Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.4.1
3.4.1 Erfrechtelijke verkrijgingen vallen in beginsel in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen, maar in welke mate?
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948088:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 1999/2000, 27 245, nr. 3, p. 2. Aldaar wordt verwezen naar Kamerstukken II 1981/82, 17 141, nr. 3, p. 15. Opmerking verdient dat het daar nog ging om het wetsvoorstel 17 141 waarin het wettelijk versterferfrecht aan de langstlevende echtgenoot een vruchtgebruik toekende van de erfdelen die aan anderen dan hemzelf toekwamen. Zie ook Kamerstukken II 2002/03, 28 867, nr. 3, p. 5.
Vgl. Asser/Perrick 4 2021/377 en 386, alsmede S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/25.
Zie paragraaf 3.2 van hoofdstuk 4.
Zie paragraaf 3.3 van hoofdstuk 4.
Zie paragraaf 3.3.2.1 van hoofdstuk 4.
Zie paragraaf 3.3.2.2 van hoofdstuk 4.
Zie paragraaf 3.3.2.2 van hoofdstuk 4.
Zie paragraaf 3.3.2.3 van hoofdstuk 4.
In paragraaf 6.7 van hoofdstuk 3 is reeds uiteengezet dat de gemeenschappelijke verkrijging van goederen óók een absolute inbreuk maakt op de afgeleide absolutie positie die de verkrijging van goederen voor de schuldeisers van de verkrijger van die goederen heeft. Gelet op het gesloten systeem van het goederenrecht vergt ook deze absolute inbreuk een nadere wettelijke regulering. Voor de wettelijke gemeenschap van goederen ligt deze regulering in artikel 1:96 lid 1 BW besloten, waarbij dit artikel ten aanzien van de schuldeisers van de echtgenoten per saldo eenzelfde systeem hanteert als artikel 3:192 BW voor de bijzondere gemeenschappen van Afdeling 3.7.2 BW hanteert. Zie paragraaf 3.3.2.5 van hoofdstuk 4.
Zie paragraaf 2.1 van hoofdstuk 3.
Zie paragraaf 6.3.2 van hoofdstuk 3.
Zie S. Perrick, ‘Oudere en jongere gemeenschappen’, WPNR 1991/6004, p. 447 en Asser/Perrick 3-V 2023/151.
Oorspronkelijk bepaalde het wetsvoorstel Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen dat ook goederen die krachtens erfrechtelijke titel of schenking waren verkregen onder cumulatief bestuur van de echtgenoten kwamen te staan (dus conform de hoofdregel van artikel 1:97 lid 1 BW). Zie Kamerstukken I 2009/10, 28 867, E, p. 7 en 8. Hierop werd in de literatuur kritiek uitgeoefend door met name Nuytinck (WPNR 2008/6773) en Sikkema (WPNR 2009/6803). Alhoewel deze kritiek door de wetgever aanvankelijk werd verworpen (zie Kamerstukken I 2009/10, 28 867, E, p. 7 en 8), kwam de wetgever later toch in actie. Via reparatiewetgeving werd de bestuursregeling van artikel 1:97 BW alsnog aangepast, in die zin dat goederen die krachtens erfrechtelijke titel of gift werden verkregen alsnog onder het privatieve bestuur kwamen te staan van de echtgenoot die deze goederen verkregen heeft. Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 870, nr. 3, p. 6 en 7. Alhoewel de overgangsbepaling uit de reparatiewet anders lijkt te suggereren, geldt deze bestuursregeling direct met onmiddellijke werking op grond van artikel 68 Overgangswet, dus óók voor huwelijken die zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving. Zie De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 166 en Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/329.
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 870, nr. 3, p. 6.
Zie in gelijke zin M.J.A. van Mourik, ‘Oudere en jongere gemeenschappen (rechtsvragenrubriek)’, WPNR 1990/5977, p. 655 en M.J.A van Mourik, ‘Naschrift’, WPNR 1991/6004, p. 448.
Zie anders M.J.A. van Mourik, ‘Naschrift’, WPNR 1991/6004, p. 448, die lijkt aan te nemen dat in dergelijke gevallen de verknochtheidsregel van artikel 1:94 lid 3 oud BW pas na ontbinding van de huwelijksgemeenschap werking zou hebben. Naar mijn mening is dat dus niet geval. De bijzondere verknochtheid is reeds aanwezig vanaf het moment dat de krachtens erfrechtelijke titel of gift verkregen goederen in de huwelijksgemeenschap vallen, maar is tot het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap geïntegreerd in de regeling van artikel 1:97 lid 1 BW.
Zie in gelijk zin M.J.A. van Mourik, ‘Oudere en jongere gemeenschappen (rechtsvragenrubriek)’, WPNR 1990/5977, p. 655; M.J.A van Mourik, ‘Naschrift’, WPNR 1991/6004, p. 448 en M.J.A van Mourik, ‘Algemene beschouwingen’, in: Verdeling in de notariële praktijk (Preadvies KNB) 2012, p. 28-31. Zie anders S. Perrick, ‘Oudere en jongere gemeenschappen’, WPNR 1991/6004, p. 447 en Asser/Perrick 3-V 2019/151.
301. Voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen bepaalt artikel 1:94 lid 2 sub a oud BW dat slechts buiten de huwelijksgemeenschap vallen ‘goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen’. Een dergelijke bepaling wordt als ‘uitsluitingsclausule’ aangeduid. Op de uitsluitingsclausule zal in paragraaf 5 nog uitgebreid terug worden gekomen. Heeft de erflater geen uitsluitingsclausule gemaakt, dan valt hetgeen krachtens erfstelling, making of lastbevoordeling is verkregen in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen waarin de betreffende erfgenaam is gehuwd. Dat geldt ook voor de legitieme en de andere wettelijke rechten van Afdeling 4.3.2 BW, behoudens het verzorgingsvruchtgebruik van de langstlevende van artikel 4:29, 4:30 en 4:34 BW. Daarvan bepaalt artikel 1:94 lid 2 sub c oud BW dat buiten de huwelijksgemeenschap vallen “rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge artikel 34 van Boek 4 BW”. Deze bepaling werd bij gelegenheid van de invoering van het nieuwe erfrecht aan artikel 1:94 BW toegevoegd. De reden daarvoor was dat de wetgever het vruchtgebruik dat een langstlevende echtgenoot uit een vorig huwelijk is toegevallen als ‘een hoogst persoonlijk’ goed beschouwde, dat buiten de huwelijksgemeenschap dient te vallen.1 Alhoewel dit niet duidelijk in de wettekst tot uitdrukking komt – artikel 1:94 lid 2 sub c BW spreekt ten aanzien van artikel 4:29 en 4:30 BW alleen over ‘rechten op het vestigen van vruchtgebruik’ en ’het vruchtgebruik’, en dus niet over het wilsrecht zelf, terwijl artikel 1:94 lid 2 sub c oud BW ten aanzien van artikel 4:34 BW alleen spreekt over ‘hetgeen wordt verkregen ingevolge artikel 4:34 BW’ – moet worden aangenomen dat de wetgever met deze uitzondering heeft bedoeld zowel het wilsrecht, als de vordering die ontstaat na uitoefening van dat wilsrecht, alsmede hetgeen op die vordering wordt geïnd, dat wil zeggen het gevestigde vruchtgebruik zelf, buiten de huwelijksgemeenschap te laten vallen. Het doel van de wetgever was immers om het gevestigde vruchtgebruik als ‘hoogst persoonlijk goed’ buiten de huwelijksgemeenschap te houden, zodat het niet logisch is dat de goederen die in de ‘vervangingsketen’ tot dat vruchtgebruik leiden wél in de huwelijksgemeenschap zouden vallen.2
302. Behoudens de onder uitsluitingsclausule verkregen goederen en het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29, 4:30 en 4:34 BW gaan dus alle erfrechtelijke verkrijgingen tot de algehele wettelijke gemeenschap van goederen behoren. De vraag is vervolgens wat dat ‘in de gemeenschap vallen’ dan precies betekent. In dat verband is de regeling van bestuur van artikel 1:97 lid 1 BW van belang. Net zoals iedere andere gemeenschap vormt de wettelijke huwelijksgemeenschap een inbreuk op het absolute effect dat de verkrijging van goederen normaal gesproken heeft. Hetzelfde goed wordt krachtens boedelmenging door meerdere rechtssubjecten (de echtgenoten) (her)verkregen, waardoor het effect van die verkrijging voor ieder van hen niet meer absoluut is.3Titel 1.7 BW geeft vervolgens een nadere invulling aan die inbreuk op het gebruikelijke absolute effect van de verkrijging, welke invulling absolute werking heeft.4 Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de regeling van bestuur in artikel 1:97 BW. Het begrip ‘bestuur’ omvat per saldo de uitoefening van alle bevoegdheden die een rechtssubject uit hoofde van verkrijging van een goed mag uitoefenen, behalve de gerechtigdheid tot de waarde van het goed. Bestuur omvat derhalve het beheer en het beschikken over goederen van de huwelijksgemeenschap, alsmede de bevoegdheid tot gebruik en genot.5 Daarbij geldt als uitgangspunt dat artikel 1:97 BW de absolute inbreuk op het gebruikelijke absolute effect van de verkrijging van goederen zo regelt, dat ieder van de echtgenoten weliswaar vrijelijk over de door hem krachtens boedelmenging verkregen goederen kan beschikken en daarover het beheer kan voeren, maar dat de andere echtgenoot die bevoegdheid óók heeft. Daardoor moeten beide echtgenoten accepteren dat de ander een inbreuk kan maken op het (in beginsel) absolute effect dat de verkrijging van die goederen voor hem heeft, waardoor het effect van de verkrijging bij beiden per saldo niet meer volledig absoluut is.6 Op grond van artikel 1:97 lid 1 BW geldt deze hoofdregel echter nietvoor goederen op naam van een echtgenoot, of goederen die een echtgenoot krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift heeft verkregen. Voor die goederen geldt dat de absolute inbreuk op het absolute effect van de verkrijging van goederen zo is geregeld dat de echtgenoot op wiens naam het goed niet staat, of die het goed niet (eerder) krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift heeft verkregen absoluut onbevoegd is om beheers- of beschikkingshandelingen ten aanzien van dat goed te verrichten, ook al heeft hij dat goed krachtens boedelmenging verkregen.7 De betreffende echtgenoot is bovendien absoluut onbevoegd tot het gebruik en genot van het goed, maar kan in de onderlinge (obligatoire) verhouding met de andere echtgenoot wél aanspraak maken op het gebruik en genot daarvan.8 Zet men dit alles op een rij, dan zijn de gevolgen van het krachtens boedelmenging in de algehele wettelijke gemeenschap vallen van goederen die krachtens erfrechtelijke titel of gift zijn verkregen aanzienlijk beperkt, en dus minder bezwaarlijk voor degene van wiens zijde die goederen in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen. De andere echtgenoot wordt weliswaar eigenaar van deze goederen, maar het effect van die verkrijging wordt door de bestuursregeling in belangrijke mate beperkt. De andere echtgenoot is op grond van artikel 1:97 lid 1 BW in absolute zin onbevoegd tot het verrichten van beheers- en beschikkingshandelingen, en is in absolute zin onbevoegd tot het uitoefenen van het gebruik en genot van die goederen. Wat voor de andere echtgenoot overblijft is dat hij als eigenaar gerechtigd is tot de helft van de waarde van de krachtens erfrechtelijke titel of gift verkregen goederen, én dat deze goederen door zijn schuldeisers op grond van artikel 1:96 lid 1 BW kunnen worden uitgewonnen.9 Dat betekent dat schuldeisers middels deze uitwinning het effect van de verkrijging van het goed bij beide echtgenoten kunnen beëindigen, en dus ook bij degene die deze goederen krachtens erfrecht of gift heeft verkregen, en onder wiens privatieve bestuur die goederen staan.10 In die zin is het ‘vallen in de gemeenschap’ voor de echtgenoot die de goederen krachtens erfrechtelijke titel verkreeg dus wél bezwaarlijk.
303. Die ‘bezwaarlijke gevolgen’ worden echter veel groter wanneer de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden. In dat geval eindigt de werking van artikel 1:97 lid 1 BW. Vanaf dat moment gelden de bepalingen van Titel 3.7 BW.11 Dat heeft onder meer tot gevolg dat de regeling van artikel 3:170 BW van toepassing wordt. De andere echtgenoot kan dan op grond van artikel 3:170 lid 1 BW zelfstandig handelingen verrichten die dienen tot gewoon onderhoud of tot behoud van de krachtens erfrechtelijke titel verkregen goederen, alsmede in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, terwijl voor het overige het beheer op grond van artikel 3:170 lid 2 BW slechts nog door de echtgenoten samen kan worden uitgeoefend. Daarnaast kunnen alle beschikkingshandelingen die niet als beheer kwalificeren op grond van artikel 3:170 lid 3 BW ook alleen maar door de echtgenoten gezamenlijk worden verricht.12 Dat laatste zou óók betekenen dat wanneer de betreffende echtgenoot een aandeel in een gemeenschappelijke nalatenschap heeft verkregen die op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap nog niet verdeeld is, de andere echtgenoot in beginsel aan die verdeling zijn medewerking moet verlenen.13 Wat mij betreft kan dit alles niet aanvaard worden. Als goederen die krachtens erfrechtelijke titel of gift zijn verkregen gedurende de periode dat de huwelijksgemeenschap niet is ontbonden onder exclusieve invloed staan van de echtgenoot die deze verkreeg, moet daar vanaf het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap niet opeens verandering in komen. Daarvoor is geen rechtvaardiging te vinden. Daarbij zij erop gewezen dat de wetgever goederen die krachtens erfrechtelijke titel en gift zijn verkregen juist vanwege de bijzondere band tussen de erflater en erfgenaam goederen onder het privatieve bestuur heeft gebracht van degene aan wie die goederen zijn nagelaten of geschonken.14 De parlementaire geschiedenis vermeldt hierover:15
“In het geval van erfrechtelijke verkrijgingen en giften bestaat veelal een bijzondere band of bijzondere verknochtheid tussen de erflater en de erfgenaam dan wel tussen de schenker en de begiftigde. Wanneer de erflater geen uiterste wilsbeschikking heeft gemaakt, zal de erfgenaam de nalatenschap verkrijgingen via het wettelijk erfrecht. Het wettelijk erfrecht is gebaseerd op familierechtelijke betrekkingen (vgl. artikel 4:10 lid 3 BW jo. 1:3 lid 1 BW en artikelen 1:97-99 BW, zie daarover ook M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, Personen en- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht 2009/282). In het geval van een verkrijging krachtens wettelijk erfrecht volgt de bijzondere band reeds uit die familierechtelijke betrekking. In het geval de erflater wel een uiterste wilsbeschikking heeft gemaakt, zal de nalatenschap een persoonlijk karakter hebben in die zin dat de erflater expliciet heeft beoogd juist degene te bevoordelen die hij in de uiterste wilsbeschikking heeft genoemd, dan wel om die persoon een bepaald goed toe te vertrouwen. […] Ook ten aanzien van giften geldt dat deze in het algemeen gebaseerd zijn op een bijzondere persoonlijke band tussen de schenker en de begiftigde. Deze omstandigheden laten zich uit principieel oogpunt slecht verenigen met de situatie dat ook de echtgenoot aan wie niet is nagelaten of geschonken, maar die uitsluitend krachtens boedelmenging is gerechtigd, kan beschikken over de tot de nalatenschap of gift behorende goederen. Ik meen dat om deze redenen artikel 1:97 BW zodanig moet worden gewijzigd dat ten aanzien van goederen die deel uitmaken van de wettelijke gemeenschap van goederen doordat zij zijn verkregen krachtens erfrecht of gift, slechts de echtgenoot aan wie de betreffende erfrechtelijke verkrijging of gift is toegevallen, ten aanzien van die goederen bestuursbevoegd is. Om die reden wordt in dit wetsvoorstel in artikel 1:97 lid 1 onder d BW bepaald dat onder het bestuur van een echtgenoot staan: goederen die door de echtgenoot zijn verkregen krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift. Met deze bepaling wordt een einde gemaakt aan de in mijn ogen onwenselijke situatie dat ook de echtgenoot aan wie de nalatenschappen, makingen, lastbevoordelingen, of giften niet zijn toegevallen, bevoegd is om over de goederen die daarvan deel uitmaakten, te beschikken.”
De grond voor de privatieve bestuursregeling van artikel 1:97 lid 1 BW is dus de ‘bijzondere persoonlijke band’ of ‘bijzondere verknochtheid’ die tussen de erflater en erfgenaam, dan wel gever en begiftigde, bestaat. Naar mijn mening vloeit uit deze persoonlijke band en bijzondere verknochtheid óók voort dat goederen die krachtens erfrechtelijke titel of gift zijn verkregen ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap onder de exclusieve invloed blijven staan van de echtgenoot die deze goederen verkreeg. Omdat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap niet meer van ‘bestuur’ kan worden gesproken, vertaalt dit uitgangspunt zich dan hierin dat de echtgenoot die de goederen krachtens erfrechtelijke titel of gift verkreeg privatief bevoegd blijft om alle feitelijke, beheers-, en beschikkingshandelingen ten aanzien van deze goederen te blijven verrichten. De andere echtgenoot blijft daartoe dus absoluut onbevoegd, net zoals hij dat op grond van artikel 1:97 lid 1 BW ook al vóór ontbinding van de huwelijksgemeenschap was. Dit alles geldt dan in afwijking van hetgeen normaal gesproken op grond van artikel 3:170 lid 1 tot en net 3 BW zou gelden (en hetgeen voor de andere goederen van de ontbonden huwelijksgemeenschap geldt). Precies hetzelfde geldt voor het genot en gebruik van de krachtens erfrechtelijke titel of schenking verkregen goederen. Ook daarvoor geldt dat de begunstigde echtgenoot vóór ontbinding van de huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:97 lid 1 BW exclusief tot het gebruik en genot bevoegd was. Ook die exclusiviteit zet zich na ontbinding van de huwelijksgemeenschap voort. Dat betekent dat de andere echtgenoot absoluut onbevoegd is tot het gebruik en genot van deze goederen, in afwijking van het uitgangspunt dat op grond van artikel 3:169 BW geldt.
304. De grond voor deze afwijking(en) van de gebruikelijke regels van Titel 3.7 BW is gelegen in de bijzondere verknochtheid van de goederen die krachtens erfrechtelijke titel of schenking zijn verkregen.16 Die bijzondere verknochtheid reguleert de absolute inbreuk die boedelmenging op het gebruikelijke absolute effect van de verkrijging van goederen maakt aldus, dat de echtgenoot die de goederen krachtens erfrechtelijke titel of schenking heeft verkregen met uitsluiting van de andere echtgenoot bevoegd is om alle feitelijke, beheers- en beschikkingshandelingen ten aanzien van die goederen te verrichten. Bovendien is hij exclusief bevoegd tot het gebruik en genot van deze goederen. Tot het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap heeft deze bijzondere verknochtheid geen zelfstandige functie, omdat deze is ‘vertaald’ in de bestuursregeling van artikel 1:97 lid 1 BW. Gedurende het ‘actieve’ bestaan van de huwelijksgemeenschap is dus geen afzonderlijk beroep op bijzondere verknochtheid nodig om het gewenste resultaat te bereiken. Het effect van de bijzondere verknochtheid komt pas zelfstandig tot uiting op het moment dat de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden. Vanaf dat moment doorkruist de reeds aanwezige bijzondere verknochtheid de toepasselijkheid van artikel 3:170 BW en artikel 3:169 BW.17 Dit alles heeft ten slotte óók tot gevolg dat wanneer een echtgenoot een aandeel in een gemeenschappelijke nalatenschap heeft verkregen, en die nalatenschap op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap nog niet verdeeld is, de andere echtgenoot aan die verdeling géén medewerking hoeft te verlenen.18 De echtgenoot die de goederen van de nalatenschap verkreeg, blijft immers ook na ontbinding van de huwelijksgemeenschap exclusief bevoegd tot het verrichten van beschikkingshandelingen ten aanzien van die goederen, waaronder het meewerken aan de verdeling van die goederen is begrepen.