Einde inhoudsopgave
RvdW 2020/386
Afwijzing verzoek van verdediging tot verwijzing van een tenlastegelegd feit naar Ktr., art. 349 lid 2 jo. 382 Sv. Indien feit a.b.i. art. 382 Sv niet voor de Ktr. wordt vervolgd maar bij een andere kamer van de Rb. aanhangig is gemaakt, kan de rechter ingevolge art. 349 lid 2, eerste volzin, Sv — afgezien van het geval genoemd in de tweede volzin van dat artikellid — het feit verwijzen naar Ktr. De opvatting dat de rechter naar Ktr. moet verwijzen na een daartoe strekkend verzoek van verdachte is onjuist.
HR 10-03-2020, ECLI:NL:HR:2020:396
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
10 maart 2020
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, Y. Buruma, A.E.M. Röttgering
- Zaaknummer
18/04546
- Conclusie
A-G mr. B.F. Keulen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:396, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 10‑03‑2020
ECLI:NL:PHR:2020:26, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑01‑2020
Essentie
Afwijzing verzoek van verdediging tot verwijzing van een tenlastegelegd feit naar Ktr., art. 349 lid 2 jo. 382 Sv. Indien feit a.b.i. art. 382 Sv niet voor de Ktr. wordt vervolgd maar bij een andere kamer van de Rb. aanhangig is gemaakt, kan rechter — afgezien van het geval genoemd in de tweede volzin van art. 349 lid 2, eerste volzin, Sv — het feit verwijzen naar Ktr. De opvatting dat de rechter naar Ktr. moet verwijzen na een daartoe strekkend verzoek van verdachte is onjuist.
Partij(en)
HOGE RAAD DER ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.