Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/3.2.3
3.2.3 Literatuur
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS351709:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/289. Zo ook A. van der Krans, De zeven pijlers van corporate democracy, Onderneming & Financiering 2011, p. 8 en 15, die wijst op het belang van samenhang tussen economisch belang en juridische zeggenschap voor een goede corporate democracy. B.T.M. Steins Bisschop spreekt van “de in het Nederlands vennootschapsrecht besloten norm dat aan kapitaalverschaffers in beginsel zeggensmacht toekomt”, Verslag van de vergadering van de Vereeniging ‘Handelsrecht’ over Eigendom ten titel van beheer, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1991, p. 18. Enigszins anders: F.J.P. van den Ingh, Certificering en certificaat van aandeel bij de besloten vennootschap (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1991, p. 114-119, mede op basis van nadere duiding van het Drukker arrest (HR 1 juli 1988, NJ 1989/226) waaruit volgt dat het ontbreken van zeggenschap bij de kapitaalverschaffer bij niet-royeerbare certificaten niet maatschappelijk onaanvaardbaar is.
G.T.M.J. Raaijmakers, Synthetische aandelenbelangen in beursvennootschappen, in: G.T.M.J. Raaijmakers en R. Abma, Achter de schermen van beursaandeelhouders, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Deventer: Kluwer 2007, p. 56.
L. Timmerman, Grondslagen van geldend ondernemingsrecht (oratie Erasmus Universiteit), Ondernemingsrecht 2009/2, paragraaf 23.
Commissie Corporate Governance (Commissie Peters), Aanbevelingen inzake Corporate Governance in Nederland, 1997, Hoofdstuk 5, Het functioneren van de algemene vergadering van aandeelhouders en de rol van de kapitaalverschaffers, Groene Serie Rechtspersonen, Aanverwante stukken/ Corporate Governance.
De op 8 december 2016 gepresenteerde, maar nog niet op de voet van artikel 2:391 lid 5 BW verankerde nieuwe Corporate Governance Code, kent een bepaling met dezelfde strekking, zie best practice bepaling 4.3.4.
G.T.M.J. Raaijmakers, Securities lending en corporate governance, in: S.H.M.A. Dumoulin e.a., Tussen ‘Themis en Mercurius’, Deventer: Kluwer 2005, p. 248.
C.A. Schwarz, Slechts aandeelhouders hebben stemrecht, Groene Serie Rechtspersonen, aantekening 1 op artikel 2:118(2015).
J.W. Winter, Vennootschapsrecht en moderne technologie, in: R.E. van Esch, J.W. Winter en G.J. van der Ziel, Afscheid van papier – handelsrecht en moderne technologie, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Deventer: Kluwer 2001, p. 90, 91.
Van Solinge en Nieuwe Weme schrijven:1
“Als uitgangspunt geldt dat de waarde van het juridisch belang gelijk is aan het economisch belang, dat wil zeggen dat het stemrecht evenredig is aan de kapitaalsdeelname.”
Raaijmakers betoogt:2
“Maar de belangrijkste reden waarom het splitsen van economisch belang en juridische eigendom van aandelen door middel van synthetische posities een probleem oplevert in het recht, is omdat ons vennootschaps- en effectenrecht dit weliswaar niet verbiedt, maar tegelijkertijd wel uitgaat van de ongeschreven premisse dat economisch belang en juridische eigendom in één hand zijn.”
Timmerman heeft zich kritisch uitgelaten over de aanpassingen van het BV-recht op dit punt:3
“Bedenkelijk acht ik het dat onder het nieuw voorgestelde BV-recht de zeggenschap op de aandeelhoudersvergadering bij één aandeelhouder mag worden geconcentreerd en binnen de groep aandeelhouders niet naar verdeling van zeggenschap gestreefd hoeft te worden die in redelijk evenwicht staat met de grootte van de kapitaalinbreng.”
Ook Timmermans uitgangspunt lijkt daarmee dat een bepaalde kapitaalinbreng aanspraak geeft op een daarmee min of meer corresponderend niveau van rechten, althans zeggenschap.
De Commissie Corporate Governance (de Commissie-Peters, ingesteld in 1996), verwoordde het uitgangspunt zelfs als een beginsel:4
“Het kapitaal van een vennootschap kent twee, in elkaars verlengde gelegen functies, te weten een financieringsfunctie en een zeggenschapsfunctie. Onder normale omstandigheden zou er geen reden moeten zijn om deze twee functies los te koppelen. Als algemeen beginsel zou dan ook moeten gelden dat er evenredigheid bestaat tussen kapitaalinbreng en zeggenschap. Het adagium ‘one share, one vote’ is daarvoor de gangbare uitdrukking. Dit stelt alle kapitaalverschaffers – klein en groot – in staat om naar rato van hun kapitaalbelang zeggenschap en invloed uit te oefenen in de vennootschap.”
In dezelfde zin, maar minder principieel, stelt de Monitoring Commissie Corporate Governance Code in haar consultatiedocument van december 2006, punt 30:
“De Monitoring Commissie constateert dat de Code als zodanig geen bepalingen bevat over securities lending. Zij meent dat de veronderstelling die in de Code kan worden gelezen is dat zeggenschapsbelang zo veel mogelijk dient te sporen met het kapitaalbelang (vgl. bepaling IV.1.2).”
De genoemde bepaling IV.1.2 schrijft voor dat het stemrecht verbonden aan financieringspreferente aandelen gebaseerd is op de kapitaalinbreng.5 Raaijmakers leidt daaruit het beginsel af dat stemrecht op aandelen gebaseerd moet zijn op reële waarde van de kapitaalinbreng.6 Schwarz zit op dezelfde lijn en lijkt, in het kader van de bespreking van het gebruik van “stromannen”, te bepleiten dat aan de aandeelhouder zonder economisch belang geen stemrecht toekomt:7
“Terzijde merken wij op dat zo’n stroman het stemrecht, gegeven de ratio van de regeling, niet zou mogen toekomen nu hij geen aandeelhouder is in de zin van lid 1, omdat niet hij maar een andere partij de verschaffer is van het risicodragend kapitaal aan de vennootschap. Op dit uitgangspunt voortbordurend zou het uitoefenen van stemrecht door de (kunst)stroman kunnen worden gekwalificeerd als een situatie van ‘empty voting’. Hieronder wordt wel begrepen het uitoefenen van zeggensmacht door een partij die niet de eigenlijk verschaffer van risicodragend vermogen is. Men denke hier aan de situatie waarin een aandeelhouder zijn aandelen ‘uitleent’ aan een derde, die vervolgens het stemrecht op de uitgeleende aandelen uitoefent. Men spreekt dan wel over ‘lending of securities’, hetgeen in de Nederlandse context een verkeerde uitdrukking is, nu het uitlenen van aandelen niet kan leiden tot stemrecht bij de ‘inlener’. De wet bepaalt immers dat uitgangspunt is dat alleen aandeelhouders, te lezen als de eigenaren van het aandeel, stemrecht hebben. In de praktijk wast men dit varkentje door de aandelen juridisch te leveren aan de ‘inlenende’ partij, waarbij contractueel wordt overeengekomen dat de aandelen binnen korte tijd, dus bijvoorbeeld na de aanstaande algemene vergadering, worden teruggeleverd aan de ‘uitlener’ voor bijvoorbeeld dezelfde prijs als die bij levering, maar dan opgehoogd met een beperkte vergoeding voor het ‘uitlenen’ van de aandelen. In het licht van de ratio van de wettelijke regeling moet worden aangenomen dat de ‘inlener’ van de aandelen niet in staat is, althans zou moeten zijn, om rechtsgeldig op de aandelen te stemmen nu hij geen aandeelhouder is in de zin van lid 1 van dit artikel.”
Niet geheel duidelijk is of Schwarz bepleit de wet zo te wijzigen dat slechts aandeelhouders met (evenredig) economisch belang stemrecht hebben of dat hij betoogt dat dit naar geldend recht reeds het geval is. Het laatste lijkt mij bij gebreke aan een specifieke wettelijke basis geen houdbaar standpunt, ook omdat wet geen absolute koppeling tussen juridisch en economisch belang kent. Voor zover Schwarz wetswijziging bepleit, lijkt hij daarin niet geheel alleen te staan. Winter heeft bepleit, in het kader van dematerialisatie van aandelen en het uiteenlopen van goederenrechtelijke en vennootschapsrechtelijke aspecten van aandeelhouderschap, de vennootschapsrechtelijke bevoegdheden van de aandeelhouder los te koppelen van de goederenrechtelijke aanspraken in girale systemen, “om te bewerkstelligen dat degene die uiteindelijk het economisch belang bij de aandelen heeft, ook gerechtigd is om de vennootschapsrechtelijke bevoegdheden uit te oefenen”. Daar voegt hij aan toe: “Een dergelijke benadering lijkt ook aangewezen om problemen bij securities lending op te lossen.”8 Dit kan moeilijk anders worden verstaan dan als een pleidooi voor het koppelen van economisch belang en zeggenschapsrechten. Invoering van een regel dat slechts aandeelhouders met (evenredig) economisch belang stemrecht hebben is echter niet eenvoudig te realiseren, zie paragraaf 3.5.4a en paragraaf 5.3.3.