Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/1.5
1.5 Het belang van het onderzoek voor eventuele vervolgprocedures
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453081:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 11.4.
HR 8 april 2005, NJ 2006/443, m.nt. mr. drs. R.M. Hermans, JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus), r.o. 3.8. In dit citaat heb ik de hierop volgende woorden “en/of gevorderd” weggelaten. De Hoge Raad heeft deze woorden overgenomen uit de Ogem-beschikking, maar heeft over het hoofd gezien dat bij Wet van 6 december 2001, Stb. 581, in werking getreden op 1 januari 2002, in de artikelen 2:345 lid 2 en 2:355 lid 1 BW de woorden “op vordering van de advocaat-generaal” zijn vervangen door “op verzoek van de advocaat-generaal”. Vgl. ook HR 4 april 2003, NJ 2003/538, m.nt. J.M.M. Maeijer,JOR 2003/134, m.nt. Y. Borrius (Skipper Club Charter/Jaarsma), r.o. 3.4.
HR 8 april 2005, NJ 2006/443, m.nt. mr. drs. R.M. Hermans, JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus), r.o. 3.8. Zie over dit onderwerp verder Van Solinge 2017, p. 494-499.
Onderscheid moet worden gemaakt tussen het belang van het onderzoeksverslag voor eventuele vervolgprocedures en het belang van het oordeel van de Ondernemingskamer in een tweedefaseprocedure voor eventuele vervolgprocedures.
Het verslag kan alleen in een vervolgprocedure worden gebruikt indien het voor eenieder ter inzage is gelegd of de voorzitter van de Ondernemingskamer de partij die zich op dat verslag wil beroepen heeft gemachtigd uit het verslag mededelingen te doen.1 Het verslag is een onderhandse akte in de zin van artikel 156 Rv, met vrije bewijskracht. Er is geen regel die de rechter in de vervolgprocedure verbiedt om aan het verslag de feitelijke gevolgtrekking te verbinden dat hij de daarin opgenomen feiten voorshands bewezen acht, behoudens door de verweerders te leveren tegenbewijs. Ik meen dat de rechter daar evenwel heel terughoudend in zou moeten zijn, omdat de bevindingen van de onderzoekers niet door de Ondernemingskamer zijn getoetst en moeilijk te beoordelen is in hoeverre de verwerende partijen voldoende de gelegenheid hebben gehad voor tegenspraak. Zij hebben in ieder geval niet de mogelijkheid gehad eventuele bezwaren tegen de voor hen negatieve bevindingen van de onderzoekers of de door de onderzoekers gebruikte onderzoeksmethoden aan de Ondernemingskamer voor te leggen.
Indien de Ondernemingskamer wél een oordeel in een tweedefaseprocedure heeft gegeven, geldt het volgende. Indien de Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat er sprake is van wanbeleid, is de betekenis daarvan dat:
“[i]ndien personen die deel uitmaken van de organen van de rechtspersoon door derden die als gevolg van wanbeleid schade hebben geleden aansprakelijk worden gesteld in een afzonderlijke, op art. 6:74 en/of art. 6:162 en/of art. 2:138/248 BW gebaseerde, procedure, [...] de vaststelling van de ondernemingskamer dat van wanbeleid van de onderzochte rechtspersoon sprake is – behoudens cassatie – weliswaar bindend [is] voor diegenen die in de tweede procedure van de enquête zijn verschenen en ofwel tot toewijzing van hetgeen verzocht is hebben geconcludeerd ofwel daartegen verweer hebben gevoerd, maar [...] impliceert [dit] niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de organen van de rechtspersoon voor dat wanbeleid. De door de ondernemingskamer vastgestelde feiten staan in een aansprakelijkheidsprocedure ook niet op voorhand vast, zelfs niet behoudens tegenbewijs.”2
Dat neemt echter niet weg dat de vaststelling dat van wanbeleid sprake is, volgens de Hoge Raad grote praktische betekenis kan hebben:
“Het oordeel van de ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is geweest, kan daarin onder omstandigheden wel de bewijsrechtelijke betekenis hebben dat de rechter, mede gelet op de inhoud van het door de onderzoekers opgestelde verslag en het daarover in de tweede procedure van de enquête gevoerde debat, voorshands bewezen acht dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen.”3