Hof Amsterdam 20 en 26 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:944 en ECLI:NL:GHAMS:2019:1002. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep in de onderhavige zaak een vergelijkbare verklaring afgelegd. Volgens het proces-verbaal van de zitting van 9 september 2022 (p. 5) heeft hij hier verklaard: “Toen ik van de politie in oktober 2018 hoorde dat het strafbaar was om het kakkerlakbordje te gebruiken ben ik daar direct mee gestopt”.
HR, 16-04-2024, nr. 22/03539
ECLI:NL:HR:2024:589
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-04-2024
- Zaaknummer
22/03539
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Staatsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:589, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑04‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:152
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:2744
ECLI:NL:PHR:2024:152, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:589
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑07‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0074
NJ 2024/168 met annotatie van N. Rozemond
NTS 2024/29
Uitspraak 16‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Groepsbelediging Joden door in marge van Israël-Palestina demonstratie op Dam in Amsterdam bord te tonen met daarop Israëlische vlag waarbij davidster was vervangen door blauwe kakkerlak (art. 137c.1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht. Is uitlating van verdachte onmiskenbaar gericht op “bepaalde groep mensen”? 2. Bewijsklacht. Heeft deze uitlating de strekking die groep mensen te beledigen wegens hun ras? 3. Beroep op recht op vrijheid van meningsuiting. Wordt met vervolging, berechting en bestraffing van verdachte ontoelaatbare inbreuk gemaakt op art. 10 EVRM? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:510 m.b.t ras in de zin van art. 137c Sr, HR:2009:BF0655, HR:2019:1816 en HR:2022:1468 m.b.t. beoordelingskader beledigend karakter van uitlating en belediging van groep mensen wegens i.c. hun ras en HR:2022:1468 en HR:2023:1742 m.b.t. beoordelingskader t.a.v. recht op vrijheid van meningsuiting en “chilling effect”. Hof heeft geoordeeld dat uitlating van verdachte onmiskenbaar was gericht op bepaalde groep mensen, te weten leden van Joods volk. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat davidster “symbool van Joods volk” is en dat vervangen van davidster door kakkerlak op afbeelding associatie oproept dat leden van Joods volk kakkerlakken zijn. Hof heeft verder overwogen dat die associatie mede wordt opgeroepen door algemeen bekende historische achtergrond van WOII, waarbij Joden Jodenster moesten dragen en zijn omgebracht “als waren zij ongedierte”. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats. Ad 2. Hof heeft verder geoordeeld dat uitlating van verdachte, verstaan als “leden van Joodse volk zijn kakkerlakken”, strekking heeft (mede tegen achtergrond van historische context) die groep mensen in ongunstig daglicht te stellen en hen aan te randen in hun eer en goede naam wegens hun ras, en dat verdachte door tonen van afbeelding in marge van demonstratie met bedoelingen opponenten een “fuck you” te geven, bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat afbeelding ook zou worden begrepen als “leden van Joodse volk zijn kakkerlakken”. Ook heeft hof geoordeeld dat deze uitlating geen artistieke expressie inhoudt noch bijdrage kan leveren aan enig maatschappelijk debat. Deze oordelen geven niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Ad 3. Hof heeft verweer van raadsman dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 EVRM verworpen. Hof heeft niet onbegrijpelijk overwogen dat strafvervolging van verdachte voor tlgd. uitlating geen afbreuk doet aan andere mogelijkheden voor verdachte (zonder gebruikmaking van bestreden afbeelding) om aandacht te vestigen op beleid van staat Israël en om bijdrage te leveren aan maatschappelijk debat hierover. Ook heeft hof bij zijn oordeel betrokken dat met oplegging van geldboete kan worden volstaan en dat daarbij onvoorwaardelijke strafoplegging niet passend is, zodat aan verdachte uitsluitend geheel voorwaardelijke geldboete van € 350 is opgelegd. Kennelijk oordeel hof dat onder deze omstandigheden bestraffing van bewezenverklaarde met geheel voorwaardelijke geldboete proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan “chilling effect” uitgaat op personen die door deelname aan demonstratie gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03539
Datum 16 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 september 2022, nummer 23-001499-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1
Het eerste cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Daartoe wordt in de kern opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de uitlating van de verdachte onmiskenbaar is gericht op een bepaalde groep mensen en de strekking heeft die groep mensen te beledigen wegens hun ras. Het tweede cassatiemiddel komt op tegen de verwerping door het hof van het beroep van de verdachte op het onder meer in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.1
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
“op 7 juni 2018 te Amsterdam, zich in het openbaar bij afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden wegens hun ras, door in het openbaar een bord te tonen met daarop de afbeelding van een blauwe kakkerlak met twee horizontale blauwe strepen.”
2.2.2
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Toetsingskader
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 137c, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr). Deze bepaling luidt als volgt:“Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
In zijn rechtspraak heeft de Hoge Raad het volgende toetsingskader ontwikkeld, zoals verwoord in zijn beslissing HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1816.
“2.4.1 (...) Een uitlating kan als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is, zal bij een uitlating die in het algemeen op zichzelf niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan (vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796).2.4.2 In het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van art. 137c Sr moet worden aangenomen dat het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst alleen onder art. 137c Sr valt als men de mensen, behorend tot die groep, collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en men hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn. Vereist is dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen (vgl. HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655).2.4.3 Het, onder meer in art. 10 EVRM gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van groepsbelediging in de zin van art. 137c Sr niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van art. 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging in de zin van voormelde wettelijke bepaling, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583).”
Bewijsvoering en bespreking van gevoerde bewijsverenVerweren
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn pleitnota aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, omdat zijn uiting niet was gericht op een groep mensen, zoals bedoeld in artikel 137c Sr. Hij heeft zich niet beledigend uitgelaten over Joden en/of Israëliërs, maar kritiek geuit op de staat Israël in de context van het debat over Palestina en Israël.De gewraakte uiting van de verdachte is niet onmiskenbaar gericht tegen een groep mensen wegens hun ras en/of godsdienst. De verdachte uitte met de kakkerlakvlag uitsluitend kritiek op het niet-naleven van het internationaal publiekrecht door de staat Israël en op de mensenrechtensituatie in de door Israël bezette Palestijnse gebieden. Dit wordt bevestigd door de context van de uiting, omdat de overige uitingen van de verdachte eveneens uitdrukkelijk de politiek van de staat Israël als enig onderwerp hadden. Met de door de verdachte bewerkte kakkerlakvlag wordt niets ten nadele uitgedrukt over het ras of de religie van Joden of Israëliërs. De staat Israël bevat vele bevolkingsgroepen en religieuze groepen. Bovendien zijn Joden niet een ras. De davidster kan niet als symbool van ‘de Joden’ worden aangemerkt, maar als symbool van de staat Israël. Daarnaast symboliseert de davidster het Joodse geloof en dus niet de personen die dat geloof belijden. Dat de verdachte zijn uiting expliciet en uitsluitend richtte op de staat Israël en/of haar regering blijkt uit het feit dat hij het symbool van het land – de nationale vlag – artistiek had bewerkt. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.
De feiten die het hof aan zijn beoordeling ten grondslag legt
Uit de stukken van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken blijkt dat de verdachte op 7 juni 2018 in het centrum van Amsterdam heeft gedemonstreerd. Daarbij zat hij op zijn scootmobiel met daarop bevestigd bordjes met daarop onder meer de teksten “Free Palestine”, “Boycott Israël” en “Zionism = Fascism by Anti-Semites who claim to be Jewish”. De verdachte voerde ook een aan zijn scootmobiel bevestigde hengel mee met daaraan een Palestijnse vlag en hij had een petje op met daarop de tekst “Free Palestine”. De verdachte wilde op deze manier aandacht vragen voor het onrecht dat de staat Israël de Palestijnen aandoet. In de marge van deze demonstratie heeft de verdachte op enig moment, in het openbaar een afbeelding getoond van een Israëlische vlag waarin de davidster is vervangen door een grote blauwe kakkerlak. Deze afbeelding vormde geen vast onderdeel van de uitingen tijdens de demonstratie van de verdachte. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij deze afbeelding in zijn tas had zitten. Alleen als personen met een tegengesteld standpunt voor de verdachte – vaak als groep – hinderlijk werden, haalde hij deze afbeelding uit zijn tas en toonde hij die aan deze personen. De verdachte wilde hiermee tegenover deze personen zijn standpunt benadrukken en hen naar zijn zeggen ‘een fuck-you geven’.
[betrokkene 1] heeft deze afbeelding gezien en heeft aangifte gedaan. Hij heeft daarbij uiteengezet dat hij zich als iemand van Joodse afkomst, wiens grootouders in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord, gekwetst voelt door de afbeelding van de Israëlische vlag waarbij de davidster is vervangen door een kakkerlak. Hij verstaat deze uitlating kort gezegd als: “Joden zijn ongedierte dat verdelgd moet worden”.
Ter terechtzitting van 9 september 2022 is door het hof aan de orde gesteld dat volgens Van Dale’s woordenboek, een algemeen toegankelijke bron, de davidster een ‘symbool van het Joodse volk’ is.
Beoordeling door het hof
De afbeelding die de verdachte in het openbaar heeft getoond waarin de davidster is vervangen door een grote kakkerlak roept evident (ook) de associatie op: leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken. Die associatie wordt mede opgeroepen door de algemeen bekende historische achtergrond van de Tweede Wereldoorlog waarin miljoenen Joden (ook velen uit Amsterdam) hun Joods zijn zichtbaar moesten maken door het dragen van een jodenster, afgeleid van de davidster, en vervolgens in Duitse concentratiekampen zijn omgebracht, als waren zij ongedierte. Die historische context maakt de uiting des te meer grievend. De uitlating van de verdachte is aldus onmiskenbaar gericht op een bepaalde groep mensen, te weten de leden van het Joodse volk. Zij heeft de strekking die groep mensen in een ongunstig daglicht te stellen en hen aan te randen in hun eer en goede naam wegens hun ras. Daarbij wordt de term ras uit artikel 137c Sr verstaan in de ruime betekenis die daaraan moet worden toegekend.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de uiting van de verdachte, verstaan als: leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken, groepsbelediging oplevert, terwijl die uiting geen artistieke expressie inhoudt noch een bijdrage kan leveren aan enig maatschappelijk debat.
Dat ook een interpretatie van de afbeelding denkbaar is waarbij kan worden betoogd dat deze betrekking heeft op de staat Israël en zijn beleid, doet niet af aan de voormelde associatie die de afbeelding evident oproept. De verdachte heeft, door de afbeelding onder de genoemde omstandigheden te tonen, in de marge van zijn demonstratie met de bedoeling opponenten ‘een fuck-you te geven’, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze afbeelding zou worden begrepen als ‘leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken’ en heeft hij zich dus schuldig gemaakt aan voorwaardelijk opzettelijke groepsbelediging.”
2.2.3
Het hof heeft over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde overwogen:
“De raadsman heeft onder verwijzing naar de hiervoor besproken bewijsverweren, kort samengevat, aangevoerd dat strafrechtelijke sanctionering een ontoelaatbare inbreuk op de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van expressie van de verdachte vormt en/of niet proportioneel is voor wat betreft het daarmee te bereiken doel. Derhalve dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof ziet onder ogen dat de veroordeling van de verdachte een beperking oplevert van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, EVRM. Die inbreuk is echter bij wet voorzien, te weten in de strafbepaling van artikel 137c Sr. Voorts is het hof van oordeel dat die beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de eer en goede naam van Joodse mensen. Dat de verdachte zijn uiting heeft gedaan in de marge van een demonstratie waarin hij het beleid van de staat Israël aan de orde wilde stellen, leidt niet tot een ander oordeel. De strafvervolging van de verdachte ter zake van deze concrete uiting (de kakkerlakvlag) doet geen afbreuk aan de overige mogelijkheden voor de verdachte om de aandacht te vestigen op het beleid van de staat Israël en om een bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat daarover.
Ook gelet op de hoogte van de op te leggen straf – in relatie tot het maximum van één jaar gevangenisstraf dat ter zake van het misdrijf van artikel 137c, eerste lid, Sr kan worden opgelegd – is het hof van oordeel dat de beperking van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting niet in strijd is met artikel 10 EVRM. Derhalve verwerpt het hof het gevoerde verweer.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”
2.2.4
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 350 en over deze strafoplegging onder meer overwogen:
“De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke belediging van een groep mensen, Joden, wegens hun ras. Hij heeft publiekelijk een afbeelding van de Israëlische vlag getoond, waarin de blauwe davidster was vervangen door een blauwe kakkerlak. Dit kan door leden van het Joodse volk als ernstig grievend worden ervaren. Het hof rekent dit de verdachte aan.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met het feit dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 augustus 2022, niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld. Voorts zijn inmiddels ruim vier jaren verstreken sinds de verdachte de strafbare afbeelding heeft getoond. Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard de kakkerlakvlag vanaf oktober 2018 niet meer te hebben gebruikt. Hoewel in beginsel een onvoorwaardelijke geldboete in de rede zou hebben gelegen, ziet het hof, alles afwegende, en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop, aanleiding de boete geheel voorwaardelijk op te leggen.”
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘beledigend’, ‘een groep mensen’ en ‘ras’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.
2.3.2
Artikel 137c lid 1 Sr luidt:
“Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
2.4.1
De in artikel 137c lid 1 Sr voorkomende term ‘ras’ moet worden uitgelegd overeenkomstig de strekking van de in artikel 1 lid 1 van het Internationaal Verdrag van New York van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie gegeven opsomming, waarin naast ras ook wordt genoemd: huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming (vgl. HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510).
2.4.2
Een uitlating kan als beledigend worden beschouwd als zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Dat betekent dat onder het zich beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, als bedoeld in artikel 137c lid 1 Sr, moet worden verstaan het zich nodeloos krenkend uitlaten over een groep mensen omdat die groep van een bepaald ras is. Het gaat er daarbij om dat men de mensen, die tot de groep behoren, collectief treft in wat voor die groep kenmerkend is, namelijk hun ras, en men hen beledigt juist omdat zij tot dat ras behoren. Vereist is dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun ras wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen. (Vgl. HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655; HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1816, rechtsoverwegingen 2.4.1 en 2.4.2; en HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1468, rechtsoverweging 2.4.)
2.4.3
Het, onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling voor groepsbelediging in de zin van artikel 137c Sr niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 EVRM toegelaten – te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Mede gelet op artikel 10 EVRM en de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) moet bij de beoordeling of een uitlating strafbaar is op grond van artikel 137c Sr, acht worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating en op de context – waaronder, in lijn met de rechtspraak van het EHRM, is te verstaan “the immediate or wider context” – waarin de uitlating is gedaan. Daarbij moet onder ogen worden gezien of de betreffende uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie. Ook moet onder ogen worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. (Vgl. HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1468, rechtsoverweging 2.4.)
2.4.4
Waar het gaat om het optreden van de autoriteiten in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, is van belang dat in de rechtspraak van het EHRM wordt benadrukt dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction, and notably to deprivation of liberty”. Als zo’n strafbaar feit wordt vervolgd, moet de rechter zich daarom ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden – waaronder ook de bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. (Vgl. ook HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742, rechtsoverweging 2.3.8.)
2.5.1
De vaststellingen van het hof houden het volgende in. De verdachte heeft in het centrum van Amsterdam met gebruikmaking van bordjes met teksten, een pet met daarop een tekst en een Palestijnse vlag gedemonstreerd om “aandacht [te] vragen voor het onrecht dat de staat Israël de Palestijnen aandoet”. In de marge van deze demonstratie heeft de verdachte op enig moment in het openbaar een afbeelding getoond van een Israëlische vlag, waarbij de davidster was vervangen door een grote blauwe kakkerlak. Die afbeelding vormde geen vast onderdeel van de uitingen van de demonstratie van de verdachte. Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij de afbeelding alleen uit zijn tas haalde om deze te tonen aan – in de ogen van de verdachte: hinderlijke – personen met een tegengesteld standpunt om zo tegenover die personen zijn standpunt te benadrukken en, naar zijn zeggen, een ‘fuck you’ te geven.
2.5.2
Het hof heeft geoordeeld dat, onder de in 2.5.1 genoemde omstandigheden, de uitlating van de verdachte onmiskenbaar was gericht op een bepaalde groep mensen, te weten de leden van het Joodse volk. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de davidster “een symbool van het Joodse volk” is en dat het vervangen van de davidster door een kakkerlak op de afbeelding de associatie oproept dat leden van het Joodse volk kakkerlakken zijn. Het hof heeft verder overwogen dat die associatie mede wordt opgeroepen door de algemeen bekende historische achtergrond van de Tweede Wereldoorlog, waarbij Joden een Jodenster moesten dragen en zijn omgebracht “als waren zij ongedierte”. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats. Voor zover de cassatiemiddelen hierover klagen, falen deze.
2.5.3
Het hof heeft verder geoordeeld dat de uitlating van de verdachte, verstaan als “leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken”, de strekking heeft – mede tegen de achtergrond van de eerdergenoemde historische context – die groep mensen in een ongunstig daglicht te stellen en hen aan te randen in hun eer en goede naam wegens hun ras, en dat de verdachte door het tonen van de afbeelding in de marge van een demonstratie met de bedoeling opponenten een ‘fuck you’ te geven, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de afbeelding ook zou worden begrepen als “leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken”. Ook heeft het hof geoordeeld dat deze uitlating geen artistieke expressie inhoudt noch een bijdrage kan leveren aan enig maatschappelijk debat. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Voor zover de cassatiemiddelen hierover klagen, falen deze eveneens.
2.5.4
Het hof heeft ten slotte het verweer van de raadsman dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikel 10 EVRM verworpen. In dat verband heeft het hof niet onbegrijpelijk overwogen dat de strafvervolging van de verdachte voor de tenlastegelegde uitlating geen afbreuk doet aan andere mogelijkheden voor de verdachte – dat wil zeggen: zonder gebruikmaking van de bestreden afbeelding – om de aandacht te vestigen op het beleid van de staat Israël en om een bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat hierover. Ook heeft het hof bij zijn oordeel dat een veroordeling van de verdachte niet in strijd komt met artikel 10 EVRM betrokken dat met de oplegging van een geldboete kan worden volstaan en dat daarbij een onvoorwaardelijke strafoplegging niet passend is, zodat aan de verdachte uitsluitend een geheel voorwaardelijke geldboete van € 350 is opgelegd. Het kennelijke oordeel van het hof dat onder deze omstandigheden de bestraffing van het bewezenverklaarde met een geheel voorwaardelijke geldboete proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die door deelname aan een demonstratie gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting, geeft gelet op wat onder 2.4.3 is vooropgesteld niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
2.6
De cassatiemiddelen falen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering, M. Kuijer, C.N. Dalebout en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024.
Conclusie 13‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. 137c Sr. Verdachte heeft bord met ‘kakkerlakvlag’ getoond. Dit betrof een bewerking van de vlag van Israël, waarin de davidster was vervangen door een kakkerlak. Levert dit groepsbelediging op van Joden wegens hun ras? Plv. AG is van mening dat door het vervangen van juist dat onderdeel van de vlag waarmee (de verbinding tussen de staat Israël en) het Joodse volk tot uitdrukking wordt gebracht, de uitlating van de verdachte door het hof kon worden begrepen als een uitlating die is gericht tegen Joden. Deze uitlating kon het hof ook aanmerken als strafbare groepsbelediging. Conclusie strekt tot verwerping.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03539
Zitting 13 februari 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 23 september 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "zich in het openbaar bij afbeelding opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras", veroordeeld tot geldboete van € 350,00, te vervangen door zeven dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk en met een proeftijd van één jaar. Daarnaast is een vordering van een benadeelde partij door het hof afgewezen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
2.1
Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte tijdens een demonstratie in Amsterdam op 7 juni 2018, in het openbaar, een bord heeft getoond met daarop een Israëlische vlag waarin de davidster was vervangen door een blauwe kakkerlak. Dit heeft het hof gekwalificeerd als het delict genoemd in art. 137c Sr, door deze gedraging aan te merken als groepsbelediging van Joden wegens hun ras.
2.2
Voor een goed begrip van de zaak kort iets over de voorgeschiedenis. Uit de stukken van het geding maak ik op dat de verdachte in april 2018 bij een eerdere demonstratie eenzelfde kakkerlakvlag heeft getoond alsmede een tweede vlag, waarin het midden van de vlag was vervangen door een hakenkruis. Tegen de beslissing om voor die feiten niet te vervolgen is een artikel 12-klacht ingediend. Het beklag in die zaak is in maart 2019 op opportuniteitsgronden afgewezen, waarbij het hof betekenis heeft toegekend aan - kort gezegd - het feit dat de beklaagde de laakbaarheid van zijn handelen inmiddels had ingezien en had aangegeven beide vlaggen niet meer te zullen gebruiken.1.
2.3
In de tussenliggende periode heeft de verdachte dus nog wel de afbeelding van de kakkerlakvlag getoond op 7 juni 2018, hetgeen de gedraging betreft die in deze zaak aan de orde is. Op 14 juni 2021 heeft de rechtbank Amsterdam de verdachte hiervoor vrijgesproken, omdat de uitlating van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet onmiskenbaar was gericht tegen een bevolkingsgroep, maar wel althans mede (zo blijkt niet ondubbelzinnig uit het vonnis) tegen de staat Israël, hetgeen niet strafbaar is.2.Het hof oordeelde anders en kwam wel tot een bewezenverklaring.3.
2.4
In cassatie worden twee middelen van cassatie voorgesteld. Beide middelen bestrijden het oordeel van het hof dat de gedraging van de verdachte strafbare groepsbelediging oplevert. Met het eerste middel wordt - met zes deelklachten - opgekomen tegen de bewezenverklaring. De eerste deelklacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat wel sprake is van een uitlating die onmiskenbaar is gericht tegen een bevolkingsgroep en heeft dus betrekking op het onderdeel waarin het hof afwijkt van het vonnis van de rechtbank (met dien verstande dat de rechtbank doordat zij deze eerste horde niet nam niet is toegekomen aan de beslispunten waar de overige deelklachten op zien). Daaropvolgende klachten gaan onder meer over het oordeel dat sprake is van een beledigende uitlating in de zin van art. 137c Sr. Het tweede middel bevat de klacht dat toepassing van art. 137c Sr in de onderhavige zaak niet te verenigen valt met art. 10 en/of 11 EVRM. Dit middel heeft aldus betrekking op de kwalificatiebeslissing.
2.5
Hoewel het eerste middel in de sleutel is gezet van art. 137c Sr en het tweede middel in dat van art. 10 en/of 11 EVRM, kunnen beide kaders niet geheel van elkaar worden gescheiden omdat - zoals bekend - de vraag wat beledigend is in de zin van art. 137c Sr mede wordt beheerst door de uit art. 10 EVRM voortvloeiende uitgangspunten. Deze hebben zo bezien dus zowel betekenis voor de bewijs- als de kwalificatievraag. Ik bespreek de middelen niettemin afzonderlijk. Daarbij merk ik nu alvast op dat alle klachten in de kern zijn terug te voeren op de vraag of de uitlating van de verdachte betrekking had op de staat Israël of op het Joodse volk. Ik zal uiteenzetten dat ik het oordeel van het hof dat de uitlating inhield: “de leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken”, niet onbegrijpelijk vind. Dat zal een belangrijke grond zijn voor mijn conclusie dat de middelen falen.
Het eerste middel
3.1
Het eerste middel heeft betrekking op de bewezenverklaring. Voor ik nader op de deelklachten inga, geef ik daarom eerst de bewezenverklaring en de bewijsoverweging weer.
De bewezenverklaring en bewijsvoering
3.2
Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat hij:
“op 7 juni 2018 te Amsterdam, zich in het openbaar bij afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden wegens hun ras, door in het Openbaar een bord te tonen met daarop de afbeelding van een blauwe kakkerlak met twee horizontale blauwe strepen.”
3.3
Het arrest bevat de volgende bewijsoverweging, waarin tevens het verweer van de raadsman is samengevat en verworpen (met weglating van een voetnoot):
“Bewijsvoering en bespreking van gevoerde bewijsverweren
Verweren.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn pleitnota aangevoerd -zakelijk weergegeven - dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, omdat zijn uiting niet was gericht op een groep mensen, zoals bedoeld in artikel 137c Sr. Hij heeft zich niet beledigend uitgelaten over Joden en/of Israëliërs, maar kritiek geuit op de staat Israël in de context van het debat over Palestina en Israël.
De gewraakte uiting van de verdachte is niet onmiskenbaar gericht tegen een groep mensen wegens hun ras en/of godsdienst. De verdachte uitte met de kakkerlakvlag uitsluitend kritiek op het niet-naleven van het internationaal publiekrecht door de staat Israël en op de mensenrechtensituatie in de door Israël bezette Palestijnse gebieden. Dit wordt bevestigd door de context van de uiting, omdat de overige uitingen van de verdachte eveneens uitdrukkelijk de politiek van de staat Israël als enig onderwerp hadden. Met de door de verdachte bewerkte kakkerlakvlag wordt niets ten nadele uitgedrukt over het ras of de religie van Joden of Israëliërs. De staat Israël bevat vele bevolkingsgroepen en religieuze groepen. Bovendien zijn Joden niet een ras. De davidster kan niet als symbool van ‘de Joden’ worden aangemerkt, maar als symbool van de staat Israël. Daarnaast symboliseert de davidster het Joodse geloof en dus niet de personen die dat geloof belijden. Dat de verdachte zijn uiting expliciet en uitsluitend richtte op de staat Israël en/of haar regering blijkt uit het feit dat hij het symbool van het land - de nationale vlag - artistiek had bewerkt. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.
De feiten die het hof aan zijn beoordeling ten grondslag legt
Uit de stukken van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken blijkt dat de verdachte op 7 juni 2018 in het centrum van Amsterdam heeft gedemonstreerd. Daarbij zat hij op zijn scootmobiel met daarop bevestigd bordjes met daarop onder meer de teksten “Free Palestine”, “Boycott Israël” en “Zionism = Fascism by Anti-Semites who claim to be Jewish”. De verdachte voerde ook een aan zijn scootmobiel bevestigde hengel mee met daaraan een Palestijnse vlag en hij had een petje op met daarop de tekst “Free Palestine”. De verdachte wilde op deze manier aandacht vragen voor het onrecht dat de staat Israël de Palestijnen aandoet. In de marge van deze demonstratie heeft de verdachte op enig moment, in het openbaar een afbeelding getoond van een Israëlische vlag waarin de davidster is vervangen door een grote blauwe kakkerlak. Deze afbeelding vormde geen vast onderdeel van de uitingen tijdens de demonstratie van de verdachte. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij deze afbeelding in zijn tas had zitten. Alleen als personen met een tegengesteld standpunt voor de verdachte - vaak als groep - hinderlijk werden, haalde hij deze afbeelding uit zijn tas en toonde hij die aan deze personen. De verdachte wilde hiermee tegenover deze personen zijn standpunt benadrukken en hen naar zijn zeggen ‘een fuck-you geven’
[betrokkene 1] heeft deze afbeelding gezien en heeft aangifte gedaan. Hij heeft daarbij uiteengezet dat hij zich als iemand van Joodse afkomst, wiens grootouders in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord, gekwetst voelt door de afbeelding van de Israëlische vlag waarbij de davidster is vervangen door een kakkerlak. Hij verstaat deze uitlating kort gezegd als: “Joden zijn ongedierte dat verdelgd moet worden”.
Ter terechtzitting van 9 september 2022 is door het hof aan de orde gesteld dat volgens Van Dale’s woordenboek, een algemeen toegankelijke bron, de davidster een ‘symbool van het Joodse volk’ is.
Beoordeling door het hof
De afbeelding die de verdachte in het openbaar heeft getoond waarin de davidster is vervangen door een grote kakkerlak roept evident (ook) de associatie op: leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken. Die associatie wordt mede opgeroepen door de algemeen bekende historische achtergrond van de Tweede Wereldoorlog waarin miljoenen Joden (ook velen uit Amsterdam) hun Joods zijn zichtbaar moesten maken door het dragen van een jodenster, afgeleid van de davidster, en vervolgens in Duitse concentratiekampen zijn omgebracht; als waren zij ongedierte. Die historische context maakt de uiting des te meer grievend. De uitlating van de verdachte is aldus onmiskenbaar gericht op een bepaalde groep mensen, te weten de leden van het Joodse volk. Zij heeft de strekking die groep mensen in een ongunstig daglicht te stellen en hen aan te randen in hun eer en goede naam wegens hun ras. Daarbij wordt de term ras uit artikel 137c Sr verstaan in de ruime betekenis die daaraan moet worden toegekend.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de uiting van de verdachte, verstaan als: leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken, groepsbelediging oplevert, terwijl die uiting geen artistieke expressie inhoudt noch een bijdrage kan leveren aan enig maatschappelijk debat.
Dat ook een interpretatie van de afbeelding denkbaar is waarbij kan worden betoogd dat deze betrekking heeft op de staat Israël en zijn beleid, doet niet af aan de voormelde associatie die de afbeelding evident oproept. De verdachte heeft, door de afbeelding onder de genoemde omstandigheden te tonen, in de marge van zijn demonstratie met de bedoeling opponenten ‘een fuck-you te geven’, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze afbeelding zou worden begrepen als ‘leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken’ en heeft hij zich dus schuldig gemaakt aan voorwaardelijk opzettelijke groepsbelediging.”
De cassatieklachten
3.4
De eerste deelklacht heeft betrekking op het bewezenverklaarde “een groep mensen”. De klacht houdt in dat het oordeel van het hof, dat de uiting van verzoeker onmiskenbaar is gericht op de leden van het Joodse volk, onbegrijpelijk en/of in het licht van hetgeen hieromtrent ter zitting is aangevoerd niet toereikend gemotiveerd zou zijn.
3.5
De tweede tot en met de vijfde deelklacht hebben betrekking op het bewezenverklaarde “beledigende” karakter van de afbeelding. Daartoe worden door de steller van het middel verschillende onderdelen van het bekende “driestappenkader” betrokken (zie over dit kader hierna onder 3.13).
3.6
Met de tweede deelklacht wordt het kennelijke oordeel van het hof bestreden dat de uitlating op zichzelf en bezien in samenhang met de uitlating in haar geheel als beledigend moet worden aangemerkt. De derde deelklacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de bestreden de afbeelding van een kakkerlak de associatie oproept met de ‘historische achtergrond’ van de Holocaust die het hof in zijn arrest noemt.
3.7
De tweede en derde deelklacht hebben aldus betrekking op wat wordt gezien als de “eerste stap” van dat driestappenkader, namelijk de vraag of de uitlating beledigend is. Tegelijkertijd liggen zij inhoudelijk in het verlengde van de eerste deelklacht. Waar bij de eerste deelklacht de pijlen worden gericht op het oordeel van het hof dat de uitlating gericht is op een groep mensen die zich onderscheidt van anderen wegens hun ras, gaat het in de tweede en derde deelklacht om het oordeel dat de uitlating beledigend is voor die groep mensen wegens hun ras.
3.8
De vierde deelklacht is vervolgens gericht tegen het oordeel dat de uitlating geen bijdrage kan leveren aan enig maatschappelijk debat en de vijfde deelklacht tegen het oordeel dat de uitlating niet kan worden aangemerkt als een artistieke expressie. Deze twee deelklachten staan aldus beide in de sleutel van de tweede stap uit het driestappenkader.
3.9
De zesde deelklacht heeft betrekking op de bewijsvoering van het opzet. Meer concreet wordt geklaagd over het oordeel dat de kans aanmerkelijk is dat de uitlating van de verdachte zou worden begrepen als “leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken”. Dit oordeel zou volgens de steller van het middel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn. Geklaagd wordt niet over het oordeel dat de verdachte zich van die kans bewust was en deze heeft aanvaard.
Het relevante juridisch kader
3.10
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Omdat de tenlastelegging is toegesneden op art. 137c Sr, hebben de woorden “een groep mensen”, “beledigend” en “opzettelijk” de betekenis die deze woorden hebben in in die bepaling.
3.11
Over het bestanddeel “een groep mensen” heeft de Hoge Raad in het arrest van 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655, op welk arrest door de steller van het middel een beroep wordt gedaan en in welke zaak het ging om belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst, bepaald dat hiervoor vereist wordt
“dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen.”
3.12
Met de steller van het middel mag worden aangenomen dat deze invulling van het bestanddeel ook geldt indien de (beledigende) uitlating betrekking heeft op een groep mensen wegens een van de andere kenmerken in art. 137c Sr genoemd. Het zal dus in de onderhavige zaak moeten gaan om een uitlating die onmiskenbaar betrekking heeft op een groep mensen van een bepaald ‘ras’, als bedoeld in de betekenis van art. 137c Sr.4.
3.13
Met betrekking tot het bestanddeel “beledigend” is sprake van bestendige jurisprudentie. De kern hiervan wordt gevormd door wat wel wordt aangeduid als de “driestappentoets”. In onder meer het arrest van 16 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3583) is dit als volgt verwoord:
“4.4.3.
Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie in de zin van voormelde wettelijke bepalingen, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is.”
3.14
In diverse latere arresten is deze overweging herhaald.5.De toets die aldus moet worden aangelegd komt erop neer dat moet worden gekeken of een uiting ‘op zichzelf’ beledigend is, maar dat ook de context waarin deze is gedaan en de vraag of de uiting niet onnodig grievend is, moeten worden bezien.6.Deze drie aspecten of stappen - en hun onderlinge verhouding - zijn al veelvuldig besproken, waaronder recentelijk in een conclusie van toenmalig procureur-generaal Silvis.7.Ik beperk me mede tegen die achtergrond tot een aantal opmerkingen die specifiek voor de onderhavige zaak van belang zijn.
3.15
Met betrekking tot de eerste stap geldt dat hierbij zowel moet worden gekeken naar de ten laste gelegde onderdelen van de uiting, als naar de samenhang hiervan met de uitlating in haar geheel (“acht [dient] te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan”). Het gaat daarbij dus in wezen om de ‘directe context’ van de uitlating, waarbij ik aanteken dat het begrip ‘context’ in dit verband door sommigen liever wordt vermeden (en in plaats daarvan wordt gesproken over samenhang) omdat het begrip context ook bij de tweede stap - waarin het onder meer kan gaan om de context van een publiek debat - een rol speelt.8.
3.16
Bij het beoordelen van (het al dan niet beledigende karakter van) de uitlating in haar directe context c.q. samenhang, komt ook betekenis toe aan de associaties die door de uitlating worden opgeroepen. In het arrest van 23 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM9135) - waarin een veroordeling wegens 137e Sr aan de orde was - oordeelde de Hoge Raad dat de uitlatingen
“niet uitsluitend op zichzelf [dienen] te worden bezien, doch tevens in de gegeven omstandigheden van het geval en in het licht van mogelijke associaties die deze wekken.”
3.17
In dit verband wijs ik - bij wijze van een tweede voorbeeld - nog op een zaak waarin de verdachte was veroordeeld voor aanzetten tot discriminatie (art. 137d Sr). De verdachte had onder meer geroepen “ [naam 1] . en [betrokkene 2] , ga toch terug naar Ankara”. De Hoge Raad oordeelde dat het tegen de bewijsvoering gerichte cassatiemiddel faalde, mede omdat met deze uitspraak tot uitdrukking werd gebracht (of in mijn woorden: de associatie werd opgeroepen) “dat personen van niet-Nederlandse afkomst niet welkom zijn in Nederland”.9.
3.18
Voor het antwoord op de vraag of een uiting - op zichzelf en bezien en in samenhang met de uiting als geheel, oftewel ‘stap 1’ - voor een groep beledigend is, heeft de Hoge Raad aansluiting gezocht bij zijn jurisprudentie over (eenvoudige) belediging. In het arrest van 3 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1816) stelt de Hoge Raad daarover dat een uitlating als beledigend “kan” worden beschouwd indien deze
“de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam”.
3.19
Waar het belediging van een groep mensen betreft, is voorts vereist dat deze groep “collectief” wordt getroffen in “hetgeen voor die groep kenmerkend is” (vgl. opnieuw HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1816, waarin het ging om belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst, onder verwijzing naar het eerder genoemde HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655).
3.20
In het kader van de ‘tweede stap’ moet worden gekeken of de bredere context waarin de uiting is gedaan de strafbaarheid hieraan ontneemt (met dien verstande dat in het geval sprake is van een onnodig grievende uitlating de strafbaarheid weer kan herleven). Dit kan onder meer het geval zijn indien de uiting is gedaan in de context van een maatschappelijk debat of als een artistieke expressie kan worden aangemerkt, zo komt al naar voren in de zo-even (onder 3.13) geciteerde standaardoverweging van de Hoge Raad (“onder ogen [dient] te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie”).
3.21
Tot slot nog kort iets over de ‘derde stap’ in het beoordelingskader. Het gaat hierbij in de kern om de vraag of er een wanverhouding bestaat tussen de uiting en de boodschap die voor het voetlicht wordt gebracht. Het begrip ‘onnodig grievend’ impliceert immers dat in een maatschappelijk debat op zich uitlatingen zijn toegestaan die grievend zijn, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het EHRM dat onder de bescherming van art. 10 EVRM ook uitlatingen vallen die “shock, disturb or offend”. De vraag wanneer dit te ver gaat en ‘onnodig’ wordt, zal niet in zijn algemeenheid kunnen worden beantwoord. Wel kan naar mijn mening worden gesteld dat de tweede en de derde stap in zekere zin vloeiend in elkaar overlopen, in die zin dat veel onnodig grievende uitlatingen ook geen bijdrage kunnen leveren aan enig maatschappelijk debat.10.De Hoge Raad accepteert het ook als de feitenrechter hierin (expliciet) geen keuze maakt.11.
3.22
Ten slotte merk ik ten aanzien van het bestanddeel “beledigend” nog op dat de Hoge Raad in een aantal arresten bij zijn oordeel heeft betrokken dat de vraag of een uitlating al dan niet beledigend is, is “verweven met de aan het Hof als feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval”.12.Dit lijkt mij in het bijzonder op zijn plaats als een onderzoek naar de omstandigheden van het geval een sterk feitelijke en/of voor interpretatie vatbare component kent en de betreffende uitlating zich niet goed “op zichzelf” of naar de bewoordingen alleen laat beschouwen, zoals het geval kan zijn bij de uitleg van een afbeelding.
3.23
Met betrekking tot het bestanddeel “opzettelijk” geldt ten slotte nog het volgende. Onder opzet wordt in de context van art. 137c Sr voorwaardelijk opzet begrepen: de verdachte moet dus willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zijn uitlating beledigend zou zijn voor een groep.13.Bekend is dat het antwoord op de vraag vanaf wanneer een kans “aanmerkelijk” is in de zin van het juridische begrip opzet, zich niet in een percentage laat uitdrukken; het moet gaan om een “geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans” c.q. een “in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.”14.
Het relevante procesverloop
3.24
De verdachte is in eerste aanleg als gezegd vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde omdat de rechtbank van oordeel was dat de uitlating naar het oordeel van de rechtbank niet onmiskenbaar was gericht tegen een bevolkingsgroep. In hoger beroep is ter zitting namens de verdachte naar de kern bezien betoogd dat dit oordeel van de rechtbank juist is (onder 36 van de pleitnota, p. 9). In aanvulling hierop is daar aangevoerd:15.
dat de davidster niet als symbool van het Joodse volk kan gelden, in ieder geval niet waar zij is afgebeeld in de vlag van Israël (onder 70 van de pleitnota, p. 18); en
dat de verdachte met zijn bordje kritiek heeft willen uiten op ‘het niet-naleven van het internationaal publiekrecht door de staat Israël en de mensenrechtelijke situatie in de door Israël bezette Palestijnse gebieden’, hetgeen een debate of general interest is (onder 15, p. 4);
terwijl een ‘kritische houding tegenover de Staat Israël’ niet antisemitisch is, hetgeen ook zou worden onderschreven door de Anne Frank Stichting, Een Ander Joods Geluid en de Nederlandse regering (onder 21, p. 6);
en de verdachte expliciet heeft aangegeven geen antisemiet te zijn (onder 30, p. 7);
terwijl de davidster volgens Wikipedia en andere online te raadplegen bronnen een symbool is van “zowel het jodendom als Israël” (onder 47-50, p. 11-12);
en de context waarin de davidster in de uitlating van de verdachte was gemanipuleerd - door deze in de Israëlische vlag door een kakkerlak te vervangen - maakt dat de uitlating als geheel “nadrukkelijk de staat Israël” zou symboliseren (onder 51-56, p. 12-14);
daarnaast zou de davidster - naar ik begrijp voor zover het geen symbool van de staat Israël is - in de eerste plaats een symbool zijn van het joodse geloof en niet van een groep mensen (onder 50, p. 12 en 55, p. 13, alsmede de bijlage waar aldaar naar wordt verwezen);
terwijl in de staat Israël niet alleen Joden wonen en er omgekeerd Joden zijn die niet in Israël wonen (onder 63, p. 15 van de pleitnota).
3.25
Noch in de pleitnota16., noch ter zitting, is door of namens de verdachte een beroep gedaan op de artistieke exceptie en/of aangevoerd dat zijn bewerking van de Israëlische vlag als een artistieke expressie zou moeten worden aangemerkt.
3.26
Evenmin is afzonderlijk verweer gevoerd ten aanzien van het opzetvereiste of de in dat verband te bepalen aanmerkelijke kans. Wel is - mede in relatie tot opinies van de ter zitting gehoorde, door het hof als zodanig aangemerkte deskundigen daaromtrent - uitgebreid aan de orde geweest dat het symbool davidster zich op verschillende wijzen laat interpreteren. Deze deskundigen (J.E. Hamburger en D.A. Cohen) waren door de verdediging meegebracht en hebben ter zitting een verklaring afgelegd die kort gezegd steun gaf aan de stelling van de verdediging dat de uitlating van de verdachte primair betrekking had op de staat Israël en niet op het Joodse volk.17.Daarbij is door beide deskundigen ook gerefereerd aan hun persoonlijke familiegeschiedenis en/of betrokkenheid bij de staat Israël en/of het Joodse volk. Aldus hebben deze opinies kennelijk ook gediend om tegenwicht te bieden aan de interpretatie van de aangever en tevens benadeelde partij in de onderhavige zaak ( [betrokkene 1] ), die - zo begrijp ik - een tegengestelde opvatting is toegedaan.
De in cassatie naar voren gebrachte argumenten
3.27
In het kader van de eerste deelklacht wordt door de steller van het middel in de kern aangevoerd dat de betekenis van de davidster “niet eenduidig” is omdat de davidster tevens een religieus symbool is en in de context van de vlag van Israël een nationaal symbool. In dit licht zou het oordeel van het hof dat de afbeelding die de verdachte heeft getoond “onmiskenbaar is gericht op de leden van het Joodse volk” niet begrijpelijk zijn. In aanvulling daarop betoogt de steller van het middel dat het hof zijn oordeel dat dit laatste het geval is in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd ontoereikend zou hebben gemotiveerd, waarbij hij nog in het bijzonder wijst op het feit dat door de verdediging een beroep is gedaan op de betekenis van de davidster volgens Wikipedia, terwijl het hof zijn oordeel over de betekenis hiervan heeft ontleend aan de Van Dale.
3.28
De klachten die in het kader van de tweede en derde deelklacht naar voren worden gebracht liggen inhoudelijk bezien in het verlengde van de eerste deelklacht. Kort gezegd komen de klachten erop neer dat het oordeel van het hof dat de uitlating van de verdachte op zichzelf bezien “alsmede [gelet] op de context waarin zij is gedaan” beledigend is voor de leden van het Joodse volk onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd zou zijn. De steller van het middel wijst hier bovendien nog op de blauwe kleur van de davidster in de vlag van Israël (randnummer 32, p. 12). Daarnaast wordt een punt gemaakt van het feit dat het hof niet heeft vastgesteld dat de uitlating inhield dat de getoonde kakkerlak moet worden verdelgd (p. 33, p. 12).
3.29
In het kader van de vierde deelklacht wijst de steller op het feit dat - zoals ook door het hof is vastgesteld - de verdachte zijn uiting deed tijdens een pro-Palestinademonstratie en dat hij meerdere “pro-Palestina- c.q. anti-Israël-uitingen met zich meedroeg” (onder 43, p. 14) en op het feit dat het hof ook zelf heeft geoordeeld dat “ook een interpretatie van de afbeelding denkbaar is waarbij kan worden betoogd dat deze betrekking heeft op de staat Israël en zijn beleid” (onder 46, p. 15). Ter onderbouwing van de vijfde deelklacht wordt een beroep gedaan op het arrest HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5623, waarin ik overigens geen overwegingen over de artistieke expressie aantref.
3.30
De overweging van het hof dat ook een interpretatie van de afbeelding “denkbaar is” dan de interpretatie die het hof als strafbaar heeft aangemerkt, keert in de schriftuur ook terug in het kader van de zesde deelklacht. In het licht van die vaststelling, zo begrijp ik de steller van het middel, zou niet zonder meer begrijpelijk zijn waarom het hof de kans wel aanmerkelijk heeft geacht dat de afbeelding zou worden geïnterpreteerd in de wel strafbare zin. Daarnaast wordt - onder verwijzing naar de bovengenoemde opvattingen van de gehoorde deskundigen (3.26) - aangevoerd dat de motivering van het hof in dat licht tekortschiet.
De beoordeling van het middel
3.31
Ik begin mijn bespreking met de eerste deelklacht. Voor de vraag of een afbeelding ‘onmiskenbaar’ betrekking heeft op een bepaalde groep mensen als vereist voor groepsbelediging in de zin van art. 137c Sr, moet gekeken worden naar de afbeelding in haar geheel. De vraag of een onderdeel van die afbeelding of juist een hieruit verwijderd onderdeel, (tevens) een symbool is van iets anders - zoals een religie of een land - is dus niet zonder meer beslissend. Hieruit volgt dat voor zover de klacht berust op de stelling dat de betekenis van de davidster als zodanig “niet eenduidig” is en reeds hierom bij het manipuleren en/of vervangen van de davidster geen sprake kan zijn van een uitlating die “onmiskenbaar” betrekking heeft op een groep mensen in de hiervoor bedoelde zin, de klacht moet falen.
3.32
Voor zover aan de eerste deelklacht ten grondslag ligt dat het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak sprake is van een uitlating die onmiskenbaar betrekking heeft op het Joodse volk onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd zou zijn, geldt het volgende. Dat sprake is van een symbool met meerdere betekenissen, heeft het hof niet miskend. Ik wijs in dit verband in het bijzonder op de laatste alinea van de hierboven onder 3.3 weergegeven overweging. Waar in het middel van het tegendeel wordt uitgegaan - aan de hand van een geschetste tegenstelling tussen hetgeen in de Van Dale zou staan en wat op Wikipedia -, mist het derhalve feitelijke grondslag en moet het ook in zoverre falen.
3.33
Voor het overige geldt dat uit de vaststellingen van het hof het volgende blijkt. De verdachte heeft gedemonstreerd om “aandacht vragen voor het onrecht dat de staat Israël de Palestijnen aandoet”. Daarbij heeft hij onder meer het gewraakte bordje omhoog gehouden waarop de twee blauwe banen van de vlag van Israël zichtbaar waren maar waarop de blauwe davidster was vervangen door een blauwe kakkerlak. Daarnaast droeg hij ook andere borden met protestteksten bij zich. De eerstgenoemde factoren - het onderwerp van de demonstratie en het gegeven dat een vlag van een land is gemanipuleerd - lijken mij op zichzelf bezien passen bij een uitlating die is gericht tegen een land en niet, althans niet in de eerste plaats, op een groep mensen.
3.34
Naar mijn mening kan evenwel meer gewicht toekomen aan het feit dat het onderdeel dat door de verdachte is vervangen - de davidster - nu net dat onderdeel van de vlag is waarmee (de verbinding tussen de staat Israël en) het Joodse volk wordt aangeduid. Daar komt bij dat hetgeen ter vervanging van de davidster is afgebeeld - een kakkerlak - een levend wezen is dat in het algemeen als ongedierte wordt gezien. Die symboliek roept naar het mij voorkomt evident eerder de associatie op met een groep mensen dan met niet met levende wezens te vergelijken begrippen als een staat of een religie. Het is juist de combinatie van (het vervangen van) de davidster en de kakkerlak die de afbeelding zijn beledigende betekenis geeft. Aldus is de vaststelling van het hof dat de afbeelding evident kan worden geïnterpreteerd als “de leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken” niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.35
Gelet op het voorgaande faalt de eerste deelklacht.
3.36
Dan de tweede en de derde deelklacht. Voor zover aan deze klachten de opvatting ten grondslag ligt dat de uitlating niet beledigend kan zijn omdat zij gericht was tegen het land Israël en niet tegen het Joodse volk, falen de klachten om de redenen hiervoor in het kader van de eerste deelklacht genoemd. Voor het overige geldt het volgende. Dat de boodschap “de leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken” beledigend is, kon het hof mede baseren op het feit dat kakkerlakken in het algemeen - zo lijkt mij een feit van algemene bekendheid - als ongedierte worden gezien en op de donkere historische context van de Holocaust waar het hof in zijn uitspraak naar verwijst. Het is algemeen bekend dat genocide vaak vooraf- en gepaard gaat met processen van desidentificatie en dat het vergelijken van bepaalde bevolkingsgroepen met ongedierte - en dan in het bijzonder ook vaak kakkerlakken - hierbij een telkens terugkerend fenomeen is.18.Deze historische beladenheid heeft het hof betrokken bij het als grievend beoordelen van de uitlating en dat acht ik geenszins onbegrijpelijk. Dit oordeel heeft het hof ook toereikend gemotiveerd.
3.37
Zodoende falen de tweede en derde deelklacht.
3.38
Met betrekking tot de vierde deelklacht merk ik om te beginnen het volgende op. Aan de klacht ligt de opvatting ten grondslag dat de uitlating moet worden aangemerkt als een bijdrage aan een ‘debate of general interest’ - te weten het debat waarin kritiek wordt geuit op Israël, in die zin dat de staat en/of het “regiem” van Israël met een kakkerlak zou worden vergeleken. Zo begrepen zou het oordeel van het oordeel van het hof dat de uitlating geen bijdrage kan leveren aan enig maatschappelijk debat onbegrijpelijk zijn. Het hof heeft de uitlating evenwel begrepen als “de leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken”. Dat die boodschap geen bijdrage aan enig publiek debat kan opleveren lijkt mij evident.
3.39
Het oordeel dat geen sprake is van een artistieke expressie, het voorwerp van de vijfde deelklacht, is gelet op het feit dat bij het gerechtshof ter zake niets is aangevoerd (zie hiervoor onder 3.25) en in het licht van wat in cassatie tegen het oordeel wordt ingebracht (zie onder 3.29) geenszins onbegrijpelijk.
3.40
De vierde en de vijfde deelklacht falen eveneens.
3.41
Tot slot de laatste deelklacht. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte het voorwaardelijke opzet had dat de door hem getoonde afbeelding “zou worden begrepen als ‘leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken’” en dat de verdachte zich aldus “schuldig [heeft] gemaakt aan voorwaardelijk opzettelijke groepsbelediging” (zie hiervoor onder 3.3, laatste alinea). Dit oordeel heeft het hof kort gezegd gebaseerd op het hiervoor al meermaals genoemde uiterlijk van de afbeelding en de omstandigheden waaronder hij deze toonde.
3.42
Ik zie niet in waarom de redenering van het hof onbegrijpelijk zou zijn. In het algemeen is het zo dat het bij voorwaardelijk opzet gaat om twee tegenover elkaar staande ‘kansen’, te weten de kans dat een bepaald gevolg wel intreedt en de kans dat dit gevolg niet intreedt. Dat het hof deze alternatieve kansen in het arrest heeft geëxpliciteerd, maakt de redenering als zodanig daarmee niet onbegrijpelijk.
3.43
Ik kan de steller van het middel evenmin bijvallen in zijn klacht dat het hof nader had behoren te motiveren waarom de kans in het gegeven geval als aanmerkelijk moet worden beschouwd dat de afbeelding als beledigend zou worden ervaren door Joden wegens hun ras. Dat die kans “reëel” c.q. “geenszins denkbeeldig” is, volgt naar het mij voorkomt reeds in voldoende mate uit de vaststellingen die het hof heeft gedaan. Dat er tevens deskundigen zijn die - al dan niet onder verwijzing naar hun eigen lidmaatschap van het Joodse volk - menen dat de afbeelding naar hun opvatting niet beledigend is voor het Joodse volk staat hier niet aan in de weg.
3.44
Ook de zesde deelklacht faalt en daarmee faalt het gehele middel.
Het tweede middel
4.1
Het middel bevat de klacht dat het hof het beroep op art. 10 EVRM heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
4.2
Het hof heeft het genoemde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
De raadsman heeft onder verwijzing naar de hiervoor besproken bewijsverweren, kort samengevat, aangevoerd dat strafrechtelijke sanctionering een ontoelaatbare inbreuk op de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van expressie van de verdachte vormt en/of niet proportioneel is voor wat betreft het daarmee te bereiken doel. Derhalve dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof ziet onder ogen dat de veroordeling van de verdachte een beperking oplevert van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, EVRM. Die inbreuk is echter bij wet voorzien, te weten in de strafbepaling van artikel 137c Sr. Voorts is het hof van oordeel dat die beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de eer en goede naam van Joodse mensen. Dat de verdachte zijn uiting heeft gedaan in de marge van een demonstratie waarin hij het beleid van de staat Israël aan de orde wil de stellen, leidt niet tot een ander oordeel. De strafvervolging van de verdachte ter zake van deze concrete uiting (de kakkerlakvlag) doet geen afbreuk aan de overige mogelijkheden voor de verdachte om de aandacht te vestigen op het beleid van de staat Israël en om een bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat daarover.
Ook gelet op de hoogte van de op te leggen straf in relatie tot het maximum van één jaar gevangenisstraf dat ter zake van het misdrijf van artikel 137c, eerste lid, Sr kan worden opgelegd is het hof van oordeel dat de beperking van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting niet in strijd is met artikel 10 EVRM. Derhalve verwerpt het hof het gevoerde verweer.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”
4.3
Voordat ik aan de bespreking van het middel toekom, stel ik eerst het volgende vast. In de procedure bij het hof is aan het beroep op art. 10 EVRM telkens ten grondslag gelegd dat de uitlating van de verdachte moet worden begrepen als een uitlating die is gericht tegen de staat Israël en dat uitlatingen in dit verband moeten worden aangemerkt als vallend binnen een “debate of general interest”. Het tweede cassatiemiddel berust ook grotendeels op deze interpretatie van de afbeelding. Het hof is evenwel van een andere interpretatie uitgegaan (te weten “de leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken”). De vraag of het hof deze interpretatie aan de uitlating kon verbinden, is hiervoor in het kader van het eerste middel reeds onder ogen gezien. Nu ik aldaar heb beargumenteerd dat en waarom die vraag naar het mij voorkomt bevestigend moet worden beantwoord, komt aan het tweede middel in essentie de grondslag te ontvallen. In aanvulling daarop nog het volgende.
4.4
Het middel berust, onder aanhaling van verschillende uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM), op de algemene stelling dat er onder art. 10 EVRM weinig ruimte bestaat voor het inperken van het publiek debat over kwesties van maatschappelijk belang (onder 1-7, p. 18-21 van de schriftuur). Hieraan wordt door de steller van het middel nog de, eveneens algemeen geformuleerde, stelling verbonden dat in dit licht ook bescherming toekomt aan overdrijvingen, vervormingen van de werkelijkheid en beledigende en venijnige provocaties (onder 61-62, p. 21). Hoewel hier steeds in algemene zin met de steller van het middel kan worden ingestemd, ziet dit eraan voorbij dat het EHRM beslist meer ruimte laat voor het beperken van de vrijheid van meningsuiting waar het gaat om denigrerende opmerkingen jegens minderheden,19.terwijl het hof, het is reeds gezegd, de uitlating van de verdachte nu net wel heeft begrepen - en dat heeft kunnen doen - als een uitlating die is gericht tegen een minderheid. In aanvulling daarop kan er nog op gewezen worden dat het EHRM bij het aanvaarden van de noodzakelijkheid van het beperken van de vrijheid van meningsuiting oog heeft voor historische context en daarmee samenhangende symboliek, in die zin dat uitlatingen die raken aan traumatische historische ervaringen eerder beperkt mogen worden. Dat geldt in het bijzonder voor uitlatingen die betrekking hebben op de Holocaust.20.
4.5
4.6
Het beroep dat door de steller van het middel wordt gedaan op het arrest Fáber tegen Hongarije (EHRM 24 juli 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0724JUD004072108) (onder 63, p. 21-22 van de schriftuur) maakt niet dat ik tot een ander oordeel kom. De overwegingen van het EHRM in die zaak hebben betrekking op een vlag/ afbeelding (zogenoemde Árpád-strepen) waaraan een dubbele betekenis toekomt, te weten een als zodanig niet beladen historisch symbool en een symbool dat deed denken aan de openlijk nazistische Hongaarse Pijlkruisers-beweging. In deze zaak stelde het EHRM een schending van art. 10 EVRM vast en overwoog dat het bij het beoordelen of afbeeldingen met “meervoudige” betekenissen bescherming kunnen ontlenen aan het voornoemde verdragsartikel, aankomt op een grondig onderzoek naar de context van de betreffende uitlating.21.De “meervoudige” betekenis die in die in die zaak aan de orde was, betrof aldus de betekenis van de afbeelding zelf. Daarin verschilden de feiten uit de Hongaarse zaak van de feiten die in de onderhavige zaak aan de orde zijn. Voor zover in de onderhavige zaak sprake is van een meervoudige betekenis, betreft het immers de betekenis van de - door een kakkerlak vervangen - davidster. Van een meervoudige betekenis van de kakkerlak - en dus van de daadwerkelijk getoonde afbeelding - is geen sprake. Daarmee gaat de vergelijking met de casus die aan het genoemde arrest ten grondslag lag, mank. Overigens kan het onderzoek van het hof, zoals dat tot uitdrukking is gekomen in het procesverloop en de motivering van het arrest, naar mijn mening ook als grondig worden aangemerkt.
4.7
Ook het beroep dat door de steller van het middel wordt gedaan op EHRM-uitspraken waarin de artistieke expressie aan de orde is (onder 64, p. 22 van de schriftuur), brengt mij niet tot een ander inzicht. Dit reeds omdat het hof in de zaak waar het in de onderhavige procedure om gaat, heeft vastgesteld dat geen sprake is van een artistieke uitlating en dit oordeel naar het mij voorkomt in cassatie overeind kan blijven (zie hiervoor onder 3.39). Ook aan de verwijzing naar EHRM-rechtspraak waarin art. 11 EVRM aan de orde was (onder 64, p. 22-23) vallen naar het mij voorkomt geen argumenten te ontlenen voor de stelling dat een veroordeling in deze zaak onverenigbaar is met het EHRM. Een concrete aanduiding daartoe ontbreekt overigens ook in de schriftuur.
4.8
Het laatste argument dat ik in de schriftuur lees, inhoudende dat een lage sanctie niet een compenserende factor mag zijn voor het niet halen van de ‘necessity-test’ (onder 66, p. 23), overtuigt mij evenmin. Het hof heeft in de hierboven weergegeven overweging geoordeeld dat het beperken van de vrijheid van meningsuiting van de verdachte “noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de eer en goede naam van Joodse mensen” en aldus geoordeeld dat de ‘necessity-test’ wordt gehaald. Van compensatie door een lage straf is dus geen sprake. Dat het hof in aanvulling daarop en dus ten overvloede gewag heeft gemaakt van de relatief lage straf die aan de verdachte is opgelegd, maakt dit niet anders. Het hof heeft daarmee slechts tot uitdrukking gebracht dat het strafrechtelijk ingrijpen in de onderhavige zaak niet dusdanig is geweest dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Dat heeft het hof bij zijn afweging of een inbreuk op art. 10 en/of 11 EVRM in dit geval toelaatbaar was, kunnen en mogen betrekken.22.Dat het hof in die zin betekenis heeft toegekend aan de relatief lage straf acht ik overigens ook niet onbegrijpelijk.
4.9
Het middel faalt.
Afronding
5.1
Beide middelen falen. Het tweede middel lijkt mij in aanmerking te komen voor afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO. Gelet op de door de rechtbank gegeven vrijspraak en het feit dat het eerste middel zich keert tegen de bewezenverklaring, ligt afdoening van dit middel via art. 81 lid 1 RO minder voor de hand.23.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑02‑2024
Rb Amsterdam 14 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2769.
Hof Amsterdam 23 september 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2744.
Dit begrip pleegt ruim te worden uitgelegd. Vgl. HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1036. Vgl. ook HR 11 februari 1986, NJ 1986/689, over de strafbaarheid op grond van art. 137c Sr van uitlatingen over Joden wegens hun ras.
Vgl. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:539 en ECLI:NL:HR:2018:541 (over belediging in de zin van art. 266 Sr); HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1003; HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1059; HR 5 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1702; HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1816 en HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1036.
Zie o.a. S.J. de Ruiter & P.C. Velleman, Handboek Strafbare Discriminatie, Den Haag: Boom Juridisch/ Openbaar Ministerie 2023, p. 23 e.v. en A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 52 e.v. (in het algemeen) en p. 234 e.v. (toegespitst op de bestanddelen van art. 137c Sr). In eerdere rechtspraak werden die drie stappen overigens meer expliciet onderscheiden. Vgl. HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE7632.
CPG van 18 mei 2021, ECLI:NL:PHR:2021:487.
Vgl. De Ruiter & Velleman 2023, a.w., p. 24, voetnoot 8.
HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510.
Ik verwijs in dit verband naar de conclusie van PG Silvis van 18 mei 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:487). Hij meent dat de “drietrapsbenadering” waarover in de literatuur wel wordt gesproken en die in de rechtspraak doorgaans als drie achtereenvolgens te beantwoorden vragen wordt weergegeven, neerkomt op een vereenvoudiging van het kader van de Hoge Raad, waarin het “immers niet [gaat] om losse vragen zonder onderling verband.” Vgl. ook een eerdere conclusie van toenmalig AG Knigge (CAG van 3 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1479), waarin Knigge zich afvraagt of werkelijk van een “drietrapsraket” sprake is en constateert dat de tweede en derde stap niet zelden in elkaar worden geschoven (zie i.h.b. voetnoot 1).
Zie HR 26 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2012:BW9189). Het hof had in deze zaak de verdachte veroordeeld wegens overtreding van art. 137c Sr, omdat deze - onder meer - moslims had vergeleken met “berberapen” en “kakkerlakken”. In zijn bewijsmotivering had het hof geoordeeld dat deze uitlatingen niet “dienstig” konden zijn aan het maatschappelijk debat en, “zo al van een andere opvatting moet worden uitgegaan, de uitlatingen onnodig grievend zijn”. De Hoge Raad liet het oordeel in stand en oordeelde dat zowel het oordeel dat de uitlating onnodige grievend was, als het oordeel dat geen sprake was van een uiting die niet dienstig kon zijn aan een publiek debat, door het hof toereikend was gemotiveerd.
Zie o.a. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5623; HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9189; en HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1003.
Vgl. HR 15 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4739 en zie in dat verband ook de CAG van wnd. AG C.J.G. Bleichrodt voorafgaand aan dat arrest, onder 3.7.
HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718.
Voor een goed begrip merk ik op dat dit verweer primair in de sleutel stond van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM, een en ander in het licht van de hiervoor besproken art. 12-procedure. Vgl. onder 70 van de pleitnota (p. 18), waar “alle argumenten” gevoerd in het kader van het ontvankelijkheidsverweer worden ingelast als bewijsverweer met betrekking tot het bestanddeel “een groep mensen”.
In de pleitnota in hoger beroep staat in punt 73 (p. 18) dat alle argumenten uit de pleitnota in eerste aanleg worden herhaald, waarbij onder andere wordt verwezen naar nummer 70 van die pleitnota in eerste aanleg. In die laatste passage staat: “Dat cliënt zijn uiting richtte op expliciet en uitsluitend de staat Israël en/of haar regering, blijkt uit het feit dat hij het symbool van het land - de nationale vlag - artistiek had bewerkt.” Daargelaten of dit de stelling inhoudt dat daardoor sprake was van een artistieke expressie, kan met deze verwijzing in de pleitnota in hoger beroep niet worden gezegd dat bij het hof met voldoende duidelijkheid is aangegeven dat dit verweer wordt gevoerd (HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1340).
Voor de verklaring van J.E. Hamburger wijs ik in de eerste plaats op p. 6 van het proces-verbaal van de zitting: “[d]e davidster staat op de vlag van Israël. Daardoor wordt de davidster onderdeel van het symbool van de staat. (…) De Israëlische vlag representeert de Israëlische staat en de staatsmacht. Zo dient de context van de Israëlische vlag te worden beschouwd. De Israëlische staat manifesteert zich bij uitstek met de davidster”. Voor de verklaring van D.A. Cohen naar p. 9: “[m]et de beste wil kan ik het vervangen van de davidster op de Israëlische vlag door een afbeelding van een kakkerlak niet zien als een verwijzing naar het jodendom. Ik zie het als een verwijzing naar de Israëlische staat”. Voor het overige verwijs ik naar de betreffende onderdelen van het proces-verbaal van de zitting.
Vgl. A. de Swaan, Bakens in Niemandsland. Opstellen over massaal geweld, Amsterdam: uitgeverij Bert Bakker 2007, i.h.b. p. 64 en online via https://deswaan.com/nl/uitdijende-kringen-van-desidentificatie-gedachten-over-rwanda-2/.
Gewezen zij naar de conclusie van toenmalig AG Knigge 3 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1479, vanaf 4.9, alsmede de daar aangehaalde rechtspraak. Zie voor een meer recent voorbeeld EHRM 20 december 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:1220JUD006353919 (Zemmour t. Frankrijk), § 52.
EHRM 24 juli 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0724JUD004072108 (Fáber t. Hongarije) § 58, en EHRM 15 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1015JUD002751008 (Perinçek t. Zwitersland), § 242-243.
EHRM 24 juli 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0724JUD004072108: “it is only by a careful examination of the context in which the offending expressions appear that one can draw a meaningful distinction between shocking and offensive expression which is protected by Article 10 and that which forfeits its right to tolerance in a democratic society” (§ 54). Ik teken hierbij nog aan dat het EHRM in deze zaak expliciet onder ogen ziet dat de vraag of het verbieden van bepaalde symboliek afhankelijk is van de context. Vgl. § 58 (waarnaar ik hierboven al verwees).
Vgl. HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742, rov. 2.3.8, en ECLI:NL:HR:2023:1743, rov. 3.3.8.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40.
Beroepschrift 03‑07‑2023
SCHRIFTUUR, HOUDENDE TWEE MIDDELEN VAN CASSATIE
In de zaak tegen
verzoeker | [verdachte] |
geboortedatum | [geboortedatum] 1956 |
adres | [adres] |
postcode / woonplaats | [postcode] [woonplaats] |
Bestreden uitspraak
instantie | gerechtshof Amsterdam |
|---|---|
datum uitspraak | 22 september 2022 |
parketnummer | 23-001499-21 |
Middel 1
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onjuiste, althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft bewezenverklaard dat verzoeker, door een bord te tonen van een Israëlische vlag waarin de davidster is vervangen door een blauwe kakkerlak, zich beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden wegens hun ras, en/of op onjuiste, althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden (impliciet) heeft geoordeeld dat verzoekers uiting onmiskenbaar is gericht op de leden van het Joodse volk en/of verzoekers uiting de strekking heeft om de leden van het Joodse volk te beledigen en/of verzoekers uiting mede de associatie oproept dat leden van het Joodse volk kakkerlakken zijn door de algemeen bekende historische achtergrond van de Tweede Wereldoorlog en/of verzoekers uiting geen bijdrage kon leveren aan het publieke debat en niet een artistieke expressie inhoudt en/of verzoeker de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem gebruikte uiting zou worden begrepen als ‘leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken’.
Toelichting
1.
Het hof heeft ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat hij ‘op 7 juni 2018 te Amsterdam, zich in het openbaar bij afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden wegens hun ras, door in het openbaar een bord te tonen met daarop de afbeelding van een blauwe kakkerlak met twee horizontale blauwe strepen.’
2.
Verzoekers raadsman heeft volgens zijn in hoger beroep overgelegde pleitnota vrijspraak bepleit van het beledigen van een groep mensen wegen hun ras en daartoe — samengevat — het volgende aangevoerd.
- —
Verzoeker heeft zich niet beledigend uitgelaten over Joden en/of Israëliërs. Hij heeft kritiek geuit louter op de staat Israël. Daarom dient hij te worden vrijgesproken. Verzoeker uitte met zijn bordje in de context van een demonstratie en publiek debat kritiek op het niet-naleven van het internationaal publiekrecht door Israël en op de mensenrechtelijke situatie in de door Israël bezette Palestijnse gebieden. Kritiek op Israël in het Israël-Palestinaconflict is onmiskenbaar ‘debate of general interest’, ten gevolge waarvan uitingen in dit debat in hoge mate worden beschermd. Zelfs indien het vervangen van de davidster in de Israëlische vlag controversieel, extreem vijandig en vlijmscherp zou worden geoordeeld, doet dat niet af aan het publieke belang van vrijheid van expressie.
- —
Een kritische houding tegenover de staat Israël is niet antisemitisch. Dit is ook de opvatting van de Anne Frank Stichting, Een Ander Joods Geluid en onze regering (Kamerstukken II 2019–2020, Aanhangsel bij de Handelingen, nr. 3921).
- —
Verzoeker is geen antisemiet. Die gezindheid kan niet worden vastgesteld, noch op grond van de ideeën die verzoeker al sinds jaar en dag verspreidt en verdedigt, noch op grond van de verklaringen die hij in deze zaak heeft afgelegd (bijvoorbeeld: ‘Ik heb een hekel aan Israël. Niet aan Joden’). In het kader van zijn motieven is de tenlastegelegde uiting zelfs niet meer dan een logische.
- —
Het OM baseert zich op Wikipedia waar het stelt dat de davidster, op zichzelf staand, een ‘algemeen symbool voor het Jodendom’ is. Wikipedia stelt evenwel dat in de huidige tijd de davidster doorgaat als symbool van zowel het Jodendom als van Israël. Ook het resultaat van simpele zoekslagen op internet leert: ‘the six-pointed Star of David is a common symbol for both Judaism and Israel.’ Omdat de davidster op zichzelf dus zelfs zonder de context van de Israëlische vlag, ook Israël vertegenwoordigt, is de argumentatie, dat de davidster het Joodse volk symboliseert, onjuist of te beperkt.
- —
Verzoekers uiting bevat een belangrijke nadere context, namelijk de vlag van Israël. Die context is onmiskenbaar. In het huidige gebruik in de Israëlische vlag symboliseert de davidster de staat Israël. De davidster is het dominante symbool in de vlag en daarmee van de staat. Niet kan daaruit worden afgeleid dat het gehele Joodse volk — dus ook de 12 miljoen of meer Joden buiten Israël — met die davidster is vertegenwoordigd. Israël voert die vlag immers ook mee op zijn tanks en jachtvliegtuigen als zij ten oorlog trekt en als deze wappert boven illegale nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, daarmee uitdrukkend: ‘dit is de staat Israël’.
- —
De staat Israël vertegenwoordigt niet alleen Joden. Joden vormen 74% van de bevolking van Israël en Palestijnen 21%. Ten minste 12 miljoen Joden leven buiten Israël.
- —
In het algemeen geldt dat iedere manipulatie van een landsvlag op de staat slaat. Roemeense demonstranten die dictator [dictator] in 1989 ten val wilden brengen voerden de Roemeense vlag met zich mee, waar zij het wapenschild met daaronder de tekst Republica Romania en de rode ster hadden weggeknipt, zodat een groot rond gat overbleef. Een afbeelding in een vlag kan worden tot gehaat symbool van een regiem.
- —
De gewraakte uiting van verzoeker is niet onmiskenbaar gericht tegen een groep mensen wegens hun ras.
3.
Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen (voetnoten weggelaten):
‘De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn pleitnota aangevoerd —zakelijk weergegeven— dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, omdat zijn uiting niet was gericht op een groep mensen, zoals bedoeld in artikel 137c Sr. Hij heeft zich niet beledigend uitgelaten over Joden en/of Israëliërs, maar kritiek geuit op de staat Israël in de context van het debat over Palestina en Israël.
De gewraakte uiting van de verdachte is niet onmiskenbaar gericht tegen een groep mensen wegens hun ras en/of godsdienst. De verdachte uitte met de kakkerlakvlag uitsluitend kritiek op het niet-naleven van het internationaal publiekrecht door de staat Israël en op de mensenrechtensituatie in de door Israël bezette Palestijnse gebieden. Dit wordt bevestigd door de context van de uiting, omdat de overige uitingen van de verdachte eveneens uitdrukkelijk de politiek van de staat Israël als enig onderwerp hadden. Met de door de verdachte bewerkte kakkerlakvlag wordt niets ten nadele uitgedrukt over het ras of de religie van Joden of Israëliërs. De staat Israël bevat vele bevolkingsgroepen en religieuze groepen. Bovendien zijn Joden niet een ras. De davidster kan niet als symbool van ‘de Joden’ worden aangemerkt, maar als symbool van de staat Israël. Daarnaast symboliseert de davidster het Joodse geloof en dus niet de personen die dat geloof belijden. Dat de verdachte zijn uiting expliciet en uitsluitend richtte op de staat Israël en/of haar regering blijkt uit het feit dat hij het symbool van het land — de nationale vlag — artistiek had bewerkt. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.
De feiten die het hof zijn beoordeling ten grondslag legt
Uit de stukken van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken blijkt dat de verdachte op 7 juni 2018 in het centrum van Amsterdam heeft gedemonstreerd. Daarbij zat hij op zijn scootmobiel met daarop bevestigd bordjes met daarop onder meer de teksten ‘Free Palestine’, ‘Boycott Israel’ en ‘Zionism = Fascism by Anti-Semites who claim to be Jewish’. De verdachte voerde ook een aan zijn scootmobiel bevestigde hengel mee met daaraan een Palestijnse vlag en had hij een petje op met daarop de tekst ‘Free Palestine’. De verdachte wilde op deze manier aandacht vragen voor het onrecht dat de staat Israël de Palestijnen aandoet. In de marge van deze demonstratie heeft de verdachte op enig moment, in het openbaar een afbeelding getoond van een Israëlische vlag waarin de davidster is vervangen door een grote blauwe kakkerlak. Deze afbeelding vormde geen vast onderdeel van de uitingen tijdens de demonstratie van de verdachte. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij deze afbeelding in zijn tas had zitten. Alleen als personen met een tegengesteld standpunt voor de verdachte — vaak als groep — hinderlijk werden, haalde hij deze afbeelding uit zijn tas en toonde hij die aan deze personen. De verdachte wilde hiermee tegenover deze personen zijn standpunt benadrukken en hen naar zijn zeggen ‘een fuck-you geven’.
[betrokkene 1] heeft deze afbeelding gezien en heeft aangifte gedaan. Hij heeft daarbij uiteengezet dat hij zich als iemand van Joodse afkomst, wiens grootouders in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord, gekwetst voelt door de afbeelding van de Israëlische vlag waarbij de davidster is vervangen door een kakkerlak. Hij verstaat deze uitlating kort gezegd als: ‘Joden zijn ongedierte dat verdelgd moet worden’.
Ter terechtzitting van 9 september 2022 is door het hof aan de orde gesteld dat volgens Van Dale's woordenboek, een algemeen toegankelijke bron, de davidster een ‘symbool van het Joodse volk’ is.
Beoordeling door het hof
De afbeelding die de verdachte in het openbaar heeft getoond waarin de davidster is vervangen door een grote kakkerlak roept evident (ook) de associatie op: leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken. Die associatie wordt mede opgeroepen door de algemeen bekende historische achtergrond van de Tweede Wereldoorlog waarin miljoenen Joden (ook velen uit Amsterdam) hun Joods zijn zichtbaar moesten maken door het dragen van een jodenster, afgeleid van de davidster, en vervolgens in Duitse concentratiekampen zijn omgebracht, als waren zij ongedierte. Die historische context maakt de uiting des te meer grievend. De uitlating van de verdachte is aldus onmiskenbaar gericht op een bepaalde groep mensen, te weten de leden van het Joodse volk. Zij heeft de strekking die groep mensen in een ongunstig daglicht te stellen en hen aan te randen in hun eer en goede naam wegens hun ras. Daarbij wordt de term ras uit artikel 137c Sr verstaan in de ruime betekenis die daaraan moet worden toegekend.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de uiting van de verdachte, verstaan als: leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken, groepsbelediging oplevert, terwijl die uiting geen artistieke expressie inhoudt noch een bijdrage kan leveren aan enig maatschappelijk debat.
Dat ook een interpretatie van de afbeelding denkbaar is waarbij kan worden betoogd dat deze betrekking heeft op de staat Israël en zijn beleid, doet niet af aan de voormelde associatie die de afbeelding evident oproept. De verdachte heeft, door de afbeelding onder de genoemde omstandigheden te tonen, in de marge van zijn demonstratie met de bedoeling opponenten ‘een fuck-you te geven’, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze afbeelding zou worden begrepen als ‘leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken’ en heeft hij zich dus schuldig gemaakt aan voorwaardelijk opzettelijke groepsbelediging.’
Deelklacht 1
4.
Het oordeel van het hof, dat de uiting van verzoeker onmiskenbaar is gericht op de leden van het Joodse volk, is onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd.
5.
Volgens Uw Raad dient een uitlating, alvorens die kan vallen onder artikel 137c Sr, onmiskenbaar over een groep personen te gaan. Uw Raad heeft tevens uitgemaakt dat het zich beledigend uitlaten over een godsdienst niet onder het bereik van artikel 137c Sr valt, ook niet indien dit geschiedt op zodanige wijze dat de aanhangers van die godsdienst daardoor in hun godsdienstige gevoelens worden gekrenkt.
Vgl. HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655
6.
Uit 's Hofs overwegingen blijkt dat het zijn oordeel, dat verzoekers uiting onmiskenbaar is gericht op de leden van het Joodse volk, heeft gebaseerd op de vervanging van de davidster door een grote blauwe kakkerlak in een afbeelding van de Israëlische vlag.
7.
Namens verzoeker is naar voren gebracht dat in de tegenwoordige tijd de davidster (op zichzelf) symbool is van het Jodendom en nationaal symbool is van de staat Israël. Aldus heeft de verdediging erop gewezen dat de betekenis van de davidster niet eenduidig is. Als symbool van het Jodendom betreft de davidster op de eerste plaats een religieus symbool, terwijl de davidster als nationaal symbool van Israël aansluit bij vele andere nationale symbolen die op religieuze symbolen berusten.1.
8.
Als de davidster in de Israëlische vlag al de betekenis van een religieus symbool kan worden toegekend, geldt dat het zich beledigend uitlaten over een godsdienst niet onder het bereik van artikel 137c Sr valt.
9.
Noch de davidster als religieus symbool, noch Israël heeft de betekenis van ‘de leden van het Joodse volk’. Dat het hof desondanks deze betekenis heeft verleend aan de davidster, althans heeft geoordeeld dat verzoekers uiting onmiskenbaar is gericht op ‘de leden van het Joodse volk’, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daaraan kan niet afdoen dat blijkens 's hofs overwegingen ter terechtzitting van 9 september 2022 door het hof ‘aan de orde is gesteld’ dat volgens Van Dale's woordenboek — ‘een algemeen toegankelijke bron’ — de davidster een ‘symbool van het Joodse volk’ is, reeds omdat het hof deze bron blijkens zijn arrest niet aan zijn beoordeling ten grondslag heeft gelegd en evenmin blijkt of het dit oordeel tot het zijne heeft gemaakt.
10.
Voor zover het hof heeft bedoeld weer te geven dat het zijn oordeel aan Van Dale heeft ontleend, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te weten dat volgens Wikipedia — eveneens een algemeen toegankelijk bron — in de huidige tijd de davidster doorgaat als symbool van zowel het Jodendom als van Israël.
11.
Het arrest kan derhalve niet in stand blijven.
Deelklacht 2
12.
‘s Hofs (impliciete) oordeel dat verzoekers uitlating, op zichzelf en bezien in de context waarin deze is gedaan, de strekking heeft om de leden van het Joodse volk te beledigen, is niet begrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
13.
Een uitlating kan volgens Uw Raad als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft om een groep mensen te beledigen. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging in de zin van artikel 137c Sr dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan.
Vgl. bijv.:
- —
HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796
- —
HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583
- —
HR 5 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1702
14.
Het hof heeft vastgesteld dat verzoeker op 7 juni 2018 heeft gedemonstreerd tegen het onrecht dat de staat Israël de Palestijnen aandoet. Hij droeg daarbij op zijn scootmobiel bordjes met teksten als ‘Free Palestine’, ‘Boycot Israel’ en ‘Zionism = Fascism by Anti-Semites who claim to be Jewish’ en voerde daarbij ook een aan zijn scootmobiel bevestigde hengel mee met daaraan de Palestijnse vlag. Verder had hij een petje op met daarop de tekst ‘Free Palestine’. Ten tijde van deze demonstratie heeft verzoeker de tenlastegelegde uiting gedaan.
15.
Het hof heeft de door verzoeker getoonde afbeelding zo geïnterpreteerd dat deze weergeeft de Israëlische vlag, waarvan de davidster is vervangen door de afbeelding van een blauwe kakkerlak. Daaruit blijkt dat op de door verzoeker getoonde afbeelding, aldus de feitelijke vaststellingen van het hof, de davidster niet zichtbaar was, doch die afbeelding niettemin kenbaar een bewerking vormde van de vlag van de staat Israël.
16.
Het hof heeft geoordeeld dat verzoekers uiting moet worden verstaan als: ‘leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken’. Daarmee heeft het tot uitdrukking gebracht dat de davidster in de vlag van Israël staat voor ‘leden van het Joodse volk’.
17.
Dat oordeel is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
18.
In de eerste plaats is niet begrijpelijk dat het hof de afbeelding van een enkele kakkerlak heeft geduid als meerdere c.q. vele ‘kakkerlakken’, om vervolgens te concluderen dat het gaat om de meerdere c.q. vele ‘leden van het Joodse volk’.
19.
In de tweede plaats heeft het hof vastgesteld dat de uiting waarin de davidsster was vervangen door een kakkerlak een afbeelding betrof van de Israëlische vlag. In dat oordeel ligt besloten dat verzoekers uiting voor derden onmiddellijk kenbaar was als (een bewerking van) de vlag van Israël.
20.
De verdediging heeft gemotiveerd betoogd dat de Israëlische vlag en de in die vlag geplaatste blauwe davidster de staat Israël symboliseren. Deze symboliek is belicht door te benadrukken dat in Israël niet uitsluitend Joden wonen: bijna een kwart van de bevolking is Palestijns. De inwoner van Israël die met zijn landsvlag wappert, associeert zich mitsdien met diens land en niet met ‘het (aldaar woonachtige) Joodse volk’. Dit spreekt natuurlijk het meest aan wanneer het gaat om een Palestijnse inwoner. De verwerking in een landsvlag van religieuze of culturele symbolen betekent niet dat die vlag dientengevolge mede de betekenis van die symboliek verkrijgt of dat de oorspronkelijke betekenis daarvan in de vlag blijft behouden of dominant is. Dergelijke uitingen in een landsvlag symboliseren het desbetreffende land en vertegenwoordigen alsdan dat land. Zo kan bijvoorbeeld een Zwitser bezwaarlijk worden geacht zich met ‘het Christelijke volk’ te associëren wanneer hij zijn landsvlag uitsteekt — niettegenstaande het feit dat het kruis in die vlag ontleend is aan het Christelijke kruis.
21.
Ook de blauwe kleur van de davidster in de Israëlische vlag markeert dat sprake is van een verwerking, alsook een bewerking tot nationaal symbool. De davidster is immers — behalve in deze vlag — nergens blauwgekleurd. Blauwgekleurd verwijst zij dus naar de vlag en dus de staat Israël.
22.
Dat de davidster in de vlag als nationaal symbool van Israël is, komt uiteraard ook tot uitdrukking in het gebruik van de vlag als vertegenwoordiging van de staat Israël. Als bijvoorbeeld de winnares van het Eurovisiesongfestival met de Israëlische vlag zwaait, is daarmee niet gezegd dat het Joodse volk deze zangcompetitie heeft gewonnen.
23.
Met deze vlag, geplaatst in nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden, drukt het Israëlische regiem uit: ‘dit is Israël’. Hieruit moet worden afgeleid dat in de context van het Israël-Palestina-conflict de davidster in de Israëlische vlag ook symbool staat voor een gehaat regiem.2. Voornoemde — naar algemeen wordt aanvaard3. — schendingen van het internationaal humanitair recht kunnen niet gezegd worden te zijn begaan door of in naam van ‘het Joodse volk’ (waar ook ter wereld). Zo bezien wakkert 's hofs arrest juist het afreageren van negatieve gevoelens jegens Israël en Israëli's op de joodse gemeenschap in Europa (met name door personen die zich cultureel identificeren met de Palestijnen) aan.4.
24.
Het hof heeft niet uitgelegd waarom, ondanks de context van de vlag van Israël en de meerduidige betekenis van de davidster, verzoekers uiting beledigend is voor de leden van het Joodse volk. Dat maakt zijn oordeel, mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.6.
25.
In de derde plaats heeft het hof vastgesteld dat verzoeker zijn uiting deed tijdens een demonstratie waarin werd betoogd tegen het onrecht dat volgens de deelnemers door Israël aan de Palestijnen wordt aangedaan en waarin verzoeker zijn mening primair kenbaar maakte door het met zich meedragen van de Palestijnse vlag en teksten als ‘Free Palestine’. Doordat het hof heeft vastgesteld dat deze uitingen door verzoeker werden gedaan tijdens een demonstratie in het centrum van Amsterdam kan het het hof niet anders dan voor ogen hebben gestaan dat deze — alsook het onderwerp van de demonstratie als zodanig — voor derden kenbaar waren.
26.
De verdediging heeft gemotiveerd aangevoerd dat verzoeker kritiek op Israël heeft geuit in de context van het publieke debat over het Israël-Palestinaconflict, alsook dat een kritische houding tegenover Israël niet antisemitisch is. Dat laatste wordt, aldus de verdediging, door onder meer de Anne Frank Stichting en onze regering onderschreven.
27.
Volgens Janssens en Nieuwenhuis moet kritiek tegen Israël geacht worden te zijn uitgesloten van de strafbaarstelling van artikel 137c Sr. Vgl. A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, 2019, p. 236
28.
Het hof heeft niet uitgelegd waarom ondanks genoemde meervoudige context verzoekers uiting beledigend is voor de leden van het Joodse volk.
29.
In het licht van alle voornoemde omstandigheden is het in 's hofs arrest besloten liggende oordeel, dat verzoekers uitlating de strekking heeft om Joden wegens hun ras te beledigen, niet begrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
30.
Het arrest kan mitsdien niet in stand blijven.
Deelklacht 3
31.
Het oordeel van het hof, dat de uiting van verzoeker mede de associatie oproept dat leden van het Joodse volk kakkerlakken zijn door de ‘algemeen bekende historische achtergrond van de Tweede Wereldoorlog waarin miljoenen Joden (ook velen uit Amsterdam) hun Joods zijn zichtbaar moesten maken door het dragen van een jodenster, afgeleid van de davidster, en vervolgens in Duitse concentratiekampen zijn omgebracht, als waren zij ongedierte’, is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
32.
Voor zover het hof heeft bedoeld te oordelen dat de in de Tweede Wereldoorlog antisemitische en stigmatiserende jodenster verband houdt met de davidster in de Israëlische vlag, is zijn oordeel onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd. In de Israëlische vlag is de blauwgekleurde davidster een symbool van de staat, niet van de Jodenvervolging in Europa.
33.
's Hofs oordeel dat de door verzoeker getoonde uiting mede de associatie oproept met de massamoord op Joden in de Tweede Wereldoorlog ‘als waren zij ongedierte’ is eveneens niet begrijpelijk of niet toereikend gemotiveerd. Het hof heeft niet vastgesteld (en ook niet kunnen vaststellen) dat verzoekers uiting inhield dat de kakkerlak in de door hem getoonde Israëlische vlag moest worden verdelgd. Aldus heeft het hof zich laten meeslepen door een associatie die door de aangever is beweerd doch uit de uiting zelf redelijkerwijs niet kan worden afgeleid.
34.
Dat de associatie, die verzoekers uiting oproept, evident is, zoals het hof heeft geoordeeld, is te minder begrijpelijk in het licht van wat de verdediging heeft aangevoerd (de Israëlische vlag en de in die vlag geplaatste blauwe davidster symboliseren de staat Israël, in de context van het Israël-Palestina-conflict symboliseert de davidster in de vlag ook een gehaat regiem), terwijl vaststaat dat verzoeker kritiek op Israël heeft geuit in de context van het debat over het Israël-Palestinaconflict. Zoals reeds in het bovenstaande weergegeven moet uit de feitelijke vaststellingen van het hof worden afgeleid dat voor derden zowel kenbaar was dat verzoeker deel uitmaakte van een pro-Palestinademonstratie als dat hij meerdere pro-Palestina- c.q. anti-Israëluitingen met zich meedroeg.
35.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Deelklacht 4
36.
Het oordeel van het hof, dat de door verzoeker getoonde uiting geen bijdrage kon leveren aan het publiek debat, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
37.
Volgens Uw Raad dient bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging in de zin van artikel 137c Sr onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat.
Vgl. bijv. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583
38.
Ten aanzien van de vraag wanneer een uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke of maatschappelijke debat, heeft A-G Harteveld in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2018:2410 opgemerkt dat tot het maatschappelijk debat in elk geval behoren: kritiek op de overheid en andere uitlatingen die deel uitmaken van het politiek debat. ‘Het gaat meer in het algemeen om uitlatingen die in een democratie van publiek belang zijn’, aldus Harteveld.
39.
Dommering stelt in zijn noot onder HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:539, NJ 2018, 283:
‘De uitlatingen moeten nog een tweezijdige, zij het voor één of beide partijen schokkende communicatie toelaten om van een ‘publiek debat’ te kunnen spreken.’
40.
In de wetsgeschiedenis van artikel 137c Sr is onder meer naar voren gebracht:
‘Het voorgestelde artikel 137c is echter slechts gericht tegen krenking op punten waarop niet meer kan worden geargumenteerd en tegen aantasting in hetgeen voor het menselijk bestaan van fundamentele waarde is. Strafbaar is enkel het aantasten van de eigenwaarde of het in diskrediet brengen van de groep, omdat die van een bepaald ras is, een bepaalde godsdienst belijdt of een bepaalde levensovertuiging is toegedaan. Kritiek op opvattingen en gedragingen — in welke vorm ook — valt buiten het bereik van de ontworpen strafbepaling.’
Vgl. Kamerstukken II 1969–1970, 9724, nr. 6, p. 4
41.
Zoals reeds aangeven, betogen Janssens en Nieuwenhuis dat kritiek op Israël niet onder de strafbaarstelling van artikel 137c Sr kan worden gebracht. Het EHRM overwoog in Baldassi and Others tegen Frankrijk, waarin bestraffing wegens het oproepen tot een boycot van producten uit Israël (in onder meer de bewoordingen: ‘acheter les produits importés d'Israël c'est légitimer les crimes à Gaza’ en ‘Israël assassin, [C.] complice’) een schending van artikel 10 EVRM werd geoordeeld:
‘On the one hand, the actions and remarks complained of concerned a subject of general interest, namely the State of Israel's compliance with public international law and the human rights situation in the occupied Palestinian territories, and were part of a contemporary debate which was ongoing in France and throughout the international community. On the other hand, these actions and statements were a form of political and ‘militant’ expression (…). The Court has repeatedly emphasised that there is little scope under Article 10 § 2 of the Convention for restrictions on political expression or on debate on questions of public interest (…).’
Vgl. EHRM 11 juni 2020, nrs. 15271/16 e.a. (Baldassi and Others/Frankrijk)
42.
Uit HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5623 kan worden afgeleid dat vereist wordt dat de context van maatschappelijk debat voor derden kenbaar moet zijn.
43.
Uit 's hofs feitelijke vaststellingen blijkt dat verzoeker kritiek op Israël heeft geuit in de context van het debat over het Israël-Palestinaconflict, dat voor derden kenbaar was dat verzoeker deel uitmaakte van een pro-Palestinademonstratie en dat hij meerdere pro-Palestina- c.q. anti-Israël-uitingen met zich meedroeg.
44.
Het hof heeft vastgesteld dat de aan verzoeker tenlastegelegde uiting een bewerking vormde van de Israëlische vlag en dat die bewerking als zodanig voor derden kenbaar was.
45.
Deze kritiek op de nationale en internationale politiek van Israël vormt geen krenking waartegen tegenstanders zich niet meer kunnen verdedigen. Verzoekers kritiek vormt — anders gezegd — niet een uiting waarover geen debat meer mogelijk is. Daarbij is mede van belang, zoals door de verdediging is aangevoerd, dat de Israëlische vlag en de in die vlag geplaatste davidster de staat Israël symboliseren en dat in de context van het Israël-Palestina-conflict de blauwe davidster ook symbool staat voor een gehaat regiem.
46.
Dat een debat over verzoekers uiting mogelijk is, is door het hof bovendien tot uitdrukking gebracht doordat het heeft geoordeeld ‘dat ook een interpretatie van de afbeelding denkbaar is waarbij kan worden betoogd dat deze betrekking heeft op de staat Israël en zijn beleid.’
47.
's Hofs oordeel is mitsdien onjuist, althans onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd.
48.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Deelklacht 5
49.
Het oordeel van het hof, dat de door verzoeker getoonde uiting niet een artistieke expressie inhoudt, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
50.
Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging in de zin van artikel 137c Sr dient volgens Uw Raad onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een uitlating is van artistieke expressie.
Vgl. bijv. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583
51.
Vooropgesteld zij dat de vrijheid van expressie als neergelegd in artikel 10 EVRM mede de artistieke vrijheid omvat. Ook op deze wijze kan, zo heeft het EHRM geoordeeld, openbare uitwisseling plaatsvinden van voor een democratische samenleving essentiële ideeën, waaronder politieke opvattingen. Die bescherming komt mede toe aan degenen die kunstwerken distribueren of tentoonstellen.
Vgl.:
- —
EHRM 24 mei 1988, nr. 10737/84 (Müller and Others/Zwitserland)
- —
EHRM 22 oktober 2007, nrs. 21279/02 en 36448/02 (Lindon, Otchakovsky-Laurens and July/Frankrijk)
52.
Uw Raad eist in verband met artistieke expressie dat de context van de uitlating voor derden kenbaar moet zijn.
Vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5623
53.
In de door verzoeker getoonde afbeelding is een blauwe kakkerlak aangebracht in de Israëlische vlag, gehanteerd als symbool van de staat. Dat het een bewerking van deze vlag betrof, was, zoals eerder in dit middel betoogd, voor derden kenbaar.
54.
In dit licht getuigt 's hofs oordeel, dat verzoekers uiting niet een artistieke expressie inhoudt, van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is dat oordeel onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd.
55.
Het arrest kan ook om deze reden niet in stand blijven.
Deelklacht 6
56.
's Hofs oordeel, dat verzoeker de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem gebruikte uiting zou worden begrepen als ‘leden van het Joodse volk zijn kakkerlakken’ en zich dientengevolge schuldig heeft gemaakt aan ‘voorwaardelijk opzettelijke groepsbelediging’, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
57.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is volgens Uw Raad aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Vgl. bijv. HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718
58.
Het hof heeft ten onrechte in het midden gelaten waarom het de kans dat de afbeelding evident ‘ook’ de associatie oproept dat leden van het Joodse volk kakkerlakken zijn, aanmerkelijk acht, juist omdat het tevens heeft geoordeeld ‘dat ook een interpretatie van de afbeelding denkbaar is waarbij kan worden betoogd dat deze betrekking heeft op de staat Israël en zijn beleid’.6. Het hof was temeer gehouden tot een nadere uitleg omdat — zoals reeds toegelicht — zijn oordeel, dat de afgebeelde enkele kakkerlak een veelheid zou voorstellen, niet begrijpelijk is, alsook — zoals de verdediging heeft aangevoerd — omdat de davidster reeds op zichzelf bezien niet een eenduidige betekenis heeft, de Israëlische vlag en de in die vlag geplaatste davidster de staat Israël symboliseren en in de context van het Israël-Palestina-conflict de davidster in de Israëlische vlag ook symbool staat voor een gehaat regiem. Voorts heeft het hof zijn oordeel op dit punt ten onrechte niet nader gemotiveerd, nu uit zijn vaststellingen moet worden afgeleid dat voor derden zowel kenbaar was dat verzoeker deel uitmaakte van een pro-Palestinademonstratie als dat hij in dat verband meerdere pro-Palestina- c.q. anti-Israëluitingen met zich meedroeg. Tot slot is in dit verband van belang dat de verdediging erop heeft gewezen dat de aangifte tegen verzoeker door een enkeling is gedaan en niet is ondersteund door anderen c.q. belangenorganisaties.
59.
Nu het hof heeft geoordeeld ‘dat ook een interpretatie van de afbeelding denkbaar is waarbij kan worden betoogd dat deze betrekking heeft op de staat Israël en zijn beleid’, terwijl verzoeker de afbeelding toonde om kritiek op Israël te uiten, had het hof op dezelfde gronden zijn oordeel, dat verzoeker de kans op ‘voorwaardelijk opzettelijke groepsbelediging’ bewust heeft aanvaard, nader moeten motiveren. In verband hiermee komt betekenis toe aan hetgeen de verdediging gemotiveerd over verzoekers gezindheid naar voren heeft gebracht, maar waaraan het hof is voorbijgegaan, namelijk dat verzoeker geen antisemiet is.
60.
Op grond van deze omstandigheden kan het arrest niet in stand blijven.
Middel 2
Het recht (in het bijzonder artikel 10 en/of artikel 11 EVRM) is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onjuiste, althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft verworpen het verweer, dat toepassing van artikel 137c Sr en/of een veroordeling van verzoeker wegens de tenlastegelegde uiting niet ‘necessary in a democratie society’ is zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat toepassing van artikel 137c Sr en/of een veroordeling van verzoeker ‘necessary’ is in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM en/of artikel 11 lid 2 EVRM.
Toelichting
1.
Verzoekers raadsman heeft betoogd dat verzoeker dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op de grond dat strafrechtelijke sanctionering een ontoelaatbare inbreuk vormt op verzoekers vrijheid van expressie. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende aangevoerd (zie pleitnota in hoger beroep, randnummer 75 en pleitnota in eerste aanleg, randnummers 30 tot en met 76):
- —
Verzoeker uitte met zijn bordje kritiek op het niet-naleven van het internationaal publiekrecht door de staat Israël en op de mensen-rechtensituatie in de door Israël bezette Palestijnse gebieden. Dit was van verzoekers uiting bij uitsluiting het onderwerp. De context van die uiting bevestigt dat: de overige uitingen, die verzoeker deed, hadden eveneens uitdrukkelijk de politiek van Israël als enig onderwerp.
- —
Het Israël-Palestinaconflict is onmiskenbaar een ‘debate of general interest’. In deze context reeds worden uitingen in hoge mate beschermd. Maar die bescherming gaat nog verder nu de kritiek gericht was op een land. Dat verzoeker zijn uiting richtte op expliciet en uitsluitend de staat Israël en/of haar regering blijkt uit het feit dat het symbool van het land — de nationale vlag — artistiek was bewerkt. Uitingen, ziend op gedragingen van de staat Israël en op opvattingen van de Israëlische regering, vallen buiten de reikwijdte van artikel 137c Sr.
- —
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat de vrijheid van meningsuiting zeer ruim wordt opgevat en dat ook grievende, krenkende, shockerende of verontrustende uitingen in beginsel toelaatbaar zijn, alsook ‘a degree of exaggeration, or even provocation’. Ook als het publiek debat controversieel en ‘virulent’ wordt gevoerd, doet dat niet af aan het publieke belang van die uitingen, mits niet de grens wordt overschreden van het oproepen tot geweld, haat of onverdraagzaamheid.
- —
Verzoekers kritiek op de nationale en internationale politiek van Israël vormt geen krenking op punten waarover niet meer kan worden geargumenteerd. Anders gezegd: verzoekers kritiek is niet een uiting waartegen Joden zich niet kunnen verdedigen. Zelfs indien verzoekers uiting controversieel, extreem vijandig en vlijmscherp moet worden geoordeeld, doet deze niet af aan het publieke belang deze te kunnen uiten. Verzoeker heeft immers niet de grens overschreden van het oproepen tot geweld, haat of onverdraagzaamheid.
2.
Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe overwogen:
‘Het hof ziet onder ogen dat de veroordeling van de verdachte een beperking oplevert van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, EVRM. Die inbreuk is echter bij wet voorzien, te weten in de strafbepaling van artikel 137c Sr. Voorts is het hof van oordeel dat die beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de eer en goede naam van Joodse mensen. Dat de verdachte zijn uiting heeft gedaan in de marge van een demonstratie waarin hij het beleid van de staat Israël aan de orde wil de stellen, leidt niet tot een ander oordeel. De strafvervolging van de verdachte ter zake van deze concrete uiting (de kakkerlakvlag) doet geen afbreuk aan de overige mogelijkheden voor de verdachte om de aandacht te vestigen op het beleid van de staat Israël en om een bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat daarover.
Ook gelet op de hoogte van de op te leggen straf — in relatie tot het maximum van één jaar gevangenisstraf dat ter zake van het misdrijf van artikel 137c, eerste lid, Sr kan worden opgelegd — is het hof van bordeel dat de beperking van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting niet in strijd is met artikel 10 EVRM. Derhalve verwerpt het hof het gevoerde verweer.’
3.
Het hof heeft vastgesteld dat verzoeker zijn uiting heeft getoond tijdens een openbare demonstratie in het centrum van Amsterdam. Daaruit volgt dat verzoeker in beginsel de bescherming toekomt van de artikelen 10 en 11 EVRM.
4.
Het recht op vrijheid van expressie, gegarandeerd in artikel 10 EVRM, staat aan een strafrechtelijke veroordeling wegens groepsbelediging in de zin van artikel 137c Sr in de weg indien zo'n veroordeling een beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt die niet ‘necessary in a democratic society’ kan worden geacht.
Bijv. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583
5.
Het EHRM heeft in de zaak Handyside tegen het Verenigd Koninkrijk geoordeeld en sedertdien vele malen herhaald:
‘Freedom of expression constitutes one of the essential foundations of such a society, one of the basic conditions for its progress and for the development of every man. Subject to paragraph 2 of Article 10 (art. 10-2), it is applicable not only to ‘information’ or ‘ideas’ that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without which there is no ‘democratic society’.
Vgl. EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72 (Handyside/Verenigd Koninkrijk)
6.
Het EHRM heeft voorts — eveneens meermaals — geoordeeld:
‘There is little scope under Article 10 § 2 of the Convention for restrictions on freedom of expression in the area of political speech or debate — where freedom of expression is of the utmost importance (…) — or in matters of public interest (…).’
Vgl. bijv.:
- —
EHRM 22 oktober 2007, nrs. 21279/02 en 36448/02 (Lindon, Otchakovsky-Laurens and July/Frankrijk)
- —
EHRM 11 april 2006, nr. 71343/01 (Brasilier/Frankrijk)
- —
EHRM 8 juli 1999, nr. 26682/95 (Sürek/Turkije (no. 1))
7.
De betekenis hiervan koppelt het EHRM onder meer aan het belang voor het publiek om van dit debat kennis te kunnen nemen.
Vgl.:
- —
conclusie A-G Spronken voor HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1816
- —
A.J. Nieuwenhuis, Godsdienstvrijheid en bijdragen aan het maatschappelijk debat, NJCM-Bulletin 2004, p. 158
61.
In dit kader worden — niettegenstaande ‘the respect for the reputation and rights of others’ — ook beschermd overdrijvingen, vervormingen van de werkelijkheid, provocaties, het opwekken van beroering en het tonen van gebrek aan gevoeligheid.
Vgl. bijv.:
- —
EHRM 8 juni 2023, nr. 27926/21 (Fragoso Dacosta/Spanje)
- —
EHRM 24 februari 2009, nr. 23806/03 (Długołęcki/Polen)
- —
EHRM 2 oktober 2008, nr. 36109/03 (Leroy/Frankrijk)
- —
EHRM 18 maart 2008, nr. 15601/02 (Kuliś/Polen Poland)
- —
EHRM 25 januari 2007, nr. 68354/01 (Vereinigung Bildender Künstler/Oostenrijk)
62.
Ook expressies die als ‘insulting’ en venijnig (‘virulent’) kwalificeren worden onder deze bescherming geschaard.
Vgl. EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09 (Savva Terentyev/Rusland.)
63.
Het EHRM heeft ten aanzien van politiek debat door middel van het gebruik van symbolen — in het bijzonder wanneer die meerdere betekenissen hebben — geoordeeld dat slechts door een zorgvuldig onderzoek van de context betekenisvol kan worden onderscheiden of de uiting als ‘shocking and offensive’ de bescherming van artikel 10 EVRM geniet. In de zaak Fabér tegen Hongarije werd overwogen:
‘When the right to freedom of expression is exercised in the context of political speech through the use of symbols, utmost care must be observed in applying any restrictions, especially if the case involves symbols which have multiple meanings. In this connection the Court emphasises that it is only by a careful examination of the context (…), that one can draw a meaningful distinction between shocking and offensive language which is protected by Article 10 and that which forfeits its right to tolerance in a democratic society (…).’
Vgl. EHRM 24 juli 2012, nr. 40721/08 (Fáber/Hongarije)
64.
Ook over beperkingen van artistieke uitingen is het EHRM kritisch. De bescherming van artikel 10 EVRM omvat afbeeldingen zoals schilderijen, foto's en gemanipuleerde foto's.
Vgl. bijv.:
- —
EHRM 24 mei 1988, nr. 10737/84 (Müller and Others/Zwitserland) — EHRM 7 februari 2012, nr. 39954/08 (Axel Springer AG/Duitsland .
- —
EHRM 5 maart 2009, nr. 26935/05 (Société de conception de presse et d’édition et Ponson/Frankrijk)
65.
Zoals gezegd wordt verzoekers gedraging in beginsel ook beschermd door artikel 11 EVRM. In verband daarmee zijn de volgende overwegingen van het EHRM van belang:
‘Freedom of assembly as enshrined in Article 11 of the Convention protects a demonstration that may annoy or cause offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote (…). Any measures interfering with freedom of assembly and expression other than in cases of incitement to violence or rejection of democratic principles — however shocking and unacceptable certain views or words used may appear to the authorities — do a disservice to democracy and often even endanger it (…).’
Bijv.:
- —
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others/Litouwen)
- —
EHRM 23 oktober 2008, nr. 10877/04 (Sergey Kuznetsov/Rusland)
- —
EHRM 21 oktober 2010, nrs. 4916/07 e.a. (Alekseyev/Rusland) — ECRM 16 juli 1980, nr. 8440/78 (Christians against Racism and Fascism/Verenigd Koninkrijk)
66.
Als de ‘necessity-test’ niet wordt gehaald, vormt oplegging van een relatief lage sanctie niet een compenserende factor:
‘That the amount of the fine was relatively small does not detract from the fact that the interference was not ‘necessary in a democratic society’.’
Vgl. EHRM 23 oktober 2008, 10877/04 (Sergey Kuznetsov/Rusland)
67.
Het hof heeft vastgesteld dat verzoeker aandacht heeft gevraagd voor het onrecht dat de staat Israël de Palestijnen aandoet, onder meer door een afbeelding van de vlag van Israël te tonen waarop de davidster is vervangen door een blauwe kakkerlak. Daarmee staat genoegzaam vast dat verzoeker diens uiting deed in de context van publiek debat. Uit de feitelijke vaststellingen van het hof moet worden afgeleid dat voor derden zowel kenbaar was dat verzoeker deel uitmaakte van een publieke pro-Palestinademonstratie als dat hij verscheidene pro-Palestina- c.q. anti-Israëluitingen met zich meedroeg. Tot slot blijkt uit 's hofs vaststellingen dat voor derden ook kenbaar was dat de gewraakte uiting een bewerking was van de vlag van Israël.
68.
Blijkens 's hofs overige vaststellingen ondersteunde verzoeker met het tonen van de bewerkte vlag diens overige ter plaatse geuite opvattingen over het Israël-Palestinaconflict (alsook, zo moet worden aangenomen, die van zijn mededemonstranten). Derhalve kan niet worden gezegd dat verzoekers uiting gratuit was of erop gericht leden van het Joodse volk te vernederen of in hun eer of goede naam aan te tasten.
69.
Het hof heeft over de gewraakte afbeelding expliciet geoordeeld ‘dat ook een interpretatie (…) denkbaar is waarbij kan worden betoogd dat deze betrekking heeft op de staat Israël en zijn beleid’. Dat oordeel komt erop neer dat de uiting vatbaar was voor debat en deze ook kan worden opgevat zoals verzoeker die bedoelde: als kritiek op een land, of, meer specifiek: op Israëls bezetting van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem. Klaarblijkelijk kan volgens dit oordeel van het hof de afbeelding dus ook worden uitgelegd als voorstelling van Israël jegens de bezette gebieden als een ongewenst te beschouwen plaagdier.
70.
Het hof heeft verzoekers uiting uitgelegd als een vervanging in de vlag van Israël van de davidster. In verband hiermee is het van belang, zoals in de toelichting op middel 1 uiteengezet, dat de davidster niet een eenduidige betekenis heeft. De verdediging heeft gemotiveerd naar voren gebracht dat dit symbool reeds op zichzelf een symbolisering is van de staat Israël (zeker indien blauw gekleurd), doch in ieder geval in de context van de Israëlische vlag. Ook heeft de verdediging aangevoerd dat in relatie tot het Israël-Palestinaconflict de davidster in de context van de Israëlische vlag staat voor een gehaat symbool van een regiem.
71.
Volgens de verdediging is de aangifte tegen verzoeker gedaan door een enkeling en niet ondersteund door anderen c.q. belangenorganisaties.
72.
73.
Voorts is het hof op geen enkele wijze ingegaan op het verweer, dat verzoeker diens mening heeft geuit in de context van ‘public debate’ en daarom weinig ruimte bestaat voor een beperking van diens vrijheid van expressie, ook als zijn uiting zou moeten worden aangemerkt als controversieel, extreem vijandig en vlijmscherp. Immers zijn, aldus het verweer, grievende, krenkende, shockerende of verontrustende uitingen in beginsel toelaatbaar en is zelfs ‘exaggeration’ en ‘provocation’ niet uitgesloten van de bescherming van artikel 10 EVRM.
74.
Ook in dit licht heeft het hof zijn oordeel, dat verzoekers veroordeling noodzakelijk is in een democratische samenleving zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 en/of 11 lid 2 EVRM, niet toereikend gemotiveerd. Dat klemt temeer omdat aan bijvoorbeeld (toelaatbare) provocatie niet afdoet ‘the respect for the reputation and rights of others’.
75.
Het opleggen van een — in de ogen van het hof — relatief lage straf vormt niet een toereikende reactie op het verweer van de raadsman. Dat geldt ook voor de in wezen nietszeggende overweging dat verzoekers strafvervolging geen afbreuk aan diens overige mogelijkheden om de aandacht te vestigen op het beleid van de staat Israël en een bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. W.H. Jebbink, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Singel 362, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Amsterdam, 3 juli 2023,
W.H. Jebbink
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑07‑2023
Een lijst met de meer dan vijftig landen die religie in hun nationale symbool hebben verwerkt is te vinden op de Wikipedia-pagina ‘Religion in national symbols’. Het witte vlak met blauwe lijnen in de Israëlische vlag is overigens ook ontleend aan de Joodse religieuze symboliek: de talliet, een omzoomde gebedsmantel.
Dat is gemeengoed. Zo uitte het liberale Israëlische dagblad Haaretz op 25 april van dit jaar in een redactioneel commentaar onder meer als volgt kritiek op de regering-Netanyahu: ‘But the truth is that Israel's liberal democratie bloc has many reasons to be happy, proud and full of hope this year. After years of bloc walking around in mourning, covered in sackcloth and ashes, as it watched the face of the country changing beyond recognition; after years of feeling utterly powerless; after years of seeing the Israeli flag gradually become a symbol of the occupation, nationalism and the settlements, one flown during ugly displays of Jewish supremacy like the annual Flag March in Jerusalem against the backdrop of Kahanist songs, or used to mark another new illegal outpost in the occupied territories; after years during which an entire bloc was gradually distancing itself from the flag and celebrating our independence without it, orphaned of national symbols.’ Zie https://www. haaretz.com/opinion/editorial/2023-04-25/ty-article-opinion/the-israeli-flag-is-in-our-hands/00000187-b4 e0-d3b7-abcf-b5e454d10000.
Volgens de internationale gemeenschap is sprake van een militaire bezetting. De VN-Veiligheidsraad stelde in resolutie 2334 (23 december 2016): ‘(r)eajfirming the obligation of Israel, the occupying Power, to abide scrupulously by its legal obligations and responsibilities under the Fourth Geneva Convention relative to the Protection of Civilian Persons in Time of War, of 12 August 1949, and recalling the advisory opinion rendered on 9 July 2004 by the International Court of Justice’. De Algemene Vergadering van de VN oordeelde in een resolutie 77/247 (30 december 2022): ‘(r)eaffirming also the applicability of the Geneva Convention relative to the Protection of Civilian Persons in Time of War, of 12 August 1949, 11 to the Occupied Palestinian Territory, including East Jerusalem, and other Arab territories occupied by Israel since 1967.’ Het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) en de Conference of High Contracting Parties to the Fourth Geneva Convention spreken over het wederrechtelijk toe-eigenen door Israël van Palestijns land (zie ICRC, Conference of High Contracting Parties to the Fourth Geneva Convention, Statement by the International Committee of the Red Cross, Geneva, 5 december 2001). De Nederlandse overheid heeft bevestigd dat op de door Israël sinds 1967 bezette gebieden het oorlogsrecht toepasselijk is, dat Israël niet mag worden ontzien waar het het internationale recht schendt en ontmoedigt Nederlandse bedrijven om zaken te doen met bedrijven in Israëlische nederzettingen (vgl. bijv. Kamerstukken II 2012–2013, 23 432, nr. 348, p. 4).
Zie hierover bijv. J. Bunzl, ’ Mirror Images. Perception and Interest in the Israël/Palestine Conflict', Palestine-Israel, Journal of Politics, Economics & Culture XXII.2-3 (2005), p. 8–14.
Hofs oordeel komt er zelfs op neer dat de vlag van Israël tot uitdrukking brengt dat Israël het land van het Joodse volk is, inclusief de bezette gebieden. Het in de Bijbel beschreven Beloofde Land zou volgens letterlijke opvatting grotendeels samenvallen met het grondgebied van de huidige staat Israël plus de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever, de Golanhoogten (door Israël bezette gebieden) en aangrenzende delen van Syrië en Jordanië. Zionistische Joden claimen die gebieden als exclusief eigendom: ‘hun land’.
Doordat het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat de verzoeker verweten interpretatie ‘ook evident’ is, heeft het hof kennelijk bedoeld te zeggen dat ook de andere interpretatie die evidentie heeft.