Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.6.3.2
III.6.3.2 Moeilijk bewijsbare feiten
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596279:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dat blijkt bijvoorbeeld uit de op schending van de bewijsminima aansturende cassatieklachten die dit zaakstype betreffen, zie o.a. HR 30 juni 2009, NJ 2009, 496 m.nt. Borgers; HR 13 juli 2010, NJ 2010, 515 m.nt. Borgers; HR 6 maart 2012, NJ 2012, 251 m.nt. Schalken.
Buruma 2008 noemde de vrijspraak in Nederland nog “statistisch haast irrelevant”. Dat percentage is de laatste jaren relatief fors gestegen (van 7 naar 11% in acht jaar tijd, zie Criminaliteit en Rechtshandhaving 2015, p. 39), hetgeen onder meer Frielink (2011) en Stevens (2017) onder de aandacht heeft doen brengen of de rechter niet soms wat al te gemakkelijk het voordeel van de twijfel geeft. Dat redelijke twijfel aan veroordeling in de weg behoort te staan, trekken ook zij evenwel niet in twijfel.
Vgl. Tadros & Tierney 2004, p. 426; Stumer 2010, p. 167.
In hoeverre vormt de moeilijke bewijsbaarheid van bepaalde delicten of bestanddelen een reden om het bewijs daarvan bij de verdachte te leggen en hem bij enige redelijke twijfel toch te veroordelen? In elk type zaak kunnen bewijsproblemen optreden, maar bij sommige delicten en bestanddelen zijn die moeilijkheden er zeer frequent. Zo zijn in beslotenheid begane zedendelicten notoir lastig te bewijzen.1 Ook is bijvoorbeeld lang niet altijd met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te stellen of iemand écht (voorwaardelijk) opzettelijk handelde toen hij een verkeersongeluk veroorzaakte. Is die moeilijke bewijsbaarheid van de feiten nu reden om de bewijsdimensie te beperken of minder strikt toe te passen?
Dat lijkt mij wel het geval indien het bewijs zo onleverbaar is dat het een feit van algemene bekendheid is dat een delict ongestraft kan worden begaan. Kosten van valsnegatieve beslissingen nemen door een dergelijk gebrek aan handhaving van de strafwet mogelijk exponentieel toe. Daarvan lijkt overigens niet gauw sprake in Nederland. Het strafrechtelijk systeem wordt niet bedreigd door een fors percentage vrijspraken, terwijl ook in landen met een flink lager veroordelingspercentage geen wetteloosheid heerst.2 Zou dat overigens wel zo zijn, dan is nog maar de vraag of genoegen nemen met een mindere mate van zekerheid omtrent de schuld van de verdachte de meest aanvaardbare oplossing vormt. Aanpassing van het materiële recht teneinde datgene te bestraffen wat werkelijk bewijsbaar is, kan een te prefereren alternatief zijn.
Een letterlijke, numerieke toepassing van de Trajanusregel suggereert dat ook in andere gevallen steeds de bewijsbaarheid van delicten moet worden betrokken in de vraag hoeveel twijfel over de schuld van de verdachte voor lief wordt genomen. Wanneer men bereid is voor de preventie van een onterechte veroordeling met tien vrijspraken van schuldigen te betalen, dan zijn bij een moeilijk bewijsbaar feit die ‘tien’ immers sneller bereikt indien men niemand veroordeelt waarvan de schuld niet buiten redelijke twijfel staat. De Trajanusregel doet zich als numerieke afweging in de werkelijkheid echter niet voor. Dat het bewijsrisico bij de overheid ligt en dat een strenge bewijsmaatstaf geldt, is ingegeven doordat in elk concreet geval het belang geen onschuldige te veroordelen als waardevoller wordt beschouwd dan het belang geen schuldige vrij te spreken en doordat verminderde rechtszekerheid en vertrouwen in de uitkomsten van strafzaken niet voor lief worden genomen. Dat een dergelijke belangenafweging zich vaker voordoet, lijkt mij op zichzelf geen steekhoudende reden voor een andere afweging van die belangen.3 Bewijsproblemen van de overheid moeten derhalve niet snel worden aanvaard als grond voor beperking van de bewijsdimensie. Dat neemt echter niet weg dat de moeilijke bewijsbaarheid voor de overheid wel een belangrijk gezichtspunt kan zijn in die gevallen waarin de belangen die de bewijsdimensie beschermt minder zwaarwegend zijn of minder gevaar lopen.