Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/11.4.7
11.4.7 De procedurele gang van zaken
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453002:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vz OK 15 juli 2003, ARO 2003/139 (Aannemingsmaatschappij Zeelandia Curaçao c.s.).
OK 8 juni 2010, ARO 2010/95 (CRV Beheer).
Zie bijvoorbeeld Vz OK 24 mei 2002, ARO 2002/65 en 66(Big Blue Europe). In zijn beschikking Vz OK 18 juli 2003, ARO 2003/140 (Aannemingsmaatschappij Zeelandia Curaçao c.s.) overweegt de voorzitter dat het verzoekschrift aan de procureur van de rechtspersoon is toegezonden, maar uit zijn beschikking blijkt niet wie dat heeft gedaan en of de rechtspersoon in de gelegenheid is gesteld een verweerschrift in te dienen. Gezien de tussen de indiening van het verzoek en de eindbeschikking verstreken periode (7 dagen) lijkt dat onwaarschijnlijk.
Zie bijvoorbeeld Vz OK 25 februari 2009, ARO 2008/65 (Victor Verhuis Promotions).
Vz OK 24 oktober 2007, ARO 2007/170 (ATR Leasing). Vgl. ook OK 28 april 2015, ARO 2015/127 (Leaderland TTM c.s.), r.o. 2.2, waarin de Ondernemingskamer naar aanleiding van een verzoek van een belanghebbende het verslag niet ter griffie neder te leggen, overweegt dat deze belanghebbende zich zowel over een verzoek tot het ter inzage leggen voor anderen dan “belanghebbenden” als over een verzoek tot machtiging van het doen van mededelingen uit het verslag nog zal kunnen uitlaten.
Zie bijvoorbeeld Vz OK 18 oktober 2004, JOR 2004/328 (NIBO) en Vz OK 2 november 2006, ARO 2006/184 (Pondac Products). Het kan natuurlijk zijn dat de verzoeker heeft afgezien van een mondelinge behandeling, maar dat blijkt niet uit deze beschikkingen.
Vz OK 25 februari 2009, ARO 2008/65 (Victor Verhuis Promotions).
Vz OK 15 juli 2010, ARO 2010/131 (Butôt O.G. Holding).
Vz OK 19 november 2004, ARO 2004/136 (Van Doorn Corporate Development Group); OK 24 juli 2007, ARO 2007/141 (Van Doorn Corporate Development Group).
Vz OK 19 juni 2006, ARO 2006/118 (Meepo Holding).
Op het verzoek tot machtiging zijn de regels van de verzoekprocedure van toepassing. De voorzitter van de Ondernemingskamer heeft beslist dat het verzoek door een advocaat moet worden ingediend.1 Heel erg formeel stelt de voorzitter zich evenwel niet op, want een per e-mail ingediend verzoek heeft hij ook in behandeling genomen.2 De voorzitter is verre van consequent in de wijze waarop hij het verzoek processueel behandelt. Soms wijst hij het verzoek toe zonder behandeling en zonder de rechtspersoon in de gelegenheid te stellen zich over het verzoek uit te laten.3 Andere keren wordt de rechtspersoon wel in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.4Artikel 279 lid 1/30jlid 5 Rv geeft de voorzitter formeel de bevoegdheid het verzoek zonder mondelinge behandeling direct toe te wijzen en de machtiging te verlenen. Uit de hierna te bespreken jurisprudentie blijkt echter dat de voorzitter (soms impliciet) het belang van de verzoeker bij de gevraagde machtiging afweegt tegen het belang van de rechtspersoon. Ik meen dat de voorzitter de rechtspersoon dan ook de mogelijkheid moet bieden om aan te geven wat zijn belang meebrengt. Dit betekent dat de voorzitter van de Ondernemingskamer de rechtspersoon in beginsel moet vragen of hij bezwaar heeft tegen toewijzing van het verzoek en, zo dat het geval is, een mondelinge behandeling moet gelasten waarvoor de rechtspersoon wordt opgeroepen. Uitzonderingen zijn denkbaar als aannemelijk is dat de rechtspersoon niet zal reageren (bijvoorbeeld omdat er een patstelling is in het bestuur), of alle partijen instemmen met afdoening zonder mondelinge behandeling.
Een enkele keer heeft de voorzitter ook andere belanghebbenden dan de rechtspersoon in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.5 Dat heeft alleen zin als de belanghebbenden het belang van de rechtspersoon kunnen behartigen of het belang van belanghebbenden zelf in de beoordeling van het verzoek kan worden betrokken. In mijn visie kunnen, als de rechtspersoon zelf geen gebruikmaakt van de mogelijkheid zijn standpunt kenbaar te maken (bijvoorbeeld in verband met een patstelling in het bestuur), belanghebbenden aangeven wat het belang van de rechtspersoon bij geheimhouding is en behoort de voorzitter van de Ondernemingskamer dit belang in zijn afweging te betrekken. Dat het belang van een belanghebbende zelf, zij het in beperkte mate, ook kan worden meegenomen, blijkt uit de in de volgende paragraaf te bespreken Ageas-beschikking.
Wat op grond van artikel 279 lid 1/30j Rv niet mag, maar wat de voorzitter soms toch doet, is het verzoek afwijzen zonder een mondelinge behandeling te gelasten.6 Dit mag slechts als partijen hebben aangegeven daarvan af te willen zien. Soms wordt de rechtspersoon wel in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen,7 maar blijft een mondelinge behandeling achterwege zonder dat uit de beschikking blijkt dat partijen daarvan hebben afgezien.8 Het komt echter ook voor dat de voorzitter van de Ondernemingskamer een mondelinge behandeling gelast alvorens op het verzoek te beslissen.9 Ook is het voorgekomen dat de behandeling van het verzoek tot machtiging tot het doen van mededelingen gelijktijdig met een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid voor de voltallige Ondernemingskamer heeft plaatsgevonden.10 Dit illustreert dat de voorzitter van de Ondernemingskamer geen consistent beleid voert met betrekking tot de te hanteren procedure.