Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 februari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:432.
HR, 06-02-2026, nr. 24/01835
ECLI:NL:HR:2026:199
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-02-2026
- Zaaknummer
24/01835
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:199, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:304
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:432
ECLI:NL:PHR:2025:304, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑03‑2025
Rechtbankuitspraak waarvan sprongcassatie: ECLI:NL:RBOBR:2022:4519
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:199
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑06‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑05‑2024
- Vindplaatsen
TvAR 2026/8249 met annotatie van R. Ligtvoet
JOR 2026/120 met annotatie van mr. C.E. Drion
Uitspraak 06‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Dwaling bij koop van woning. Verschil tussen werkelijke koopprijs en hypothetische koopprijs (bij afwezigheid van dwaling) verschuldigd aan dwalende partij op grond van art. 6:230 lid 2 BW en/of art. 6:162 BW, nu woning later in waarde is gestegen?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/01835
Datum 6 februari 2026
ARREST
In de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: [eisers],
advocaat: M.J. van Basten Batenburg,
tegen
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
advocaat: A.C. van Schaick.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/01/372383 / HA ZA 21-447 van de rechtbank Oost-Brabant van 6 oktober 2021 en 5 oktober 2022;
b. het arrest in de zaak 200.323.036/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 februari 2024.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. [verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend.
[eisers] hebben in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot referte.
De zaak is voor [verweerders] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaat van [verweerders] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerders] waren eigenaar van een woning in [woonplaats] (hierna: de woning).
(ii) [eisers] hebben de woning voor een koopprijs van € 675.000,-- van [verweerders] gekocht. Tussen partijen is daartoe op 22 december 2016 een koopovereenkomst gesloten, waarna de woning op 1 september 2017 aan [eisers] is geleverd.
(iii) In het kader van de financiering van de aankoop van de woning is in opdracht van [eisers] een taxatierapport uitgebracht. Daarin is de marktwaarde van de woning op peildatum 30 december 2016 getaxeerd op € 670.000,--.
(iv) Tegenover de woning van [eisers] bevond zich ten tijde van de (ver)koop een agrarische onderneming van [A].
(v) [A] heeft in 2010, 2012 en 2013 vergunningen verkregen voor de uitbreiding van zijn veehouderij met een grote varkensstal (hierna ook: de megastal). De in 2010 en 2012 door de gemeente [woonplaats] verleende milieu- en bouwvergunningen en de in 2013 door de provincie Noord-Brabant verleende natuurvergunning zijn onherroepelijk geworden.
(vi) [verweerders] hebben in de periode 2011-2013 meermaals geageerd tegen de uitbreidingsplannen van [A] en de vergunningen die daarvoor uiteindelijk zijn verleend.
(vii) [eisers] waren ten tijde van de koop van de woning onbekend met de aan [A] verleende vergunningen.
(viii) Op 27 oktober 2017 is in opdracht van [eisers] een taxatierapport opgemaakt. In dat rapport is op peildatum 20 december 2016 de marktwaarde van de woning op € 485.000,-- getaxeerd, waarbij is uitgegaan van het feit dat op de waardepeildatum bekend was dat er een milieuvergunning is verstrekt voor de megastal in de nabijheid van de woning.
(ix) In 2021 heeft de gemeente [woonplaats] de WOZ-waarde van de woning verlaagd. Daarbij is vermeld dat bij de verlaging rekening is gehouden met planschade vanwege de mogelijke komst van een megastal in de nabijheid van de woning.
(x) In 2022 heeft [A] zijn perceel verkocht en geleverd aan een ontwikkelingsmaatschappij. In de koopovereenkomst is onder meer vastgelegd dat [A] zijn bedrijf ter plaatse zal beëindigen en verplicht is alle vergunningen in te (laten) trekken of over te dragen aan de koper. De verkoop en levering heeft tot gevolg dat op het voormalige perceel van [A] geen megastal zal worden gebouwd.
2.2
In deze procedure vorderen [eisers], voor zover in cassatie van belang, (i) voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen, subsidiair dat [verweerders] onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld, en (ii) [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van het door hen geleden nadeel dan wel betaling van schadevergoeding, ter hoogte van een bedrag van € 190.000,--. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.
2.3
Het hof1.heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en aan zijn oordeel, voor zover in cassatie van belang, het volgende ten grondslag gelegd.
[verweerders] betwisten niet dat [eisers] onbekend waren met het gegeven dat aan [A] reeds vergunningen waren verleend in 2010, 2012 en 2013, waartegen [verweerders] ook hebben geageerd. Daarmee staat vast dat [eisers] een onjuiste voorstelling van zaken hadden bij het aangaan van de koopovereenkomst. (rov. 5.6)
Het is aannemelijk dat [eisers] de woning niet of niet onder dezelfde voorwaarden zouden hebben gekocht als zij op de hoogte waren geweest van de aan [A] verstrekte vergunningen, die de kans op aantasting van het woongenot vergroten en de woning minder aantrekkelijk maken voor potentiële kopers. (rov. 5.8)
[verweerders] hadden in verband met wat zij wisten of behoorden te weten over de concrete omstandigheid dat aan [A] vergunningen waren verstrekt die realisatie van de megastal in de toekomst mogelijk zouden kunnen maken, [eisers] behoren in te lichten. Het beroep van [eisers] op dwaling slaagt, omdat (i) [verweerders] de juiste stand van zaken kenden of geacht moesten worden die te kennen, (ii) de verwachting van [verweerders] dat de megastal niet zou worden gerealiseerd niet betekent dat zij er geen rekening mee hoefden te houden dat wetenschap van de juiste voorstelling van zaken voor [eisers] belangrijk zou kunnen zijn bij het nemen van hun beslissing tot aankoop van de woning, (iii) waar [verweerders] bezwaar hebben gemaakt tegen het verlenen van deze vergunningen, zij zich hadden moeten realiseren dat wetenschap over het bestaan van de vergunningen van invloed zou kunnen zijn op de vraag of, althans de prijs waartegen, [eisers] de woning zouden willen kopen, (iv) [eisers] er in dit geval, ondanks dat zij wisten dat zij zouden gaan wonen in een gebied met een agrarische bestemming, geen rekening mee hoefden te houden dat er aan [A] vergunningen ter realisatie van de megastal zouden zijn verleend, terwijl [verweerders] er wel rekening mee moesten houden dat [eisers] dwaalden ten aanzien van het bestaan van die (weliswaar tot dan toe ongebruikt gelaten) vergunningen, (v) de op [verweerders] rustende mededelingsplicht zwaarder weegt dan de onderzoeksplicht die op [eisers] rust nu de vergunningen al meerdere jaren voor het aangaan van de koopovereenkomst waren verstrekt, niet in geschil is dat geen nieuwe vergunningen zouden (kunnen) worden verleend volgens het op dat moment geldende bestemmingsplan en onvoldoende is toegelicht in hoeverre de aan [A] verstrekte vergunningen zouden blijken uit de ter plaatse geldende bestemming waarop de makelaar heeft gewezen. (rov. 5.10-5.19)
Aangezien [eisers] hebben gevorderd dat de rechter in plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het nadeel wijzigt, moet worden beoordeeld in hoeverre daartoe in dit geval aanleiding bestaat (art. 6:230 lid 2 BW). Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de rechter, die daarbij een ruime beoordelingsruimte heeft. [eisers] zullen in de situatie moeten worden gebracht waarin zij zouden hebben verkeerd indien zij niet hadden gedwaald. Daartoe wordt een vergelijking gemaakt tussen de situatie waarin is gedwaald en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is. Uitgangspunt daarbij is wel dat de overeenkomst ook bij bekendheid met de eigenschap waarover is gedwaald, tot stand was gekomen. Bij de beoordeling van het nadeel worden [eisers] gevolgd in hun stelling dat dat het geval zou zijn geweest, maar dan voor een lagere prijs. De rechter kan de omvang van het nadeel zo nodig schattenderwijs vaststellen en dient daarbij alle relevante omstandigheden van het geval mee te wegen. (rov. 5.20)
Bij toepassing van art. 6:230 lid 2 BW bestaat geen noodzaak en geen grond latere ontwikkelingen – waaruit kan worden afgeleid dat de verleende vergunning in werkelijkheid geen waardedrukkend effect heeft gehad – niet in ogenschouw te nemen. Het achterwege laten van mededelingen van [verweerder 1] over de vergunningen van [A] heeft niet tot gevolg gehad dat [eisers] op dit moment nadeel ondervinden. Ten tijde van de koop en de levering van de woning bestond er een kans dat een megastal zou worden opgericht op het perceel van [A], maar deze kans is opgehouden te bestaan op het moment dat [A] en de ontwikkelingsmaatschappij een koopovereenkomst met elkaar sloten. Vanaf het moment dat [A] zijn perceel heeft verkocht en geleverd aan deze ontwikkelingsmaatschappij heeft de woning van [eisers] in elk geval geen verminderde waarde door de (dreigende) komst van de megastal. [eisers] stellen juist dat de waarde van hun woning op dit moment hoogstwaarschijnlijk is toegenomen. Dit betekent dat, hoewel in dit geval de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen onder invloed van dwaling, [eisers] daarvan dus geen nadeel ondervinden bij instandhouding van de overeenkomst. Dat de woning op het moment van aankoop mogelijk minder waard zou zijn geweest, is niet meer van belang. Aangezien art. 6:230 BW niet gaat over situaties waarin geen sprake is van nadeel, worden de vorderingen van [eisers] afgewezen. Mogelijke andere kostenposten die [eisers] als schade of nadeel zouden kunnen vorderen op het moment dat de megastal er zou zijn gekomen, zijn niet aan de orde. Hoewel sprake is van dwaling, leidt deze grondslag daarom niet tot toewijzing van het door [eisers] gevorderde bedrag. (rov. 5.22-5.25)
De schending van de mededelingsplicht door [verweerders] is een onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW. Nu de onrechtmatige daad is gelegen in het achterwege blijven van een mededeling over vergunningen en daaruit – naar inmiddels is gebleken – geen wijziging ten nadele van [eisers] is voortgevloeid omdat de megastal op het perceel van [A] niet zal worden gerealiseerd, blijven de verwachtingen over de komst van de megastal en de daaruit voortvloeiende eventuele schade buiten beschouwing. [eisers] hebben destijds betaald voor wat zij nu in handen hebben. De schade wordt begroot op nihil. (rov. 5.26-5.27)
3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep en in het voorwaardelijke incidentele beroep
3.1.1
De Hoge Raad zal de klachten van de onderdelen A.1 en A.2 van het middel in het principale beroep en de klachten van het middel in het incidentele beroep gezamenlijk behandelen. Deze klachten hebben betrekking op de toepassing van art. 6:230 lid 2 BW. Ingevolge deze bepaling kan de rechter op verlangen van een der partijen, in plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst wijzigen ter opheffing van het nadeel dat de tot vernietiging bevoegde bij instandhouding van de overeenkomst lijdt.
3.1.2
Onderdeel A.1 van het middel in het principale beroep klaagt dat het hof heeft miskend dat feiten en omstandigheden die niet in (causaal) verband te brengen zijn met de overeenkomst, geen rol kunnen en mogen spelen bij de wijziging door de rechter van de gevolgen van een overeenkomst op de voet van art. 6:230 lid 2 BW.
Onderdeel A.2 van dit middel klaagt dat het hof heeft miskend dat bij de wijziging door de rechter van de gevolgen van een overeenkomst op de voet van art. 6:230 lid 2 BW uitsluitend feiten en omstandigheden voorafgaand aan, althans ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een rol kunnen spelen.
3.1.3
Volgens het middel in het incidentele beroep miskent het hof in rov. 5.20 dat de mogelijkheid tot opheffing van nadeel in de zin art. 6:230 BW ziet op het nadeel dat blijkt bij vergelijking van de financiële situatie waarin de vernietigingsbevoegde zal verkeren als de overeenkomst wordt vernietigd, met de financiële situatie waarin de vernietigingsbevoegde zal verkeren bij instandhouding van de overeenkomst. In het kader van art. 6:230 BW is niet aan de orde – noch als aanknopingspunt noch als beoogd resultaat – in welke situatie de dwalende zou hebben verkeerd indien hij niet had gedwaald, aldus het middel.
3.1.4
De hiervoor in 3.1.2 en 3.1.3 weergegeven klachten berusten elk op een rechtsopvatting die in haar algemeenheid niet juist is. Zij kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
3.2.1
Onderdeel A.6 van het middel in het principale beroep klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.22-5.25 dat het nadeel aan de zijde van [eisers] is opgehouden te bestaan onjuist, althans innerlijk tegenstrijdig is in het licht van de maatstaf die het hof zelf in rov. 5.20 voorop heeft gesteld.
3.2.2
Het hof heeft vastgesteld dat [eisers] hebben gedwaald doordat [verweerders] hun mededelingsplicht hebben geschonden door geen mededeling te doen van de verleende vergunningen die realisatie van de megastal mogelijk zouden kunnen maken (rov. 5.10-5.19). Ten aanzien van de vordering van [eisers] tot wijziging van de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van nadeel op de voet van art. 6:230 lid 2 BW, heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat [eisers] in dit geval in de situatie zullen moeten worden gebracht waarin zij zouden hebben verkeerd indien zij niet hadden gedwaald, en dat daartoe een vergelijking moet worden gemaakt tussen de situatie waarin is gedwaald en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is (rov. 5.20).Het hof heeft voorts tot uitgangspunt genomen dat [eisers], als zij op de hoogte waren geweest van de aan [A] verstrekte vergunningen, de woning zouden hebben gekocht tegen een lagere prijs (rov. 5.20).
3.2.3
Met de hiervoor in 3.2.2 weergegeven uitgangspunten van het hof is onverenigbaar het oordeel van het hof dat geen sprake is van nadeel in de zin van art. 6:230 lid 2 BW doordat de megastal uiteindelijk niet is gerealiseerd. Indien, zoals het hof tot uitgangspunt heeft genomen, [eisers] in het hypothetische geval dat zij niet zouden hebben gedwaald, de woning tegen een lagere prijs zouden hebben gekocht, zou de waardestijging die het gevolg is van het feit dat de megastal uiteindelijk niet is gerealiseerd, aan hen ten goede zijn gekomen. Hieruit kan niet anders volgen dan dat sprake is van nadeel in de zin van art. 6:230 lid 2 BW. Onderdeel A.6 slaagt dus.
3.3.1
Onderdeel B van het middel in het principale beroep is gericht tegen de begroting op nihil in rov. 5.27 van de schade van [eisers] als gevolg van de schending door [verweerders] van hun mededelingsplicht. Onderdeel B.4 van dit middel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat bij de schadebegroting op grond van art. 6:97 BW en art. 6:98 BW als uitgangspunt heeft te gelden dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht die zou bestaan indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet had plaatsgevonden, en dat latere feiten en omstandigheden enkel mogen worden meegenomen als zij in verband kunnen worden gebracht met die gebeurtenis.
3.3.2
Voor de begroting van de omvang van schade geldt als uitgangspunt dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Dat brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden.2.
3.3.3
Uitgangspunt in cassatie is dat [eisers], als [verweerders] aan hun mededelingsplicht ter zake van de aan [A] verstrekte vergunningen zouden hebben voldaan, de woning destijds ook zouden hebben gekocht, maar daarvoor een lagere prijs zouden hebben betaald (zie hiervoor in 3.2.2). Gelet hierop geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting het oordeel van het hof in rov. 5.27 dat uit de onrechtmatige daad (schending van de mededelingsplicht) – naar inmiddels is gebleken – geen wijziging ten nadele voor [eisers] is voortgevloeid omdat de megastal niet zal worden gerealiseerd, en [eisers] destijds dus hebben betaald voor wat zij nu in handen hebben. Met dit oordeel gaat het hof voorbij aan zijn uitgangspunt dat in de hypothetische situatie waarin [verweerders] aan hun mededelingsplicht zouden hebben voldaan, [eisers] de woning voor een lagere prijs zouden hebben gekocht (waarna de latere waardestijging doordat de megastal uiteindelijk niet is gerealiseerd aan hen zou zijn toegekomen). Uit dit uitgangspunt volgt dat [eisers] schade hebben geleden doordat zij destijds, toen niet bekend was dat de megastal niet zou worden gerealiseerd en de vergunningen voor de megastal wel waren verleend zonder dat [eisers] daarover door [verweerders] waren geïnformeerd, te veel voor de woning hebben betaald. Onderdeel B.4 is dus terecht voorgesteld.
3.4
Onderdeel B.6 van het middel in het principale beroep kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.5
Het middel in het principale beroep behoeft voor het overige geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 februari 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 2.600,47 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerders] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 800,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 februari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑02‑2026
Vgl. HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539, rov. 3.5.
Conclusie 07‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Dwaling bij verkoop van een woning. Verschil tussen werkelijke koopprijs en hypothetische koopprijs bij afwezigheid van dwaling verschuldigd aan de dwalende partij op grond van art. 6:230 lid 2 BW en/of art. 6:162 BW, nu woning later in waarde is gestegen?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01835
Zitting 7 maart 2025
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
1. [eiser 1]
2. [eiseres 2]
(hierna: ‘ [de Kopers] ’)
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerster 2]
(hierna: ‘ [de Verkopers] ’)advocaat: mr. A.C. van Schaick
1. Inleiding en samenvatting
[de Kopers] hebben in 2016 in het buitengebied in de [provincie] een woning voor € 675.000 gekocht die in 2017 aan hen is geleverd. Verkoper [de Verkopers] hebben bij het aangaan van de (ver)koopovereenkomst niet aan [de Kopers] medegedeeld dat een derde partij over vergunningen beschikte die de realisatie van een megastal tegenover de woning mogelijk zouden maken. Volgens een taxatierapport uit 2017 is de woning minder waard dan € 675.000 als rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van de realisatie van een megastal tegenover de woning (namelijk: € 485.000). Daarop zijn [de Kopers] in 2021 de onderhavige procedure begonnen, waarin zij het volgens hen voor de woning te veel betaalde bedrag van € 190.000 vorderen van [de Verkopers] , hetzij als schadevergoeding op de voet van art. 6:162 BW, hetzij als opheffing van het nadeel dat zij door de dwaling hebben geleden (art. 6:230 lid 2 BW).
In de loop van de procedure is duidelijk geworden dat er tegenover de woning definitief géén megastal zal worden gerealiseerd. Volgens het hof doen [de Kopers] op zichzelf een terecht beroep op dwaling en onrechtmatige daad. [de Verkopers] hadden hen moeten inlichten over de voor de megastal verleende vergunningen, waar zij tegen hadden geageerd. Het hof heeft de vorderingen van [de Kopers] echter toch afgewezen. Nu door de latere ontwikkelingen is gebleken dat de waarde-aantasting van de woning door het risico op een megastal zich niet langer voordoet, is volgens het hof geen sprake van schade van [de Kopers] en evenmin van nadeel als bedoeld in art. 6:230 lid 2 BW.
M.i. kan dit oordeel in cassatie geen stand houden.
2. Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
2.2
[de Verkopers] (hierna: de Verkopers) waren eigenaar van de woning aan de [a-straat 1] in [gemeente] (hierna: ‘de woning’).
2.3
[de Kopers] (hierna: de Verkopers) hebben de woning van de Kopers gekocht voor een koopprijs van € 675.000. De (ver)koop is vastgelegd in de tussenpartijen op 22 december 2016 gesloten koopovereenkomst (hierna: ‘de overeenkomst’). De woning is aan de Kopers geleverd op 1 september 2017.
2.4
In het kader van de financiering van de aankoop van de woning is een taxatierapport uitgebracht. De marktwaarde van de woning is in dit rapport – op peildatum 30 december 2016 – getaxeerd op een bedrag van € 670.000.
2.5
Tegenover de woning bevond zich ten tijde van de (ver)koop een agrarische onderneming van [de familie] ( [A] B.V.; hierna: ‘ [de familie] ’).
2.6
[de familie] heeft vergunningen aangevraagd en verkregen voor de uitbreiding van zijn veehouderij met een varkensstal voor 19.008 biggen (een zogenaamde megastal). Het gaat om de in 2010 en 2012 van de [gemeente] verkregen milieu- en bouwvergunningen en een in 2013 van de [provincie] verkregen natuurvergunning. De verleende vergunningen zijn onherroepelijk geworden.
2.7
De Verkopers hebben in de periode 2011-2013 geageerd tegen de uitbreidingsplannen van de veehouderij van [de familie] en de vergunningen die daarvoor uiteindelijk verleend zijn.
2.8
Op 9 december 2016 heeft [de familie] een aanvraag voor wijziging van de in 2010 en 2012 verleende vergunningen ingediend. [de familie] heeft verzocht de vergunning te wijzigen en om te zetten naar een vergunning van 15.168 biggen en 870 vleesvarkens.
2.9
Op 27 februari 2017 hebben de Verkopers een machtiging verstrekt aan een buurtgenoot om hem te vertegenwoordigen bij onder meer het indienen van zienswijzen, bezwaar en beroep tegen voorbereidende handelingen en besluiten in verband met “een voorgenomen oprichting van een varkenshouderij” van [de familie] .
2.10
Op 27 oktober 2017 is er – in opdracht van de Kopers – een (concept) taxatierapport opgemaakt; de marktwaarde van de woning is in dit rapport getaxeerd op € 485.000. Het rapport vermeldt onder “Bijzondere uitgangspunten” het volgende: "Bij de waardering is [...] uitgegaan van het feit dat op de waardepeildatum bekend was dat er een milieuvergunning is verstrekt voor het houden van 19.008 gespeende biggen aan [a-straat 2] te [gemeente] .”
2.11
Bij brief van 1 april 2021 heeft de [gemeente] de WOZ-waarde van de woning verlaagd. In deze brief heeft de gemeente kenbaar gemaakt dat deze verlaging door een taxateur is bepaald en daarbij rekening is gehouden met de planschade vanwege de mogelijke komst van een megastal in de nabijheid van de woning.
2.12
Bij koopovereenkomst van 28 juni 2022 heeft [de familie] zijn perceel verkocht en (op 14 juli 2022) geleverd aan de ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte. In deze koopovereenkomst is onder meer bepaald dat [de familie] zijn bedrijf ter plaatse zal beëindigen en verplicht is alle vergunningen in te (laten) trekken of over te dragen aan de koper. Deze verkoop en levering heeft tot gevolg dat op het (voormalig) perceel van [de familie] geen megastal gebouwd zal worden.
3. Procesverloop
3.1
In eerste aanleg hebben de Kopers (na wijziging van eis) het volgende gevorderd:
(i) voor recht te verklaren:
a. primair: dat de Verkopers toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst,
b. subsidiair: dat de overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen,
c. meer subsidiair: dat de Verkopers onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld;
(ii) de Verkopers hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van primair schadevergoeding, subsidiair vergoeding van het door hen geleden nadeel, ter hoogte van een bedrag van € 190.000.
3.2
De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 5 oktober 2022 de vorderingen van de Kopers afgewezen. Volgens de rechtbank is geen sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, omdat het gevreesde verslechterde leefklimaat niet zal plaatsvinden. Het perceel waarop deze megastal mogelijk gebouwd zou worden, is immers verkocht aan Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte. Evenmin is sprake van dwaling, omdat de onjuiste voorstelling die de Kopers aan dit beroep op dwaling ten grondslag leggen, niet aan de orde is. De rechtbank was daarom van oordeel dat aan de vereisten voor een beroep op dwaling niet is voldaan, zodat de Kopers niet konden vragen om de koopovereenkomst te wijzigen ter opheffing van het door hem gestelde nadeel. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de Kopers schade hebben geleden of zullen lijden door het gestelde onrechtmatig handelen. De vraag of het handelen van de Verkopers in de gegeven omstandigheden onrechtmatig is, heeft de rechtbank in het midden gelaten.
3.3
In hoger beroep hebben de Kopers gevorderd dat hun vorderingen alsnog worden toegewezen en hebben de Kopers hun vorderingen als volgt verwoord:2.
(i) in geval van dwaling: de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen in die zin dat de Verkopers op basis van art. 6:228 BW jo. art. 6:230 lid 2 BW hoofdelijk worden veroordeeld tot opheffing van het door hem geleden nadeel, ter hoogte vaneen bedrag van € 190.000, te vermeerderen met de wettelijke rente;
(ii) in geval van onrechtmatige daad: de Verkopers hoofdelijk te veroordelen om aan hen een schadevergoeding van € 190.000 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4
Bij arrest van 13 februari 2024 heeft het hof heeft het vonnis van de rechtbank van 5 oktober 2022 bekrachtigd, waarmee opnieuw alle vorderingen van de Kopers zijn afgewezen. Aan deze beslissing heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd.
3.5
Het hof overweegt dat de Kopers een onjuiste voorstelling van zaken hebben gehad bij het aangaan van de (ver)koopovereenkomst, omdat de Kopers bij het aangaan van de (ver)koopovereenkomst onbekend waren met aan [de familie] in 2010, 2012 en 2013 verleende vergunningen voor het oprichten van een megastal (rov. 5.6).
3.6
Het is aannemelijk dat de Kopers de woning niet of niet onder dezelfde voorwaarden zouden hebben gekocht als zij op de hoogte waren geweest van de aan [de familie] verstrekte vergunningen, in verband met de te verwachten derving van woongenot en de aantrekkelijkheid (en waarde) van de woning (rov. 5.8). Het enkele feit dat eventuele wijzigingen in de omgeving van de woning altijd kunnen plaatsvinden (met overlast als gevolg) betekent niet dat de Verkopers er geen rekening mee behoefden te houden dat informatie over de vergunningen van [de familie] geen invloed zou hebben gehad op de koopbeslissing van de Kopers (rov. 5.9). In verband met wat zij wisten of behoorden te weten over de concrete omstandigheid dat aan [de familie] vergunningen waren verstrekt die realisatie van een megastal in de toekomst mogelijk zou kunnen maken, hadden de Verkopers de Kopers behoren in te lichten (rov. 5.10). Dit oordeel heeft het hof uitgebreid gemotiveerd met verwijzing naar stellingen van partijen en feiten en omstandigheden (rov. 5.11-5.18). Hiermee slaagt het beroep van de Kopers op dwaling (rov. 5.19).
3.7
Vervolgens heeft het hof in rov. 5.20-5.25 het beroep van de Kopers op art. 6:230 lid 2 BW – opheffing nadeel bij dwaling – beoordeeld.
3.8
Het hof is in dit verband eerst ingegaan op enkele regels en uitgangspunten voor een beroep op art. 6:230 lid 2 BW (rov. 5.20). Het hof stelt voorop dat bij de toepassing van deze bepaling de partij die (terecht) een beroep doet op dwaling, in de positie moet worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd als zij niet zou hebben gedwaald. Daarbij moet de rechter een vergelijking maken tussen de situatie waarin is gedwaald en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ook zonder dwaling een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. Het hof is bij de beoordeling van het nadeel de Kopers gevolgd in hun stelling dat partijen zonder dwaling een (ver)koopovereenkomst tegen een lagere prijs zouden hebben gesloten (rov. 5.20). Verder heeft het hof overwogen dat de rechter alle relevante omstandigheden van het geval moet meewegen bij de vaststelling – of in voorkomende gevallen: schatting – van nadeel.
3.9
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de waarde van de woning op het moment van het wijzen van het arrest hoogstwaarschijnlijk is toegenomen en dat het waardedrukkende effect ten tijde van de (ver)koop (door de kans op realisatie van een megastal) later is weggenomen door het sluiten van de koopovereenkomst tussen [de familie] en Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte waardoor de (eventuele) komst van een megastal van de baan is (rov. 5.21-5.23). Vanaf het moment van het sluiten van deze koopovereenkomst tussen [de familie] en Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte heeft de woning van de Kopers in elk geval geen verminderde waarde door de (dreigende) komst van een megastal, aldus het hof. Volgens het hof is onder deze omstandigheden geen sprake van nadeel in de zin van art. 6:230 lid 2 BW voor de Kopers. Het standpunt van de Kopers dat slechts rekening mag worden gehouden met de waarde van de woning ten tijde van de (ver)koop, is door het hof verworpen. Ook van mogelijk ander nadeel als gevolg van de (dreigende) komst van een megastal is volgens het hof geen sprake (rov. 5.24). Daarmee faalt het beroep van de Kopers op art. 6:230 lid 2 BW (rov. 5.25).
3.10
Verder heeft het hof overwogen dat de schending van de mededelingsplicht door de Verkopers weliswaar een onrechtmatige daad is, maar dat deze schending geen verplichting tot betaling van een geldsom aan de Kopers oplevert (rov. 5.26-5.27). Het hof heeft de schade van de Kopers namelijk begroot op nihil. Omdat concrete schadebegroting het uitgangspunt is, wordt in het onderhavig geval (daarom) rekening gehouden met de latere waardeverandering van de woning als gevolg van de koopovereenkomst tussen [de familie] en Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte. Daarmee staat volgens het hof vast dat er geen nadeel is ontstaan voor de Kopers als gevolg van de schending van de mededelingsplicht.
3.11
Bij procesinleiding van 7 mei 2024 hebben de Kopers – tijdig – principaal cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van 13 februari 2024. De Verkopers hebben verweer gevoerd in het principale beroep en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Kopers hebben zich in zijn verweerschrift gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad over het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. De Verkopers hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. De Kopers hebben tot slot gerepliceerd.
4. Bespreking van het principale cassatiemiddel
4.1
Het principale cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen (A-C). Onderdeel A is gericht tegen rov. 5.22-5.25 en bestrijdt kort gezegd het oordeel van het hof over art. 6:230 lid 2 BW. Onderdeel B bestrijdt het oordeel van het hof over een eventuele schadevergoedingsplicht (rov. 5.27). Onderdeel C bevat een voortbouwklacht.
Onderdeel A: onjuist of onbegrijpelijk oordeel over art. 6:230 lid 2 BW
4.2
Onderdeel A luidt als volgt. Het hof geeft in rov. 5.22-5.25 van het bestreden arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 6:230 lid 2 BW, althans motiveert zijn oordeel in die overwegingen niet voldoende begrijpelijk. Het onderdeel valt uiteen in de volgende subonderdelen.
4.3
Onderdeel A.1. Het hof miskent dat feiten en omstandigheden die niet in (causaal) verband met de overeenkomst tussen partijen te brengen zijn, geen rol kunnen en mogen spelen in het kader van de reikwijdte – althans de omvang – van de rechterlijke mogelijkheid om op grond van art. 6:230 lid 2 BW de opheffing van het nadeel van de gevolgen van de overeenkomst uit te spreken.
4.4
Onderdeel A.2. Het hof miskent dat uitsluitend feiten en omstandigheden voorafgaand aan, althans ten tijde van de sluiting van de overeenkomst een rol kunnen spelen bij de opheffing van het nadeel van de gevolgen van de overeenkomst, en aldus een beoordeling van in het geding aangevoerde of bekend geworden feiten en omstandigheden ex nunc, zoals het hof kennelijk meent, onjuist is.
4.5
Onderdeel A.3. Het oordeel van het hof in rov. 5.23 dat de kans dat er mogelijk een megastal zou worden opgericht op het perceel van [de familie] is opgehouden te bestaan en de Kopers daarmee geen nadeel ondervinden, althans dat nadeel is opgehouden te bestaan, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van de toetsing ex art. 6:230 lid 2 BW. Daaronder kunnen namelijk slechts feiten worden geschaard, geen onzekere gebeurtenissen zoals een (al dan niet opgeheven) kans.
4.6
Onderdeel A.4. Het oordeel van het hof in rov. 5.23 dat art. 6:230 BW niet gaat over situaties waarin geen sprake is van nadeel, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
4.7
Onderdeel A.5. Het oordeel van het hof is onvoldoende gemotiveerd teneinde aanvaardbaar te zijn, omdat het hof niet op een aanvaardbare wijze uitlegt waarom het nadeel van de Kopers zou zijn opgehouden te bestaan (louter) omdat de megastal op het perceel van [de familie] door de verkoop van dat perceel niet zal worden gerealiseerd.
4.8
Onderdeel A.6. De motivering van het hof is onjuist, althans innerlijk tegenstrijdig, omdat het hof zijn eigen oordeel uit rov. 5.20, althans de in die overweging neergelegde maatstaf, miskent door in rov. 5.22 en 5.25 te overwegen dat het nadeel van de Kopers is opgehouden te bestaan.
4.9
De onderdelen A.1-6 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. In de kern richten zij zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de beslissing van het hof (i) om bij toepassing van art. 6:230 lid 2 BW rekening te houden met de waardeverandering van de woning door de koopovereenkomst tussen [de familie] en Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte, en (ii) om op grond daarvan tot de slotsom te komen dat geen sprake is van nadeel in de zin van art. 6:230 lid 2 BW, zodat de Kopers geen bedrag ter opheffing van een nadeel toekomt op grond van deze bepaling.
4.10
Bij de bespreking van deze klachten wordt tot uitgangspunt genomen wat ook het startpunt van het hof is: bij de vergoeding van het nadeel als bedoeld in art. 6:230 lid 2 BW, gaat het erom dat een partij die (terecht) een beroep doet op dwaling, in de positie moet worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd als zij niet zou hebben gedwaald. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie waarin is gedwaald en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is (rov. 5.20 van het bestreden arrest). Het principaal cassatieberoep klaagt immers op zich zelf niet over dit uitgangspunt. Op de juistheid van dit uitgangspunt zal nader worden ingegaan bij de bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.
4.11
De klachten zijn terecht voorgesteld, waar zij inhouden dat het hof ten onrechte en/of op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat geen sprake is van nadeel in de hiervoor genoemde betekenis die het hof aan art. 6:230 lid 2 BW heeft gegeven, terwijl het hof tegelijkertijd ervan is uitgegaan dat de Kopers zonder de dwaling de woning tegen een lagere prijs zou hebben verkregen.
4.12
Ervan uitgaande dat de Kopers zonder de dwaling de woning inderdaad tegen een lagere prijs zouden hebben verkregen, zou de latere waardevermeerdering van de woning door de koopovereenkomst tussen [de familie] en Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte aan de Kopers ten goede zijn gekomen. Die omstandigheid staat echter geheel los van de totstandkoming van de koopovereenkomst en de dwaling waaronder deze tot stand is gekomen. Deze omstandigheid kan dan ook niet afdoen aan het gegeven dat de Kopers zonder dwaling de woning tegen een lagere prijs zouden hebben gekocht. Niet valt in te zien dat de latere waardevermeerdering van de woning – die niet in causaal verband staat met de dwaling – het eerdere nadeel van de Kopers zou opheffen of compenseren.
4.13
Voor het overige hoeven de klachten van onderdelen A.1-6 geen inhoudelijke behandeling.
Onderdeel B: onjuist of onbegrijpelijk oordeel over schadevergoedingsvordering
4.14
De klachten van onderdeel B zijn alle gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.27, dat (i) bij de begroting van schade rekening wordt gehouden met de waardeverandering van de woning door de koopovereenkomst tussen [de familie] en Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte, en dat (ii) de schade in het onderhavige geval (daarom) op nihil moet worden begroot. Volgens het onderdeel geeft het hof hiermee blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 6:162 BW, in samenhang gelezen met de artt. 6:97, 6:98 en 6:100 BW, althans is het oordeel van het hof onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd. Het onderdeel valt uiteen in de volgende subonderdelen.
4.15
Onderdeel B.1. Het oordeel van het hof in zijn overwegingen is onjuist, omdat het hof miskent dat een partij als de Verkopers niet mogen profiteren van het eigen onrechtmatig handelen (de regel "ex turpi causa non oritur actio").
4.16
Onderdeel B.2. Het oordeel van het hof miskent dat bij schadebegroting ex art. 6:97 BW (steeds) sprake moet zijn van een causaal verband tussen de schade en de bij de begroting daarvan betrokken feiten en omstandigheden, en een dergelijk causaal verband niet aanwezig is bij toevallige gebeurtenissen, daterend van na het moment van de oorzaak van de schade.
4.17
Onderdeel B.3. Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof geen overweging wijdt aan de vraag of er een causaal verband aanwezig is tussen de door de Kopers geleden schade en de verkoop van het perceel van [de familie] aan Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte, althans tussen die schade en het besluit van Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte om geen megastal te realiseren op het van [de familie] gekochte perceel.
4.18
Onderdeel B.4. Het oordeel van het hof miskent dat de kern van schadebegroting ex art. 6:97 en 6:98 BW is de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand te brengen die zou bestaan indien de gebeurtenis die de schade veroorzaakte niet had plaatsgevonden, en dat latere (willekeurige) feiten en omstandigheden daarom enkel mogen worden meegenomen als zij in dat kader in verband kunnen worden gebracht met de schadeveroorzakende gebeurtenis.
4.19
Onderdeel B.5. Voor zover het oordeel van het hof moet worden gelezen als een toepassing van de regel van voordeelstoerekening, geven de overwegingen blijk van een onjuiste rechtsoverweging met betrekking tot art. 6:100 BW, althans zijn zij onvoldoende begrijpelijk, omdat ook in die situatie is vereist dat er een causaal verband is tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en het door de desbetreffende partij verkregen voordeel en dit niet het geval is, althans dat verband niet door het hof is vastgesteld.
4.20
De klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking
4.21
Het hof neemt tot uitgangspunt – althans zo lees ik r.o. 5.27 van het bestreden arrest – dat de schending van de mededelingsplicht door de Verkopers aanvankelijk schade heeft veroorzaakt, omdat de Kopers ten tijde van de (ver)koop tegen een te hoog bedrag de woning hebben gekocht. De woning was op dat moment minder waard dan werd verondersteld, omdat in de prijs van de woning niet was verdisconteerd dat er een risico op realisatie van een megastal bestond (wat de Verkopers hadden moeten mededelen). Met de ‘aanvankelijke schade’ doelt het hof kennelijk op het verlies van vermogen door het aanschaffen van de woning tegen een (gebleken) te hoge prijs.
4.22
Verder neemt het hof aan dat (veronderstellenderwijs) als uitgangspunt geldt dat zonder schending van de mededelingsplicht de (ver)koop van de woning zou zijn doorgegaan tegen een lagere prijs (rov. 5.8 en 5.20).
4.23
De volgende stap in de redenering van het hof is dan dat de koopovereenkomst tussen [de familie] en Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte de waarde-aantasting door het risico op realisatie van een megastal later heeft weggenomen, omdat met deze overeenkomst de realisatie van een megastal van de baan was. Dat had een positieve invloed op de waarde van de woning. Volgens het hof betekent dit laatste dat de (uiteindelijke) schade van de Kopers op nihil moet worden begroot.
4.24
Deze laatste stap is m.i. niet juist. Indien de Kopers in de hypothetische situatie (zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis) de woning voor een lagere prijs zou hebben gekocht van de Verkopers, zou de latere waardestijging van de woning in het vermogen van de Kopers zijn gevallen, zonder dat de Kopers (eerder) een bedrag ter hoogte van deze waardestijging aan [de Verkopers] zouden hebben voldaan. Die waardestijging die de Kopers zou zijn toegevallen, doet er echter niet aan af dat de Kopers teveel betaald hebben voor de woning. Het te veel betaalde bedrag kan dus schade opleveren voor de Kopers.
4.25
Het voorgaande brengt mee dat het oordeel van het hof over schadevergoeding m.i. niet in stand kan blijven in cassatie. De op het voorgaande gerichte klachten van onderdelen B.1-5 slagen m.i. Voor zover klachten van onderdelen B.1-5 op iets anders gericht zijn, behoeven zij geen behandeling.
4.26
Volgens onderdeel B.6 is het oordeel van het hof onjuist en/of onbegrijpelijk, omdat het beroep van de Kopers op de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:248 BW3.niet (kenbaar) is meegewogen. De procesinleiding verwijst in dit verband naar de memorie van grieven van de Kopers, randnummer 25.4.Randnummer 25 van de memorie van grieven van de Kopers is onderdeel van de toelichting op grief 2 van de Kopers (“Ten onrechte, ongegrond, althans onvoldoende gemotiveerd heeft de rechtbank in haar vonnis van 5 oktober 2022 in rechtsoverweging 3.12 en 3.13 geoordeeld dat niet aannemelijk is dat [eiser 1] schade heeft geleden of zal lijden door het (gestelde) onrechtmatige handelen”), en luidt als volgt:
“Oftewel: [eiser 1] heeft € 190.000 te veel betaald aan [verweerder 1] c.q. [verweerder 1] heeft onterecht € 190.000 te veel ontvangen van [eiser 1] . De waardevermeerdering die is opgetreden doordat de realisatie van een megavarkensstal van de baan is hoort aan [eiser 1] toe te komen. Net zoals iedere andere waardevermeerderende of waardeverminderende omstandigheid die zich heeft voorgedaan of zal voordoen na levering binnen de risicosfeer van [eiser 1] valt. Schade omvat immers zowel geleden verlies als gederfde winst. [verweerder 1] dient aldus – subsidiair – de door [eiser 1] opgelopen schade, te weten gederfde winst ter hoogte van € 190.000 ex artikel 6:162 BW aan [eiser 1] te vergoeden. De overwegingen van de rechtbank in rechtsoverweging 3.12 en 3.13 van het vonnis kunnen dan ook niet in stand blijven.”
4.27
M.i. is het niet onbegrijpelijk dat het hof in deze passage geen beroep op art. 6:248 BW heeft gelezen, mede in het licht van de inhoud van grief 2 en randnummers 21-24 van dezelfde memorie van grieven. Onderdeel B.6 kan daarom niet tot cassatie leiden.
Onderdeel C: voortbouwklacht
4.28
Onderdeel C bestrijdt het dictum van het bestreden arrest en bouwt daarbij voort op onderdelen A en B.
4.29
Omdat onderdelen A-B slagen (met uitzondering van onderdeel B.6), is ook onderdeel C terecht voorgesteld.
Slotsom
4.30
De slotsom is dat het principaal cassatieberoep slaagt.
5. Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Aan de voorwaarden van het incidenteel cassatieberoep is voldaan
5.1
Het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel is ingesteld onder de voorwaarden (i) dat onderdeel A in het principale cassatieberoep gegrond wordt bevonden en (ii) dat rov. 5.20 van het bestreden arrest niet in die zin moet worden begrepen dat naar het oordeel van het hof alleen aan toepassing van art. 6:230 BW wordt toegekomen als partijen ook bij een juiste voorstelling van zaken een overeenkomst, zij het dan onder andere voorwaarden, hadden gesloten.
5.2
Zoals uit de bespreking van het principale cassatieberoep blijkt, is aan voorwaarde (i) voldaan.
5.3
Ook aan voorwaarde (ii) is m.i. voldaan. M.i. moet rov. 5.20 niet zo worden begrepen, dat het hof heeft geoordeeld dat art. 6:230 lid 2 BW alleen kan worden toegepast als partijen ook bij een juiste voorstelling van zaken een overeenkomst hadden gesloten, zij het dan onder andere voorwaarden. Het hof heeft in rov. 5.20 geoordeeld dat toepassing van art. 6:230 lid 2 BW meebrengt dat de vernietigingsbevoegde – de Kopers – in de situatie moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als hij niet had gedwaald, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de situatie waarin is gedwaald en de situatie waarin dat niet het geval is. Het hof heeft in rov. 5.20 voor toepassing van art. 6:230 lid 2 BW vervolgens het uitgangspunt – niet het vereiste – geformuleerd dat zonder dwaling in ieder geval een (koop)overeenkomst met een lagere prijs tot stand zou zijn gekomen. Het hof heeft in het verlengde hiervan overwogen dat het hof de Kopers (veronderstellenderwijs) volgt in zijn stelling dat partijen zonder de dwaling een koopovereenkomst tegen een lagere prijs zouden hebben gesloten (rov. 5.20). Vergelijk ook rov. 5.8, eerste en laatste volzin, van het bestreden arrest.
5.4
Met het voorgaande heeft het hof niet geoordeeld dat art. 6:230 lid 2 BW niet kan worden toegepast als partijen zonder de dwaling in het geheel geen (ver)koopovereenkomst zouden hebben gesloten.
5.5
Het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.20, dat voor toepassing van art. 6:230 lid 2 BW geldt dat de dwalende partij in de situatie zal moeten worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien hij niet had gedwaald. Volgens het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel heeft het hof miskend dat art. 6:230 BW het oog heeft op het nadeel dat blijkt bij vergelijking van de financiële situatie waarin de vernietigingsbevoegde zal verkeren als de overeenkomst wordt vernietigd, met de financiële situatie waarin de vernietigingsbevoegde zal verkeren bij instandhouding van de overeenkomst. In het kader van art. 6:230 BW is niet aan de orde – noch als aanknopingspunt noch als beoogd resultaat – in welke situatie de dwalende zou hebben verkeerd als hij niet had gedwaald, aldus het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel.
5.6
Anders dan de Kopers in hun repliek aanvoeren (onder c) voldoet deze klacht aan de (procesrechtelijke) eisen: m.i. is voldoende duidelijk dat de Verkopers met hun voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep het in rov. 5.20 vervatte oordeel van het hof over art. 6:230 BW bestrijden met een rechtsklacht, namelijk een specifieke interpretatie van art. 6:230 BW.
5.7
De kern van de incidentele klacht is dus dat het nadeel als bedoeld in art. 6:230 BW niet het nadeel is dat de vernietigingsbevoegde lijdt door de dwaling, maar het nadeel dat hij lijdt door de instandhouding van de overeenkomst. In de eerste benadering wordt een vergelijking gemaakt tussen de situatie waarin de dwalende feitelijk verkeert en de situatie waarin hij zou hebben verkeerd als hij niet zou hebben gedwaald. In de tweede benadering wordt een vergelijking gemaakt tussen de situatie waarin de dwalende feitelijk verkeert en de situatie waarin hij zou hebben verkeerd als (in dit geval) de koopovereenkomst vernietigd zou worden.
5.8
In de gedachtegang van de klacht moet de tweede benadering worden gevolgd. Dit zou in de voorliggende zaak tot het resultaat leiden dat voor de Kopers geen nadeel in de zin van art. 6:230 BW is ontstaan: als de koopovereenkomst zou worden vernietigd zou de woning teruggaan naar de Verkopers en zouden de Kopers de koopprijs terugkrijgen. Er is dan geen verder financieel nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt (op grond van art. 6:230 BW). In de woorden van de klacht: de Kopers leiden geen nadeel door instandhouding in plaats van vernietiging van de overeenkomst.
5.9
Ook in de literatuur wordt wel gediscussieerd over de in het incidenteel cassatieberoep opgeworpen vraag. De heersende leer is dat bij de berekening van het nadeel moet worden aangesloten bij de situatie die zou hebben bestaan als de overeenkomst zou zijn gesloten zonder het wilsgebrek, ook wel de hypothetische overeenkomst genoemd.5.Er zijn echter ook andere opvattingen mogelijk.6.
5.10
Ik vraag mij af of het onderscheid dat het incidenteel cassatiemiddel hier verdedigt in zijn algemeenheid zinvol is. De beide benaderingen kunnen namelijk heel goed tot hetzelfde resultaat leiden. Dat zij in de voorliggende zaak tot verschillende uitkomsten zouden kunnen leiden (in de eerste benadering wél nadeel en in de tweede benadering geen nadeel), is het gevolg van tijdsverloop en de ontwikkelingen die zich in die tijd hebben afgespeeld. In de voorliggende zaak is de koopovereenkomst gesloten in december 2016. We moeten er van uitgaan dat als de Kopers op de hoogte zouden zijn geweest van de verleende vergunningen voor een megastal, zij de woning tegen een lagere prijs zouden hebben gekocht (rov. 5.8 en 5.20 van het bestreden arrest). Als de vordering tot vergoeding van nadeel op de voet van art. 6:230 BW door de rechter zou zijn beoordeeld vóórdat (in juni 2022) duidelijk werd dat er geen megastal zal worden gebouwd, zouden de Verkopers zowel in de eerste als in de tweede benadering nadeel leiden dat voor vergoeding in aanmerking komt. In de eerste benadering: omdat zij als zij niet hadden gedwaald een lagere koopprijs zouden hebben betaald. In de tweede benadering: omdat zij als de overeenkomst vernietigd zou worden, de (te hoge) koopprijs terug zouden krijgen waartegenover zij dan de woning (met een lagere marktwaarde) zouden hebben terug geleverd. Met andere woorden, als de vordering tot opheffing van het nadeel van Kopers op een eerder moment zou zijn beoordeeld, zouden zij in beide benaderingen zondermeer aanspraak hebben kunnen maken op toewijzing van een bedrag dat zij, als gevolg van hun dwaling, teveel hebben betaald voor de woning.
5.11
De vraag waar het in de voorliggende zaak eigenlijk om gaat is, zo lijkt mij, is naar welk moment het nadeel van de vernietigingsbevoegde moet worden beoordeeld. Is dat het moment waarop de onder invloed van dwaling tot stand gekomen overeenkomst is aangegaan? Of is dat het moment waarop de rechter (in de woorden van de klacht) “in plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van dit nadeel wijzigt”? Dat laatste moment lig in deze zaak vele jaren later dan het eerste moment, en – cruciaal – ná het intreden van externe omstandigheden (namelijk het ongebruikt laten van de vergunningen voor de megastal in juni 2022).
5.12
Het antwoord is m.i. dat het nadeel in beginsel moet worden beoordeeld op het moment waarop de onder dwaling tot stand gekomen overeenkomst is gesloten, december 2016. Feiten en omstandigheden die zich hierna hebben voorgedaan blijven in beginsel buiten beschouwing, in ieder geval als zij niets te maken hebben met de rechtsverhouding tussen partijen. Zie in deze zin ook Hijma, die in zijn proefschrift schreef dat eventuele waardefluctuaties van ná de dwaling geen invloed behoren te hebben op de vaststelling van het nadeel. Dat geldt zowel voor waardedalingen als waardestijgingen. Hij licht dit als volgt toe:7.
“Ik meen evenwel dat zulk een redenering (A-G: de redenering waarin waardedalingen en waardestijgingen wél worden verdisconteerd) faalt. De omvang van het nadeel wordt aldus te veel als een zelfstandig invulbare grootheid gezien, los van de eraan ten grondslag liggende overwegingen. Het gaat er immers om dat de gevolgen van de zwakte van de handelende worden weggenomen. De wet biedt hem hiertoe de mogelijkheid de rechtshandeling te vernietigen, tenzij de wederpartij een aanpassing voorstelt die overeenstemt met de situatie waarin de bewuste zwakheid niet zou hebben bestaan. Deze situatie nu kan naar haar aard slechts worden bereikt door een bijstelling die is afgestemd op het ontstaansmoment der rechtshandeling. De wederpartij dient niet in abstracto 'het' nadeel van de ander te vergoeden, doch - concreter - het met diens zwakheid samenhangende nadeel. De wederpartij kan zich bij de vernietiging neerleggen, zodat de gehele rechtshandeling ter zijde wordt gesteld. Doch wenst zij instandhouding, dan dient zij op een aanpassing aan te sturen die aansluit bij de situatie waarin de ander zou hebben verkeerd indien hij zich 'sterk' zou hebben opgesteld. En nu bij zulk een 'direct correcte' invulling de handelende het nadeel van een waardedaling niet zou hebben geleden, behoort dit ook niet bij een 'achteraf correct te maken' invulling voor zijn rekening te komen. (…)
Soortgelijke overwegingen leiden tot de conclusie dat ook een eventuele latere waardestijging niet ten voordele van de vernietigingsbevoegde strekt. Zulk een voordeel had hij bij een 'correct' contract niet genoten, en verkrijgt hij derhalve evenmin achteraf.
(…)
Het bedoelde 'nadeel' is het nadeel dat door de zwakheid van de handelende in de rechtshandeling wordt opgenomen, en derhalve daarin op een bepaalde waarde wordt bevroren.”
5.13
Deze visie lijkt mij verhelderend. Het gaat om het ontstaansmoment van de rechtshandeling die onder invloed van dwaling tot stand is gekomen, waarbij niet in abstracto naar het nadeel moet worden gekeken, maar naar het nadeel dat de dwalende heeft geleden als gevolg van de rechtshandeling die onder dwaling is aangegaan. Daarmee moet het nadeel van de Kopers in beginsel worden ‘bevroren’ op het nadeel dat volgt uit de onder invloed van dwaling gesloten koopovereenkomst.
5.14
In dit verband is het van belang om te signaleren dat de vordering van de Kopers nooit gericht is geweest op het verkrijgen van de waardestijging van de woning, of, zoals in het incidenteel cassatiemiddel getracht wordt ingang te doen vinden, op het verkrijgen van het positief contractsbelang (zie schriftelijke toelichting Van Schaick namens Kopers onder punt 5). Dat zou inderdaad een onbegaanbare weg zijn. Algemeen wordt aangenomen dat art. 6:230 BW geen grondslag biedt voor andere schade dan het bedoelde nadeel; voor andere schade is de vernietigingsbevoegde aangewezen op een vordering uit onrechtmatige daad.8.In de woorden van W.L. Valk & J.J. Valk:9.
“Sommige schrijvers nemen bijvoorbeeld het prijsverschil tot uitgangspunt, anderen gaan (impliciet) ervan uit dat in het geval van dwaling de dwalende moet worden gebracht in de toestand die hij in zijn dwaling had verwacht (…). De laatste opvatting lijkt moeilijk te verenigen met het karakter van de dwalingsregeling (…). Juister lijkt om aan te nemen dat de dwalende moet worden gebracht in de situatie waarin hij zou hebben verkeerd indien hij niet had gedwaald. Indien bijvoorbeeld aannemelijk is dat hij in dat geval als koper een lagere koopprijs zou hebben kunnen bedingen, is het ‘nadeel’ in de zin van de bepaling het verschil tussen de overeengekomen en de zojuist bedoelde (hypothetische) koopprijs, welk verschil niet zonder meer gelijk is aan het bedrag van de kosten van herstel van het gebrek dat de koper als gevolg van de dwaling niet kende.”
5.15
De vordering van de Kopers is echter gericht op het verkrijgen van financiële compensatie voor de teveel betaalde koopprijs.10.Het taxatierapport dat de Verkopers ter onderbouwing van hun schade in het geding hebben gebracht is hier ook op gebaseerd.11.Sterker nog: de latere ontwikkelingen over de aankoop van het perceel hadden zich ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding (28 juni 2021) nog helemaal niet voorgedaan. Het is dan ook niet juist om de vordering van de Kopers zo te ‘framen’ dat het hen gaat om het verkrijgen van de waardestijging van de woning in verband met het niet doorgaan van de komst van een megastal. Het gaat de Kopers om vergoeding van de teveel betaalde koopprijs, toen nog in het geheel niet bekend was dat de megastal er niet zou komen en de vergunningen voor die stal, zonder dat zij dat wisten, er wél lagen.
5.16
Het voorgaande betekent dat het incidenteel cassatieberoep m.i. niet slaagt.
5.17
De slotsom is dat het principaal cassatieberoep slaagt en het incidenteel cassatieberoep faalt.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑03‑2025
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 13 februari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:432, rov. 2.4-2.14 (met enkele redactionele aanpassingen).
Zie rov. 4.1 van het bestreden arrest.
Zie voetnoot 17 van de procesinleiding.
Zie bijv. M.Y. Schaub, Wilsgebreken (Monografieën BW nr. B3), Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 84, met verdere literatuurverwijzingen; S.T.J. van der Weiden, ‘Een verzoek tot wijziging van de (rechts)gevolgen van een overeenkomst als alternatief voor vernietiging of schadevergoeding bij dwaling’, Bb 2020, afl. 6, p. 112 e.v.; Asser/Sieburgh 6-III, nrs. 630-633; T&C BW, commentaar op art. 6:230 BW (W.L. Valk & J.J. Valk), actueel tot en met 3 maart 2025. Zie voor een beknopte bespreking van verschillende standpunten: GS Verbintenissenrecht, art. 6:230 BW (D.L.M.T. Dankers-Hagenaars), aant. 2.4-2.5 en 3.6-3.7 (actueel tot en met 1 maart 2024).
Zie de bespreking van verschillende standpunten in M.Y. Schaub, Wilsgebreken (Monografieën BW nr. B3), Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 84 en GS Verbintenissenrecht, art. 6:230 BW (D.L.M.T. Dankers-Hagenaars), aant. 2.4-2.5 en 3.6-3.7 (actueel tot en met 1 maart 2024).
Jac. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen, diss. Leiden, Deventer: Kluwer 1988, p. 184-185.
Zie bijv. Asser/Sieburgh 6-III, nrs. 630-633.
T&C BW, commentaar op art. 6:230 BW (W.L. Valk & J.J. Valk), actueel tot en met 3 maart 2025.
Zie o.m. inleidende dagvaarding, onder meer punt 12; MvG punt 13-14.
Zie prod. 4 bij dagvaarding (d.d. 27 oktober 2017): “tegenover het object (…) is een milieuvergunning verstrekt voor het houden van 19.008 gespeende biggen. De nieuwe te bouwen stal komt op 50,0 m afstand van de woning (…) te staan.”
Beroepschrift 02‑06‑2024
Hoge Raad der Nederlanden
Zitting van 12 juli 2024
VERWEERSCHRIFT TOT VERWERPING VAN HET CASSATIEBEROEP TEVENS VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
in zake:
[verweerder 1] en [verweerster 2],
beiden wonend te [woonplaats],
verweerders in cassatie,
eisers in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
advocaat: A.C. van Schaick,
tegen:
[eiser 1] en [eiseres 2],
beiden wonend te [woonplaats],
eisers tot cassatie,
verweerders in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
advocaat: M.J. van Basten Batenburg.
Partijen worden (in mannelijk enkelvoud) [verweerders] en [eisers] genoemd.
In het principale cassatieberoep
Geen schending van het recht of verzuim van vormen
[verweerders] doet zeggen dat het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 13 februari 2024 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dient te worden verworpen, omdat het hof in het bestreden arrest niet op de door [eisers] aangevoerde gronden het recht heeft geschonden, noch vormen heeft verzuimd die op straffe van nietigheid in acht moeten worden genomen.
Conclusie
[verweerders] concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten van dat beroep, vermeerderd met wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest zijn betaald.
In het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep
Middel van cassatie
Met behulp van art. 6:230 BW wordt de vernietiging voorkomen van een overeenkomst die vernietigd zou kunnen worden op de grond dat aan de eisen van art. 6:228 dan wel art. 6:229 BW is voldaan. De vernietigingsbevoegdheid vervalt (lid 1) respectievelijk de rechter spreekt de vernietiging van de overeenkomst niet uit (lid 2), indien op voorstel van de wederpartij (lid 1) respectievelijk op verlangen van een der partijen (lid 2) de gevolgen van de overeenkomst zodanig worden gewijzigd dat het nadeel dat de vernietigingsbevoegde bij instandhouding van de overeenkomst lijdt, afdoende wordt opgeheven.
In rov. 5.20 van het bestreden arrest heeft het hof overwogen dat [eisers] bij toepassing van art. 6:230 lid 2 BW ‘in de situatie [zal] moeten worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien hij niet had gedwaald’ en dat ‘daartoe (…) een vergelijking [wordt] gemaakt tussen de situatie waarin is gedwaald en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is’. Door deze overweging heeft het hof een verkeerde maatstaf gehanteerd en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daardoor immers miskend dat art. 6:230 BW het oog heeft op het nadeel dat blijkt bij vergelijking van de financiële situatie waarin de vernietigingsbevoegde zal verkeren als de overeenkomst wordt vernietigd, met de financiële situatie waarin de vernietigingsbevoegde zal verkeren ‘bij instandhouding van de overeenkomst’.
In het kader van art. 6:230 BW is niet aan de orde — noch als aanknopingspunt noch als beoogd resultaat — in welke situatie de dwalende ‘zou hebben verkeerd indien hij niet had gedwaald’.
Voorwaardelijk karakter van het middel
Het middel in het incidentele cassatieberoep wordt aangevoerd onder de voorwaarde (i) dat onderdeel A in het principale cassatieberoep gegrond wordt bevonden en (ii) dat rov. 5.20 van het bestreden arrest niet in die zin moet worden begrepen dat (naar het oordeel van het hof) alleen aan toepassing van art. 6:230 BW wordt toegekomen als partijen ook bij een juiste voorstelling van zaken een overeenkomst, zij het dan onder andere voorwaarden, hadden gesloten.
Conclusie
Op grond van dit middel van cassatie concludeert [verweerders] in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet door het bestreden arrest met verbetering van gronden te bekrachtigen, althans dat het bestreden arrest wordt vernietigd en ter nadere beoordeling wordt verwezen naar een ander hof, steeds met veroordeling van [eisers] in de kosten van dit voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, te vermeerderen met de wettelijke rente als [eisers] deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest heeft betaald.
Advocaat
Beroepschrift 07‑05‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSZAAK IN CASSATIE (art. 407 Rv)
Partijen
Eisers tot cassatie zijn
- —
de heer [eiser 1]
en
- —
mevrouw [eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: ‘[eisers]’.
Eisers kiezen voor deze zaak domicilie te (2566 LB) Den Haag aan het adres Sportlaan 40 op het kantoor van Delissen Martens advocaten belastingadviseurs mediation, van wie de advocaat bij de Hoge Raad mr. M.J. van Basten Batenburg als zodanig voor hen optreedt en namens hen deze procesinleiding ondertekent en indient.
Verweerders in cassatie zijn
- —
de heer [verweerder 1]
en
- —
mevrouw [verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: ‘[verweerders]’.
Verweerders hebben in de vorige instantie domicilie gekozen op het kantoor van de advocaat mr. R. Teerink (Linssen c.s. Advocaten), met als kantooradres Willem II Straat 29 a te (5038 BA) Tilburg.
Cassatieberoep
[eisers] stellen beroep in cassatie in tegen het arrest van 13 februari 2024 gewezen in hoger beroep door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch met zaaknummer 200.323.036/01 tussen [eisers] als appellanten en [verweerders] als geïntimeerden.
Bevoegde rechter
De Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd te (2511 EK) Den Haag aan het adres Korte Voorhout 8, is de bevoegde rechter die kennisneemt van het cassatieberoep.
Verschijnen verweerders
Verweerders in cassatie kunnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, ten laatste verschijnen op vrijdag zeven juni tweeduizendvierentwintig (07-06-2024). De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur.
Waar gaat de zaak over?
[eisers] komen van het hiervoor genoemde arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch (hierna: ‘het hof’) in cassatie en voeren rechts- en motiveringsklachten aan tegen de overwegingen van het hof.
De onderhavige procedure betreft de aankoop door [eisers] van een woning van [verweerders] in [a-plaats] (hierna: ‘het perceel’). [eisers] kochten die woning voor een bedrag van € 675.000,-- in 2016. De levering vond plaats op 1 september 2017. Tegenover die woning bevond zich de agrarische onderneming van de familie [A]. [A] heeft vergunningen verkregen voor de uitbreiding van zijn varkensstal voor 19.008 biggen — een megastal. Die onherroepelijke vergunningen dateren uit 2010–2013. Op 9 december 2016 verzocht [A] om wijziging van de verleende vergunningen uit 2010 en 2012. Het aantal dieren zou daarmee komen op 15.168 biggen en 870 varkens. In opdracht van [eisers] is er een (concept) taxatierapport omtrent de woning opgemaakt op 27 oktober 2017 waarin is vermeld dat de waarde van de woning op de waardepeildatum getaxeerd is op € 485.000,--. [A] heeft zijn perceel op 28 juni 2022 aan de ontwikkelingsmaatschappij ‘Ruimte voor Ruimte’ verkocht. Die verkoop had tot gevolg dat op het perceel van [A] geen megastal meer gebouwd zou worden.
Het gaat in de procedure om de vraag of [eisers], kopers van de woning van [verweerders], recht kunnen doen gelden op een bedrag van € 190.000,-- omdat zij er niet van op de hoogte waren dat vergunningen waren verleend voor uitbreiding van de veehouderij op het naburige perceel van [A] met een varkensstal voor ruim 19.000 biggen (een megastal). [eisers] hebben [verweerders] in rechte betrokken en op grond van diverse grondslagen gevorderd, de schade die zij hebben geleden te vergoeden. De primaire grondslag van de vordering was non-conformiteit (art. 7:17 BW), subsidiair stelden [eisers] dat sprake was van dwaling en meer subsidiair stelden zij dat [verweerders] onrechtmatig hadden gehandeld door informatie over de wijziging van de vergunning voor de bouw van de megastal en de machtiging die was verstrekt om daartegen te ageren niet aan [eisers] te melden.1.
Zowel de rechtbank als het hof hebben de vorderingen afgewezen, maar op basis van verschillende inhoudelijke oordelen. Het hof was, in afwijking van de rechtbank, van oordeel dat wél sprake was van dwaling en onrechtmatige daad, maar concludeerde dat het nadeel van [eisers] was opgeheven door de latere verkoop van de boerderij van [A] aan ‘Ruimte voor Ruimte’, omdat daardoor de komst van de megastal niet doorging. Door aldus te beslissen valt de verkoop van het perceel van [A] — en het als gevolg daarvan niet doorgaan van de realisatie van de megastal door een besluit van koper Ruimte voor Ruimte — geheel als voordeel binnen de sfeer van [verweerders], die aldus volgens het hof niets hoeven te betalen aan [eisers].
Kern van het geding in cassatie is de vraag of het hof een rechtens juist en/of voldoende gemotiveerd oordeel gegeven heeft met betrekking tot de opheffing van het nadeel van de gevolgen van de overeenkomst, zoals art. 6:230 lid 2 BW mogelijk maakt. Ook het oordeel van het hof over de afwezigheid van schade bij de meer subsidiaire grondslag van onrechtmatigheid is voorwerp van rechts- en motiveringsklachten.
Cassatiemiddel
[eisers] voeren tegen het voormelde arrest van het hof het navolgende middel van cassatie aan:
‘Schending van het recht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het hof heeft overwogen en beslist als vermeld in het arrest waarvan beroep, ten onrechte, vanwege na te melden in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen, weergegeven in de diverse hierna te noemen klachtonderdelen.’
Klachten
Het middel valt uiteen in de hierna vermelde klachtonderdelen.
Onderdeel A
Het hof geeft in zijn overwegingen 5.22 tot en met 5.25 van het arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot artikel 6:230 lid 2 BW, althans motiveert zijn oordeel in die overwegingen niet voldoende begrijpelijk teneinde aanvaardbaar te zijn. Het onderdeel wordt verdeeld in de navolgende subonderdelen en gezamenlijk toegelicht.
A.1
Het hof miskent dat feiten en omstandigheden die niet in (causaal) verband met de overeenkomst tussen partijen te brengen zijn, geen rol kunnen en mogen spelen in het kader van de reikwijdte — althans de omvang — van de rechterlijke mogelijkheid op grond van artikel 6:230 lid 2 BW de opheffing van het nadeel van de gevolgen van de overeenkomst uit te spreken.
A.2
Het hof miskent dat uitsluitend feiten en omstandigheden voorafgaand aan, althans ten tijde van de sluiting van de overeenkomst een rol kunnen spelen bij de opheffing van het nadeel van de gevolgen van de overeenkomst, en aldus een beoordeling van in het geding aangevoerde of bekend geworden feiten en omstandigheden ex nunc, zoals het hof kennelijk meent, onjuist is.
A.3
Het oordeel van het hof in rov. 5.23 van zijn arrest dat de kans dat er mogelijk een megastal zou worden opgericht op het perceel van [A] is opgehouden te bestaan en [eisers] daarmee geen nadeel ondervinden, althans dat nadeel is opgehouden te bestaan, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van de toetsing ex artikel 6:230 lid 2 BW, waaronder slechts feiten kunnen worden geschaard, geen onzekere gebeurtenissen zoals een (al dan niet opgeheven) kans.
A.4
Het oordeel van het hof in rov, 5.23 dat artikel 6:230 BW niet gaat over situaties waarin geen sprake is van nadeel, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
A.5
Het oordeel van het hof is onvoldoende gemotiveerd teneinde aanvaardbaar te zijn, omdat het hof niet op een aanvaardbare wijze uitlegt waarom het nadeel van [eisers] zou zijn opgehouden te bestaan (louter) omdat de megastal op het perceel van [A] door de verkoop van dat perceel niet zal worden gerealiseerd.
A.6
De motivering van het hof is onjuist, althans innerlijk tegenstrijdig, omdat het hof zijn eigen oordeel uit rov. 5.20, althans de in die overweging neergelegde maatstaf, miskent door in rov. 5.22 en 5.25 te overwegen dat het nadeel van [eisers] is opgehouden te bestaan.
Toelichting op de klachten van klachtonderdeel A
Dat, zoals het hof in rov. 5.22 naar de kern genomen overweegt, bij toepassing van art. 6:230 lid 2 BW geen noodzaak en geen grond bestaat ‘latere ontwikkelingen’ niet in ogenschouw te nemen, betreft een onjuiste rechtsopvatting. Het hof verwijst in zijn overwegingen niet naar jurisprudentie, lagere rechtspraak of de wetsgeschiedenis ter adstructie van deze — opmerkelijk stellige — overweging. Dat ‘latere ontwikkelingen’, zoals de verkoop van het perceel van [A] en de beslissing van de nieuwe eigenaar Ruimte voor Ruimte op dat perceel geen megastal te realiseren, een rol kunnen spelen bij de opheffing van het nadeel dat een dwalende partij zoals [eisers] geleden heeft, is echter in de algemene zin die het hof daaraan wenst toe te kennen geen aanvaardbare of juiste maatstaf te noemen. Er dient bij de opheffing van het nadeel tenminste een relatie te kunnen worden gelegd met de inhoud van de overeenkomst tussen partijen, alsmede met het moment waarop de dwaling van de koper tot stand kwam. [eisers] zullen hierop hierna nader ingaan.
Het hof stelt in zijn arrest als feit vast dat de koopovereenkomst tussen [A] en ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte tot stand kwam op 28 juni 2022.2. De inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak dateert van 28 juni 2021, een jaar voor die datum. Ten tijde van het vonnis van de rechtbank (5 oktober 2022) was de bedoelde overeenkomst tussen [A] en Ruimte voor Ruimte gesloten en was er ook geleverd, maar de gedingstukken in eerste aanleg vermelden niets over het aspect van de verzochte opheffing van het nadeel in dat verband. Pas in hoger beroep wordt dat debat gevoerd, zodat de relevante stellingen van partijen in de gedingstukken aldaar kunnen worden gevonden. In de memorie van grieven hebben [eisers] onder grief 1 aandacht besteed aan het onderwerp van het nadeel, in het bijzonder het tijdstip waarop dat nadeel dient te worden vastgesteld. [eisers] stellen dat het nadeel het verschil is tussen de koopsom en de waarde van de woning ten tijde van het tot stand komen van de koopovereenkomst. Dat verschil begroten [eisers] op € 190.000,--. [eisers] stellen verder dat waardefluctuaties na de dwaling c.q. het moment dat de koopovereenkomst werd gesloten niet moeten worden meegenomen bij het bepalen van het door [eisers] geleden nadeel. Deze rechtsopvatting van [eisers] wordt door hen onderbouwd door te wijzen op een tweetal arresten van de Hoge Raad.3. De Hoge Raad heeft over het door [eisers] bedoelde peilmoment evenwel in zijn arresten geen rechtsregel benoemd die in dit verband relevantie kent.4. In zoverre is sprake van een onbeantwoorde rechtsvraag.
[verweerders] hebben in hun memorie van antwoord gewezen op enige rechtsbronnen waaruit volgens hen volgt dat met de actuele situatie wel rekening gehouden moet worden.5. Echter, deze verwijzingen betreffen niet het onderwerp van het peilmoment van het vaststellen van het nadeel, dat volgens [eisers] dus zou moeten worden gelijk gesteld aan het moment dat de koopovereenkomst wordt gesloten. Het arrest van de Hoge Raad uit 2002,6. dat raakt aan deze materie, geeft geen antwoord op de vraag wat het relevante peilmoment is, welke de uitspraak van het hof in de onderhavige zaak oproept. In een eerdere kwestie uit 19977. aanvaardde het hof onder de gegeven omstandigheden de aanpassing van de overeenkomst van partijen, onder verwijzing naar de artikelen 6:230, 6:248 en 6:258 BW. De Hoge Raad keurde die redenering goed (zie rov. 3.5). Ook in het arrest ‘Ruinemans/Heijmeijer’ bevestigde de Hoge Raad de opvatting van het hof ‘… dat het Hof op de voet van de art. 3:53, 6:230 lid 2, 6:248 en 6:258 BW de overeenkomst tussen partijen in dier voege heeft aangepast dat de nadelige gevolgen voor rekening komen van beide partijen.’
Van een aanpassing (wijziging) van de overeenkomst tussen partijen door het hof is in dit geval echter geen sprake. Het hof overweegt immers slechts dat [eisers] hebben gevorderd de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen, ter opheffing van het nadeel.8. Het gaat, aldus het hof, om een discretionaire bevoegdheid van de rechter, die daarbij een ruime beoordelingsruimte heeft. [eisers] zullen volgens het hof in de situatie moeten worden gebracht waarin zij zouden hebben verkeerd indien zij niet hadden gedwaald. Daartoe moet volgens het hof een vergelijking gemaakt worden tussen de situatie waarin is gedwaald en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is. Uitgangspunt daarbij is aldus het hof dat de overeenkomst ook bij bekendheid met de eigenschap waarover is gedwaald, tot stand was gekomen. Het hof overweegt dat het bij de beoordeling van het nadeel [eisers] zal volgen in hun stelling dat dat het geval zou zijn geweest, maar dan voor een lagere prijs. Daarbij overweegt het hof ook dat de rechter de omvang van het nadeel zo nodig schattenderwijs kan vaststellen en daarbij alle relevante omstandigheden van het geval dient mee te wegen.9. Het hof neemt in zijn overwegingen de tussen partijen gesloten overeenkomst tot uitgangspunt en wijzigt die inhoudelijk niet. In zoverre past een vergelijking met het Hoge Raad arrest ‘Ruinemans/Heijmeijer’ niet bij de vraag wat precies het peilmoment van het nadeel dient te zijn. De overeenkomst wordt immers niet gewijzigd.
Het hof overweegt in rov. 5.20 dat [eisers] in de situatie moeten worden gebracht waarin zij zouden hebben verkeerd indien zij niet hadden gedwaald. Dat verhoudt zich niet met het daarbij betrekken van feiten of omstandigheden die dateren van (ver) na het sluiten van de overeenkomst, omdat de verkoop van het perceel van [A] in 2022 immers op geen enkele wijze gerelateerd kan worden aan de overeenkomst tussen [eisers] en [verweerders] in 2016. Die verkoop heeft de status van een toevallige gebeurtenis (een ‘act of God’) waarop partijen geen invloed konden hebben.
Kritisch over het arrest ‘Ruinemans/Heijmeijer’ is M.E.M.G. Peletier10. in een commentaar uit 2020. Peletier is van mening dat art. 6:230 BW slechts ziet op het nadeel ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, terwijl gevolgschade in geval van dwaling valt onder de werking van art. 6:162 BW. Deze mening van Peletier is ook die van [eisers]. In ieder geval zouden omstandigheden die in het geheel geen verband houden met de afspraken tussen partijen, geheel buiten beschouwing dienen te blijven omdat het immers bij toepassing van art. 6:230 lid 2 BW dient te gaan om de gevolgen van de overeenkomst, en niet om de vermogenspositie van partijen.
Een omstandigheid zoals die zich in deze zaak voordoet, die onafhankelijk is van de overeenkomst tussen partijen, heft het nadeel van [eisers] ex nunc op, maar dat die opheffing in zijn geheel toegerekend mag worden aan [verweerders] is onjuist, onredelijk en onbegrijpelijk. Het hof overweegt dat het nadeel van [eisers] is ‘opgehouden te bestaan’, maar besteedt geen aandacht aan de wijze waarop dat is geschied.11. Het nadeel van [eisers] zou evengoed opgehouden zijn te bestaan als hij in 2020 een goudschat had gevonden op zijn perceel, of zijn perceel in 2020 zou zijn onteigend door de Staat, met een disproportioneel hoge waardevergoeding tot gevolg. Dergelijke meevallers, zoals het feit dat de boerderij van [A] in 2022 wordt verkocht aan een milieuorganisatie, die vervolgens afstand doet van de verleende vergunning voor de megastal, zijn gebeurtenissen waar noch [eisers] noch [verweerders] enige invloed op geacht kunnen worden te hebben. Voor zover de maatstaf van art. 6:230 lid 2 BW aan een dergelijke ruime benadering van het begrip nadeel niet reeds in de weg staat, is niet zonder meer begrijpelijk dat alleen [verweerders] de vruchten plukken van een meevaller. Het hof onderkent dit niet in zijn overwegingen, hetgeen een onjuiste, want te ruime uitleg van het begrip ‘nadeel’ oplevert, die bovendien onredelijk en onaanvaardbaar genoemd kan worden.
Als er in de onderhavige situatie nadeel van [eisers] opgeheven dient te worden, dan kan dat er niet zonder meer toe leiden dat die opheffing volledig op het conto van [verweerders] wordt bijgeschreven. De bepaling van art. 6:230 lid 2 BW spreekt over het ‘wijzigen van de gevolgen van de overeenkomst’, hetgeen niet impliceert dat de wijziging van die gevolgen steeds aan één van partijen zou dienen te worden toegerekend. Dat het hof de vordering van [eisers] integraal afwijst, zonder dat daarbij kenbaar rekening wordt gehouden met het feit dat de verkoop van het perceel van [A] voor beide partijen een gelukje was, is daarom gebrekkig en niet aanvaardbaar. Zoals het hof zelf overweegt is sprake van een discretionaire bevoegdheid van de rechter in dit verband, maar dient hij te streven naar een contractueel evenwicht.12. Het hof heeft aldus overwegend niet de juiste maatstaf voor ogen gehad, althans heeft zijn oordeel niet voldoende gemotiveerd teneinde aanvaardbaar te zijn.
De overwegingen van het hof zijn voorts innerlijk tegenstrijdig, omdat immers het hof in rov. 5.20 van zijn arrest primair overweegt dat [eisers] in de situatie moeten worden gebracht waarin zij zouden hebben verkeerd als zij niet hadden gedwaald. Daartoe moet volgens het hof een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie waarin is gedwaald en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is. Deze benadering sluit aan bij de eis uit art. 6:228 BW dat een causaal verband tussen de dwaling en het sluiten van de overeenkomst het uitgangspunt is.13. Deze maatstaf laat niet toe dat de situatie waarin is gedwaald wordt opgerekt met ontwikkelingen die (veel) later plaatsvinden dan het moment van de dwaling, zoals het hof secundair eveneens wenst te aanvaarden in rov. 5.22. De hypothetische situatie waarin niet werd gedwaald kan namelijk slechts worden bepaald op het moment van de dwaling zelf, voorgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Anders gezegd: het hof acht het moment van de dwaling beslissend voor de vraag hoe het nadeel dient te worden begroot, maar handelt daarmee in strijd door latere ontwikkelingen desondanks mee te nemen in zijn oordeel. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is de redenering van het hof daarom niet begrijpelijk te noemen. Als [eisers] niet hadden gedwaald, hadden zij € 190.000,-- minder betaald voor het van [verweerders] gekochte perceel. Het nadeel van [eisers] is daarmee te fixeren op dat bedrag en kan niet worden gewijzigd, althans verminderd, op grond van latere ontwikkelingen die ook nog eens volstrekt willekeurig zijn te noemen.
Onderdeel B
Het oordeel van het hof in de rov. 5.27 van het arrest geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot artikel 6:162 BW, in samenhang gelezen met de artikelen 6:97, 6:98 en 6:100 BW, althans is onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd teneinde de toets der kritiek te kunnen doorstaan. Het voorgaande wordt uitgewerkt in de navolgende subonderdelen.
B.1
Het oordeel van het hof in zijn overwegingen is onjuist, omdat het hof miskent dat een partij als [verweerders] niet mag profiteren van het eigen onrechtmatig handelen (de regel ‘ex turpi causa non oritur actio’).
B.2
Het oordeel van het hof miskent dat bij schadebegroting ex artikel 6:97 BW (steeds) sprake moet zijn van een causaal verband tussen de schade en de bij de begroting daarvan betrokken feiten en omstandigheden, en een dergelijk causaal verband niet aanwezig is bij toevallige gebeurtenissen, daterend van na het moment van de oorzaak van de schade.
B.3
Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof geen overweging wijdt aan de vraag of er een causaal verband aanwezig is tussen de door [eisers] geleden schade en de verkoop van het perceel van [A] aan ‘Ruimte voor Ruimte’, althans tussen die schade en het besluit van ‘Ruimte voor Ruimte’ om geen megastal te realiseren op het van [A] gekochte perceel.
B.4
Het oordeel van het hof miskent dat de kern van schadebegroting ex de artikelen 6:97 en 6:98 BW is de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand te brengen die zou bestaan indien de gebeurtenis die de schade veroorzaakte niet had plaatsgevonden, en dat latere (willekeurige) feiten en omstandigheden daarom enkel mogen worden meegenomen als zij in dat kader in verband kunnen worden gebracht met de schadeveroorzakende gebeurtenis.
B.5
Voor zover het oordeel van het hof moet worden gelezen als een toepassing van de regel van voordeelstoerekening, geven de overwegingen blijk van een onjuiste rechtsoverweging met betrekking tot artikel 6:100 BW, althans zijn zij onvoldoende begrijpelijk, omdat ook in die situatie is vereist dat er een causaal verband is tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en het door de desbetreffende partij verkregen voordeel en dit niet het geval is, althans dat verband niet door het hof is vastgesteld.
B.6
Het oordeel van het hof is onjuist en onbegrijpelijk, omdat het beroep van [eisers] op de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 lid 2 BW niet (kenbaar) wordt meegewogen.
Toelichting op de klachten van klachtonderdeel B
Het hof beschouwt de schending van de mededelingsplicht door [verweerders] als onrechtmatig en verwijst naar de eerdere overwegingen in dat verband.14. Het hof komt echter vervolgens tot de conclusie dat de schade van [eisers] op nihil moet worden begroot, omdat immers [eisers] destijds hebben betaald voor wat zij nu in handen hebben.15. Volgens het hof staat het de rechter vrij rekening te houden met feiten en omstandigheden die zich nadien (het hof bedoelt kennelijk: na de schadeveroorzakende gebeurtenis) hebben voorgedaan.
Door aldus te redeneren miskent het hof primair dat [verweerders] uiteindelijk profiteren van hun onrechtmatige gedrag. Dat dat profijt het gevolg is van een ‘act of God’ maakt dat niet anders. [verweerders] zouden immers bij gebreke van de verkoop van het perceel van [A] en het daarop volgende besluit van ‘Ruimte voor Ruimte’ geen megastal te realiseren, een schade hebben moeten vergoeden aan [eisers] ter hoogte van het verschil tussen de koopprijs en de werkelijke waarde van het perceel dat zij aan [eisers] verkochten. De schadebegrotingsmethodiek die het hof hanteert zorgt er echter voor dat [verweerders] niets van die schade aan [eisers] meer behoeven te vergoeden, louter omdat het toeval toeslaat. Ook bij schadebegroting mag het niet zo zijn dat een schadeveroorzakende partij profiteert van willekeurige gebeurtenissen, zoals waarvan in de onderhavige zaak sprake is. Een dergelijke benadering doet afbreuk aan het begrip ‘schade’ en verruimt de mogelijkheden voor de rechterlijke schadebegroting in de zin van de artikelen 6:97 en 6:98 BW op een wijze zoals dat niet door de wetgever is voorzien of bedoeld.
Schadevergoeding strekt ertoe de schuldeiser te brengen in de toestand zonder schadeveroorzakend feit.16. Dit uitgangspunt staat er aan in de weg dat latere feiten en omstandigheden, die in geen enkel verband staan tot dat schadeveroorzakende feit, worden meegewogen bij de vraag of sprake is van schade. De redenering van het hof in zijn overwegingen staat haaks op dit beginsel. Het arrest kan daarom niet in stand blijven.
[eisers] hebben onder grief 2 geschreven (vetgedrukt door advocaat):17.
‘De waardevermeerdering die is opgetreden doordat de realisatie van een megavarkensstal van de baan is hoort aan [eisers] toe te komen. Net zoals dat iedere andere waardevermeerderende of waardeverminderende omstandigheid die zich heeft voorgedaan of zal voordoen na levering binnen de risicosfeer van [eisers] valt.’
Hoewel het woord ‘redelijkheid’ door [eisers] in hun toelichting op de grief niet wordt genoemd, ligt in deze opmerking een onmiskenbare verwijzing naar de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid besloten. [eisers] stellen immers dat iedere waardeveranderende omstandigheid die zich voordoet na de levering binnen de risicosfeer van de koper valt en daarom aan hem behoort toe te komen. Zij objectiveren aldus de situatie en maken hun uitgangspunt tot een impliciete rechtsregel. Het hof reageert niet op [eisers] ‘cri-de-coeur’ dat de waardevermeerdering van het perceel na de mededeling dat de megastal niet zal worden gerealiseerd slechts aan hen behoort toe te komen, en dat levert een motiveringsgebrek op, omdat het hof gehouden is een dergelijk redelijkheidsverweer inhoudelijk te behandelen in het kader van de begroting van de schade ex art. 6:98 BW. Het hof gaat louter in op het debat over de vraag of latere ontwikkelingen meegenomen kunnen worden in de schadebegroting, maar verzuimt de redelijkheid van die benadering in deze situatie expliciet te toetsen. Dat het hof de schade van [eisers] begroot op nihil, is in dat licht bezien een onvoldoende gemotiveerde conclusie.
Onderdeel C
Indien (één van) de voorgaande onderdelen (slaagt of) slagen, kan het dictum van het bestreden arrest evenmin in stand blijven, nu dat voortbouwt op het oordeel in de door de klachtonderdelen A en B aangevallen overwegingen.
Vordering
[eisers] vorderen dat uw Hoge Raad het arrest waartegen bovenstaand middel van cassatie is gericht vernietigt, met zodanige verdere uitspraak als uw Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens en veroordeling tot betaling van de wettelijke rente over de te vergoeden proceskosten.
Den Haag, 7 mei 2024
M.J. van Basten Batenburg
Advocaat bij de Hoge Raad
bijlagen:
- A]
arrest Gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 13 februari 2024
- B]
eindvonnis rechtbank Oost-Brabant d.d. 5 oktober 2022
- C]
tussenvonnis rechtbank Oost-Brabant d.d. 6 oktober 2021
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 07‑05‑2024
Arrest hof, rov. 3.2 voor een overzicht.
Arrest, rov. 2.14.
MvG, randnummers 18 en 19; HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1910NJ 2020/18{‘Maetis’} en KR 26 april 2002, ECLI:NL:2002:AD9339 {‘Sparrow/Beukering’}.
vgl. Hoge Raad 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1429.
MvA, randnummer 18; verwezen is naar Van Schaick WPNR 2003/6550 punt 8 en A-G Bakels in de conclusie ECLI:PHR:2002:AD7321 onder HR 18 januari 2002, NJ 2002/106.
HR 18 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7321, NJ 2002/106{‘Ruinemans/Heijmeijer’}.
HR 28 november 1997, NJ 1998, 659{‘Luycks/Kroonenberg’}.
Arrest, rov. 5.20.
Arrest onder rov. 5.20.
NTBR 2002, 6, p. 262 e.v.
Arrest, rov. 5.23.
HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1910, rov. 3.1.1 en 3.1.2.
vgl. Asser | Sieburgh ‘Verbintenissenrecht’, deel 6-III, 16e druk, Deventer 2022, nr. 222, en verder nr. 631–633 over het opheffen van nadeel.
Arrest, onder rov. 5.26.
Arrest, onder rov. 5.27.
Asser | Sieburgh ‘Verbintenissenrecht’ deel 6-II, 16e druk, Deventer 2021, nr. 31.
MvG onder nr. 25.