Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.6.2
4.6.2 De bij de vaststelling van de vergoeding te hanteren werkwijze
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS459108:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 141; Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 30-32.
De rechter-commissarissen in faillissementen hebben dit ook gedaan in artikel 6.1 Recofa- richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling.
Zie artikel 6.1 Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling.
In § 4.5.2 heb ik hetzelfde betoogd voor de beslissing op het verzoek om verhoging van het onderzoeksbudget. De daar aangevoerde argumenten zijn van overeenkomstige toepassing op de procedure tot vaststelling van de onderzoekskosten.
Zie § 9.4.4.1.6.
OK 5 april 2016, ARO 2016/98 (De Jong Holding c.s.).
Uit OK 1 juni 2015, ARO 2015/154 (Energie Concurrent), r.o. 2.9 leid ik af dat de Ondernemingskamer meent dat dit niet zou kunnen. In deze zaak verving de Ondernemingskamer de onderzoeker, en overwoog zij dat vaststelling van de vergoeding van de onderzoeker nog niet aan de orde was. Mijns inziens had de Ondernemingskamer toen de vergoeding voor de eerste onderzoeker kunnen vaststellen.
Zolang hun vergoeding nog niet door de Ondernemingskamer is vastgesteld, moeten de onderzoekers een eventueel bij wijze van voorschot gestelde zekerheid separaat houden van hun eigen vermogen. Als de zekerheid is gesteld door middel van een bankgarantie, kunnen de onderzoekers hierover ook niet beschikken.
Zie artikel 6.2 Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling.
Van Mierlo & Krzemi/ski 2016, p. 726.
Zie § 4.2.6.
Zo ook Van der Grinten 1993, p. 175. Bij schending van fundamentele beginselen, zoals hoor en wederhoor, zou een uitzondering op deze regel denkbaar zijn.
Aandachtspunt 5.4 bepaalt dat de Ondernemingskamer na deponering van het onderzoeksverslag ambtshalve de kosten van het onderzoek zal vaststellen. De onderzoeker dient met het oog daarop gelijktijdig met de indiening van het onderzoeksverslag of zo spoedig mogelijk daarna een specificatie van de gemaakte onderzoekskosten in te dienen. Deze specificatie verschaft inzicht in de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden, de daaraan bestede tijd, het gehanteerde uurtarief en, indien van toepassing, de verdere kosten waaronder die van het inschakelen van derden. De griffier zal partijen en de verschenen belanghebbenden in de gelegenheid stellen op deze specificatie te reageren waarna de Ondernemingskamer de kosten van het onderzoek bij beschikking zal vaststellen. Deze bepaling geeft mij aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen, die in een volgende versie van de Aandachtspunten zouden kunnen worden verwerkt.1
De Ondernemingskamer zou in de Aandachtspunten kunnen verduidelijken hoe de aard en de omvang van de onderscheiden werkzaamheden moeten worden gespecificeerd.2 Ik zie in ieder geval de volgende onderscheiden taken:
organisatie van het onderzoek;
behandeling van procedures door de Ondernemingskamer of de raadsheer-commissaris;
oriëntatiefase;
datacollectie- en analyse;
voeren van formele gesprekken en de voorbereiding daarvoor;
opstellen van het conceptverslag;
hoor en wederhoor en opstellen van het definitieve verslag;
nawerkzaamheden.
Een ander punt van aandacht is welke tijdseenheid de onderzoekers moeten hanteren. In de advocatuur is het gebruikelijk te werken met tijdseenheden van 6 minuten. Ook curatoren moeten op deze wijze hun werkzaamheden bijhouden.3 De Ondernemingskamer benoemt echter ook weleens onderzoekers die geen advocaat (meer) zijn en niet de beschikking hebben over een tijdschrijfsysteem. Ik kan mij daarom voorstellen dat de Ondernemingskamer bepaalt dat onderzoekers die niet beschikken over een tijdschrijfsysteem hun werkzaamheden per half uur mogen specificeren.
Een ander punt dat opvalt, is dat de Aandachtspunten niet bepalen binnen welke termijn de partijen zich kunnen uitlaten over de door de onderzoeker verzochte vaststelling van zijn kosten. Ik kan mij voorstellen dat in de Aandachtspunten wordt opgenomen dat partijen binnen 14 dagen op het verzoek moeten reageren, tenzij de Ondernemingskamer een andere termijn heeft bepaald. Volgens Aandachtspunt 5.4 stelt de Ondernemingskamer partijen en de verschenen belanghebbenden in de gelegenheid zich over de specificatie van de kosten uit te laten. Onder “partijen en de verschenen belanghebbenden” verstaat de Ondernemingskamer naar ik aanneem de verzoekers, de rechtspersoon en de belanghebbenden die in de eerste fase van de enquêteprocedure een verweerschrift hebben ingediend. Dit is naar mijn mening te beperkt. Mijns inziens hebben alle partijen bij het onderzoek belang bij de vaststelling van de vergoeding van de onderzoekers en moeten zij alle worden gehoord, alvorens de Ondernemingskamer beslist.4
De vaststelling van de onderzoekskosten behoeft naar mijn mening niet door de voltallige Ondernemingskamer plaats te vinden. De Ondernemingskamer kan dit ook overlaten aan de raadsheer-commissaris.5
De wet bepaalt niet met zoveel woorden wanneer de Ondernemingskamer de vergoeding van de onderzoekers kan vaststellen. Gebruikelijk is dat de Ondernemingskamer dit doet na de inlevering van het onderzoeksverslag ter griffie, maar de wet verplicht daartoe niet. In de zaak-De Jong Holding c.s. stelde de Ondernemingskamer de onderzoekskosten na de inlevering van het verslag nog niet vast, in verband met door de onderzoeker waarschijnlijk nog te verrichten na werkzaamheden (het aanwezig zijn bij de zitting om eventuele vragen te beantwoorden).6 Ofschoon de wet ervan uitgaat dat het onderzoek is afgerond na de inlevering van het onderzoeksverslag, brengt een redelijke wetsinterpretatie mee dat de onderzoekers voor dit soort na werkzaamheden ook een vergoeding moeten kunnen krijgen. Bovengenoemde beslissing van de Ondernemingskamer lijkt mij dus juist. Wel roept dit de vraag op of de Ondernemingskamer de vergoeding voor de kosten van het onderzoek in één keer moet vaststellen, of dat het vaststellen van deelvergoedingen mogelijk is. Ik meen dat de Ondernemingskamer deelvergoedingen kan vaststellen.7 De tekst van de wet verzet zich hier niet tegen. Het is ook wenselijk om dit te kunnen doen, omdat de onderzoekers anders heel lang op hun geld moeten wachten.8 De vergelijking met de vaststelling van het salaris van de curator in faillissement dringt zich op. Ook dan kan de rechtbank tussentijds een salarisbeschikking geven, ofschoon de wet daarin niet voorziet.9
Ik meen dat tegen de vaststelling van de vergoeding van de kosten van de onderzoekers geen beroep in cassatie openstaat. Deze vaststelling vindt niet op verzoek van de onderzoekers plaats, maar is ambtshalve een taak van de Ondernemingskamer. Artikel 426 lid 1 Rv bepaalt dat tegen beschikkingen op rekest beroep in cassatie kan worden ingesteld. Dat sluit cassatieberoep tegen ambtshalve gegeven beschikkingen uit. Bij de invoering van de KEI-wet vervallen de woorden ‘op rekest’ in deze bepaling. Uit de memorie van toelichting blijkt niet wat de achtergrond van deze wijziging is. Er staat niet meer dan dat de terminologie is gemoderniseerd.10 Om die reden neem ik aan dat geen inhoudelijke wijziging is beoogd. Nu ook tegen de vaststelling van de kosten van het deskundigenonderzoek in de civiele procedure geen cassatieberoep openstaat,11 zie ik niet in dat voor de vaststelling van de kosten van de onderzoekers in de enquêteprocedure iets anders zou gelden.12