Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/3.2.1
3.2.1 De regeling van Boek 2 BW
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS343158:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 14 december 2007, NJ 2008/105 m.nt. Maeijer (Franklin/DSM), rov. 3.3.
Het nominale bedrag van het aandeel en het geplaatste kapitaal zijn weliswaar te beschouwen als rekeneenheden, zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/101 en 265, maar dat laat onverlet dat er gelet op de waarde die aan een aandeel kan worden toegekend, wel sprake is van een werkelijk economisch belang.
E.J.J. van der Heijden en W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, nr. 161. De tekst in de door Dortmond bewerkte druk (2013) is niet wezenlijk anders: “Tegenover dit alles is bijkomstig, dat het nominaal bedrag van de aandelen gewoonlijk de maatstaf oplevert voor verdeling der winst, voor de invloed door stemrecht enz. het nominale bedrag van de aandelen wordt dan als het ware als rekeneenheid gebruikt.”
Het kapitaal van de vennootschap is verdeeld in aandelen. De aandeelhouder dient de aandelen die hij neemt vol te storten door inbreng in geld of in natura. Die kapitaalsdeelname veronderstelt een economisch belang. De genomen aandelen zijn het gebruikelijke aanknopingspunt voor de juridische gerechtigdheid: de aandeelhouder stort kapitaal, heeft daarmee een economisch belang, en wordt gerechtigde tot zijn aandelen. Aan die juridische gerechtigdheid zijn verschillende rechten verbonden, zowel economische rechten als zeggenschapsrechten. Die economische rechten, zoals het recht op dividend, reserves en het liquidatiesaldo, behoren tot het economische belang. Bij overdracht van het economische belang bij het aandeel zijn het ook deze economische rechten – althans de daaruit voortvloeiende opbrengst – die geheel of gedeeltelijk worden doorgegeven, tezamen met het recht op de waardeontwikkeling van het ingebrachte kapitaal. De zeggenschapsrechten, zoals stemrecht en vergaderrecht, blijven doorgaans bij de juridisch gerechtigde.
Sommige aan aandelen verbonden rechten knopen aan bij het aandeelhouderschap op zich, zoals de aanspraak op een redelijke en billijke behandeling door de vennootschap. Voor zo’n recht volstaat in beginsel het houden van één aandeel. Veel rechten knopen echter aan bij het aantal aandelen dat een aandeelhouder houdt ten opzichte van het totaal aantal geplaatste aandelen. Het gaat bij dergelijke rechten om de proportionele kapitaalsdeelname, de aanspraak op een aandeel in het kapitaal van die aandeelhouder ten opzichte van het totale geplaatste kapitaal. De wet legt op veel plaatsen een verband tussen aandeelhoudersrechten en de proportionele kapitaalsdeelname. Dat gebeurt in algemene zin in de artikelen 2:92 lid 1 en 201 lid 1 BW, die voorschrijven dat voor zover de statuten niet anders bepalen, aan alle aandelen in verhouding tot hun bedrag gelijke rechten (en verplichtingen) zijn verbonden. Een aantal artikelen legt hetzelfde verband voor specifieke onderwerpen. Het aantal stemmen dat een aandeelhouder mag uitbrengen is, behoudens andere statutaire regeling, evenredig aan zijn proportionele kapitaalsdeelname, artikel 2:118 en 228 BW. Dat geldt ook voor het winstrecht, zoals valt af te leiden uit artikel 2:92/201 lid 1 en 105/216lid 6 BW. In de DSM-beschikking heeft de Hoge Raad geoordeeld dat statutaire afwijking door middel van een loyaliteitsdividend, mits met inachtneming van het beginsel van gelijkheid van aandeelhouders mogelijk is, daarbij bevestigend dat naar de hoofdregel “aan alle aandelen in verhouding tot hun bedrag gelijke rechten en verplichtingen zijn verbonden”.1 Eveneens knopen bij de proportionele kapitaalsdeelname aan het voorkeursrecht (artikel 2:96a/207a BW), het recht (machtiging tot) bijeenroeping van de algemene vergadering van aandeelhouders te verzoeken (artikel 2:110/220 BW), het agenderingsrecht (artikel 2:114a/224a BW), het recht een enquête te verzoeken (artikel 2:346 BW) en het recht medeaandeelhouders uit te kopen (artikel 2:92a/201a/359c BW). De wettekst verwijst steeds naar het bedrag van de aandelen of het verschaffen of vertegenwoordigen van een bepaald gedeelte van het geplaatste kapitaal.2 Voorts is de besluitvorming in de algemene vergadering van aandeelhouders bij verschillende belangrijke besluiten onderworpen aan versterkte meerderheden en quorum-eisen gebaseerd op een bepaalde proportionele kapitaalsdeelname, zoals artikel 2:121a/131a lid 1 BW (vermindering van het bedrag van de aandelen) of het doorbreken van een bindende voordracht bij de benoeming van bestuurders (artikel 2:133/243 lid 2 BW).
Van der Grinten schrijft dat het feit dat “het nominaal bedrag der aandelen gewoonlijk de maatstaf oplevert voor verdeling der winst, voor de invloed door stemrecht enz.” een bijkomstigheid betreft: “Deze rechten kunnen ook naar andere maatstaf worden geregeld.”3 Een andere maatstaf is zeker denkbaar en het geflexibiliseerde BV-recht biedt daarvoor meer ruimte dan het oude recht. Desalniettemin is de proportionele kapitaalsdeelname naar geldend recht nog steeds het belangrijkste aanknopingspunt voor (de omvang van) de rechten en verplichtingen tussen aandeelhouder en vennootschap.
De deelname in het kapitaal veronderstelt een economisch belang van de aandeelhouder bij de vennootschap. Een economisch belang van een bepaalde relatieve omvang leidt tot een corresponderend niveau van juridische gerechtigdheid met de bijbehorende omvang van rechten en verplichtingen. Deze koppeling is mijns inziens te beschouwen als een uitgangspunt van het vennootschapsrecht.