Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/7.3.3
7.3.3 Reden voor en reikwijdte van het onderzoek
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS345566:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 27 september 2000, JOR 2000/217 (Gucci), rov 4.2, aangehaald in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel leidend tot de herziening van 2013, Kamerstukken II 2010/2011, 32 887, nr. 3, memorie van toelichting, p. 23, in gelijke zin A.F.M. Dorresteijn, Het onderzoek bij Gucci en de kern van het enquêterecht, WPNR 2001/6452, p. 647 e.v., anders: J.M. Blanco FernÆndez, Wetsuitleg en de kern van het enquêterecht, WPNR 2001/6452, p. 649 e.v.: “Niet het onderzoek, maar het oordeel van de OK over het beleid en de gang van zaken in de rechtspersoon vormt de kern van het enquêterecht.”
Vergelijk B.F. Assink || W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 2), Deventer: Kluwer 2013, p. 1572, 1573
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 27 mei 1999, NJ 1999/487 (Gucci), rov. 3.5.
Conclusie A-G Timmerman voor Hoge Raad 9 juli 2010, JOR 2010/228 (ASMI), sub 3.7.27-29.
Hoge Raad 9 juli 2010, JOR 2010/228 (ASMI), rov. 4.7.
Vergelijk B.F. Assink || W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 2), Deventer: Kluwer 2013, p. 1608-1610 en A.F.J.A. Leijten en M.P. Nieuwe Weme, Het wetsvoorstel aanpassing enquêterecht, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2011-2012, Deventer: Kluwer 2012, p. 149-153.
Kamerstukken II 2010/2011, 32 887, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 34.
Kamerstukken II 2010/2011, 32 887, nr. 6 (nota naar aanleiding van het verslag), p. 25.
Kamerstukken II 2010/2011, 32 887, nr. 3 (memorie van toelichting) p. 15.
Kamerstukken II 2010/2011, 32 887, nr. 6 (nota naar aanleiding van het verslag), p. 3.
Bartman onderscheidt in dit verband het subject van het onderzoek – de vennootschap – en het object van het onderzoek – het beleid en de gang van zaken van de vennootschap, S.M. Bartman, noot onder Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 24 november 2008 (VEB/Fortis), Ondernemingsrecht 2009/13 sub 4.
B.F. Assink || W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 2), Deventer: Kluwer 2013, p. 1570-1574. Zie voor een voorbeeld waarbij ook het handelen van een indirecte aandeelhouder onder de reikwijdte van het onderzoek viel Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 19 juli 2016, JOR 2016/272 m.nt. Spruitenburg (FEIST), rov. 3.11.
Asser-Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/780.
R.M. Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure, in: G. van Solinge en M. Holtzer (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2002-2003, Deventer: Kluwer 2003, p. 114, zie voorts P.M. Storm, Corporate litigation bij de Ondernemingskamer, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2014, p. 141, 142, P.G.F.A. Geerts, Enkele formele aspecten van het enquêterecht (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2004, p. 154-158 en E.M. Soerjatin, De rol van buitenstaanders in het enquêteonderzoek, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2011-2012, Deventer: Kluwer 2012, p. 339-346.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 27 mei 1999, NJ 1999/487 (Gucci), rov. 3.6.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 10 januari 2008, JOR 2008/39 (PCM), rov. 3.23 en dictum.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 27 mei 2010, JOR 2010/189 (PCM).
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 16 juni 2010, JOR 2010/229 (Cascal), rov. 3.23.
Conclusie A-G Timmerman voor Hoge Raad 9 juli 2010, JOR 2010/228 (ASMI), sub 3.7.27-29.
M. van Ginneken, noot onder Hoge Raad 9 juli 2010, JOR 2010/228 (ASMI).
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 6 januari 1994, NJ 1995/119 (Text Lite), rov. 3.4.3.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 11 mei 1995, TVVS 1995/168 (p. 309 e.v.) (Uni-Invest).
Th.S. IJsselmuiden in zijn noot onder Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 11 mei 1995, TVVS 1995/168 (p. 309 e.v.) (Uni-Invest). Wat betreft het handelen van de externe accountant: in Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 12 maart 2009, JOR 2009/132 (LCI) is uitgemaakt dat door enkel het controleren van de jaarrekening niet het beleid van de rechtspersoon wordt bepaald en zijn handelen daarom geen wanbeleid van de vennootschap opleverde. Zie voorts P.G.F.A. Geerts, Enkele formele aspecten van het enquêterecht (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2004, p. 155, 156.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 3 augustus 1995 (rov. 5.5) geciteerd in conclusie A-G Loeb voor de beschikking van Hoge Raad 15 januari 1997, JOR 1997/30 (Vied’Or), onder 3.2.1.
Hoge Raad 15 januari 1997, JOR 1997/30 (Vied’Or), rov. 4.5.1.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 8 juli 1999 (rekestnr. 30/99) (Uni-Invest), kenbaar uit P.G.F.A. Geerts, Groene Serie Rechtspersonen, aant. 5.2 op artikel 2:351 BW en P.G.F.A. Geerts, Enkele formele aspecten van het enquêterecht (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2004, p. 158.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 28 december 2006, ARO 2007/7 (KPN Qwest), rov. 3.53.
Zie E.M. Soerjatin, De rol van buitenstaanders in het enquêteonderzoek, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2011-2012, Deventer: Kluwer 2012, p. 340, 341.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 1 november 2005, JOR 2005/297 (ATR Leasing), rov. 3.8.
Zie onder meer Asser-Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/734, P.G.F.A. Geerts, Kroniek enquêterecht 2005, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2005-2006, Deventer: Kluwer 2006, p. 49-51, P.G.F.A. Geerts, Groene Serie Rechtspersonen, aant. 5.2.1 op artikel 2:351 BW, J.H.M. Willems, Insolventierecht en enquêterecht: over convergerende en conflicterende rechtsgebieden, Tijdschrift voor Insol-ventierecht 2004/53.
Waarover onder meer Asser-Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/736, 782, 783 en J.M. Blanco FernÆndez, Nauw verbonden rechtspersoon, in: C.D.J. Bulten, A.F.J.A. Leijten, J. Fleming en L.H.M.A.A. Hennekens (red.), Marius geannoteerd, Opstellen aangeboden aan mr. M.W. Josephus Jitta, Deventer: Kluwer 2016, p. 51 e.v.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 17 januari 2007, JOR 2007/42 (Stork), rov. 3.9.
Zie Asser-Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/756 met verwijzing naar twee gevallen waarin het handelen van de vennootschap jegens certificaathouders aan de orde was: Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 22 mei 2002, JOR 2002/188 (Mega Electra groep Amsterdam) en Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 7 augustus 2002, JOR 2002/194 (Exploitatiemaatschappij De Rotte Bergen). F.J.P. van den Ingh, Certificaathouder en enquêterecht, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur 2004, p. 230, wijst erop dat het hier gaat om bewilligde certificaten maar
Hoge Raad 18 november 2005, NJ 2006/173 (Unilever), rov. 4.2, waarover onder meer J.B. Huizink, De grenzen van het enquêterecht, een poging!, Onderneming & Financiering 2006, p. 13-26.
Het onderzoek vormt de kern van het in de wet neergelegde stelsel van het enquêterecht, aldus de Hoge Raad in de Gucci-beschikking.1 Het verzoek een onderzoek te bevelen wordt slechts toegewezen wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, artikel 2:350 lid 1 BW. Een onderzoek kan geschieden naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, artikel 2:345 lid 1 BW. Deze paragraaf betreft de vragen in hoeverre de gedragingen van houders van economische belangen aanleiding kunnen zijn tot het bevelen van een onderzoek (artikel 2:350 BW) en in hoeverre een onderzoek zich kan uitstrekken tot gedragingen van houders van economische belangen (artikel 2:345 BW). Nu beide genoemde artikelen betrekking hebben op het beleid en de gang van zaken van de vennootschap en voor de hand ligt dat hetgeen aanleiding kan geven tot een onderzoek ook voorwerp kan zijn van een onderzoek, kunnen de vragen niet geheel los van elkaar worden gezien. Enkele voorbeelden van gedragingen dringen zich op: (i) het handelen van een beschermingsstichting voorafgaand aan de uitoefening van haar call optie; (ii) het handelen van een houder van een call optie die via berichten in de media de beurskoers van de aandelen probeert op te drijven; en (iii) het handelen van de partij die, op basis van een economisch belang, feitelijke invloed heeft op de uitoefening van stemrechten in de aandeelhoudersvergadering, zoals de houder van de equity leg van een swap die contractuele afspraken heeft met of feitelijke invloed heeft op de aandeelhouder ten aanzien van de uitoefening van het stemrecht.
a. Reden voor onderzoek
Het criterium van artikel 2:350 lid 1 BW is uitgebreid bij de herziening van het enquêterecht in 2013. Tot dan toe kon de Ondernemingskamer slechts een onderzoek gelasten bij gegronde reden tot twijfel aan een juist beleid; sindsdien ook bij twijfel aan een juiste gang van zaken. Dat onderscheid is relevant voor de vraag wiens gedragingen een onderzoek kunnen rechtvaardigen, omdat de term ‘beleid’ impliceert dat slechts gedragingen van (mede)beleidsbepalers gegronde redenen kunnen opleveren.
i. Begrip (mede)beleidsbepaler
Het begrip (mede)beleidsbepalers in voorgenoemde zin wordt in de jurisprudentie wel ruimer uitgelegd dan het begrip mede-beleidsbepaler van artikel 2:138/248 lid 7 BW. Het is echter beperkt tot handelen of nalaten van diegenen, organen van de rechtspersoon, leden van die organen en andere personen binnen de rechtspersoon die krachtens wet, statuten of anderszins het beleid van de rechtspersoon feitelijk (mede) bepalen.2 In de Gucci-beschikking overwoog de Ondernemingskamer:3
“Het verzoek tot het gelasten van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon is toewijsbaar wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Niet van belang is uit welke gedragingen zodanig onjuist beleid bestaat of om welke aspecten van het beleid het gaat in die zin dat een verzoek alleen maar zou kunnen worden toegewezen indien het zou gaan om gedragingen of om het beleid van de rechtspersoon van een bepaalde soort. Voorts gaat het om het handelen of nalaten van de organen van de rechtspersoon en andere personen of instanties binnen de rechtspersoon die krachtens wet, statuten of anderszins het beleid van de rechtspersoon kunnen bepalen. Voormelde gegronde redenen kunnen zijn gelegen in de wijze waarop de rechtspersoon door toedoen van de organen of anderen die het beleid van de rechtspersoon kunnen bepalen de gerechtvaardigde belangen van de bij haar betrokkenen, zoals (minderheids)aandeelhouders, behartigt of schaadt.”
De grens van het (mede)beleidsbepalerschap is niet heel scherp te trekken. De houder van een economisch belang zal veelal geen (mede)beleidsbepaler zijn, maar soms komt hij dicht in de buurt. In de ASMI-zaak was in cassatie aan de orde of de Ondernemingskamer de betrokken beschermingsstichting voor de doeleinden van het enquêterecht terecht als medebeleidsbepaler had aangemerkt, waar het betreft de uitoefening van de call optie op beschermingspreferente aandelen (dus niet zozeer wat betreft haar handelen als aandeelhouder na het uitoefenen van de optie, dan zal sneller sprake zijn van mede-beleidsbepalen). A-G Timmerman concludeerde:4
“3.7.27 (…) Het begrip beleid, bedoeld in art. 2:350 BW, dient ruim te worden opgevat. Onder beleid in enquêterechtelijke zin valt niet alleen het beleid van bestuur en RvC; ook aandeelhouders kunnen onder omstandigheden het beleid van de vennootschap in aanmerkelijke mate bepalen. Beleid is dus geen zaak van het bestuur alleen. Uitgangspunt dient m.i. te zijn dat voor het enquêterecht (mede)bepalers van het beleid bij een vennootschap diegenen zijn die al dan niet krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon nauw betrokken zijn en op het beleid en op de gang van zaken een aanmerkelijke invloed hebben. De vraag wie het beleid binnen de vennootschap heeft bepaald zal van geval tot geval verschillen. Een stichting die met behulp van een in de statuten geregelde beschermingsmaatregel door het verwerven van een aanzienlijk aantal aandelen de status quo in een vennootschap handhaaft en voorkomt dat zonder voldoende overleg de samenstelling van de leidende organen van de vennootschap wordt gewijzigd valt onder art. 2:8 BW. Het is verdedigbaar dat een dergelijke stichting voor die vennootschap met het oog op de toepassing van het enquêterecht het beleid (mede) kan bepalen. Dit alles laat onverlet dat het beleid en de gang van zaken van de vennootschap centraal staat.
3.7.28. Volgens onderdeel (…) is onjuist, althans onbegrijpelijk dat de Ondernemingskamer de Stichting in dit geval heeft beschouwd als medebeleidsbepaler. De uitoefening van een optierecht door een niet-aandeelhouder kan volgens het onderdeel geen beleid van de vennootschap zijn, omdat dit beleid wordt uitgeoefend door het bestuur onder toezicht van de RvC. (…)
3.7.29. Voor zover aan deze onderdelen de opvatting ten grondslag ligt dat het doen en laten van de Stichting nooit onderdeel van een enquête-onderzoek kan zijn, berusten zij m.i. op een onjuiste rechtsopvatting. Ook de motiveringsklachten (…) acht ik ongegrond. Ik vind het niet onbegrijpelijk dat de Stichting die door uitoefening van een optie zich zonder medewerking van de vennootschap de belangrijkste aandeelhouder maakt en daarna in de pogingen tot oplossing van het conflict met Hermes c.s. een rol gaat spelen (zie voor dit laatste rov. 3.27) uitgaande van die bijzondere omstandigheden voor de toepassing van het enquêterecht als medebeleidsbepaler is gekwalificeerd.”
De Hoge Raad achte de stichting geen (mede)beleidsbepaler:5
“4.7. [De middelen] keren zich onder meer tegen het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.28 dat de stichting wat betreft de uitoefening van haar optie voor de doeleinden van het enquêterecht heeft te gelden als medebeleidsbepaler van ASMI. Zij zijn in zoverre gegrond. Uitoefening door de stichting van de haar verleende optie betreft niet het beleid van ASMI. Ook voor de doeleinden van het enquêterecht kan de Stichting Continuïteit daarom niet voor zover het die uitoefening betreft als medebeleidsbepaler van ASMI gelden, wiens handelen gegronde redenen oplevert om aan een juist beleid te twijfelen.”
ii. Wetswijziging 2013
De vraag of een persoon (in de context van artikel 2:350 BW) al dan niet als (mede) beleidsbepaler is aan te merken is enigszins achterhaald door de toevoeging in 2013 dat ook gegronde reden tot twijfel aan een juiste gang van zaken kan leiden tot het bevelen van een onderzoek. Die verruiming is door de wetgever verbonden met de invoering van de enquêtebevoegdheid van de rechtspersoon in artikel 2:346 lid 1 sub d BW.6 De minister heeft dit als volgt gemotiveerd (in de memorie van toelichting):7
“Artikel 2:350 lid 1 BW bepaalt in welk geval een enquêteverzoek kan worden toegewezen. De bestaande regeling geeft aan dat de Ondernemingskamer het verzoek slechts toewijst wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Dat criterium is in de jurisprudentie voldoende uitgekristalliseerd en behoeft op zichzelf geen aanpassing. Op grond van het nieuwe artikel 2:346 lid 1 onder d BW zal echter ook de rechtspersoon om een enquête kunnen verzoeken ten aanzien van de besluitvorming van de algemene vergadering alsmede het gedrag van individuele aandeelhouders. In het laatste geval rijst de vraag of het gedrag van een aandeelhouder kan worden gekwalificeerd als het «beleid» van de rechtspersoon. Teneinde discussie te voorkomen, wordt aan de bestaande regeling toegevoegd dat het enquêteverzoek ook kan worden toegewezen wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juiste gang van zaken te twijfelen. Met de formulering is aansluiting gezocht bij artikel 2:345 lid 1 BW.”
En in de nota naar aanleiding van het verslag:8
“Op grond van het nieuwe artikel 2:346 lid 1 onder d BW zal de rechtspersoon een enquêteverzoek kunnen doen, niet alleen in verband met het beleid van de algemene vergadering, maar ook in verband met mogelijk onacceptabel gedrag van individuele aandeelhouders. Wanneer de Ondernemingskamer het gedrag van individuele aandeelhouders moet beoordelen, kan zij niet uit de voeten met de norm «gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen» in artikel 2:350 lid 1 BW. De reden daarvoor is dat het gedrag van individuele aandeelhouders niet kwalificeert als het «beleid van (een orgaan van) de rechtspersoon», tenzij het gedrag op enig moment wordt vertaald in een besluit van de algemene vergadering. Teneinde het enquêterecht te laten uitstrekken tot het gedrag van individuele aandeelhouders moet naar mijn mening artikel 350 worden aangevuld. Daartoe is bepaald dat de Ondernemingskamer ook kan toetsen of er een juiste gang van zaken is. Ik wil graag benadrukken dat de Ondernemingskamer voor de vraag of sprake is van gegronde redenen om aan een juiste gang van zaken te twijfelen, slechts het gedrag van een individuele aandeelhouder kan betrekken waarmee hij het reilen en zeilen en/of het aanzien van de rechtspersoon raakt. De Ondernemingskamer mag dus niet alle mogelijke omstandigheden die niet de relatie tussen de aandeelhouder er de rechtspersoon raken, bij het verzoek betrekken. De verwijzing naar het «beleid en de gang van zaken» is voorts niet nieuw. Indien de Ondernemingskamer een onderzoek gelast bij een rechtspersoon, raakt dat zowel het beleid als de gang van zaken.”
Hierbij gaat het niet alleen om de gedragingen van een individuele aandeelhouder tijdens de algemene vergadering maar ook daarbuiten:9
“De voorgestelde regeling heeft tot gevolg dat het oordeel van de rechter kan worden gevraagd, ook wanneer dat gedrag buiten de (jaarlijkse) algemene vergadering plaatsvindt.”
Niet ieder handelen van de individuele aandeelhouder is relevant; het gaat erom dat de gedragingen van de aandeelhouder het reilen en zeilen van de vennootschap raken (zie het citaat hiervoor uit de nota naar aanleiding van het verslag); voorts:10
“Het moet dan gaan om het handelen van de persoon in zijn hoedanigheid van aandeelhouder.”
De omschrijvingen van artikel 2:345 lid 1 en 350 lid 1 BW zijn met deze wetswijziging dus op één lijn gebracht. Bij de uitbreiding van artikel 2:350 lid 1 BW heeft de wetgever het oog gehad op gedragingen van een individuele aandeelhouder. De gekozen bewoordingen “juiste gang van zaken” zijn echter ruimer dan alleen het gedrag van een individuele aandeelhouder. In de geciteerde passage uit de nota naar aanleiding van het verslag wijst de minister aan het slot ook op de parallel met artikel 2:345 lid 1 BW: het onderzoek betreft ook het beleid en de gang van zaken. Het ligt daarom voor de hand om bij de vraag of het handelen van de houder van een economisch belang, langs de band van “de gang van zaken van de vennootschap”, reden kan zijn voor het gelasten van een onderzoek ook te kijken naar de vraag of diens handelen langs diezelfde band voorwerp van het onderzoek kan zijn.
b. Reikwijdte van onderzoek
Een onderzoek kan betrekking hebben op het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, artikel 2:345 lid 1 BW.11 Hierbij is relevant wiens gedragingen gerekend kunnen worden tot het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon en dus in dat onderzoek kunnen worden betrokken.
i. Wiens gedragingen kunnen worden onderzocht?
Het uitgangspunt is steeds dat het belang van de rechtspersoon in de enquêteprocedure centraal staat; het beleid en de gang van zaken waarop het onderzoek betrekking heeft, worden aan de rechtspersoon toegerekend. Het onderzoek richt zich op de verschillende betrokken actoren, in de eerste plaats de organen van de rechtspersoon en de leden van die organen. Wat betreft onderzoek naar het beleid noemt Assink, naast het handelen van bestuurders, commissarissen en aandeelhouders, ook het handelen van certificaathouders. Voorts wijst hij op de jurisprudentie (op basis van artikel 2:350 lid 1 BW) over de personen die (voor de doeleinden van het enquêterecht) als (mede)beleidsbepaler kwalificeren. Hij somt een aantal personen op die niet onder dat begrip vallen, waaronder – verwijzend naar de ASMI-beschikking van de Hoge Raad – de beschermingsstichting wat betreft de uitoefening van een call optie. Wat betreft onderzoek naar de gang van zaken schrijft Assink dat met “gang van zaken” in artikel 2:345 lid 1 BW in het bijzonder gedoeld wordt op de gedragingen van diezelfde actoren (bestuurders, commissarissen, aandeelhouders, certificaathouders en (mede)beleidsbepalers) die niet als beleid van de rechtspersoon kunnen worden aangemerkt, maar wel betrekking hebben op het reilen en zeilen binnen of rond de rechtspersoon, waarbij het, gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 2:350 lid 1 BW, vaak zal gaan om handelen van een individuele aandeelhouder in die hoedanigheid.12 Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme hanteren een wat ruimere benadering. In het kader van de vraag naar de omvang van het onderzoek noemen zij dat aan wanbeleid ook zij debet kunnen zijn die krachtens wet, statuten, overeenkomst of anderszins bij het beleid en de besluitvorming en de uitvoeringshandelingen van de vennootschap betrokken zijn. Als voorbeeld wijzen zij op een externe toezichthouder als (toen nog) de Verzekeringskamer en op de feitelijk medebestuurder.13 Hermans noemt als voorwerp van onderzoek eveneens de bestuurders, commissaris en (ook individuele) aandeelhouder, en daarnaast contractuele wederpartijen van de vennootschappen,14
“waar de rechtspersoon (of de (voormalige) bestuurders of commissarissen daarvan) hun handelen of nalaten rechtvaardigen met het betoog daartoe genoodzaakt te zijn door de opstelling van die (…) wederpartij.”
De tekst van artikel 2:345 lid 1 BW – “de gang van zaken van een rechtspersoon” – is ruimer dan het handelen van bestuurders, commissarissen, aandeelhouders (al dan niet individueel), certificaathouders en (mede)beleidsbepalers en moet ook ruimer worden opgevat. Het handelen van derden dat het reilen en zeilen van de rechtspersoon raakt, kan daar ook toe behoren. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraken van de Ondernemingskamer inzake Gucci, PCM Holding en Cascal, waaruit duidelijk wordt dat ook de gedragingen van toekomstig aandeelhouders een rol kunnen spelen.
ii. Gedragingen toekomstig aandeelhouders
In de Gucci-beschikking overwoog de Ondernemingskamer als volgt over het beoordelen van het handelen van white knight PPR – zie met name de laatste geciteerde zin:15
“Derhalve kunnen ook gedragingen van het Bestuur of de Raad van Commissarissen die erop zijn gericht te voorkomen dat een hen niet welgevallige aandeelhouder een overwegende of belangrijke mate van zeggenschap in de rechtspersoon verkrijgt de grondslag voor bedoelde twijfel aan het beleid van de rechtspersoon en derhalve voor een onderzoek vormen. (…) Overigens geldt ook ten aanzien van de gedragingen van de aandeelhouder die voormelde zeggenschap heeft of wenst te verwerven dat zij grondslag voor meergenoemde twijfel kunnen vormen. Net zo kan dat het geval zijn met betrekking tot gedragingen van een – toekomstige – aandeelhouder die deelneemt aan de hiervoren bedoelde gedragingen van het Bestuur of de Raad van Commissarissen.”
In de PCM-zaak overwoog de Ondernemingskamer dat onderzoek geboden was naar het toetreden van Apax als indirect aandeelhouder, waarbij nadrukkelijk de periode voorafgaand aan die toetreding (op 30 juni 2004) als onderzoeksperiode werd aangemerkt:16
“Het in 3.11 tot en met 3.22 overwogene voert de Ondernemingskamer tot de gevolgtrekking dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid bij Holding en PCM met betrekking tot – de modaliteiten van – het toetreden, het optreden en het uittreden van de Apax-groep als (middellijk) aandeelhouder van Holding en PCM en de wijze van herstructurering van het aandeelhouderschap van SDM, SDV en SCP en de financiering van de Holding door deze laatsten en dat een onderzoek daarnaar geboden is.” En in het dictum werd beslist: “beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van PCM Holding B.V. en PCM Uitgevers B.V., beide gevestigd te Amsterdam, aangaande alle onderwerpen die – in de zin als in deze beschikking is overwogen – verband houden met de betrokkenheid van de Apax-groep (waaronder in ieder geval begrepen Apax Partners Ltd., PCM Investments S.A.R.L., Stichting Administratiekantoor PCM Investments, Apax PCM 1 CV en Apax PCM 2 CV) bij PCM Holding B.V. en PCM Uitgevers B.V., een en ander over de periode van 1 januari 2004 tot en met 2 juli 2007 (…)”
In de eindbeschikking in de tweede-fase-procedure is enige bevestiging te vinden van de mogelijkheid dat het onderzoek zich uitstrekt tot het handelen van een toekomstig aandeelhouder, nu naar aanleiding van het onderzoek werd overwogen over het handelen van Apax:17
“3.2. De Ondernemingskamer stelt bij de beoordeling van (de besluitvorming die heeft geleid tot) het toetreden van APAX als (middellijke) aandeelhouder van Holding (PCM) het volgende voorop. Zoals ook de onderzoekers hebben uiteengezet, gaat het effectueren van een LBO steeds gepaard met een aanzienlijke financiële belasting van de (doelwit) vennootschap. Het is met name door dit kenmerk dat de LBO de bijzondere aandacht vereist van degenen die gehouden zijn acht te slaan op de belangen van de betrokken vennootschap en die deelnemen aan de besluitvorming die leidt tot het betrekken van de vennootschap in een LBO-transactie. Zij zullen het, met het oog op die vennootschappelijke belangen, dan ook tot hun taak moeten rekenen de door de betrokken vennootschap beoogde en redelijkerwijs te behalen, aan een LBO verbonden voordelen af te wegen tegen de nadelen, waaronder die van financiële aard. Zij dienen zich bovendien ervan te vergewissen dat de doelstellingen ter bevordering waarvan de vennootschap haar medewerking aan de LBO verleent, voldoende gewaarborgd zijn. Voor het onderhavige geval brengt dit een en ander mee dat niet alleen de (transactie)voorwaarden waaronder PCM in de LBO participeert, maar ook de (overige) omstandigheden waaronder de LBO wordt geëffectueerd in ogenschouw dienen te worden genomen.” (…) 3.13. Op grond van de hiervoor vermelde omstandigheden – in het bijzonder het gebrek aan “eigen” financiële speelruimte, het ontbreken van een jegens APAX afdwingbare verplichting en het niet langer beschikbaar zijn van Malmberg – is de Ondernemingskamer van oordeel dat het in de cruciale besluitvormingsfase heeft ontbroken aan voldoende afweging als bedoeld in 3.2 van voor- en nadelen van de LBO door degenen op wier weg het lag die afweging te maken, primair het bestuur van PCM en de raad van commissarissen. (…) De Ondernemingskamer merkt voorts op dat, mede gelet op hetgeen ingevolge artikel 2:8 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, voor de private equity partij die zich aandient als toekomstig aandeelhouder in een vennootschap op een wijze als de onderhavige, heeft te gelden, dat zij in haar handelen dat verband houdt met het verkrijgen van een belang als het onderhavige in de doelvennootschap, niet alleen de eigen belangen maar ook de hiervoor in 3.2 vermelde onderscheiden vennootschappelijke belangen dient te betrekken.”
In de Cascal-zaak volgt uit de overwegingen van de Ondernemingskamer dat bij de beoordeling van een mogelijk te treffen beschermingsmaatregel door een beursvennootschap ook het handelen van de bieder relevant is; zodat aangenomen moet worden dat die voorwerp van het onderzoek kunnen uitmaken:18
“Met betrekking tot de gestelde tekortkomingen bij de voorbereiding van het bod overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Ook indien er veronderstellenderwijs vanuit moet worden gegaan dat Biwater [grootaandeelhouder, GPO] onderscheidenlijk Sembcorp [bieder, GPO] bij de voorbereiding van het bod niet in alle opzichten zorgvuldig hebben gehandeld en zich daarbij jegens Cascal of de minderheidsaandeelhouders mogelijk niet steeds hebben gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid van een (toekomstig) meerderheidsaandeelhouder wordt gevorderd (…), zou dat reden voor het bestuur (hebben) kunnen zijn het bod te ontraden, maar naar het oordeel van de Ondernemingskamer vormt dat onvoldoende rechtvaardiging om zich door middel van een aandelenemissie tegen het bod te verzetten.”
De overwegingen van de Hoge Raad in de ASMI-zaak, waarin werd beslist dat het handelen van de beschermingsstichting als aspirant-aandeelhouder geen reden voor twijfel aan een juist beleid kon opleveren, doet hieraan niet af. Die beschikking is (overigens net als de andere aangehaalde beschikkingen) gegeven onder vigeur van het oude artikel 2:350 lid 1 BW waar slechts twijfel aan een juist beleid tot een onderzoek kon leiden en niet twijfel aan een juiste gang van zaken. Enige steun voor de benadering dat het handelen van een beschermingsstichting als aspirant-aandeelhouder (ten aanzien van het uitoefenen van de optie) voorwerp van onderzoek kan zijn valt mogelijk te putten uit de hiervoor geciteerde conclusie van A-G Timmerman voor de ASMI-beschikking van de Hoge Raad. Timmerman – gebonden aan het toenmalige toetsingskader of de stichting als medebeleidsbepaler kon worden aangemerkt – overwoog:19
“Uitgangspunt dient m.i. te zijn dat voor het enquêterecht (mede)bepalers van het beleid bij een vennootschap diegenen zijn die al dan niet krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon nauw betrokken zijn en op het beleid en op de gang van zaken een aanmerkelijke invloed hebben. (…) Een stichting die met behulp van een in de statuten geregelde beschermingsmaatregel door het verwerven van een aanzienlijk aantal aandelen de status quo in een vennootschap handhaaft en voorkomt dat zonder voldoende overleg de samenstelling van de leidende organen van de vennootschap wordt gewijzigd valt onder art. 2:8 BW. Het is verdedigbaar dat een dergelijke stichting voor die vennootschap met het oog op de toepassing van het enquêterecht het beleid (mede) kan bepalen. Dit alles laat onverlet dat het beleid en de gang van zaken van de vennootschap centraal staat. (…) Ik vind het niet onbegrijpelijk dat de Stichting die door uitoefening van een optie zich zonder medewerking van de vennootschap de belangrijkste aandeelhouder maakt en daarna in de pogingen tot oplossing van het conflict met Hermes c.s. een rol gaat spelen (zie voor dit laatste rov. 3.27) uitgaande van die bijzondere omstandigheden voor de toepassing van het enquêterecht als medebeleidsbepaler is gekwalificeerd.”
In dezelfde zin schrijft annotator Van Ginneken onder de ASMI-beschikking van de Hoge Raad:20
“De uitspraak van de HR sluit mijns inziens niet uit dat onder omstandigheden het gedrag van een dergelijke stichting als aandeelhouder in een enquêteprocedure kan worden meegewogen.”
Hij wijst erop dat de benadering van de Hoge Raad de kans vergroot dat beschermingskwesties worden verdeeld over twee rechterlijke instanties omdat de voorzieningenrechter zal worden benaderd om te oordelen over het handelen van de toekomstig aandeelhouder. Hij acht het voorts – terecht – ongerijmd dat het uitoefenen van een call optie door een beschermingsstichting niet onder het enquêterecht valt, maar het uitoefenen van een put optie door de vennootschap, waardoor de beschermingsstichting ook aandelen zal verwerven, wel.
iii. Gedragingen andere betrokkenen
Dat het handelen van derden dat het reilen en zeilen van de rechtspersoon raakt, ook voorwerp van onderzoek kan zijn, valt voorts af te leiden uit jurisprudentie over andere betrokkenen dan toekomstig aandeelhouders. In de Text Lite zaak overwoog de Ondernemingskamer:21
“Het behoeft geen betoog dat bij het nagaan van het beleid en de feitelijke gang van zaken de rol van de verschillende organen van Text Lite Holding NV wordt onderzocht. Verzoekers trachten het onderzoek echter ook uit te strekken tot de rol van derden, zoals een begeleidend lid van de VEH, de commissionair en Prudential Bache. De Ondernemingskamer is van oordeel dat het onderzoek in het kader van de enquête beperkt moet zijn tot het functioneren van de organen van de vennootschap. Het spreekt vanzelf dat de rol van derden bij dat onderzoek betrokken kan worden, maar geen reden voor een specifiek onderzoek kan zijn.”
Kort nadien oordeelde de Ondernemingskamer strenger in de Uni-Invest zaak:22
“Evenmin past het in het onderzoek gegevens te verzamelen om de rol vast te stellen van buitenstaanders.”
IJsselmuiden annoteerde kritisch:23
“‘Wanbeleid’ wordt [door de Ondernemingskamer in de Bredero beschikking van 7 december 1989 (NJ 1990/242 rov. 4.13.1)] gedefinieerd vanuit de personen die beleid voeren. Of van wanbeleid sprake is, kunnen we echter ook beoordelen door uit te gaan van de transacties, de gedragingen, de nalatigheden die het wanbeleid vormen. Laatstgenoemde beschouwingswijze lijkt beter met de wettekst te rijmen. De wet spreekt niet over (bepaalde) personen of organen die zich aan wanbeleid schuldig maken of daarvoor verantwoordelijk zijn maar over ‘het beleid en de gang van zaken’, ‘wanbeleid’. Alleen in een enkel, beperkt en strikt beschreven, geval (verhaal van onderzoekskosten) spreekt de wet (art. 354) van personen, met name genoemd, die voor het onjuiste beleid en de onbevredigende gang van zaken verantwoordelijk zijn. In de opvatting die ik zou willen bepleiten ziet wanbeleid in art. 355 lid 1, eerste zin, niet op personen maar op een staat van zaken. In deze benadering komt tot uiting dat bij wanbeleid vele personen een rol kunnen spelen, daarin zelfs een schakel kunnen vormen, die, in de woorden van de beschikking Bredero, niet ‘binnen het kader van een rechtspersoon aan het beleid deelnemen’. Een element van wanbeleid kan, bijvoorbeeld, het gebrekkige toezicht op het beleid zijn – binnen de rechtspersoon: van commissarissen; buiten de rechtspersoon: van de externe accountant; bij banken: van De Nederlandsche Bank; bij verzekeringsbedrijven: van de Verzekeringskamer – die de fouten van de beleids(uit) voerders mogelijk maakten of door nalatigheid hebben bevorderd. Dit betekent dat onderzoekers, anders dan de OK leert in Uni-Invest, het tot hun taak mogen en moeten rekenen ‘gegevens te verzamelen om de rol vast te stellen van buitenstaanders’ namelijk voor zover die buitenstaanders in het wanbeleid een rol hebben gespeeld. Dat is ook eerlijk jegens bestuurders die wanbeleid hebben gevoerd.”
Wat betreft het onderzoek naar toezicht(-houders) is dit bevestigd door de Hoge Raad in zijn beschikking in de Vie d’Or-zaak. In die zaak had de Ondernemingskamer een onderzoek gelast naar beleid en gang van zaken bij N.V. Levensverzekering Maatschappij Vie d’Or, waarbij ook het handelen van toezichthouder de Verzekeringskamer aan de orde kon komen, overwegende:24
“De Verzekeringskamer miskent dat niet het beleid van de organen van de rechtspersoon, maar het beleid (en de gang van zaken) van de rechtspersoon zelf, voorwerp van onderzoek is/zijn. De omstandigheid dat de Ondernemingskamer zich erover kan uitspreken wie binnen de rechtspersoon voor eventueel gebleken wanbeleid verantwoordelijk is, doet daaraan niet af. (…) Dit betekent tevens dat de te benoemen onderzoekers – voorzover daartoe aanleiding bestaat – ook aandacht kunnen besteden aan het functioneren van de bewindvoerder (stille curatele) en van de Verzekeringskamer (noodregeling).”
De Hoge Raad liet dat oordeel in stand, overwegende:25
“Blijkens de ontstaansgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht is een van de doeleinden van het recht het geven van opening van zaken, terwijl is onderkend dat van het instellen van een enquête een preventieve werking kan uitgaan. (…) Het enquêterecht heeft derhalve een ruim toepassingsgebied. In een geval als het onderhavige, waarin het een verzekeringsmaatschappij betreft, spreekt dit des te meer, omdat, naast de werkgevers [lees: werknemers] en aandeelhouders, het in de eerste plaats de polishouders zijn, die ter zake van de veiligstelling van hun aanspraken moeten kunnen vertrouwen op een juiste gang van zaken binnen de rechtspersoon. Juist met het oog op de belangen van deze laatsten is het gewenst dat ook over de periode gedurende welke de rechtspersoon onder het toezicht van de Verzekeringskamer stond, opening van zaken kan worden verkregen ter zake van een eventueel gevoerd wanbeleid.”
In een latere beschikking in de Uni-Invest zaak oordeelde Ondernemingskamer dat het onderzoek zich ook kon uitstrekken tot een bank die een emissie van de vennootschap begeleidde: het onderzoek werd gelast:26
“in het bijzonder met betrekking tot de besluitvorming welke heeft geleid tot de emissie van aandelen Uni-Invest in 1988 met bijzondere aandacht voor de rol die Banque Paribas Nederland N.V. daarin heeft gespeeld (…)”.
In de KPN Qwest-zaak wees de Ondernemingskamer onderzoek naar betrokken banken af met als motivering dat het enquêterecht er niet in voorziet dat het onderzoek naar hen wordt uitgebreid.27 Dat lijkt kort door de bocht; wellicht was hier geen sprake van (gestelde en voldoende onderbouwde) feitelijke invloed op de gang van zaken. In de Laurus zaak gingen de onderzoekers wel in op de rol van de banken,28 al was dat niet met zoveel woorden bepaald bij het gelasten van het onderzoek.
Terzijde zij opgemerkt dat ook het handelen van een bewindvoerder en curator aanmerkelijke invloed op de gang van zaken van de vennootschap kan hebben. Ten aanzien van de bewindvoerder heeft de Ondernemingskamer beslist dat zijn handelen voorwerp van onderzoek kan zijn.29 Ten aanzien van curatoren bestaat minder duidelijkheid. Aangevoerd wordt vaak dat curatoren geen beleidsbepaler zijn; voorts zou toezicht via het enquêterecht interfereren met het toezicht onder de Faillissementswet. De jurisprudentie verschaft geen (volstrekte) helderheid. In de literatuur lopen de meningen uiteen. Het argument dat curatoren geen beleidsbepaler zijn, overtuigt niet, omdat het handelen van een curator wel aanmerkelijke invloed kan hebben en dat rechtvaardigt dat zijn handelen voorwerp van onderzoek kan zijn. Het interfereren met het toezicht onder de Faillissementswet kan echter tot ongelukkige, zo niet onwerkbare uitkomsten leiden, zodat het verstandig lijkt het toezicht op de curator niet (ook) op het bord van de Ondernemingskamer te schuiven.30
iv. Aparte vraag: gegevens verzamelen
Overigens is de vraag of een (rechts)persoon voorwerp van onderzoek kan zijn, niet geheel dezelfde als de vraag of onderzoekers ten aanzien van de (rechts)persoon gegevens kunnen verzamelen. De laatste vraag wordt beheerst door artikel 2:351 BW.31 In de Stork-zaak oordeelde de Ondernemingskamer dat het handelen van Centaurus – anders dan als aandeelhouder, bijvoorbeeld wat betreft haar interne huishouding – geen voorwerp van onderzoek kon zijn. Dat liet onverlet dat onderzoekers desnodig wel informatie konden vergaren over met Stork verbonden personen, waaronder Centaurus als aandeelhouder en personen die via Centaurus met Stork waren verbonden:32
“3.9. Zoals eerder is weergegeven heeft Stork voor het geval de Ondernemingskamer een onderzoek zal bevelen, verzocht het onderzoek mede te doen uitstrekken tot het handelen van Centaurus c.s. over de periode vanaf 1 september 2005. Naar haar stellingen zou in dat geval aandacht moeten worden besteed aan de vragen op welke wijze Centaurus c.s. haar belang in Stork hebben opgebouwd, hoe de verhouding bij Centaurus c.s. is tussen de door haar beheerde fondsen en de beheerders daarvan en welke afspraken in dat verband bestaan, wie de investeerders van Centaurus c.s. zijn en welke afspraken met hen zijn gemaakt, onderscheidenlijk welke toezeggingen en welke (rendements)voorspellingen aan hen zijn gedaan dan wel welke verwachtingen bij hen zijn gewekt en hoe de beloningsstructuur bij Centaurus c.s. is. Voor zover de opgeworpen vragen een onderzoek naar de interne huishouding van individuele aandeelhouders vergen, gaan zij naar het oordeel van de Ondernemingskamer evenwel het kader van een enquête te buiten. Voor zover zij tot een onderzoek bij derden aanleiding geven, is het verzoek niet voor toewijzing vatbaar. Het onderzoek zal dus slechts Stork en haar organen (kunnen) betreffen. Dat neemt niet weg dat, nu een van de gronden voor het te bevelen onderzoek is gelegen in de verstoorde verhoudingen en het gebrek aan vertrouwen tussen het bestuur en de raad van commissarissen enerzijds en Centaurus c.s. anderzijds, uiteraard aandacht dient te worden besteed aan de vraag en dus onderzocht moet worden hoe Centaurus c.s. zich als aandeelhouders hebben gedragen. In zoverre berust het verzoek van Stork op goede gronden. Het is evenwel aan de te benoemen onderzoekers om te bepalen op welke wijze zij zich daarvan op de hoogte zullen (doen) stellen en binnen welke grenzen zulks dient te en kan geschieden. In dat verband verdient nog opmerking dat de onderzoekers desgewenst onder meer de Ondernemingskamer op de voet van artikel 2:351 lid 2 BW kunnen verzoeken te worden gemachtigd tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van rechtspersonen die nauw verbonden zijn met Stork en dat zij voorts gegevens kunnen verzamelen omtrent het beleid van (rechts)personen die betrekkingen (hebben) onderhouden met Stork indien de onderzoekers dat voor het doel van het onderzoek nuttig achten. Geenszins is op voorhand uit te sluiten dat het daarbij kan gaan om Centaurus c.s. zelf of om (rechts)personen die indirect, namelijk via Centaurus c.s., met Stork verbonden zijn of met haar betrekkingen onderhouden.”
c. Conclusie
i. Beïnvloeding beleid of gang van zaken
Het onderzoek in de enquêteprocedure betreft het beleid en de gang van zaken van de vennootschap. De rode draad in de jurisprudentie en de literatuur over het in het onderzoek betrekken van handelen van anderen dan organen van de vennootschap en de personen die daarvan deel uitmaken is dat het onderzoek betrekking kan hebben op handelen van derden waarmee die derden het beleid en de gang van zaken in de vennootschap (in aanmerkelijke mate) (mede) beïnvloeden, waarbij doorgaans sprake zal zijn van een wisselwerking tussen de organen en die derden. Het onderzoek kan dan betrekking hebben op (het gebruik van) die invloed en op die wisselwerking. Die derden kunnen onder meer zijn een toekomstig aandeelhouder, een contractuele wederpartij en een externe toezichthouder. In deze opvatting kan ook het handelen van een beschermingsstichting bij de uitoefening van een call optie voorwerp van onderzoek zijn, nu dat handelen de gang van zaken in de vennootschap in aanmerkelijke mate zal beïnvloeden en sprake zal zijn van enige wisselwerking met het handelen van het bestuur.
Deze uitleg van “beleid en gang van zaken” is, nu de criteria voor het gelasten van een onderzoek en de reikwijdte van het onderzoek gelijkgetrokken zijn, ook relevant voor de vraag wiens handelen reden kan zijn voor het gelasten van een onderzoek. Ook het handelen van een derde kan aanleiding zijn tot het bevelen van een onderzoek, indien en voor zover sprake is van aanmerkelijke invloed op het beleid van of de gang van zaken in de vennootschap. Op basis van de huidige wettekst van artikel 2:350 lid 1 BW, op grond waarvan de gang van zaken in de vennootschap mede aanleiding kan zijn tot het bevelen van een onderzoek, kan het handelen van een beschermingsstichting bij de uitoefening van een call optie niet alleen voorwerp van maar ook aanleiding tot het bevelen van een onderzoek zijn. Dat zou in de ASMI-zaak tot een andere uitkomst hebben moeten leiden. Overigens kan ook het handelen van een aspirant-bieder op aandelen in de vennootschap, indien en voor zover hij aanmerkelijke invloed heeft op het beleid van of de gang van zaken in de vennootschap, aanleiding vormen tot het bevelen van een onderzoek.
Gelet op de hiervoor genoemde rode draad kan ook het handelen van de houder van een economisch belang bij aandelen aanleiding voor en voorwerp van onderzoek zijn, indien dit handelen aanmerkelijke invloed heeft op het beleid van of de gang van zaken in de vennootschap. Het is een feitelijk, materieel criterium: is er aanmerkelijke beïnvloeding van beleid of gang van zaken? De eisen die aan het economische belang gesteld worden om enquêtebevoegdheid toe te kennen, zijn hier niet van belang. Niet onmogelijk is dat de houder van een economisch belang bij fictieve aandelen, aanmerkelijke invloed heeft.
ii. Voorbeelden
Ik kom terug op de voorbeelden genoemd aan het begin van deze paragraaf 7.3.3. Het eerste voorbeeld betreft de casus van een beschermingsstichting voorafgaand aan het uitoefenen van haar call optie (wanneer reeds aandelen zijn uitgegeven, zoals in de Gucci-zaak en de RNA-zaak, is de stichting (groot)aandeelhouder en kan haar handelen zonder meer aanleiding voor of voorwerp van onderzoek zijn). Het is zeer wel denkbaar dat de opstelling van de beschermingsstichting, in onderhandelingen of in publieke mededelingen over de uitoefening van de optie, aanmerkelijke invloed heeft op de gang van zaken in de vennootschap, zoals op de opstelling van het bestuur, op een bieder die wellicht reeds aandeelhouder is, en – maar dat is op zichzelf niet voldoende – via de beurskoers (ook) op andere aandeelhouders. Het handelen van de stichting kan dan ook aanleiding geven tot gegronde twijfel aan een juiste gang van zaken en voorts voorwerp van onderzoek zijn.
Het tweede voorbeeld betreft het handelen van een houder van een call optie die via berichten in de media de beurskoers van de aandelen probeert op te drijven. Voor zover die berichten, via de beurskoers, slechts invloed hebben op andere aandeelhouders, lijkt geen sprake van aanmerkelijke invloed heeft op de gang van zaken in de vennootschap. Dat ligt mogelijk anders indien de houder van de call optie met concrete voorstellen komt over bijvoorbeeld transacties gericht op overname van de vennootschap, en zo de vennootschap ‘in play’ brengt en het bestuur dwingt tot handelen. Daarbij lijkt het geen verschil te maken of de call optie betrekking heeft op bestaande aandelen of fictieve aandelen.
Het derde voorbeeld betreft de partij die, op basis van een economisch belang, feitelijke invloed heeft op de uitoefening van stemrechten in de aandeelhoudersvergadering. Te denken valt aan de houder van de equity leg van een swap of de verkoper onder een repo transactie, die contractuele afspraken heeft met of feitelijke invloed heeft op de aandeelhouder ten aanzien van de uitoefening van het stemrecht. Dat zou ook een aspirant-bieder kunnen zijn. Een onderzoek zal dan betrekking kunnen hebben op zowel de aandeelhouder als de houder van het economische belang. Deze voorbeelden zien op houders van positieve economische belangen. Dat een houder van een negatief economisch belang (die niet ook aandeelhouder is) aanmerkelijke invloed heeft op de gang van zaken binnen de vennootschap ligt niet voor de hand, al kan het, ook gelet op mogelijke contractuele regelingen met aandeelhouders, niet worden uitgesloten.
iii. Handelen jegens houder van economisch belang
Terzijde zij opgemerkt dat ook het handelen van een vennootschap jegens een houder van een economisch belang voorwerp van onderzoek kan zijn. Dat handelen zal veelal tot het beleid van de vennootschap behoren.33 Denkbaar is bijvoorbeeld dat de houder van de equity leg van een aandelenswap een enquête verzoekt naar het dividendbeleid van de vennootschap waaronder slechts loyaliteitsdividend wordt betaald aan aandeelhouders die het economische belang bij hun aandeel houden, in het licht van artikel 2:92 BW. Van belang is hierbij dat in een enquêteprocedure geen (louter) vermogensrechtelijke geschillen worden beslecht. In de Unilever-beschikking overwoog de Hoge Raad:34
“Tot de doeleinden van het enquêterecht, zoals deze de wetgever voor ogen stonden, behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Wanneer het gaat om een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, kan een enquêteverzoek niet worden toegewezen.”
iv. Aandeelhouder zonder economisch belang
In paragraaf 7.3.2 kwam aan de orde dat de aandeelhouder die geen economisch belang (meer) bij zijn aandelen heeft, toch enquêtebevoegd is. Nu de aandeelhouder ondanks het ontbreken van economisch belang, en zelfs bij een netto negatief economisch belang, deel blijft uitmaken van een orgaan van de vennootschap en als zodanig het beleid (mede) kan bepalen, blijft mogelijk dat zijn handelen aanleiding vormt voor of voorwerp is van onderzoek. Dat kan bijvoorbeeld relevant zijn in empty voting-situaties zoals de casus Perry/Mylan of Deutsche Börse/London Stock Exchange, zie paragraaf 3.3.4. Een aspect van de materiële kant, de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW waar het handelen van zo’n aandeelhouder aan moet worden getoetst, komt aan de orde in paragraaf 6.4.2.