de zoon] te bewijzen aanbiedt dat hij al het hoogstnoodzakelijke in de jaren vóór de aankoop had laten verrichten en hij is overeengekomen dat hij dat als eerste tranche met de koopprijs mocht verrekenen.
- f.
Dit bewijsaanbod is herhaald in MvG rnr. 153 onder het eerste gedachtestreepje.
- g.
Voorts wordt getuigenbewijs aangeboden gedaan in voetnoot nr. 16 MvG , in de MvG rnr. 32 dat moeder van alle transacties en betalingen aantekeningen maakte en die zij alles minutieus bijhield, alsook van de stelling dat moeder iets niet tekende voor iets dat niet zou zijn gebeurd37..
- h.
Ook dit bewijsaanbod wordt herhaald in de MvG rnr. 135, alsook dat zij ‘on top’ was, tot het laatst toe goed bij was en buitengewoon goed wist wat zij had afgesproken en hoe dat werd uitgevoerd.
Het hof laat deze stellingen sub a t/m d alsmede de bewijsaanbiedingen sub e t/m h onbesproken.
Aldus getuigt het gelet op het bepaalde in artt. 24 en 149 Rv van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd dat het hof zonder voldoende kenbaar nader acht te slaan op de stellingen a t/m d en zonder nadere bewijslevering desalniettemin vaststelt (ex artikel 149 Rv) dat er sprake is van een schijnhandeling, dus dat er een overeenkomst is gesloten voor aftrek van kosten die in werkelijkheid niet zouden zijn gemaakt.
Niet alleen heeft [de zoon] de stelling van [de dochter] dat het zou gaan om een schijnhandeling gemotiveerd bestreden gelet op deze stellingen a t/m d, maar ook heeft hij, voor zover er op hem ter zake een bewijslast zou rusten, sub e t/m h ter zake dienende en voldoende gespecificeerde bewijsaanbiedingen gedaan.
Zo het hof dus niet al op basis van deze stellingen a t/m d in samenhang met de schriftelijke nadere overeenkomst ex artikel 149 Rv deze eerste afboeking als onvoldoende betwist had moeten vaststellen, dan had het, gelet op het bepaalde in artikel 166 Rv het ter zake dienende en voldoende gespecificeerde be wijsaanbod van [de zoon] op dit punt niet mogen passeren.
Het hof had dus hetzij niet alleen deze stellingen voldoende kenbaar bij zijn beoordeling moeten betrekken en indien het dan nog steeds van mening was dat [de dochter] de tussen moeder en [de zoon] gesloten handgeschreven overeenkomst ter zake van de eerste afboeking voldoende had betwist, ex artikel 166 Rv tot bewijs van zijn stellingen op dit punt moeten toelaten. Het hof heeft dat alles hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt.
II.7. De overige afboekingen
Het hof oordeelt voorts in rov. 32 dat van de posten verwoord in productie H2 en H3 niet kan worden vastgesteld dat de uitgaven ten behoeve van erflaatster zijn gedaan of dat er sprake is van werkelijk uitgaven. Over de gehele post van NLG 29.427,- waarop productie 6 ziet oordeelt het hof dat deze onvoldoende gespecificeerd is.
Deze oordelen zijn ten eerste onbegrijpelijk gelet op de onderbouwing die [de zoon] in prod. 31 in eerste aanleg, pleidooi eerste aanleg 19 januari 2017, rnr. 8 e.v., in appel prod. H2 en H3 en de MvG nr. 7 e.v., Grief IV nrs 89 e.v. en Grief VI 125–127 e.v. heeft gegeven. Telkens wordt immers aangegeven waar de nadere overeenkomsten op zien, welke uitgaven c.q. facturen het betreft, waar de bankafschriften c.q. de betalingsbewijzen zich bevinden en waar dat te vinden is in het procesdossier. Het hof ziet eraan voorbij dat het hier gaat om afspraken te goeder trouw in de familiesfeer waaraan naar de aard niet al te hoge eisen kunnen en mogen worden gesteld. Aldus is rechtens onjuist (gelet op het bepaalde in artikel 149 Rv) dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat van de posten verwoord in productie H2 en H3 niet kan worden vastgesteld dat de uitgaven ten behoeve van erflaatster zijn gedaan of dat er sprake is van werkelijk uitgaven.
Ten tweede overweegt het hof bij zijn oordeel dat van de posten verwoord in productie H2 en H3 niet kan worden vastgesteld dat de uitgaven ten behoeve van erflaatster zijn gedaan of dat er sprake is van werkelijke uitgaven niets over de bankafschriften die wel zijn overgelegd, bijvoorbeeld in de bij productie 27 behorende productie 6 en 7.38. Ook overweegt het hof niet over bijvoorbeeld de uitgave voor de computer waarvan is overgelegd de aankoopfactuur, het betalingsbewijs en de aftekening van de ontvangst van deze computer met toebehoren, onder vermelding van de hoogte van het bedrag, welk stuk is afgetekend door moeder. Het gaat hierbij om het bedrag van NLG 4.238,28, oftewel € 1.923,26. De schuld van [de zoon] aan zijn moeder was voor die transactie € 131.404,39 en nadien derhalve dus ruim € 1.900,-- lager, ofwel € 129.481,13. De opstelling waarin de diverse onderdelen van deze transactie zijn opgenomen, is opgenomen in prod. 31 eerste aanleg als pagina 1 van productie 4 in map 1 van de boedelbeschrijving prod 27 bij conclusie na deskundigenbericht, prod. 4 bijlage 3, waarnaar is verwezen in rnr. 125 MvG. De factuur voor de computer is overgelegd als pagina 2. Op deze factuur staan 2 computers vermeld, waarvan er dus 1 voor moeder was bedoeld. De factuur voor de diverse bijkomende onderdelen is overgelegd als pagina 3. De kasopname vanaf de rekening is als bijlage ten behoeve van productie 4 opgenomen.
Ten derde laat het hof ook in dit verband ten onrechte de bewijsaanbiedingen in de MvG rnrs. 3039., 3040., 12241., 12742., 13443. en 15344. en Pln HB tweede pleidooi rnr. 2.7 onbesproken. Het hof miskent het bepaalde in artikel 166 Rv te weten dat indien een voldoende gespecificeerd en ter zake dienend bewijsaanbod is gedaan de rechter dit moet honoreren.
Indien en voor zover het hof impliciet zou hebben geoordeeld dat [de zoon] zijn stellingen op dit punt onvoldoende zou hebben onderbouwd om tot bewijs te worden toegelaten getuigt dit oordeel ten vierde gelet op de onderbouwing in de MvG rnrs. 7 en 125 van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van artikel 149 Rv (te strenge maatstaf), althans is dat oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel in elk geval niet toereikend gemotiveerd, nu elke nadere motivering op dit punt ontbreekt en gelet op de onderbouwing met verwijzing naar de relevante producties in eerste aanleg en in hoger beroep. Er is dus niet alleen een beroep gedaan op de handgeschreven overeenkomsten maar ook op de daaraan ten grondslag liggende verificatoire bescheiden. Zo [de zoon] niet al heeft voldaan aan art 149 Rv en het hof bij gebreke aan een voldoende gemotiveerde betwisting zijdens [de dochter] die bedragen had moeten vaststellen, dan had het gelet op de onderbouwing door [de zoon] van die nadere overeenkomsten met verificatoire stukken [de zoon] in elk geval tot getuigenbewijs moeten toelaten.
II.8
Het hof oordeelt in rov. 32 dat [de zoon] ook verrekenposten heeft opgenomen die betaald zijn door HTR BV waarvan [de zoon] DGA is. Het hof miskent dat [de zoon] gemotiveerd heeft gesteld dat die betalingen in rekening courant worden geboekt en dan een schuld van [de zoon] in privé aan zijn B.V. vormen.45. Aldus is van geen belang dat die betalingen via het bedrijf van HTR zijn gelopen nu die daadwerkelijk zijn verricht ten behoeve van moeder en ter invulling van de tussen partijen gesloten overeenkomst, met als gevolg dat moeder — na verificatie van de juistheid van de betalingen — akkoord is gegaan met het in mindering brengen op de schuld. Het hof laat deze stellingen — die essentieel zijn omdat daaruit de betaling voor/aan moeder volgt — onbesproken, zodat het oordeel naast rechtens onjuist (het hof had op basis van artikel 149 Rv een oordeel moeten geven over deze stellingen) ook onbegrijpelijk, althans niet toereikend is gemotiveerd.
Het hof miskent daarbij bovendien dat [de zoon] ook van de stelling dat deze betalingen vervolgens middels een opname in rekening courant en vervolgens een dividendopname door hem wel degelijk in privé is betaald expliciet getuigenbewijs heeft aangeboden, hetgeen het hof ten onrechte onbesproken heeft gelaten.46. Zo het hof van mening was dat deze stelling niet (aanstonds) ex artikel 149 Rv als vaststaand kon worden aangenomen dan had het gelet op het bepaalde in artikel 166 Rv het bewijsaanbod van [de zoon] op dit punt moeten honoreren.
Het hof kon en mocht dan ook dit bewijsaanbod niet en zeker niet ongemotiveerd passeren. Indien het hof het bepaalde in artikel 166 Rv niet heeft miskend heeft het zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd, dan wel is het oordeel van het hof zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
III. Canada-project en de kosten van het appartement Park Bijdorp
Dit onderdeel komt op tegen rovv. 30, 32 en 38 t/m 47.
In rov. 30 oordeelt het hof dat dit Canada-project ‘een privéaangelegenheid van [de zoon]’ is, waarvan hij de kosten uit eigen middelen dient te voldoen. Het hof oordeelt dit ook voor het appartement (rov 30). In rov. 32 oordeelt het hof dat de kosten van het Canada-project niet thuishoren in de uitgaven ten behoeve van moeder. In rovv. 38 t/m 47 oordeelt het hof vervolgens dat [de zoon] geen vordering op erflaatster had ter zake van de aan- en verkoop van het stuk grond in Canada.
III.1
Vooropgesteld zij dat deze afspraken met betrekking tot het Canada-project nog van vóór de afspraak in 1995 dateren.47. Het was een andere wijze waarop moeder trachtte uit de voor haar deplorabele financiële positie te geraken.48. Dat die plannen uiteindelijk niet haalbaar bleken te zijn hadden noch moeder noch [de zoon] tevoren voorzien en was mede aanleiding om na te denken over een andere oplossing voor de financiële problemen van moeder uiteindelijk resulterend in de afspraak die in het vorige middelonderdelen wordt besproken. Alsdan is dus ten eerste rechtens onjuist en onbegrijpelijk dat, nu [de zoon] deze kosten ten behoeve van moeder heeft gemaakt, een akte daarvan overlegt en in grief V citeert (MvG rnr. 102) en in de MvG rnr. 108 in de voetnoten verwijst naar de verklaringen van [de zoon] en zijn echtgenote die dat onder ede verklaren en daarvan ook bewijs aanbiedt49., het hof desalniettemin oordeelt dat hier sprake is van een privéaangelegenheid en dat dit niet in mindering mag strekken op de schuld.
Ten tweede is dit oordeel in rovv 30, 32 en 38 t/m 47, dat dit Canada-project ‘een privéaangelegenheid van [de zoon]’ is, waarvan hij de kosten uit eigen middelen dient te voldoen, dat de kosten van het Canada-project niet thuishoren in de uitgaven ten behoeve van moeder en dat [de zoon] geen vordering op erflaatster had ter zake van de aan- en verkoop van het stuk grond in Canada. Rechtens onjuist en onbegrijpelijk, nu deze post wel degelijk voldoende is onderbouwd en juist is geadministreerd zoals uitgebreid in de MvG in de toelichting op grief V (MvG rnrs. 102 t/m 121) uiteengezet.
Zo is in die toelichting op grief V — tegen het oordeel van de rechtbank aangevoerd dat het Canada-project niet (mede) voor rekening van moeder mocht komen — aangevoerd dat uit de verklaring/overeenkomst van 25 oktober 1989 blijkt dat moeder opdracht gaf50. aan [de zoon] om het perceel in Canada te kopen en dat [de zoon] dit voorfinancierde51.. De kosten zouden met rente worden verrekend met de opbrengst van het Canada-project52. en de woning van moeder is als hypothecair onderpand als zekerheid ondergezet.53. [de zoon] en zijn echtgenote hebben dat in eerste aanleg onder ede verklaard (zie MvG rnr 108 en voetnoot 94 MvG). Dat het hof dit nog steeds als onvoldoende onderbouwd oordeelt geeft hetzij blijk van een onjuiste maatstaf (te strenge eis aan de stelplicht), hetzij is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd.
Voorts is in de MvG rnr. 103 gesteld dat ook deze overeenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van Haviltex. In MvG rnr 104 t/m 113 wordt het volledige feitenverloop ter zake uiteengezet, waaruit volgt dat partijen daadwerkelijk invulling hebben gegeven aan de in de MvG rnr 102 geciteerde overeenkomst.
Alles wat [de zoon] stelt ligt vast in een overeenkomst die nota bene is meegetekend door de broer van moeder ([broer erflaatster]) die geen partij was, maar kennelijk als getuige mee tekende (MvG rnr. 116).
Ten derde miskent het hof in rovv. 30, 32 en 38 t/m 47, dat er een ter zake dienend en voldoende gespecificeerd bewijsaanbod is gedaan en wel rnr. 153 p. 89 de stelling (1) dat moeder wel degelijk mee wilde naar Canada54., (2) dat de deal was dat zij de grond zou kopen en (3) dat [de zoon] daartoe een overeenkomst tot lastgeving is aangegaan en (4) dat hij daartoe op eigen naam maar voor rekening en risico van moeder grond in Canada heeft gekocht, alsook (5) dat hij het huis zou bouwen, dat dat zou worden verkocht en dat de opbrengst zou worden gedeeld en in de MvG voetnoot 107 en MvG (6) dat moeder deze lening nooit heeft terugbetaald en (7) dat de hypothecaire verplichting tot op de dag van vandaag op [de zoon] en zijn echtgenote rust. Ook dit bewijsaanbod kon en mocht het hof niet passeren, gelet op de toelichting op grief V in de MvG rnrs. 102 t/m 121, waarin aan de hand van producties55. en getuigenverklaringen56. wordt gesteld dat en waarom moeder aan [de zoon] opdracht gaf om voor haar rekening en risico grond in Canada te kopen, dat dit gebeurd is, dat en waarom dat project uiteindelijk is mislukt en waarom [de zoon] dus ter zake een vordering op de nalatenschap heeft. Indien en voor zover het hof (al dan niet impliciet) heeft geoordeeld dat [de zoon] te weinig zou hebben gesteld om tot bewijs van zijn stelling(en) ter zake te worden toegelaten getuigt dit van een onjuiste, want te strenge maatstaf ter zake van de stelplicht en van art 149 Rv. Althans had het hof zijn oordeel in elk geval deugdelijk en toereikend moeten motiveren, hetgeen het heeft nagelaten.
Ten vierde geldt voor de kosten met betrekking tot het appartement Park Bijdorp ook dat hieromtrent nadere overeenkomsten zijn gesloten (zie MvG rnr. 7 en 125). Moeder en [de zoon] waren het er dus over eens dat die kosten in mindering strekten op de lening. Het getuigt dan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd dat het hof in rov, 30 overweegt dat de financiële kosten voor rekening van [de zoon] dienen te blijven.
III.2
Het hof verwijst in rov. 43 voor zijn oordeel dat dit Canada-project niet in mindering mag komen op de koopsom die [de zoon] aan moeder verschuldigd was naar het tussenvonnis van de rechtbank van 6 augustus 2014 met de bewijsopdracht voor de lastgeving en het vonnis van 19 april 2017 waarin de rechtbank oordeelt dat [de zoon] niet is geslaagd in het bewijs. Dit omdat [de zoon] en zijn echtgenote geen enkel financieel risico liepen, alleen moeder liep risico. Ook oordeelt de rechtbank dat niet blijkt dat bij aan en verkoop van de grond is gehandeld namens moeder. Het hof sluit zich in rov. 45 van zijn arrest bij die overwegingen aan. Aan de overwegingen van de rechtbank voegt het hof nog toe dat uit de verklaring van 25 oktober 1989 blijkt dat de opdracht van moeder slechts aan [de zoon] is en niet aan zijn echtgenote, terwijl de grond wel op naam van [de zoon] alsmede zijn echtgenote staat. Het hof merkt op dat [de zoon] als gevolmachtigde van moeder de grond ook mede voor haar had kunnen kopen en dat de verkoopopbrengst ook niet aan moeder is gedragen terwijl dit wel logisch zou zijn op grond van de overeenkomst tot lastgeving. Daarbij komt dat het het hof niet duidelijk is wat er met de voor de koop van de grond aangegane hypothecaire geldlening is gebeurd: [de zoon] verklaarde dat deze is meegenomen in de lening die hij en zijn echtgenote aangingen voor hun eigen woning, maar onduidelijk is waarom een lening met de woning van moeder als onderpand is meegenomen in deze hypothecaire geldlening. Dit klemt volgens het hof temeer omdat [de zoon] de door hem voorgeschoten betalingen van de rente van de lening van hem en moeder in 1990 als vordering op de nalatenschap heeft opgenomen, aldus het hof.
Dit oordeel is onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd, nu het hof hierbij onbesproken laat:
- a.
hetgeen onder rnrs. 102 en 103 van de MvG is aangevoerd: de verkregen grond staat niet op naam van moeder; dit was expliciet zo overeengekomen
- b.
omdat zij nu juist de last aan [de zoon] gaf alles te regelen (zie overeenkomst MvG rnr. 102) en
- c.
moeder wilde graag mee omdat zij anders alleen achterbleef in een voor haar niet te betalen huis, terwijl de relatie met de heer [betrokkene 3] niet goed was.57.
- d.
in de MvG rnr. 117 onder g van de MvG is aangevoerd dat inderdaad de opbrengst van de verkoop niet bij moeder terecht kwam en dat dit de reden is waarom dit in de boedelbeschrijving is opgenomen als activum.
- e.
in rnr. 118 MvG en voetnoot 107 is ook duidelijk gemaakt op welke wijze de hypotheek is meegenomen in de hypotheek van [de zoon] voor zijn echtelijke woning: de schuld is meegegaan in de hypothecaire lening van [de zoon] en hij draagt hier nog steeds rente voor af.
Het oordeel van het hof is dus in het licht van de stellingen a t/m e onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd: het hof gaat niet in op die stellingen a t/m e die [de zoon] heeft aangevoerd in grief V over de vragen die de rechtbank stelde bij de geloofwaardigheid van de constructie. Het hof maakt desalniettemin het oordeel van de rechtbank tot het zijne. Onbegrijpelijk is dat het hof de essentiële stellingen van [de zoon] zoals verwoord bij grief V niet heeft meegewogen.
IV. Het hof heeft op twee vorderingen niet beslist
Het hof heeft niet beslist op de vordering dat het voor recht verklaart dat ook de nadien opgekomen afwikkelingskosten € 16.219,05 bedragen, zoals in randnummer 161 MvG beschreven en gevorderd in het petitum.58. Ook heeft het hof niet beslist om, ingeval het hof niet het beslag opheft maar [de dochter] dit zelf moet doen, dit opheffen te gebieden op straffe van een dwangsom59.. Het hof heeft hetzij verzuimd te beslissen en daarmee art. 23 Rv miskend, hetzij heeft het zijn uitspraak niet toereikend gemotiveerd, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
V. Overige klachten
V.1
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 19 waarin het hof oordeelt:
- ‘19.
Het hof stelt het volgende voorop. De handelwijze van [de zoon] en erflaatster jegens [de dochter] is erg ongelukkig te noemen. [de zoon] en erflaatster hebben gehandeld zonder [de dochter] te informeren over alle transacties tussen [de zoon] en erflaatster. Juridisch gezien stond het erflaatster en [de zoon] vrij om [de dochter] al dan niet te informeren. Door de schimmige handelwijze van erflaatster en [de zoon] hebben zij echter een latente conflictsituatie geschapen die uiteindelijk een bron is geworden vooreen langdurige procedure tussen [de zoon] en [de dochter]. Erflaatster bewoonde een kostbare woning in Rotterdam. Door het feitelijk handelen van erflaatster en [de zoon] is het vermogen van erflaatster materieel verschoven naar [de zoon]. [de zoon] is nu eigenaar van de voormalige kostbare woning van erflaatster en [de dochter] staat als legitimaris in beginsel met lege handen. Het hof zal de feiten beoordelen binnen het juridisch kader.’
Dit oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de handgeschreven verklaringen van moeder zelf zoals aangehaald in de MvG
- a.
De verklaring van [de zoon] zoals opgenomen in rnr. 5 en dan in het bijzonder rnrs 5.6, 5.7 en 5.20 (slechte/moeizame relatie van moeder met [de dochter]) en rnr. 5.12 waarin [de zoon] aangeeft dat moeder haar financiële nood en het feit dat [de zoon] de noodzakelijke reparaties voor haar woning uitvoerde ook met [de dochter] heeft besproken), rnr. 5.13 dat moeder de uiteindelijk gevonden oplossing ook schriftelijk heeft uitgelegd aan [de dochter]
- b.
rnr. 36 (de aangehaalde mededeling van de verkoop), die begint met: ‘jammer genoeg is onze relatie op z'n zachts uitgedrukt niet goed (…)
en de brief van 14 januari 1998 (onderstreept door mij-HJWA):
‘Ik heb je medegedeeld dat ik mijn huis (niet jouw huis) aan je broer [de zoon] kon verkopen. Hierdoor kwam ik van mijn schulden af en de door mij niet meer op te brengen vaste lasten. Tevens kreeg ik van [de zoon] de garantie dat ik tot aan mijn dood gratis in het huis kon blijven wonen. Jij [de dochter] wilde mij niet hebben of was daartoe niet in staat.(… )’
- c.
MvG rnr. 37 de daarin geciteerde handgeschreven brief van moeder d.d. 4 december 2000:
‘Via deze brief wil ik graag het een en ander ter verduidelijking uitleggen.
Mijn relatie met [de dochter] is altijd heel moeizaam verlopen. Vroeger al toen ze nog klein was, moest alles wat mijn kinderen kregen, precies tegen elkaar afgewogen worden. Oh wee, als haar broer iets meer kreeg dan zij.
In haar tienerjaren trok [de dochter] zich steeds meer terug. Niet alleen geestelijk maar ook fysiek. Ze kon lange tijd op haar kamer zitten! Veel hulp in de huishouding kreeg ik niet van mijn dochter. Ze hield zich liever met andere dingen bezig.
Jammer genoeg hadden we vaak woordenwisselingen en dan ging [de dochter] weer naar boven. Toen ze in de puberteit kwam ging het steeds slechter tussen ons. Ze wist altijd alles beter en ze geloofde haar eigen zienswijze als het voor haar beter uitkwam. Als ik haar dingen verbood, deed ze het toch (b.v. meegaan met Dhr [betrokkene 4]!) Financieel heeft ze me nooit geholpen. Hoewel ik altijd ieder dubbeltje tweekeer moest omdraaien, heb ik nooit wat van hun verlangd. We hebben het nooit erg breed gehad, met alleen een WAO uitkering wegens invaliditeit.
Toen [de dochter] uit huis ging, kwam onze relatie aanvankelijk in een rustiger vaarwater. We zagen elkaar niet vaak. Blijkbaar was onze relatie al zodanig verstoord dat [de dochter] het niet eens nodig vond om mij en haar broer te vertellen dat ze ging trouwen. Jaren later kwam ik er door toeval pas achter!!
De enkele keren dat mijn dochter bij mij kwam, eindigden helaas bijna altijd in ruzie woordenwisselingen. Ik was daar weer dagen van slag. Uiteindelijk kon ik niet anders veronderstellen dat ze hoofdzakelijk (of alleen?) vanwege de erfenis kwam omdat het bij elk bezoek te berde kwam. In het verleden had ze al eens in [de zoon]'s en mijn bijzijn, de boel al verdeeld. Zij een½ millioen en haar broer de andere helft. ‘Toen’ heb ik er om gelachen! Dit zijn dingen, die mij totaal vreemd zijn, Toen mijn vader, overleed (mijn moeder was toen al gestorven) werd na de begrafenis zijn testament geopend, waarvan mij niet veel bij bleef, omdat op zo'n ogenblik het verdriet voor mij alleen telde. Ten tijde van hun leven is nooit zo iets als erfenis bij mij opgekomen en ter sprake geweest.
Toen in april 1996 bij mijn dochter borstkanker werd geconstateerd, schrok ik behoorlijk. Ik zei haar, dat ze positief moest blijven denken en niet bij de pakken neer zitten, dat nog niets verloren was. Je komt niet verder als je alleen maar denkt, dat je dood gaat!
Na enkele telefoontjes, waarin ik haar moreel insprak maar niet inging op haar doodsvoorspellingen kreeg ze goed nieuws.
Ze kreeg een borstbesparende operatie en er volgden een chemokuur en bestralingen. Tegelijkertijd kreeg ik de deksel op mijn neus. Ik kreeg telefoon van [de dochter], daarin werd mij onomwonden gezegd en verweten dat ik de schuld was aan haar borstkanker. Ik had haar altijd laten barsten, ze wenste mij nooit, nooit meer te zien en onze relatie was beëindigd. Ik vond het toen heel erg. Wel heb ik toch een boeket bloemen laten bezorgen bij haar thuiskomst uit het ziekenhuis
(…)
Als er [… ] noodzakelijke aanpassingen aangebracht moesten worden, deed mijn zoon dat. [de dochter] heeft nooit, maar dan ook nooit 1 gulden in het huis gestoken (…)’
- d.
De verklaring in MvG rnr. 44 laatste volzin van het citaat.
- e.
rnr. 123
‘(…) Mijn zoon nam alle persoonlijke en financiële verplichtingen van mij over, welke hij in mindering kon brengen op zijn schuld aan mij. Dat was een enorme geruststelling voor mij (…) Ze heeft nooit willen informeren of interesse getoond over het waarom en hoe alles toen is gegaan. Als ze zelf had nagedacht, had ze kunnen begrijpen , dat ik van een W.A.O uitkering in de A.O.W. kam en van een kale A.O.W. het op mijn leeftijd niet te doen was. (…)’
Immers uit deze onder a t/m e genoemde citaten uit de MvG volgt dat moeder met haar problematische financiële situatie ook bij [de dochter] heeft aangekaart, maar volgens moeder zelf tevergeefs en was het (altijd) [de zoon] die bijsprong, de noodzakelijke reparaties deed en uiteindelijk ook met de oplossing voor haar nijpende financiële probleem kwam. Alsdan is het onbegrijpelijk dat het hof desalniettemin oordeelt dat de handelwijze van [de zoon] en moeder jegens [de dochter] erg ongelukkig is te noemen. Uit de verklaringen onder a t/m e volgt dat [de dochter] voldoende kans heeft gehad om bij te dragen, maar dat naar eigen zeggen van moeder nooit voor zelfs maar 1 euro heeft gedaan. Ook motiveert moeder (en onderschrijft) daarmee de eigen verklaring van [de zoon] in MvG rnr. 5 dat de verhouding tussen moeder en [de dochter] altijd moeizaam is geweest. In die omstandigheden is de handelwijze van moeder en [de zoon] volkomen logisch en verklaarbaar en een resultante van de situatie en nu moeder volkomen gerechtigd was om over haar eigen vermogen te beslissen kan haar geenszins worden verweten (en [de zoon] evenmin) dat zij hebben gehandeld zonder [de dochter] te informeren over alle transacties tussen [de zoon] en erflaatster.
Ook is onbegrijpelijk en onjuist dat het hof spreekt van een ‘schimmige handelwijze van erflaatster en [de zoon]’ alsook dat zij daardoor een latente conflictsituatie hebben geschapen die uiteindelijk een bron is geworden voor een langdurige procedure tussen [de zoon] en [de dochter]. Onbegrijpelijk is ook dat moeder (toen) een kostbare woning in Rotterdam bewoonde. Voorbijgegaan wordt aan de deplorabele staat van onderhoud en het feit dat er toen nog geenszins sprake was een waardestijging zoals thans aan de orde is.
Tenslotte is onjuist en onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat door het feitelijk handelen van erflaatster en [de zoon] het vermogen van erflaatster materieel is verschoven naar [de zoon]. Zoals hierboven weergegeven in de klachten I t/m IV heeft [de zoon] moeder volledig terugbetaald door het voldoen van allerhande kosten voor haar. Hij heeft gekocht tegen een reële prijs en vervolgens terugbetaald, waardoor moeder haar vermogen heeft ‘opgegeten’. Van een vennogensverschuiving is dus geen sprake (geweest). Dat [de zoon] in plaats van een woning elders in Rotterdam de woning van moeder kocht doet daaraan niet af. Het hof benadert hier met de wijsheid achteraf ter zake van de prijsontwikkeling op de vastgoedmarkt zijn oordeel hoe het toen gelopen is. In 1995 was die ontwikkeling geenszins te voorzien en heeft ook geen rol gespeeld destijds. Dat doet ook niet af aan de deplorabele financiële situatie van moeder in 1995. Dat [de dochter] als legitimaris met lege handen staat komt dus niet door [de zoon] of moeder, maar door de feiten zoals onder a t/m e is weergegeven.
V.2. Vordering van € 20.000,=
Het hof overweegt in rov 50:
- ‘50.
Vast staat dat erflaatster een vordering op [de zoon] uit hoofde van geldlening had van € 20.000,-. Op [de zoon] rust dus de bewijslast dat hij de lening heeft terugbetaald. Het hof heeft hiervoor al uitvoerig gemotiveerd dat de door [de zoon] gevoerde administratie van de financiën niet deugdelijk is. Dat de lening is terugbetaald, is door [de zoon] onvoldoende onderbouwd zodat het hof de rechtbank volgt in de vaststelling van het bedrag aan wettelijke rente. De grief van [de zoon] treft dus geen doel.’
Ten eerste vitiëert het slagen van één of meer van de bovengemelde klachten dus ook dit oordeel in rov 50, in het bijzonder het gesteld in onderdeel II, in het bijzonder ook die in II.1 en II.6 met betrekking tot de bewijslastverdeling. Ook hier miskent het hof dat het [de dochter] is die zich op een rechtsgevolg beroept en [de zoon] dit rechtsgevolg betwist (zie onderdeel II.1).
Indien echter op [de zoon] de bewijslast rust dan miskent het hof ten tweede ook hier het expliciete bewijsaanbod dat [de zoon] dit bedrag mocht verrekenen zoals gedaan in de MvG 122. Het miskent in dat geval het bepaalde in artikel 166 Rv.
Voor zover het hof van oordeel is dat de afwezigheid van deugdelijke administratie in de in onderdeel II, III en V genoemde gevallen aan de plicht tot het honoreren van een ter zake dienend en voldoende gespecificeerd bewijsaanbod in de weg staat gaat het ten derde uit van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Het hof miskent aldus dat bewijs kan worden geleverd met alle middelen rechtens (152 Rv). Indien en voor zover het hof van oordeel is dat [de zoon] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting gelet op de onderbouwing en verwijzing naar de producties in de MvG rnr. 7 en 125.
VI. Veegklacht
Het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten vitiëert ook rovv. 55 t/m 59 en het dictum.
Met conclusie:
in het principaal cassatieberoep: tot verwerping van het cassatieberoep; met veroordeling van [de dochter] in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met de wettelijk rente over die kostenveroordeling ingaande 14 dagen na het te dezen te wijzen arrest.
in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep: zo de voorwaarde waaronder dat beroep is ingesteld vervuld mocht zijn, tot vernietiging van het bestreden arrest op grond van het voorgedragen middel met zodanige verdere beslissing als Uw Raad zal vermenen te behoren, met veroordeling van [de dochter] in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met de wettelijk rente over die kostenveroordeling ingaande 14 dagen na het te dezen te wijzen arrest.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑12‑2023
De MvG verwijst in voetnoot 6 naar de verklaring van de echtgenote overgelegd als productie H4.
De MvG verwijst in voetnoot 7 naar Productie 14 document 162 laatste pagina onderaan. Volgens mw. Van Wilgen ging ze dan nog liever dood.
In voetnoot 16 wordt opgemerkt: Waarbij [de zoon] al het hoogst noodzakelijke in de jaren vóór de aankoop had laten verrichten en hij is overeengekomen dat dit als eerste tranche met de koopprijs mocht verrekenen. Zie […] randnummer 7 [MvG]. [de zoon] biedt hiervan uitdrukkelijk getuigenbewijs aan door middel van het horen van zijn echtgenote die al die kosten steeds heeft bijgehouden, alsmede hemzelf als partijgetuige.
In voetnoot 50 staat: Eerst na het vertrek van moeder konden die zaken worden aangepakt die gedurende bewoning niet konden worden gedaan omdat daarvoor de woning moet worden ontruimd. Deze foto's zijn ook aan Puper ter beschikking gesteld maar die heeft er, naar [de zoon] heeft moeten constateren, niets mee gedaan.
De waarde die de rechtbank in het tussenvonnis van 9 januari 2013 in rov 9.2 vaststelt als zijnde getaxeerd vrij van bewoning en huur, zie grief II a sub ii. MvG rnrs. 22, 23, 26
In rnr. 2.31 ook nog een tweede berekening gemaakt, uitgaande van een verkoopprijs van NLG 800.000,=, hetgeen dan neerkomt op omgerekend naar euro's over 14 jaar € 25.930,29 per jaar en dus € 2.160,85 per maand beschikbaar voor huur en levensonderhoud. Gesteld is dat ook dat dan na 14 jaar dus verbruikt (op) zou zijn.
In rnr. 2.31 ook nog een tweede berekening gemaakt, uitgaande van een verkoopprijs van NLG 800.000,=, hetgeen dan neerkomt op omgerekend naar euro's over 14 jaar € 25.930,29 per jaar en dus € 2.160,85 per maand beschikbaar voor huur en levensonderhoud. Gesteld is dat ook dat dan na 14 jaar dus verbruikt (op) zou zijn.
MvG rnr. 58.
Zie MvG rnrs. 122 t/m 130.
MvG rnr. 124.
Het woord Haviltex komt in het gehele arrest niet voor.
In verband met haar leeftijd verergerende hartklachten zie MvG rnr. 5.16.
Zowel MvG rnr. 7 als rnr. 125 verwijzen naar de producties waar op de handgeschreven verklaringen zijn gebaseerd.
Zoals vermeld in de MvG rnrs. 37, 38, 122 t/m 126.
Er staat aldaar per abuis H8 maar dat moet H4 zijn.
Hiervan biedt [de zoon] in de MvG rnr. 153 zelfs bewijs aan. Zie ook MvG voetnoot 25.
MvG 32.
Zie ook Pln. 9 september 2021 hierna: eerste pleidooi rnrs. 2.5 en 2.30 mbt. tot het beroep op een vrij beschikkingsrecht van moeder.
MvG rnr. 32.
MvG rnr. 32.
Hierop is onder meer in de MvG rnrs. 7 (waarin ze expliciet worden genoemd), 30, 38, 122, 125 (waarin ze expliciet worden genoemd), 129 en voetnoot 25 MvG, MvA Inc. rnrs. 1.5, 1.9 en 1.28 etc. pleitnota eerste pleidooi HB rnrs. 2.6, 2.32 en 5.2.
MvG rnr. 12 en geciteerd in MvG rnr. 123 uit de brief van moeder van 4 december 2000.
MvG rnr. 32.
Zie Pln. HB eerste pleidooi rnr. 2.30.
Die moeder heeft meegenomen naar notaris [notaris] op 16 augustus 2008 alwaar die notaris desgevraagd aan [de dochter] heeft medegedeeld wat de inhoud van het testament van moeder was, zie de in MvG rnr. 40 geciteerde aangifte van moeder
Zoals uit de voornoemde verklaringen van [de zoon] (MvG rnr. 5.31) en van [betrokkene 1] blijkt ten koste van de gezinsuitgaven die daar (zwaar) onder leden.
Hiervan biedt [de zoon] in de MvG rnr. 153 zelfs bewijs aan. Zie ook MvG voetnoot 25.
MvG rnrs. 5.15, 32, 122, Voernoten 5 en 25 (met be wijsaanbod op dit punt), 117 MvG. MvA Inc. in rnrs. 2.5 en voetnoten 7 en 41
HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5663 (Spector/Fotoshop 2000) en nadien nog een aantal keren herhaald in latere uitspraken
Die moeder heeft meegenomen naar notaris [notaris] op 16 augustus 2008 alwaar die notaris desgevraagd aan [de dochter] heeft medegedeeld wat de inhoud van het testament van moeder was, zie de in MvG rnr. 40 geciteerde aangifte van moeder
Dit blijkt, als gezegd, ook uit de verklaring van [de zoon] zelf zoals opgenomen in de MvG rnr. 5.23, waarin hij aangeeft dat hij na haar overlijden van de notaris te horen krijgt wat er in haar testament staat en aan de notaris dan vraagt wat dit voor hem concreet betekent. Daarin ligt al besloten dat [de zoon] niet op de hoogte was van het testament van moeder.
Zie rov. 1 p. 3 van het arrest. [de zoon] sluit niet uit dat dit is gebeurd aan de hand van de daaraan voorafgaande gebeurtenissen, waarvan moeder in haar handgeschreven verklaringen schrijft.
Bijvoorbeeld MvG rnr. 58.
MvG rnr. 61
MvG voetnoten 5 en 117.
MvG rnr. 127, p. 81 tweede bulletpoint.
Waarnaar wordt verwezen in de MvG rnr. 7 en 125.
Het sluiten van de overeenkomst.
De controle van moeder voordat zij voor akkoord tekende dat de kosten zijn gemaakt: moeder hield zelf minutieus alles bij en maakte overal aantekeningen van.
Dat partijen zijn overeengekomen dat de afgetekende bedragen in mindering mogen strekken.
Op p. 79 MvG dat aan deze afspraken ook daadwerkelijk invulling is gegeven, dat de uitgaven daadwerkelijk zijn verricht en de betwisting daarvan door [de dochter] vergeefs is en op p. 81 MvG tweede bulletpoint dat moeder goed bij de tijd was en wist waar zij voor tekende.
Van de gestelde bedoeling en de ondertekening door moeder
Het afsluitende bewijsaanbod in de MvG
MvG rnr. 127 p. 80, 5e bulletpoint, p. 81 eerste bulletpoint Zie ook MvG rnr. 7 p. 11 tweede woordblok (eerste gedachtestreepje van die pagina), tweede en vierde gedachtestreepje, rnr. 125 p. 78 eerste woordblok en eerste en derde Zie pleitnota 9 september 2021 rnr. 2.29, 2.31. Bij een DGA wordt een dergelijke rekening-courantschuld periodiek via een dividendopname fiscaal afgerekend.
Pln. HB eerste pleidooi rnr. 2.29.
Zie ook rov 39.
Zie de verklaring van [de zoon] zoals geciteerd in MvG. rnrs. 5.8– 5.10.
MvG rnr. 153, p. 89 derde gedachtestreepje.
MvG rnr. 102 citeert de schriftelijke overeenkomst waarin dit expliciet staat opgenomen.
MvG rnr. 102 citeert de schriftelijke overeenkomst waarin dit expliciet staat opgenomen.
MvG rnr. 102 citeert de schriftelijke overeenkomst waarin dit expliciet staat opgenomen.
MvG rnr. 102 citeert de schriftelijke overeenkomst waarin dit expliciet staat opgenomen.
Dit vitiëert dan in het bijzonder de eerste volzin in rov 46 dat [de zoon] gezien de betwisting niet aannemelijk heeft gemaakt dat moeder mee wilde verhuizen naar Canada , maar ook hetgeen verder in die rov 46 is gesteld. Dat heeft [de zoon] nu juist te bewijzen aangeboden, zodat het hof daaraan niet zonder nadere bewijslevering aan voorbij had mogen gaan, dan wel zijn oordeel op dit punt op zijn minst beter had moeten motiveren.
Waarvan de belangrijkste de schriftelijke overeenkomst is die nota bene is medeondertekend door de heer [broer erflaatster], de broer van moeder, dit ondanks het feit dat hij zelf niet participeerde in dat project. Deze overeenkomst is geciteerd in de MvG mr. 102. Zoals in voetnoot 95 MvG is aangegeven is deze schriftelijke overeenkomst in het geding gebracht als document 2 van productie 7 bij akte overlegging productie 7 d.d. 26 oktober 2011. Daarnaast volgt de transactie zelf uit de koopakte, blijkens voetnoot 97 overgelegd hypotheekakte als productie 9 bij conclusie van dupliek in conventie d.d. 7 maart 2012. [de dochter] erkent deze stellingen (conclusie van dupliek in reconventie d.d. 18 april 2012, par. 16) en uit de hypotheekakte die blijkens MvG voetnoot 98 in het geding is gebracht als document 3 van productie 7 bij akte overlegging productie 7 d.d. 26 oktober 2011. [de dochter] erkent deze stellingen (conclusie van dupliek in reconventie d.d. 18 april 2012, par. 17).
Zie MvG voetnoot 92 t/m 94 met verwijzingen.
De heer [betrokkene 3] was haar toenmalige partner. Zie MvG rnr. 105 en voetnoot 91.
MvG p. 93 onder 10).
MvG rnr 160 en petitum p. 93, onder 11).
Beroepschrift 07‑11‑2023
PROCESINLEIDING IN CASSATIE BIJ DE HOGE RAAD ALS BEDOELD IN ART. 407 RV
Eiseres tot cassatie is:
[de dochter], wonende aan de [adres], te [woonplaats] ([postcode]), dezer zake woonplaats kiezende te 's‑Gravenhage aan de Johan van Oldenbarneveltlaan nr. 36 (2582 NT), (postbus 82230, 2508 EE), ten kantore van mr. J. van Duijvendijk-Brand, advocaat bij de Hoge Raad, die door haar wordt aangewezen om haar te vertegenwoordigen en als zodanig wordt gesteld (art. 407 lid 3 en 4 Rv):
Verweerder in cassatie is:
[de zoon], wonende aan de [adres], te [woonplaats] ([postcode]);
Verweerder heeft in de vorige instantie in deze zaak laatstelijk woonplaats gekozen ten kantore van mr. H.J.W. Alt, kantoorhoudende aan de Statenlaan, nr. 28 (2582 GM) te Den Haag.
Oproep
Verweerder in cassatie kan in deze procedure ten laatste verschijnen op vrijdag 1 december 2023, niet in persoon, doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, ter terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, die alsdan zal worden gehouden in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout nr. 8 te Den Haag.
De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoeld overzicht van zaken, op vrijdagen om 10.00 uur, zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden (Stcrt. 2017/5928).
Bestreden arrest
Eiseres stelt hierdoor beroep in cassatie in bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen het arrest van 8 augustus 2023 door het Gerechtshof Den Haag onder zaaknummer 200.235.298/02 gewezen tussen eiseres als geïntimeerde in het principaal hoger beroep en appelante in het incidenteel hoger beroep en verweerder als appellant in het principaal hoger beroep en geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep.
* Partijen zullen hierna worden aangeduid met hun voornaam, te weten eiseres tot cassatie als ‘[de dochter]’ en verweerder in cassatie als ‘[de zoon]’.
Eiseres tot cassatie richt zich tegen voormeld arrest met het volgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het Hof op grond van de in het arrest van 8 augustus 2023, waarvan beroep, vermelde gronden en het dictum heeft beslist, zulks ten onrechte op grond van de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen.
Aanduiding van het geschil, schets van het procesverloop in vogelvlucht1.
Eiseres tot cassatie ([de dochter]) en verweerder in cassatie (hierna: [de zoon]) zijn de dochter en zoon van [de moeder] (hierna: de moeder of erflaatster). Erflaatster heeft de woning aan de [a-straat 1] in [a-plaats] (hierna: de woning) die haar eigendom was, bij akte van levering van [datum] 1995 in eigendom overgedragen aan [de zoon] voor fl. 479.500,-, waarbij aan erflaatster het recht van gebruik en bewoning van de woning is verleend. In voornoemde akte van levering zijn erflaatster en [de zoon] een overeenkomst van geldlening aangegaan ten bedrage van de hoofdsom. [de zoon] is over deze lening geen rente verschuldigd en is niet verplicht aflossingen te doen. De hoofdsom of het onafgeloste restant daarvan is te allen tijde opeisbaar. Bij akte van […] 2005 heeft erflaatster afstand gedaan van het recht van gebruik en bewoning van de woning. Op [overlijdensdatum] 2009 is erflaatster te [a-plaats] overleden. Volgens het laatste testament van erflaatster (akte d.d. [datum] 2001) is [de zoon] haar enige erfgenaam. Op 9 september 2010 heeft mr. [notaris], notaris te [a-plaats], [de zoon] bij brief laten weten dat [de dochter] geïnformeerd wenst te worden over de afwikkeling van de nalatenschap en haar rechten met betrekking tot de nalatenschap. [de dochter] heeft zich vervolgens, bij schrijven van voornoemde notaris van 29 september 2010, beroepen op haar legitieme portie en verzocht om een boedelbeschrijving teneinde de omvang van haar legitieme portie te kunnen berekenen.2. Aan dat verzoek dat verzoek heeft [de zoon] niet voldaan.
Bij dagvaarding d.d. 17 december 2010 (PS 1) heeft [de dochter] gevorderd [de zoon] te veroordelen om een boedelbeschrijving per datum overlijden in het geding te brengen, bewijsstukken van alle in het verleden gedane schenkingen en giften aan afstammelingen en derden en bewijsstukken van leningen aan afstammelingen en eventuele aflossingen op deze leningen en betaling van de rente op deze leningen. Inzake de woning heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de overdracht aan [de zoon] onder voorbehoud van de rechten van gebruik en bewoning, tegen kwijting van de koopsom een gift (schenking) van de woning betreft en heeft zij, teneinde haar legitieme portie te kunnen berekenen, benoeming van een of meer deskundigen gevorderd ter bepaling van de waarde van de (gift van de) woning per datum 2005 (zijnde dit de datum waarop erflaatster afstand heeft gedaan van haar recht op gebruik en bewoning) vrij van huur en gebruik. [de zoon] heeft verweer gevoerd en betwist dat er sprake is van een gift. Daartoe heeft hij onder meer gesteld dat de koopprijs marktwaarde-conform was, hij de koopprijs heeft betaald door middel van een lening en dat hij de lening inzake de koopsom in de jaren na [datum] 1995 geheel aan erflaatster heeft afgelost. Ten aanzien van dat laatste heeft [de zoon] gesteld dat hij voor erflaatster in de loop der tijd uitgaven heeft gedaan en dat hij de vorderingen die hij daardoor op zijn moeder verkreeg met zijn schuld aan haar uit hoofde van geldlening heeft verrekend. Hij heeft zich daartoe onder meer beroepen op een overeenkomst d.d. [datum] 1995 (derhalve van één dag na de overdracht van de woning), waarin een cumulatieve afboeking op de koopsom is opgenomen van fl. 289.575.3. [de dochter] heeft de stellingen van [de zoon] en alle door hem opgevoerde posten betwist, er op gewezen dat de overdrachtsakte van [datum] 1995 waarin de overeenkomst van geldlening is opgenomen verrekening uitdrukkelijk uitsluit en de afboeking een dag na de overdracht ongeloofwaardig en een schijnconstructie genoemd. In de verdere loop van de procedure heeft [de zoon] nog enkele ‘vergeten’ posten opgevoerd, onder meer inzake het ‘project Canada’, op grond waarvan hij ook een vordering op zijn moeder zou hebben gehad. Ook die stellingen zijn door [de dochter] betwist.
Bij tussenvonnis van 9 januari 2013 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de vordering van [de dochter], om ter berekening van de legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster de waarde van de woning te bepalen per […] 2005, zal worden toegewezen. De rechtbank overwoog daartoe dat giften ter berekening van de legitieme moeten worden gewaardeerd naar het tijdstip van de prestatie en dat, waar [de zoon] als gevolg van de afstandsverklaring van moeder op […] 2005 de volle eigendom van de woning heeft verkregen, dit het tijdstip van de prestatie is zoals bedoeld in art. 4:66 lid 1 BW is.4. De rechtbank is bij tussenvonnis van 6 augustus 2014 teruggekomen van haar (bindende) eindbeslissing dat voor de waardering van de woning ter berekening van de legitieme portie van [de dochter] […] 2005 heeft te gelden, dat oordeel als een misslag betitelend.5. Zij heeft in hetzelfde tussenvonnis als deskundige benoemd de heer [betrokkene 1] RMT ([A.]) te [a-plaats] en in het dictum onder 3.3 de door de deskundige te beantwoorden vragen geformuleerd. De rechtbank heeft de deskundige daarin gevraagd de waarden van de woning en het beperkte recht van gebruik en bewoning te bepalen per 15 juli 1995, alsmede de restantwaarde van het recht van gebruik en bewoning op […] 2005.
Op 15 januari 2015 heeft de deskundige een taxatierapport uitgebracht. De deskundige heeft de waarde van de woning per [datum] 1995 getaxeerd op € 700.000 vrij van gebruik en bewoning en per datum […] 2005 op een bedrag van € 1.220.000 vrij van gebruik en bewoning. De deskundige heeft ook het recht van gebruik en bewoning van de moeder berekend en komt dan op waarden voor het blooteigendom op beide peildata van respectievelijk € 406.000 ([datum] 1995) en € 927.200 ([…] 2005).6.
In haar tussenvonnis van 19 april 2017 heeft de rechtbank de bezwaren van [de dochter] dat de rechtbank in haar tussenvonnis van 6 augustus 2014 ten onrechte is teruggekomen van de bindende eindbeslissing in het tussenvonnis van 9 januari 2013 gehonoreerd. Zij heeft geoordeeld dat de in laatstgenoemd tussenvonnis ingeslagen weg zal worden vervolgd, omdat [de zoon] pas door de afstand van het recht van gebruik en bewoning door erflaatster op […] 2005 de volle eigendom van de woning heeft verkregen, zodat dit het tijdstip is als bedoeld in art. 4:66 lid 1 BW, een en ander nog daargelaten dat vast is komen te staan dat [de zoon] niet heeft afgelost op de door erflaatster bij de overdracht van de woning aan hem verstrekte geldlening.7.
Beide partijen hebben zelf ook taxaties van andere makelaars (met andere waarden) in het geding gebracht, deels zijn deze taxaties reeds opgemaakt vóór het uitbrengen van het deskundigenrapport, deels ook na die datum. Een overzicht van alle taxaties is te vinden in het tussenvonnis van 19 april 2017 (rov. 3.9), waarin de rechtbank, alle taxaties en andere omstandigheden in ogenschouw nemend, de waarde van de woning per […] 2005 heeft vastgesteld op een bedrag van € 1.800.000 (rov. 3.9.5).
Naast de genoemde waarderingen heeft de rechtbank ook in zijn oordeel betrokken (zie rov. 3.9.5 van het tussenvonnis) dat [de zoon] en zijn echtgenote op […] 2007, dus anderhalf jaar na de peildatum, op de woning een hypotheek hebben gevestigd tot zekerheid van een lening tot een bedrag van € 1.850.000.8. Volgens de rechtbank is dit een sterke aanwijzing dat dit op […] 2007 een reële waarde was. Het argument van [de zoon] dat de bank bij het verlenen van de hypothecaire geldlening met name acht heeft geslagen op zijn inkomenspositie en op andere vermogensbestanddelen, heeft de rechtbank bij het gebreke van het overleggen van stukken hierover en van het overleggen van de taxatie van de woning die is opgemaakt ter verkrijging van de hypothecaire lening verworpen. De zekerheid is gevestigd voor een totaalbedrag van € 2.590.000. Het taxatierapport is door [de zoon] nimmer in het geding gebracht, ook in hoger beroep niet.9.
De waarde van de schenking van de woning heeft de rechtbank op hetzelfde bedrag vastgesteld, leidend tot de conclusie dat de legitimaire massa € 1.845.181,20 bedraagt en de legitieme portie van [de dochter] daarmee uitkomt op € 461.295,30 (rov. 3.11.1). De rechtbank heeft deze oordelen overgenomen in haar eindvonnis van 13 december 2017.
Bij exploot van 9 maart 2018 is [de zoon] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank bij het hof Den Haag. [de dochter] heeft verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld. Zie daarover uitgebreider het arrest van het hof (p. 1 en 2) onder het kopje ‘Het verloop van het geding’.
In hoger beroep heeft het geding zich (voor zover thans in cassatie nog van belang) met name toegespitst op de (waarde van de) woning en de peildatum daarvan, in verband met de vraag of de verkoop en overdracht van de woning door erflaatster aan [de zoon] in 1995 een gift was en de vraag of in 2005 sprake is van een gift van erflaatster aan [de zoon] door de afstand van het genotsrecht dat de erflaatster ten aanzien van de woning had voorbehouden.10. Het hof heeft de stellingen van [de dochter] dat de verkoop en levering van de woning aan [de zoon] een gift hield en de stelling dat er sprake was van een gift in 2005 door de afstand van het genotsrecht dat de erflaatster ten aanzien van de woning had voorbehouden verworpen. Bij het vaststellen van de legitimaire massa (en het vervolgens vaststellen van de legitieme van [de dochter]) heeft het hof met de door [de dochter] gestelde giften geen rekening gehouden, het heeft daartoe slechts gerekend de vordering van de nalatenschap op [de zoon] tot betaling van de koopsom van de woning. Het hof heeft de legitimaire massa berekend op een bedrag van € 262.779,20 en de legitieme portie van [de dochter] vastgesteld op een bedrag van € 68.689,40.
Klachten
1. Algemeen; inleiding
1.1
Het debat over de overdacht van de woning door erflaatster aan [de zoon] en de vragen die in verband daarmee ter bepaling van de legitimaire massa beantwoord moesten worden, heeft zich in de loop van de procedure ontwikkeld. Dat mag geen verbazing wekken, omdat [de dochter] aanvankelijk maar mondjesmaat over informatie beschikte, aangezien door [de zoon] geen boedelbeschrijving was gemaakt. Dat [de zoon] die wel zou opstellen, was een van de vorderingen in haar inleidende dagvaarding. [de dochter] was wel bekend met de koopprijs voor de woning. Die was volgens [de dochter] zo laag dat de overdracht van de woning aan [de zoon] (niettegenstaande de titel ‘koop’) als een schenking moest worden gezien. Het debat heeft zich daarmee eerst toegespitst op de koopprijs van de woning, vergeleken met de werkelijke (markt)waarde ten tijde van de overdracht ([datum] 1995). Zie ook hiervoor het procesverloop, de (tussen)vonnissen van de rechtbank en de aan de door de rechtbank benoemde deskundige voorgelegde vragen.
1.2
[de dochter] heeft de feitelijke grondslag van haar stelling dat sprake is van schenking van de woning verduidelijkt (en uitgebreid) en betoogd dat er niet alleen sprake is van een niet-zakelijke, niet marktconforme, koopprijs voor de woning, maar dat ook het samenstelsel van rechtshandelingen (de overdracht tegen kwijting van de koopsom, de lening zonder verplichting tot betaling van aflossing en zonder rente) maakt dat sprake is van schenking van de woning.11. [de dochter] heeft, onder overlegging van twee deskundigrapporten ([notaris] en [betrokkene 2]), de overdracht van de woning tegen een te lage prijs met een ‘fake’ lening van de woning een schijnconstructie genoemd, leidend tot de conclusie dat sprake is van schenking van de woning.12. Ook de zogenaamde verrekening van (door [de zoon] gepretendeerde) niet bestaande schulden van erflaatster aan [de zoon] maakt onderdeel uit van de schijnconstructie, aldus [de dochter].13. [de dochter] heeft betoogd dat sprake is van een ‘Erven Bal-situatie’14. (in welk arrest de Hoge Raad oordeelde dat sprake is van schenking van het goed zelf als de verkoop van het goed zelf is gevolgd door een kwijtschelding van de koopsom indien de kwijtschelding een nauwe samenhang vertoont met de koopovereenkomst).15.
1.3
Daarnaast heeft [de dochter] betoogd dat als er (slechts) een te lage prijs is betaald voor het blooteigendom van de woning er sprake is van een gift ten bedrage van het verschil tussen de betaalde prijs en de reële prijs voor het blooteigendom op het moment dat de rechten van gebruik en bewoning of vruchtgebruik eindigen door overlijden of door afstand. Zij heeft subsidiair betoogd dat van een dergelijke gift in ieder geval sprake is.16.
1.4
[de zoon] heeft in het door hem ingestelde hoger beroep de (betwisting van de) bevoordelingbedoeling bij de overdracht van de woning tot speerpunt van zijn verweer gemaakt.17. Hij heeft dat met name toegespitst op de tussen partijen overeengekomen koopprijs voor de woning. Hij heeft betoogd dat de vraag of deze koopprijs als te laag/niet marktconform kan worden aangemerkt, niet relevant is, omdat het gaat om de ‘state of mind’ van erflaatster en [de zoon]. Als zij er toen (ex tunc) van uitgingen dat de overeengekomen koopprijs marktconform was, ontbreekt, aldus het betoog van [de zoon], de bevoordelingsbedoeling en kan van een schenking/gift van de woning geen sprake zijn. [de dochter] heeft betoogd dat [de zoon] uitgaat van een onjuist begrip ‘bevoordelingsbedoeling’. Zij heeft daarnaast (gemotiveerd) de stellingen van [de zoon] weersproken dat erflaatster en [de zoon] ervan uit zijn uitgegaan dat de overeengekomen koopprijs marktconform was en voorts dat zij daarvan mochten uitgaan. Het hof heeft kennelijk het betoog van [de zoon] gegrond bevonden. Daartegen richt zich onderdeel 1 van het cassatiemiddel.
1.5
De tweede hoofdpijler in het hoger beroep van [de zoon] was zijn stelling dat hij de koopsom volledig heeft betaald door middel van verrekening van door hem beweerdelijk gemaakte kosten ten behoeve van de woning en ten behoeve van erflaatster en de door [de zoon] gepretendeerde vordering inzake het ‘Canadaproject’ op erflaatster. [de zoon] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij gelet op beide meer heeft betaald dan de koopprijs en dat de nalatenschap ‘zwaar negatief’ is. Het hof heeft die stellingen van [de zoon] verworpen. Voorts heeft het geoordeeld dat de handelwijze van [de zoon] tegenover [de dochter] in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid die [de zoon] jegens haar als legitimaris in acht diende te nemen. Wat de cumulatieve afboeking op de koopsom ten bedrage van fl. 289.575 betreft d.d. [datum] 1995 heeft het hof geoordeeld dat deze handeling als een schijnhandeling kwalificeert. Het hof komt niettemin tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat de overdracht van de woning een schijnconstructie is, zodat deze niet als een gift kan worden aangemerkt. Over dat oordeel wordt geklaagd in onderdeel 2.
1.6
Het hof oordeelt vervolgens dat de afstand van recht van gebruik en bewoning in 2005 evenmin een gift oplevert. Tegen dat oordeel keert zich onderdeel 3.
1.7
Het hof heeft verzuimd een beslissing te geven op de subsidiaire vordering van [de dochter], dat mocht geen sprake zijn van een schenking van de woning, dan in ieder geval sprake is van een gift ter grootte van het verschil tussen de koopprijs en de werkelijke waarde van de woning. Onderdeel 4 bevat een daartegen gerichte klacht.
2. Algemeen; het vereiste van bevoordelingsbedoeling
2.1
In rov. 22 oordeelt het hof dat de verkoop van de woning in 1995 door erflaatster aan [de zoon] niet aangemerkt kan worden als een gift. Het eerste deel van de rechtsoverweging heeft betrekking op de koopprijs en vormt onmiskenbaar een respons op het betoog van [de zoon] (verkort weergegeven in rov. 17) dat een bevoordelingsbedoeling aan de zijde van erflaatster en [de zoon] ontbrak, omdat beiden ervan zijn uitgegaan dat de overeengekomen koopprijs een reële prijs was. Het hof acht die stelling onweersproken en acht kennelijk op grond van de overeengekomen koopprijs geen bevoordelingsbedoeling aanwezig. Vervolgens overweegt het hof dat het feit dat de koopprijs bestond uit een renteloze lening aan [de zoon] zonder aflossingsverplichting onvoldoende is om van een schijnconstructie en daarmee van een gift uit te gaan. Beide oordelen zijn het in het licht van de stellingen van [de dochter], de overige inhoud van de gedingstukken én de overige vaststellingen van het hof onbegrijpelijk en/of geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting inzake het begrip ‘bevoordelingsbedoeling en/of aan het bewijs daarvan te stellen eisen. Deze klachten zullen hierna verder worden uitgewerkt en toegelicht. Daarbij dient wat betreft het begrip bevoordelingsbedoeling het volgende tot uitgangspunt te dienen.
2.2
Voor zowel de schenking als de gift is vereist 1. Een handeling, 2. verrijking 3. verarming en 4. Een bevoordelingsbedoeling (vrijgevigheid). Het gaat bij het achter 4 genoemde vereiste om een geobjectiveerd vrijgevigheidsbegrip. Voor het aannemen van vrijgevigheid is voldoende dat degene die is verarmd de verrijking van de ander heeft gewild. De motieven zijn niet van belang.18. De eis dat degene die zich verarmt, dit doet met het oogmerk de ander te bevoordelen kan niet worden gesteld.19. Het bewustzijn dat een ander wordt verrijkt, kan reeds, maar hoeft niet altijd een bevoordelingsbedoeling te impliceren.20.
2.3
Dat een bevoordeling heeft plaatsgevonden in de familiesfeer, kan wijzen op de aanwezigheid van een bevoordelingsbedoeling.21.
2.4
Of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van alle omstandigheden van het geval te worden vastgesteld. Daarbij is men voor de bepaling van de wil aangewezen op de objectieve feiten.22. Het bewijs van de innerlijke gesteldheid van een partij kan immers slechts worden bewezen door middellijk of indirect bewijs.23.
2.5
Bij de beantwoording van de vraag of bij de overdracht van een goed (waarbij aan de vereisten verrijking en verarming is voldaan) sprake is van een bevoordelingsbedoeling kunnen andere rechtshandelingen worden betrokken.24. Het komt dan aan op de beoordeling van het samenstelsel van rechtshandelingen. Onder omstandigheden kunnen één of meer rechtshandelingen met één of meer andere rechtshandelingen worden vereenzelvigd. Een voorbeeld daarvan is het Erven Bal-arrest (HR 19 maart 1982, NJ 1983/250, m.nt. WMK). In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat ook toedeling van een goed tegen een reële prijs, gevolgd door kwijtschelding van de koopsom, als een schenking van het goed kan worden aangemerkt als de kwijtschelding een nauwe samenhang vertoont met de koopovereenkomst. In het arrest Erven Bal was sprake van kwijtschelding binnen een jaar na de koopovereenkomst. Het samenstelsel van rechtshandelingen maakte dat sprake was van schenking van het goed25.. In de literatuur wordt aangenomen dat ook andere factoren dan tijdsverloop tussen koop en kwijtschelding van belang zijn, zoals bijvoorbeeld uitlatingen van partijen, waardoor de bedoeling op basis waarvan mede tot vereenzelviging moet worden geconcludeerd duidelijk wordt.26. Onder uitlatingen zullen ook gedragingen begrepen moeten worden.
2.6
Het Erven Bal-arrest kan worden gezien als een toepassing van het leerstuk van fraus legis.27. Niet de naam die partijen aan hun overeenkomst geven — zo men wil: het kleed waarin zij hun overeenkomst verpakken — bepaalt de inhoud daarvan, maar hun bedoeling die uit het samenstelsel van (rechts)handelingen kan worden afgeleid en vastgesteld.28. Daarbij kan mede van belang29. zijn de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst, waaronder in dit verband dan mede dienen te worden begrepen de wijze waarop partijen géén uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst (van koop) maar door middel van schijnhandelingen een beeld hebben opgetrokken naar derden (in dit geval: de legitimaris) dat zij dat wél hebben gedaan.
2.7
Tegen deze achtergrond zullen hierna de klachten tegen het arrest van het hof worden geformuleerd.
3. Onderdeel 1; bepaling van de koopprijs, onweersproken stelling?
Het hof begint zijn redenering in rov. 22 met het oordeel dat de ‘verkoop in 1995 door erflaatster’ aan [de zoon] niet als een gift kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe allereerst het volgende:
‘Erflaatster en [de zoon] zijn volgens onweersproken stelling van [de zoon], bij de bepaling van de koopprijs uitgegaan van de taxatie van Kolpa van 30 december 1993 en van de bepaling van het hof Den Haag van de waarde in het economisch verkeer van de woning per peildatum 1990. [betrokkene 3] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan partijen destijds deze waardebepaling niet als uitgangspunt mochten nemen. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat Kolpa op 30 december 1993 de onderhandse verkoopwaarde bij lege en ontruimde levering aan een willekeurige derde heeft gesteld op fl. 590.000,-, terwijl erflaatster het recht van gebruik en bewoning kreeg. Kolpa heeft in diens taxatie de waarde van de woning in verhuurde staat berekend op fl. 410.000,- (…).’
Dit oordeel kan geen standhouden, omdat het op meerdere onderdelen rechtens onjuist is (zie ook hiervoor achter 2.1) en/of onbegrijpelijk. Deze klacht zal per onderdeel worden uitgewerkt.
A. Taxatie Kolpa 30 december 1993
Oordeel: ‘de zoon’ en erflater zijn afgegaan op taxatie Kolpa van december 1993 en ‘de dochter’ heeft dat niet betwist
3.1
Over het taxatierapport van Kolpa (de heer [betrokkene 4]) van december 1993 heeft [de zoon] gesteld dat dit is uitgebracht ‘met het oog op het bepalen van de koopprijs’, daaraan toevoegend dat hij niet over een schriftelijk stuk beschikt waaruit dit advies blijkt.30. [de zoon] heeft ook nadien geen stuk van [betrokkene 4] in het geding gebracht waarin deze alsnog (achteraf) verklaart dat de taxatie met het door [de zoon] gestelde doel is uitgebracht. [de dochter] heeft gemotiveerd betwist dat de taxatie van december 1993 met dat doel is uitgebracht en gesteld dat het rapport onmiskenbaar is opgesteld in het kader van de onroerendgoedbelasting per peildatum 1990 en derhalve niet voor het bepalen van een koopprijs per 1994.31.
Die stelling van [de dochter] wordt allereerst bevestigd door de inhoud van de brief van Kolpa aan erflaatster d.d. 6 maart die [de zoon] wél heeft overgelegd (bijlage bij de brief van de advocaat van [de zoon] aan de rechtbank d.d. 28 september 2011, PS 7). In deze brief adviseert [betrokkene 4] erflaatster inzake een aangewezen reactie op het vertoogschrift van de Dienst Gemeentelijke Belastingen. [betrokkene 4] merkt daarin onder meer op dat in dit vertoogschrift (naar zijn mening: ten onrechte) wordt gesteld dat hij ([betrokkene 4]) 'de waarde onbegrijpelijk laag heeft vastgesteld.'32. De stelling vindt ook bevestiging in de brief van erflaatster aan de belastingkamer van het Hof Den Haag d.d. 16 juli 1994 (overgelegd als prod. HB1-3 bij brief van mr. Schipper d.d. 3 september 2018, PS 55), waarin erflaatster verwijst naar bijlagen bij de brief (die niet bij de productie zijn gevoegd) waaronder het taxatierapport van Kolpa d.d. 22 december 1993. Aan het slot van de brief verwijst zij naar een eerdere brief aan de belastingkamer van het Hof den Haag (met bijlagen) d.d. 28 januari 1994. Die laatste datum is dus kennelijk de datum van de indiening van het bezwaarschrift, waaruit volgt dat de WOZ-vaststelling door de belastingdienst Rotterdam dateert van vóór die datum.
Tegenover de niet (voldoende) onderbouwde stellingen van [de zoon], moet het betoog van [de dochter] als een (voldoende) gemotiveerde betwisting worden gezien. In ieder geval kan niet worden gezegd dat de stellingen van [de zoon] op dit punt ‘onweersproken’ zijn. Het andersluidende oordeel van het hof is reeds om die reden onbegrijpelijk.
3.1.1
[de dochter] heeft bovendien (door [de zoon] onvoldoende gemotiveerd betwist33.) gesteld dat erflaatster ermee bekend was dat de woning gelegen aan de [a-straat 2] op 2 november 1992 is verkocht voor een bedrag van NLG 950.000, terwijl deze woning kleiner was, in slechte staat verkeerde en snel verkocht moest worden (onverdeelde nalatenschap).34. De bekendheid met de verkoopprijs van de huurwoning in 1992 maakt dat erflaatster wist dat de taxatie die Kolpa in december 1993 uitbracht met het oog op de (verlaging van de) onroerendgoedbelasting in het geheel niet overeenkwam met de waarde in het economisch verkeer van haar eigen woning in 1994, aldus de stelling van [de dochter]35. Ook om die reden is het oordeel van het hof onbegrijpelijk.
3.1.2
Verder heeft de door de rechtbank benoemde deskundige de waarde van de woning per [datum] 1995 getaxeerd op € 700.000 vrij van gebruik en bewoning en met het recht van gebruik en bewoning op € 406.000.36. Het hof heeft een oordeel over (de juistheid van) deze taxatie in het midden gelaten, zodat van de juistheid daarvan in cassatie kan worden uitgegaan. [de dochter] heeft het enorme verschil tussen de overeengekomen koopprijs en de door de deskundige vastgestelde waarde (een factor twee) eveneens aangevoerd (hulpfeit/indirect bewijs) ten betoge dat het ongeloofwaardig is dat erflaatster en [de zoon] er bij het sluiten van de koopovereenkomst van zijn uitgegaan dat de afgesproken koopprijs marktconform was, zodat er dús van moet worden uitgegaan dat partijen zich daarvan wel bewust zijn geweest en de conclusie moet luiden dat er sprake was van een bevoordelingsbedoeling.37. Het oordeel van het hof dat de stelling van [de zoon] ‘onweersproken’ is, is ook gelet op deze stelling van [de dochter] onbegrijpelijk.
3.1.3
Zoals hiervoor in paragraaf 2 uiteen is gezet is men bij de bepaling van de wil (van de als ‘schenker’ aangeduide persoon) aangewezen op objectieve feiten. Een partij die stelt dat een rechtshandeling (of een samenstelsel daarvan) een schenking of gift behelst, zal het element ‘bevoordelingsbedoeling’ (zijnde een innerlijke gesteldheid) slechts kunnen (en dus ook: mogen) bewijzen door middellijk of indirect bewijs. Voor de betwisting van de stelling van de andere partij dat een bevoordelingsbedoeling heeft ontbroken, geldt hetzelfde. Indien het hof aan de betwisting door [de dochter] andere, strengere eisen, heeft gesteld, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Oordeel: [de zoon] en erflaatster hebben mogen afgegaan taxatie Kolpa en [de dochter] heeft dat niet betwist
3.1.4
Dat [de zoon] en erflaatster voor de bepaling van een reële koopprijs in 1994 mede hebben mogen afgaan op het taxatierapport van Kolpa dat werd uitgebracht met het oog op de vaststelling (verlaging) van de onroerendgoedbelasting is om de hiervoor genoemde redenen eveneens onbegrijpelijk en/of rechtens onjuist en dat geldt ook voor het oordeel dat [de dochter] dat niet heeft betwist.
B. De ‘WOZ-beslissing’
Oordeel: [de zoon] en erflaatster zijn afgegaan op de WOZ-beslissing van het hof
3.2
Het oordeel dat partijen mede zijn afgegaan op de beslissing van het hof over de WOZ-waarde van de woning (met peildatum 1990) is om meerdere redenen onbegrijpelijk en/of rechtens onjuist.
3.2.1
In de leveringsakte38. wordt gerept van een ‘mondelinge overeenkomst van koop en verkoop, aangegaan in de maand september 1994’.39. De datum van de mondelinge overeenkomst (september 1994) heeft geen onderdeel uitgemaakt van het geschil tussen partijen en moet dus als vaststaand worden aangenomen. Indien het hof van een andere datum is uitgegaan (de aanhef van rov. 22, waar het hof rept over de ‘verkoop in 1995’ zou daarop kunnen duiden) is dat oordeel onbegrijpelijk en is het voorts buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
3.3
De leveringsakte vermeldt dat de koopprijs fl. 479.500 bedraagt. Dat is dus kennelijk de koopprijs die in september 1994 is overeengekomen. Gesteld noch gebleken is immers, dat partijen de mondelinge koopovereenkomst destijds hebben gesloten zónder de koopprijs te bepalen.40. Dit zou bij de verkoop van een voor bewoning bestemde onroerende zaak ook niet goed denkbaar zijn, althans niet bij een transactie met een zakelijk karakter (en om de vraag of daarvan in dit geval sprake was gaat het hier). Indien het hof er niettemin van is uitgegaan dat de koopprijs eerste ten tijde van de overdracht op [datum] 1995 is overeengekomen, is het dus evenzeer buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans is zijn oordeel, zonder nadere, ontbrekende, motivering onbegrijpelijk.
3.3.1
Gelet op de datum van de mondelinge koopovereenkomst (september 1994) kúnnen erflaatster en [de zoon] de uitspraak van het hof Den Haag niet aan de bepaling van de koopprijs ten grondslag hebben gelegd. Die uitspraak dateert immers van 29 juni 1995.41. [de zoon] heeft dat ook niet gesteld. Hij heeft slechts gesteld dat de uitspraak van het hof is overgelegd ‘ter nadere onderbouwing van de juistheid van voornoemde taxatie’ (met dat laatste doelt hij op de taxatie van Kolpa uit december 1993).42. Met zijn oordeel dat [de zoon] heeft gesteld dat hij en erflaatster bij het sluiten van de koopovereenkomst en het bepalen van de koopprijs mede zijn afgegaan op de beslissing van het hof d.d. 29 juni 1995 inzake de WOZ-waarde, heeft het hof dus de feitelijke grondslag van het verweer van [de zoon] aangevuld, hetgeen in strijd is met art. 24 Rv), althans is het oordeel onbegrijpelijk.
Oordeel: [de dochter] heeft niet betwist dat [de zoon] en erflaatster zijn afgegaan op de WOZ-beslissing van het hof
3.4
Dat [de zoon] en erflaatster bij de bepaling van de koopprijs zijn afgegaan op de ‘WOZ-beschikking’ van het hof is door [de zoon] (zie hiervoor) niet gesteld. [de dochter] hoefde dat dus ook niet te betwisten. Zij heeft dat niettemin wel heeft gedaan. Zij kon dat slechts doen door het aanvoeren van (hulp)feiten.
3.4.1
[de dochter] heeft onder meer aangevoerd dat niet voorstelbaar is dat [de zoon] en erflaatster meenden dat de waarde van de woning in het economisch verkeer in september 1994 gelijk was aan de waardebepaling uit de WOZ-beslissing van het hof voor de onroerendgoedbelasting (met als peildatum 1 januari 1990), dit vanwege het grote verschil tussen de waarde van de woning per [datum] 1995 en de waarde van de woning per 1 januari 1990, alsook het feit dat bekend is dat de WOZ-waarde in die tijd veel lager lag dan de vrije verkoopwaarde.43. Die laatste stelling is door [de zoon] niet (gemotiveerd) weersproken.44.
3.4.2
Een en ander mag overigens als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd, evenals het feit dat de waardebepaling voor de onroerendgoedbelasting vóór 1 januari 1995 (datum inwerkingtreding van de Wet waardering onroerende zaken45.) niet op uniforme wijze (d.w.z. niet volgens dezelfde criteria) plaats vond, iets wat de wetgever met de WOZ heeft willen redresseren.46. Dat de WOZ-waarde ook ná de inwerkingtreding van de Wet WOZ vaak ongeschikt is om de waarde in het economisch verkeer vast te stellen, wordt bevestigd door de (lagere) rechtspraak. Zo oordeelde de Rechtbank Midden-Nederland (6 september 2017, ECLI:RBMNE:2017:4380) in een geschil waar het eveneens de vaststelling van de legitieme betrof, dat de WOZ-waarde niet altijd een accurate weergave is van de waarde in het economisch verkeer van een onroerende zaak en deze waarde dan ook niet zonder meer bruikbaar is voor de waardering in een civiele procedure. De rechtbank Limburg, 12 juli 2017, ECLI:RBLIM:2017:6763 (eveneens in een geschil over de legitieme portie) gaat nog een stap verder en oordeelde ‘de WOZ-waarde zegt weinig tot niets over de marktwaarde van een woning.’ Vergelijk voorts HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:319, waaruit volgt dat voor de vraag of in de verkoop van een woning een schenking besloten ligt de waarde in het economisch verkeer beslissend is en de WOZ-waarde van de woning geen rol speelt.
3.4.3
Het hof had dit feit van algemene bekendheid dus zonder meer (kenbaar) in zijn oordeel moeten betrekken, hetgeen het ten onrechte heeft nagelaten. Het oordeel dat bedoelde stelling door [de dochter] ‘onweersproken’ is, is in ieder geval ook gelet op al het vorenstaande eveneens onbegrijpelijk.
Oordeel: [de zoon] en erflaatster hebben mogen afgegaan WOZ-beslissing hof en [de dochter] heeft dat niet betwist
3.5
Dat [de zoon] en erflaatster voor de bepaling van een reële koopprijs in 1994 mede hebben mogen afgaan op een ‘WOZ-beschikking’ — met nota bene peildatum 1990 — is niet minder onbegrijpelijk en dat geldt ook voor het oordeel dat [de dochter] dat niet heeft betwist. In de stellingen van [de dochter], dat [de zoon] en erflaatster niet op de WOZ-beslissing zijn afgegaan, ligt immers ook besloten dat [de zoon] en erflaatster (als hun bedoeling was, zoals [de zoon] stelt, de woning te verkopen tegen een reële, marktconforme koopprijs) daarop niet hebben kunnen/mogen afgaan.
3.5.1
Ook voor het oordeel van het hof over de ‘WOZ-beslissing’, geldt dat indien het hof de betwisting door [de dochter] door middel van hulpfeiten als zodanig niet toereikend heeft geacht en daaraan andere, strengere eisen, heeft gesteld, zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
C. ‘Daarbij neemt het hof nog in aanmerking (…).’
3.6
Het oordeel dat [de dochter] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan partijen destijds de waardebepaling door Kolpa en de WOZ-beslissing van het hof niet als uitgangspunt mochten nemen, motiveert het hof nader als volgt:
‘Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat Kolpa op 30 december 1993 de onderhandse verkoopwaarde bij lege en ontruimde levering aan een willekeurige derde heeft gesteld op fl. 590.000,-, terwijl erflaatster het recht van gebruik en bewoning kreeg. Kolpa heeft in diens taxatie de waarde van de woning in verhuurde staat berekend op fl. 410.000,-.’
Die laatste toevoeging is ronduit onbegrijpelijk. Deze waarde van fl. 410.000,- staat nu juist niet vermeld in rapport het rapport van Kolpa van 30 december 1993 (hetgeen wel voor de hand had gelegen als het rapport zou zijn uitgebracht met het oog op het bepalen van de verkoopprijs voor de woning met voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning), maar in het rapport van Baljon-Mora d.d. 9 juni 2011. Dit laatste rapport werd in opdracht van [de zoon] opgesteld en neemt (zie blad 2 onder ‘Aannames’) tot uitgangspunt dat in de taxatie van Kolpa de leegwaarde destijds correct getaxeerd is.47. Dit is door [de zoon] ook erkend.48. Het rapport is door [de dochter] om die reden als van nul en generlei waarde betiteld.49. Ook dit oordeel van het hof kan dus niet in stand blijven en kan derhalve evenmin bijdragen aan het oordeel van het hof (1) dat partijen destijds de waardebepaling door Kolpa en de WOZ-beslissing van het hof als uitgangspunt mochten nemen — zulks geldt mede gezien de berekening door Kolpa van de waarde in verhuurde staat op fl. 410.000 — en (2) [de dochter] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan dit anders zou zijn.
D. Het opgenomen gesprek bij notaris [notaris 1] op 16 januari 2008 brengt het hof niet tot een ander oordeel (…)
3.7
Ter nadere onderbouwing van haar stelling dat erflaatster heel goed wist dat de overdracht van de woning aan [de zoon] een schenking betrof heeft [de dochter] een bandopname en een transcriptie van een gesprek van erflaatster en [de dochter] met notaris [notaris 1] in het geding gebracht.50. Uit het gesprek blijkt dat aanleiding voor het gesprek was dat erflaatster vragen had over de het huwelijksgoederenregime waaronder [de zoon] was gehuwd, welke vragen zij aan de notaris heeft voorgelegd die deze (uitvoerig) heeft beantwoord. Tijdens het gesprek heeft erflaatster, die in 2008 geen aanleiding had om ergens over te liegen, meerdere malen (eigener beweging) zeer beslist aangegeven dat [de zoon] nooit iets betaald heeft voor de woning en dat zij hem deze cadeau heeft gedaan.51. [de dochter] heeft betoogd dat dit een objectief bewijs is van de wetenschap en bevoordelingsbedoeling van erflaatster.52. Het hof oordeelt echter dat het opgenomen gesprek het hof niet tot een ander oordeel brengt, gelet op het — aanzienlijke — tijdsverloop tussen de levering van de woning en deze verklaring en het feit dat de verklaring die erflaatster bij de notaris heeft afgelegd in tegenspraak is met de verklaring die zij ten aanzien van de woning heeft afgelegd tegenover de politie Rotterdam-Rijnmond, zoals blijkt uit het proces-verbaal van aangifte van 20 mei 2008. Dat oordeel is, zonder nadere (ontbrekende) motivering onbegrijpelijk.
3.7.1
Het gesprek met de notaris vond plaats op 16 januari 2008, terwijl het proces-verbaal als datum van aangifte 16 mei 2008 vermeldt. Het hof maakt niet inzichtelijk waarom het de uitspraken die erflaatster heeft gedaan ten overstaan van een notaris enkel en alleen vanwege het tijdsverloop tussen de overdracht van de woning en het gesprek met de notaris buiten beschouwing laat, terwijl het de verklaringen van erflaatster ten overstaan van de politie die dateren van vier maanden later kennelijk wel in aanmerking neemt en wel in die zin dat het aan laatstgenoemde verklaringen doorslaggevende betekenis toekent. Het oordeel is daarmee ontoereikend gemotiveerd.
3.7.2
Het oordeel is om de volgende redenen onbegrijpelijk. [de zoon] heeft — naar het hof zelf vaststelt53. — de regie gevoerd over het vermogen van erflaatster en erflaatster heeft tijdens het gesprek met de notaris verklaard dat zij in haar doen en laten werd gestuurd door [de zoon] en dat alles door [de zoon] en zijn echtgenote ‘in elkaar is geflanst’.54. Uit het gesprek blijkt ook dat erflaatster haar woning helemaal niet wilde verlaten, terwijl de noodzaak voor erflaatster om te verhuizen en de woning aan [de zoon] te verkopen in de onderhavige procedure bij herhaling door [de zoon] is aangevoerd als reden voor de overdracht van de woning aan hem.55. Die stelling van [de zoon] is door het hof verworpen, het oordeelt immers dat die noodzaak niet is gebleken.56. Dat feit onderschrijft de sturing door [de zoon] van erflaatster. In het licht daarvan is het onbegrijpelijk dat het hof een verklaring van erflaatster die aantoonbaar zonder sturing van [de zoon] (of [de dochter]) tot stand is gekomen, nota bene afgelegd ten overstaan van een onpartijdige notaris,57. terzijde legt vanwege ‘het tijdsverloop’ tussen de overdracht en de datum van het gesprek met de notaris en uitlatingen van vier maanden later ten overstaan van de politie, waar de waarborg van ‘geen-sturing’ van [de zoon] ontbreekt, kennelijk wel in aanmerking neemt en zonder meer voor juist houdt, terwijl de daarbij (door erflaatster en [de zoon] gezamenlijk) gedane aangifte58. van wederrechtelijke toe-eigening van gelden van erflaatster door [de dochter] door het hof (terecht) is aangemerkt als ongefundeerd.
De onbegrijpelijkheid van dit oordeel klemt temeer, nu het hof verderop in zijn arrest vaststelt dat de zogeheten cumulatieve afboeking op de koopsom ten bedrage van fl. 289.575 d.d. [datum] 1995 als een schijnhandeling kwalificeert (rov. 32) en het handelen van [de zoon] tegenover [de dochter] als legitimaris in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid (rov. 33). Nu daarmee rechtens vaststaat dat sprake is geweest van schijnhandelingen van [de zoon] om het schenkingskarakter van de overdracht van de woning te maskeren, had het hof de verklaringen die erflaatster over het karakter van de overdracht zelf heeft afgelegd — verklaringen die op een objectief te verifiëren wijze zijn vastgelegd door middel van een bandopname — niet buiten beschouwing mogen laten bij de beoordeling of sprake is geweest van schenking van de woning.
4. Onderdeel 2: ‘Dat de koopprijs bestond uit een renteloze lening aan [de zoon] zonder aflossingsverplichting is onvoldoende om van een schijnconstructie en — daarmee — een gift uit te gaan (…)’
4.1
Het hof vervolgt zijn rov. 22 als volgt:
‘Dat de koopprijs bestond uit een renteloze lening aan [de zoon] zonder aflossingsverplichting is onvoldoende om van een schijnconstructie en — daarmee — een gift uit te gaan. Immers, voor zover deze lening niet is afgelost, had erflaatster een vordering op [de zoon]. Het opgenomen gesprek bij notaris [notaris 1] op 16 januari 2008 brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof slaat in dit verband acht op het — aanzienlijke — tijdsverloop tussen de levering van de woning en deze verklaring. Bovendien is de verklaring die erflaatster bij de notaris heeft afgelegd in tegenspraak met de verklaring die zij ten aanzien van de woning heeft afgelegd tegenover de politie Rotterdam-Rijnmond, zoals blijkt uit het proces-verbaal van aangifte van 20 mei 2008.’
4.2
Aangezien dit oordeel voortbouwt op het oordeel dat vaststaat dat erflaatster en [de zoon] bij het bepalen van de koopprijs zijn uitgegaan van de taxatie van Kolpa van december 1993 en de WOZ-beslissing van het Haagse hof en daarvan ook hebben mogen uitgaan, kan bij gegrondbevinding van de klachten uit onderdeel 1 dit voortbouwende oordeel evenmin in stand blijven.
4.3
Daarnaast geeft het oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting inzake (de reikwijdte) van het Erven Bal-arrest en/of is het onbegrijpelijk in het licht van de rechtens vaststaande feiten en de (essentiële) stellingen van [de dochter].
4.4
De essentiële denkfout van het hof begint bij de overweging ‘Immers, voor zover deze lening niet is afgelost, had erflaatster een vordering op [de zoon].’ en zet zich vervolgens voort doordat het hof de vraag of [de zoon] heeft aangetoond dat hij de koopprijs voor de woning heeft betaald (door middel van verrekening met beweerdelijke schulden van erflaatster aan hem) uitsluitend plaatst en beantwoordt in het kader van de door [de zoon] gevraagde verklaringen voor recht (weergegeven onder 8, sub c t/m g van het arrest) dat [de zoon] — kort samengevat — de koopprijs volledig heeft betaald en daarnaast nog een vordering heeft op [de dochter] omdat de nalatenschap ‘zwaar negatief’ is en dus niet bij de beoordeling van de vraag of inzake de woning sprake is van een schenking. Daarmee geeft het oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is het onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd om de navolgende redenen.
4.5
[de dochter] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de woning aan [de zoon] geschonken is een uitdrukkelijk beroep gedaan op het arrest Erven Bal (HR 19 maart 1982, NJ 1983/250).59. De nauwe samenhang — in het Erven Bal arrest: tussen verkoop, lening en kwijtschelding — is er volgens [de dochter] hier ook tussen een aantal (rechts)handelingen.60. Zij heeft betoogd dat er sprake is van een samenstelsel van rechtshandelingen dat maakt dat de overdracht van de woning door erflaatster aan [de zoon] als een schenking van de woning moet worden aangemerkt, waaraan zij de volgende elementen ten grondslag heeft gelegd: 1. verkoop tegen een te lage prijs 2. omzetting van de koopprijs in een lening zonder rente- en aflossingsverplichting 3. niet-aflossing van de lening en 4. de zogenaamde verrekening met niet bestaande schulden van erflaatster aan [de zoon].61.62.[de dochter] heeft het geheel als een complexe schijnconstructie betiteld.63. Gelet op deze essentiële stellingen van [de dochter] had het hof bij zijn beoordeling of sprake was van schenking van de woning moeten betrekken de omstandigheden: 1.‘geen renteverplichting’, 2. ‘geen aflossingsverplichting’, 3. niet-betaling van de koopsom en 4. de poging van [de zoon] (en erflaatster) om door middel van het opvoeren van niet bestaande schulden van erflaatster aan [de zoon] en een niet toegestane (en ongeloofwaardige) verrekening daarvan betaling van de koopsom te suggereren.
4.6
Over de cumulatieve afboeking op de koopsom ten bedrage van
fl. 289.575 d.d. [datum] 1995 heeft het hof (bij de beoordeling van de door [de zoon] gevraagde verklaringen voor recht) geoordeeld dat deze handeling als een schijnhandeling kwalificeert (rov. 32) en het handelen van [de zoon] tegenover [de dochter] als legitimaris in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid (rov. 33). Dit feit had het hof mede kenbaar in zijn oordeel dienen te betrekken bij de beantwoording van de vraag of de overdracht van de woning in wezen — zijnde een samenstelsel van (rechts)handelingen — een schenking betrof (zie hiervoor randnummers 2.4 t/m 2.6.). Door dat niet te doen en ook het hiervoor als eerste genoemde element niet in zijn oordeel te betrekken, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een samenstelsel van rechtshandelingen dat niettegenstaande de aanduiding ‘verkoop’ kwalificeert als een ‘schenking’ (of een gift) zijn immers alle omstandigheden van belang. Ook andere factoren dan tijdsverloop tussen koop en kwijtschelding zijn van belang zijn, zoals uitlatingen of gedragingen van partijen, waardoor de bedoeling op basis waarvan mede tot vereenzelviging moet worden geconcludeerd duidelijk wordt. Zie daarover nader onderdeel 2 over het begrip ‘bevoordelingsbedoeling’.
4.7
Het oordeel is althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu zonder nadere — ontbrekende motivering — niet inzichtelijk is op welke gronden het hof tot het oordeel is gekomen dat de omstandigheden 1, 2 en 4 voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een schenking niet relevant zijn, terwijl het hof ook niet zonder enige motivering aan de essentiële stellingen van [de dochter]64. voorbij had mogen gaan dat de elementen ‘geen aflossingsverplichting en renteverplichting’ én de schijnhandeling van de cumulatieve afboeking relevante omstandigheden zijn voor de beoordeling van het karakter van de overdracht van de woning als schenking van de woning en deze tezamen maken dat sprake is van een complexe schijnconstructie.65. Dit geldt temeer nu [de dochter] gemotiveerd heeft gesteld dat uit het feit dat [de zoon] zijn moeder heeft laten tekenen voor eigen kosten en werk wat hij nooit heeft gedaan (zijnde een schijnconstructie om zijn schuld uit hoofde van de lening ‘weg te werken’), geen andere conclusie kan worden getrokken dat hij zich bewust was van de bevoordeling.66.
4.8
Wat de niet-betaling van de koopsom betreft, geeft het oordeel in rov. 22 eveneens blijk een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk. De niet-betaling van de koopsom is, zoals door [de dochter] in extenso is betoogd67., een omstandigheid die tezamen met andere omstandigheden — als samenstelsel van rechtshandelingen — kan leiden tot het oordeel dat sprake is van een schenking. De vraag of van een schenking sprake is, zal eerst moeten worden beantwoord, waarbij de niet-betaling van de koopprijs een omstandigheid is die uitdrukkelijk dient te worden meegewogen. Slechts indien en nadat is geoordeeld dat geen sprake is van schenking van de woning, komt de niet-betaling van de koopsom als een vordering van de nalatenschap op [de zoon] aan de orde. Verder overweegt het hof terecht (rov. 31) dat [de zoon] er belang bij had dat de vordering van erflaatster inzake de koopsom uit de administratie van erflaatster verdween. Ook voor die feitelijke vaststelling geldt, dat het hof dit feit ten onrechte niet mede betrekt bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een samenstelsel van rechtshandelingen die maken dat sprake was van schenking van de woning.
4.9
Tenslotte is van belang dat volgende feiten als rechtens vaststaand (al dan niet bij wege van feitelijke grondslag) kunnen worden aangemerkt.
- —
Er bestond voor erflaatster geen noodzaak om de woning te verkopen.68.
- —
Erflaatster had naast huurinkomsten en een AOW-uitkering een bedrag van € 85.000 in Zwitserland en op de woning rustte geen hypotheek.69.
- —
Erflaatster wilde niet verhuizen en zag daartoe fysiek ook geen noodzaak.70.
- —
[de zoon] voerde de regie over het vermogen van erflaatster.71.
- —
Erflaatster heeft verklaard dat zij de woning aan [de zoon] cadeau heeft gedaan, hij niets heeft betaald en 'alles in elkaar is geflanst'.
- —
De woning vertegenwoordigde op het moment van de overdracht op [datum] 1995 een waarde van € 700.000 vrij van gebruik en bewoning en met het recht van gebruik en bewoning van € 406.000.72. De koopprijs die erflaatster en [de zoon] in september 1994 zijn overeengekomen bedroeg een fractie daarvan, te weten fl. 479.500. Daarmee is (nog los van de afstand van het recht van gebruik en bewoning, zie daarover hierna bij onderdeel 3) de verarming gegeven en ook de verrijking.
- —
Erflaatster had er wetenschap van dat een woning in dezelfde buurt in november 1992 is verkocht voor een bedrag van fl. 950.000, terwijl deze woning kleiner was, in slechte staat verkeerde en snel verkocht moest worden (onverdeelde nalatenschap).73.
- —
Door [de zoon] is geen schriftelijke stuk, noch een (latere) verklaring van de heer [betrokkene 4] van Kolpa, overgelegd waaruit blijkt dat deze zou hebben geadviseerd om als koopprijs voor de woning in september 1994 een bedrag van fl. 479.500 te hanteren en dat een dergelijke koopsom in overeenstemming was met de economische waarde.
Ten onrechte heeft het hof deze feiten en omstandigheden niet (kenbaar) in zijn oordeel betrokken bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van schenking van de woning. Het oordeel is ook om die reden onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Indien het hof heeft geoordeeld dat de hiervoor aangeduide feiten en omstandigheden geen rol spelen bij de beoordeling of de woning is geschonken, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat voor de beantwoording van die vraag alle feiten en omstandigheden van belang zijn en daarbij, als het gaat om het vaststellen van de wil van de schenker (bevoordelingsbedoeling) nu juist de objectieve feiten en omstandigheden relevant zijn.
5. Onderdeel 3: afstand van het recht van gebruik en bewoning geen gift
5.1
In rov. 23 komt het hof tot het oordeel dat ook in de afstand van het recht van gebruik en bewoning door erflaatster geen gift (van het genotsrecht) is gelegen. Dit oordeel geeft evenzeer blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het niet voorzien van een voldoende begrijpelijke motivering om de navolgende redenen.
5.2
Het hof laat uitdrukkelijk in het midden de vraag of erflaatster door de afstand van het genotsrecht is verarmd. Waar dit (zoals het hof in rov. 23 onderkent) door [de dochter] gemotiveerd is gesteld, dient derhalve in cassatie bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag van de verarming van erflaatster te worden uitgegaan. Dat geldt ook voor de beweegreden van erflaatster om de woning te verlaten. [de dochter] heeft gesteld dat erflaatster de woning helemaal niet wilde verlaten, maar dat [de zoon] haar daartoe heeft bewogen (welke stelling ook door het hof in rov. 23 is aangehaald). Het hof overweegt dat het niet kan vaststellen wat de beweegreden voor erflaatster is geweest, daarmee de juistheid van de stellingen van [de dochter] op dit punt eveneens in het midden latend, zodat van de juistheid daarvan eveneens bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag dient te worden uitgegaan. Idem ten aanzien van de stelling van [de dochter] dat het recht van gebruik en bewoning niet is voortgezet op het appartement waar erflaatster haar intrek heeft genomen, omdat het recht van gebruik en bewoning niet gevestigd is op die andere woning (ook aangehaald in rov. 23). Ook de juistheid van die stelling laat het hof in het midden, de overweging dat erflaatster ‘als het ware’ het recht van gebruik en bewoning heeft voortgezet in het appartement kan immers niet worden gezien als een verwerping van de stelling van [de dochter] dat dit juridisch gezien niet is gebeurd, omdat dit recht niet is gevestigd. Dat [de zoon] als gevolg van de afstand door erflaatster van het recht van gebruik en bewoning is verrijkt, staat vast.74. De (minimale) omvang van die verrijking staat eveneens vast in cassatie. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 19 april 2017 de waarde van de woning per […] 2005 immers vastgesteld op een bedrag van € 1.800.000.75. Waar het hof de juistheid daarvan in het midden laat, dient van deze waarde in cassatie te worden uitgegaan. In het licht van deze feiten en omstandigheden (1.verarming van erflaatster; 2. door [de zoon] afgedwongen vertrek van erflaatster uit de woning/verhuizing erflaatster tegen haar zin; 3. (aanzienlijke) verrijking van [de zoon]; 4. geen vestiging van een [vervangend] recht van gebruik en bewoning ten aanzien van het appartement), kan het oordeel van het hof dat het niet kan vaststellen of erflaatster door de afstand van het genotsrecht ook heeft gewild [de zoon] te bevoordelen en dat het ‘gezien de feitelijke gang van zaken’ tot het oordeel komt dat geen sprake was van een gift geen stand houden.
5.3
Zoals hiervoor in onderdeel 2 over het begrip ‘bevoordelingsbedoeling’ is betoogd, gaat het om een geobjectiveerd vrijgevigheidsbegrip. Voor het aannemen van vrijgevigheid is voldoende dat degene die is verarmd de verrijking van de ander heeft gewild. De motieven zijn niet van belang. De eis dat degene die zich verarmt, dit doet met het oogmerk de ander te bevoordelen kan niet worden gesteld. Verder kan het feit dat een bevoordeling (die hier dus rechtens vaststaat) heeft plaatsgevonden in de familiesfeer (wat eveneens vaststaat), wijzen op de aanwezigheid van een bevoordelingsbedoeling. De vraag of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was dient aan de hand van alle omstandigheden van het geval te worden vastgesteld, waarbij de wil/innerlijke gesteldheid van de ‘schenker’ slechts kan worden bewezen door middel van objectieve feiten, dat wil zeggen door middellijk of indirect bewijs. Het hof lijkt dit alles te miskennen, daarmee blijk gevend van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het niettegenstaande de vaststaande objectieve feiten en omstandigheden (zoals hiervoor in randnummer 5.2 achter 1 t/m 4 weergegeven, waaraan kunnen worden toegevoegd de hiervoor in randnummer 4.9 genoemde feiten en omstandigheden) tot het oordeel komt dat het niet kan vaststellen of erflaatster ‘de bevoordeling’ van [de zoon] heeft ‘gewild’. Dit laat geen andere conclusie toe dan dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (het heeft de vraag gesteld: ‘is de bevoordeling gewild?’ in plaats van ‘is de verrijking gewild?’) en dat het (vaststelling van) de subjectieve wil van erflaatster bepalend heeft geacht voor de aanwezigheid van een bevoordelingsbedoeling en/of dat het aan het bewijs van de innerlijke wil van erflaatster in de zin van een objectieve bevoordelingsbedoeling eisen heeft gesteld waarvoor geen steun te vinden is in het recht.
5.4
Verder geldt ook hier dat het hof één element van de reeks van (rechts)handelingen geïsoleerd beoordeelt, zonder daarbij het geheel van rechtshandelingen in ogenschouw te nemen. Dat is rechtens onjuist. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schenking van een registergoed, in een situatie als de onderhavige, komt het aan op het geheel van uitlatingen, gedragingen en (rechts)handelingen van partijen, waardoor de bedoeling op basis waarvan mede tot vereenzelviging moet worden geconcludeerd duidelijk wordt. Zie daarover nader hiervoor onder 2.5 en 2.6. Waar de afstand door erflaatster van recht van het recht van gebruik en bewoning volgens de stellingen van [de dochter] de finale stap was in een samenstelsel van rechtshandelingen76. waardoor erflaatster definitief haar woning kwijtraakte (tezamen een schenking van de woning opleverend) had het hof bij de beantwoording van de vraag of voldoende is komen vast te staan dat erflaatster met de afstand van haar recht op gebruik en bewoning de (objectieve) bedoeling had om [de zoon] te bevoordelen (dus: de verrijking heeft gewild), die overige (rechts)handelingen, uitlatingen en gedragingen van partijen dienen te betrekken. De essentie van het Erven Bal arrest is immers dat naar het samenstelsel van rechtshandelingen als één geheel moet worden gekeken.
5.5
Het oordeel is in ieder geval niet voorzien van een voldoende begrijpelijke motivering.
5.5.1
Ontoelaatbaar onduidelijk blijft wat het hof bedoelt met 'de feitelijke gang van zaken'. Het hof verzuimt ten enenmale om inzicht te geven in zijn gedachtegang welke feiten en omstandigheden naar zijn oordeel dan maken dat géén sprake was van een gift. Het oordeel voldoet daarmee niet aan de motiveringseisen die aan elke rechterlijke beslissing gesteld kunnen worden. De hiervoor in randnummer 5.2 aangeduide vaststaande feiten en omstandigheden kunnen dat oordeel in ieder geval niet dragen, integendeel zij wijzen alle in een andere richting.
5.5.2
Die onbegrijpelijkheid geldt ook voor het oordeel dat erflaatster ‘als het ware’ het recht van gebruik en bewoning heeft voortgezet ten aanzien van het appartement. Dat erflaatster in het (aan [de zoon] in eigendom toebehorende) appartement ‘mocht wonen’ en daar ook feitelijk woonde tot aan haar overlijden, zegt immers niets over afwezigheid van bewustzijn bij erflaatster dat door de afstand van het recht van gebruik en bewoning van haar ‘voormalige kostbare woning’77. [de zoon] (aanzienlijk) werd verrijkt (en zij die verrijking ook wilde). Het hof verzuimt ten enenmale inzichtelijk te maken waarom dit feit van bewoning van het appartement van [de zoon] voor het vaststellen van de bevoordelingsbedoeling van erflaatster enige, laat staan: doorslaggevende, betekenis zou moeten worden toegekend.
5.5.3
Het hof respondeert in het geheel niet op de essentiële stellingen van [de dochter] dat de afstand van het genotsrecht deel uitmaakt van het samenstelsel van rechtshandelingen en daarmee van de schijnconstructie. Dat maakt dat het oordeel niet voorzien is van een toereikende motivering.
5.5.4
Het oordeel is eens te meer onbegrijpelijk omdat — in de eigen woorden van het hof (rov. 30) — de aankoop van het appartement op naam van [de zoon] om een woonruimte voor erflaatster te creëren een ‘opmerkelijke transactie’ is. Nadat het hof eerst de stelling van [de dochter] dat [de zoon] ten onrechte heeft geprobeerd zijn moeder te laten betalen voor zijn eigen eigenaarslasten inzake het appartement78. als juist heeft beoordeeld, overweegt het: ‘Het appartement is aangekocht omdat erflaatster de woning te Rotterdam had verlaten met als gevolg dat het blooteigendom van [de zoon] met betrekking tot de woning te [a-plaats] is aangegroeid tot voleigendom. [de zoon] had dus de woning kunnen verkopen, zijn schuld aan erflaatster kunnen aflossen en vervolgens had erflaatster het appartement kunnen aankopen.’ Dit door het hof vastgestelde feit sluit aan bij hetgeen [de dochter] daarover naar voren heeft gebracht79. en vormt een nader argument voor de stelling van [de dochter] dat ook de afstand van het recht van gebruik van bewoning door erflaatster (tezamen met het feitelijk verlaten van de woning door erflaatster en de verhuizing naar een door [de zoon] aangekocht appartement) onderdeel is van het samenstelsel van rechtshandelingen en de door [de zoon] opgetuigde schijnconstructie. Bij zijn oordeel over de vraag of de afstand van het recht van gebruik en bewoning een gift was, had het hof aan de stelling van [de dochter] over de schijnconstructie niet ongemotiveerd voorbij mogen gaan en had het tevens zijn vaststellingen in rov. 30 daarover kenbaar dienen te betrekken. Dat klemt nog eens te meer nu vaststaat dat de woning ten tijde van het doen van afstand door erflaatster op […] 2005 een waarde had van minimaal € 1.800.000 (zie hiervoor in randnummer 5.2) en de Westland/Utrecht Hypotheekbank kort daarna, te weten op […] 2007, bereid was een hypotheek aan [de zoon] te verstrekken op de woning voor een totaal bedrag van € 2.590.000.80.
6. Onderdeel 4: verzuim te beslissen op subsidiaire vordering
[de dochter] heeft subsidiair betoogd dat als er (slechts) een te lage prijs is betaald voor het blooteigendom van de woning er sprake is van een gift ten bedrage van het verschil tussen de betaalde prijs en de reële prijs voor het blooteigendom op het moment dat de rechten van gebruik en bewoning of vruchtgebruik eindigen door overlijden of door afstand. Zij heeft betoogd dat van een dergelijke gift in ieder geval sprake is, waarvan de waarde dan bij de legitimaire massa zou moeten worden opgeteld.81. [de dochter] heeft deze stellingen niet prijsgegeven in hoger beroep. Het hof vermeldt deze subsidiaire vordering van [de dochter] echter (ten onrechte) niet in rov. 13 van zijn arrest en heeft daarop eveneens ten onrechte geen beslissing gegeven. Het heeft daarmee de devolutieve werking van het appel82.miskend en/of in strijd met art. 23 Rv gehandeld, daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
7. Conclusie
Gegrondbevinding van een of meerdere klachten uit de onderdelen 1, 2 of 3, maakt dat de daarop voortbouwende oordelen evenmin in stand kunnen blijven, dat geldt met name voor rov. 55, 56, 59, 60 en het dictum, alinea een, twee, drie, vijf en zeven.
Mitsdien:
En op grond van dit middel te horen eis doen dat het de Hoge Raad behage het arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 8 augustus 2023 waarvan beroep, te vernietigen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; kosten rechtens.
Datum: 7 november 2023
Mr. J. van Duijvendijk-Brand
advocaat bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 07‑11‑2023
Ondanks de omvang van deze inleiding is deze toch ‘in vogelvlucht’ in een procedure die al meer dan 12 jaar duurt, waarin niet minder dan vijf pleidooien hebben plaatsgevonden (drie bij het hof), meerdere incidenten door [de zoon] zijn opgeworpen en processtukken zijn geproduceerd die meer dan 90 pagina's beslaan.
Zie arrest hof, p. 2 en 3 (PS 80).
Akte overlegging productie 6 zijdens [de zoon] (PS 8), document 4.
Tussenvonnis van 9 januari 2013 (PS 16), rov. 9.2.
PS 28, rov. 2.9-2.10 en dictum 3.3.
PS 31.
PS 43, rov. 3.8-3.8.1.
De hypotheekakte is door [de dochter] overgelegd als prod. 30 bij cva na deskundigenrapport (PS 34).
Arrest hof (PS 80), rov. 13, waarbij opgemerkt wordt dat in de tekst van het arrest de gecursiveerde woorden zijn weggevallen.
Cva in r (PS 10), nr. 16. Zie ook Akte (PS 18), nr. 11.
Cva na deskundigenbericht en na enquête (PS 34), nrs 26 t/m 36 en 41 t/m 45 met producties 34 en 35. Zie ook MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 5.
Cvr in r (PS 13), meer in het bijzonder nrs 5 t/m 8 en 10–11 en 18 t/m 22; MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 11, 26, 71, 81/82, 120, 123, 165 e.v., 245 e.v. Zie voorts de pleitnota van mr. Kool (PS 76), nr. 5.
HR 19 maart 1982, NJ 1983/250.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 167.
Cva na deskundigenbericht en na enquête (PS 34), nrs 26 t/m 36 en 41 t/m 45 met producties 34 en 35.
Het woord ‘bevoordelingsbedoeling’ komt zo'n 50 keer voor in de MvG van [de zoon], aldus [de dochter] in haar MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 7.
Asser/Perrick 4 2021/257-258. Zie ook HR 11 april 2003, NJ 2003/493, m.nt. W.M. Kleijn.
Zie Asser/Perrick 4 2012, t.a.p. Zie voorts Toelichting Wiersma, Ontwerp NBW, Toelichting vierde gedeelte (Boek 7), 1972, p. 894.
In haar MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nrs. 57/58 heeft [de dochter] een uiteenzetting gegeven, aan de hand van literatuur en rechtspraak, over het begrip bevoordelingsbedoeling’.
Zie over een ander de conclusie van A-G Wissink ECLI:NL:PHR:2019:1083.
Zie de conclusie van A-G Groenveld § 4.5 voor HR 12 juli 2002, ECLI'NL:HR:2002:AD7272.
Zie onder meer W.H.D. Asser, Bewijslastverdeling, Serie Burgerlijk Procesrecht & Praktijk, nr. 3, Kluwer 2004, nr. 3 en Asser Procesrecht/Asser 3 2017/295.
HR 11 april 2003, NJ 2003/493, m.nt. W.MK
Vergelijk ook HR 1 mei 2015, NJ 2015/378, m.nt. L.C.A. Verstappen.
Zie K.L.H. Van Mens, Civielrechtelijke fiscaalrechtelijke aspecten van het schenkingsbegrip, dissertatie UvA 1985, Deventer: Kluwer 1985, p. 108. Zie voorts T.J. Mellema-Kranenburg, De legitieme portie, dissertatie RUL 1988, Kluwer: Deventer 1988, p. 75.
Van Mens, a.w. p. 106.
Dit sluit aan bij de rechtspraak dat de vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen voorafgaat aan de kwalificatie van de overeenkomst. Vgl. HR 20 december 2019, NJ 2020/43.
Vgl. HR 12 oktober 2012, NJ 2012/589 en HR 10 juni 2022, NJ 2022/218.
Cva in c/tevens cve in r (PS 5), nr. 8.
Zie onder meer MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 46, 71, 82
Aldus ook [de dochter] in haar Cvr in c (PS 13), nrs. 47 en 48.
In zijn reactie in MvA in het incidenteel appel (PS 71), nrs. 2.12 en 213 stelt [de zoon] dat a-straat 3. niet vergelijkbaar is. Op die woning ziet de stelling van [de dochter] echter niet.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 59.
Cva in r (PS 10), nr 13,), antwoord-conclusie in het incident (PS 67), nr. 30 en MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nrs. 46/7 en 128.
PS 31.
Cva na deskundigenbericht en na enquête (PS 34), nr. 61, Pleitnota mr. Kool (PS 76), nr. 18 en Pleitnota mr. Kool (PS 79), nrs. 17 en 18, MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 62–64 en 120.
Productie 1 bij de inleidende dagvaarding (PS 1).
Productie 2 bij cva in c/tevens cve in r (PS 5).
Cva in c/tevens cve in r (PS 5), nr. 11 en Cvd in c tevens cvr in r, nr. 27.
Cva in r (PS 10), nr. 5 t/m 8, cva na deskundigenrapport en enquête/tevens houdende wijziging van eis (PS 34), nrs 58-59; MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 46/47, 68, 71, 82 en 123/124; Pleitnota mr. Kool (PS 76), nr. 19.
Pleitnota mr. Kool (PS 76), nr. 19.
Stb 1994/874.
Het rapport is door [de zoon] in het geding gebracht als productie 3 bij cva in c tevens cve in r (PS 5).
Cva in c tevens cve in r (PS 5), nr. 15.
Cva in r (PS 10), nr. 5 t/m 8. Zie ook MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 124.
Cva na deskundigenrapport en enquête/tevens houdende wijziging van eis (PS 34) nrs. 36 t/m 38. en prod. 33.
Pleitnotities mr. Fluitman (PS 39), nr. 5; P-V 19-01-2017, blad 2; Antwoordconclusie in het incident (PS 64), nrs. 32–34; MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 5, 48, 51, 61 en 65–68 en 240
P-V 19-01-2017, blad 2, Antwoordconclusie in het incident (PS 54), nr. 4 en 32–34, MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nrs. 10, 65–68 en 51. In dat laatste randnummer wijst [de dochter] er nog op er nog op dat uit de bandopname blijkt dat tijdens het gesprek met de notaris het testament aan de orde is gekomen maar zij dat onderwerp heeft laten rusten.
Zie rov. 33 van het arrest.
CvA na deskundigenbericht en na enquête, tevens wijziging eis (PS 34), nr. 37–40 en MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nrs. 10, 48 en 50.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr.48 en Pleitnota mr. Kool (PS 76), nr. 17.
Zie rov. 30 van het arrest.
Wie de moeite neemt om de volledige transcriptie van de bandopname te lezen, kan slechts volmondig beamen dat van een sturing van erflaatster tijdens dit gesprek geen sprake is. De notaris heeft slechts vragen van erflaatster beantwoord en heeft een zeer uitgebreide, geduldige, uitleg heeft gegeven over wat er nu precies met de woning is gebeurd.
Zie daarover en de invloed die [de zoon] hierbij op erflaatster heeft uitgeoefend MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), meer in het bijzonder nrs. 92 en 197.
Zie ook hiervoor onder 1.2. Gaat dan om een beweerdelijke schuld van Erflaatster aan [de zoon] (1) wegens beweerdelijke betalingen door [de zoon] voor de woning en het levensonderhoud van erflaatster en (2) het ‘Canada-project’.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 167, 177–178.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 11; Pleitnota mr. Kool (PS 76), nr. 5–7
Zij heeft ter verduidelijking nog aangevoerd dat de door de deskundige vastgestelde waarde per datum [datum] 1995 (waarmee zij zich kan verenigen) in zoverre niet relevant is dat, gezien het samenstelsel van rechtshandelingen, ook los van de koopsom moet worden uitgegaan van een schenking van de woning. Zie onder meer Pleitnota mr. Fluitman (PS 39), nr. 20.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 5, 45, 81 en 247.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 11, 39–44.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 5, 45 en 81.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 81 en Pleitnota mr. Kool (PS 76), nr. 16.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 5, 45 en 81.
Arrest hof, rov. 30.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 34–37 en 48.
[de dochter] heeft hierbij verwezen naar de uitspraken van erflaatster gedaan tijdens het gesprek met notaris Busink, waarin erflaatster verklaart dat zij geen moeite had met traplopen en helemaal niet wilde verhuizen. Zie Antwoordconclusie in het incident (PS 54), nr. 6. Dit feit staat dus bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag vast.
Arrest hof, rov. 33.
Deskundigenrapport (PS 31). Waar het hof de juistheid van deze deskundigentaxatie in het midden laat dient daarvan bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag te worden uitgegaan.
MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 59. Waar het hof de juistheid van deze stelling in het midden laat, dient daarvan bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag te worden uitgegaan.
Zie rov. 30 waar het hof terecht vaststelt dat door de afstand van het recht van gebruik en bewoning de blooteigendom van [de zoon] is aangegroeid tot voleigendom.
[de dochter] heeft onder verwijzing naar de door haar (als productie 30) in het geding gebrachte hypotheekakte d.d. […] 2007 betoogd dat de waarde op een nog veel hoger bedrag moet liggen, nu zekerheid is verleend tot een totaalbedrag van € 2.590.000. MvA tevens mvg in inc incidenteel appel (PS 70), nr. 150–153 en 158.
Zie MvA tevens MvG in incidenteel appel (PS 70), nr. 152 en Pleitnota mr. Kool, nrs.14 t/m 16 en 22.
Arrest hof, rov. 19.
Mva tevens MvG in het incidenteel appel (PS 70), nrs. 145 t/m 148.
[de dochter] heeft betoogd dat als erflaatster haar woning in 2005 zelf had verkocht zonder hypotheek zij daar ongeveer twee miljoen voor had kunnen krijgen en dan een riante oude dag had kunnen hebben in een mooi en groot koop of huur appartement. Mva tevens MvG in het incidenteel appel (PS 70), nr. 183.
Zie de door [de dochter] overgelegde hypotheekakte, prod. 30 bij CvA na deskundigenrapport en na enquête tevens wijzing van eis (PS 34).
Cva na deskundigenbericht en na enquête (PS 34), nrs 26 t/m 36 en 41 t/m 45 met producties 34 en 35.