Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.7
2.7 De wijze waarop partijen bij de formulering van de onderzoeksopdracht worden betrokken
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS455484:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.2.3.
Uitzonderingen zijn mogelijk. In theorie bestaat de mogelijkheid dat de rechter in een comparitie na antwoord met partijen zowel de wenselijkheid van een deskundigenbericht als de persoon van de te benoemen deskundige en de formulering van de onderzoeksopdracht bespreekt. Dan is er maar één tussenuitspraak. In de praktijk komt dit evenwel niet vaak voor.
Zie § 3.6.
Zie § 1.2.2.
In antagonistische enquêtes kan het oogmerk dat de verzoeker beoogt, niet zozeer het onderzoek zelf zijn als wel het verkrijgen van onmiddellijke voorzieningen. Die situatie laat ik hier verder onbesproken.
Zie § 7.6.3.
Zie § 9.4.2.2.
Als in een civiele procedure de rechter een deskundigenbericht gelast, geeft hij aan partijen meestal de gelegenheid zich uit te laten over de aan de deskundigen te stellen vragen.1 Dit kan ook makkelijk, omdat artikel 194 lid 2 Rv bepaalt dat de rechter de deskundigen benoemt na overleg met partijen. Dat overleg kan ook gebruikt worden om partijen in de gelegenheid te stellen zich over de onderzoeksopdracht uit te laten. Bovendien wordt een deskundigenbericht pas gelast nadat de rechter eerst de noodzaak daartoe in een tussenuitspraak heeft vastgesteld. Het deskundigenbericht zelf, waarin de onderzoeksopdracht is geformuleerd, pleegt in een volgend tussenvonnis te worden gelast.2 De enquêteprocedure wijkt in twee opzichten af van de civiele procedure. In de eerste plaats is in de enquêteprocedure overleg met partijen over de te benoemen deskundigen niet voorgeschreven.3 In de tweede plaats is het niet zo dat de rechter eerst bepaalt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken en een enquête gelast, en vervolgens partijen de gelegenheid geeft zich over de formulering van de onderzoeksopdracht uit te laten. Dat zou ook niet wenselijk zijn, omdat de procedure daardoor nodeloos wordt vertraagd. Anders dan in de civiele procedure is er geen moment om, nadat de noodzaak van een onderzoek is vastgesteld, met partijen te overleggen over de formulering van de onderzoeksopdracht. Er moet dus worden gezocht naar een werkwijze die het mogelijk maakt partijen meer bij de formulering van de onderzoeksopdracht te betrekken, zonder dat dit leidt tot vertraging van de procedure. Ik denk dat dat mogelijk is.
Alvorens ik dat beargumenteer, maak ik nog een enkele opmerking over de wenselijkheid partijen bij het formuleren van de onderzoeksopdracht te betrekken. Voor de verzoeker geldt dat het door hem gewenste onderzoek doorgaans instrumenteel is aan een buiten de enquêteprocedure gelegen doel.4 Voor de verzoeker is het om die reden wenselijk dat de onderzoeksopdracht op dat door hem beoogde doel wordt toegesneden.5 Voor de rechtspersoon geldt dat hij het lijdend voorwerp van de enquête is en, in de regel, maar niet altijd, gebaat zal zijn bij een zo beperkt mogelijk onderzoek, vanwege het feit dat hij de onderzoekskosten moet betalen en vanwege de managementtijd die aan het onderzoek moet worden besteed. Voor belanghebbenden geldt dat zij, afhankelijk van het type enquête en hun relatie met de rechtspersoon, belang hebben bij een breder dan wel een beperkter onderzoek.
Daarom is het wenselijk dat de Ondernemingskamer partijen stimuleert aan haar kenbaar te maken wat hun visie is op de omvang van het te gelasten onderzoek. Om dit te bevorderen zou de Ondernemingskamer een formulier kunnen opstellen waarin partijen kunnen aangeven welke onderwerpen in een onderzoek wel en niet zouden moeten worden onderzocht. Dit formulier zou in een procesreglement enquêteprocedure kunnen worden opgenomen. Voor de verzoeker kan het gebruik van het formulier worden voorgeschreven. De rechtspersoon en belanghebbenden kunnen niet verplicht worden dit formulier in te vullen en in te dienen. Ik denk dat deze eenvoudig in te voeren werkwijze ertoe kan bijdragen dat de Ondernemingskamer de onderzoeksopdracht nauwkeuriger kan formuleren.
Voor de goede orde wijs ik erop dat ik er een voorstander van ben dat de onderzoekers in beginsel een plan van aanpak opstellen. In dat plan van aanpak kunnen zij de onderzoeksopdracht uitwerken in concrete onderzoeksvragen.6 Indien partijen daar bezwaar tegen hebben, kunnen zij zich wenden tot de raadsheer-commissaris.7