Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.6.2
VIII.6.2 Strafrechtelijke weg
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596299:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Met legitiem wordt in dit verband bedoeld dat op het moment van handelen (ex tunc) aan de juridische voorwaarden voor dat optreden was voldaan (zie ook Kwakman 2003; Dane 2009).
Uit de recente literatuur die daarvoor pleit, volstaat een kleine greep: Kwakman 2003, deel 6; Kwakman 2004, p. 584-602; Hoitink e.a. 2008, 871-872; Van Dam 2008, p. 82; Dane 2009, i.h.b. p. 501; Van der Meij & van Rij 2016, p. 196 e.v; Mevis 2017, § 2.2.1. Van politieke zijde blijkt onvrede over de bestaande regelingen uit de motie Weekers c.s., die op brede kamersteun kon rekenen, zie Kamerstukken II 2005/06, 30 164, nr. 19 waarin op “een algehele en brede regeling voor een tegemoetkoming bij schade ten gevolge van strafvorderlijk overheidsoptreden” werd aangedrongen en de voortvarendheid waarmee die opdracht door de regering in eerste instantie ter hand werd genomen, zie Kamerstukken II 2005/06, 29 271, nr 3 en 4. In het kader van de modernisering van het Wetboek heeft een algemene regeling voor schadevergoeding na strafvorderlijk optreden hernieuwde aandacht, zie daarover hierna § VIII.6.4.
Zie de toelichting bij het Ontwerp Ort (p. 178) in Lindenberg 2002, p. 102.
Overigens is na het ondergaan van straf alleen de hoogte van de vergoeding van de billijkheid afhankelijk. Recht op een vergoeding bestaat hoe dan ook, zo leert de tekst van art. 480 lid 1 Sv.
Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 87-88.
Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 87-88.
Cassatie in het belang der wet is steeds gegaan over de formele toewijzingsvoorwaarden, zie HR 24 mei 1966, NJ 1966, 443, m.nt. Van Berckel; HR 14 november 1989, NJ 1990, 274, m.nt. Van Veen; HR 2 februari 1993, NJ 1993, 551, 552 en 553, m.nt. Van Veen; HR 8 mei 2001, NJ 2001, 508, m.nt. De Hullu; HR 19 februari 2013, NJ 2013, 402, m.nt. Borgers; HR 22 september 2015, NJ 2016, 5 en 6, m.nt. Reijntjes.
Kritisch over tekorten in rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en rechtseenheid zijn in dit verband o.a. Boksem & Van der Goot 2000; Kwakman 2003, p. 425; Hoitink e.a. 2008, p. 871; Dane 2009, p. 442; Bogert 2011; Tielemans 2013; Polman 2016, p. 221.
Tak 1970, p. 13.
Borsboom 1983, p. 104.
Ik ontleen een en ander aan Dane 2009, p. 125-126.
Dane 2009, p. 126-129.
Tielemans 2013, p. 162-164.
Tielemans 2013, p. 163.
EHRM 9 februari 2005, nr. 44760/98, EHRC 2005/1, m.nt. Fernhout, par. 30 (Del Latte/ Nederland).
Gekeken is naar de beslissingen uit de periode 1 januari 2014 tot 31 december 2015. Daarbij zijn de beslissingen op schadevergoedingsverzoeken geselecteerd door te zoeken op de relevante wetsartikelen (89, 591, 591a Sv).
Hierbij past de kanttekening dat de gepubliceerde rechtspraak niet zonder meer representatief is voor alle rechtspraak, alleen al omdat verschillende gerechten dit type beslissingen in nogal uiteenlopende mate publiceren.
Rb. Noord-Holland 21 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11102.
Hof Den Haag 29 januari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:676. Vgl. eerder ook Hof Amsterdam 27 januari 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BI1331.
Mein, Drost & Balogh 2008, p. 21-25.
Zo bijv. Hof Amsterdam 18 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4961 en eerder onder meer Hof Leeuwarden 17 oktober 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BY0441; Rb. Amsterdam 24 februari 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0977.
Bijv. Hof Amsterdam 1 april 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0586; Rb. Haarlem, 27 september 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:5958; Hof Amsterdam 8 oktober 2013, ECLI: NL:GHAMS:2013:3426.
Bijv. Rb. Noord-Holland 15 september 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:11932.
Bijv. Hof Amsterdam 1 april 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0586; Rb. Haarlem, 27 september 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:5958; Rb. Amsterdam 19 november 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:8671; Rb. Noord-Holland 25 april 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016: 3556.
Bijv. Rb. Rotterdam 22 mei 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX5766; Hof Den Haag 29 januari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:676
Keijzer, annotatie bij: EHRM 28 april 2005, nr. 72758/01, NJ 2005, 569 (A.L./Duitsland), punt 5 en 6.
In Nederland kan de gewezen verdachte slechts in beperkte mate langs strafrechtelijke weg aanspraak maken op vergoeding van door legitiem strafvorderlijk optreden veroorzaakte schade.1 Een algemene regeling ontbreekt. De drie belangrijkste regelingen beperken zich tot drie specifieke oorzaken van schade: vrijheidsbeneming door inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis (art. 89 e.v. Sv), onterecht ondergane straf (art. 480 Sv) en de ten behoeve van de verdediging gemaakte reis-, verblijf- en proceskosten (art. 591 e.v. Sv). Een regeling ontbreekt dus voor andere schade, zoals onder meer reputatieschade ten gevolge van de publieke verdenking en schade ten gevolge van doorzoeking. Ook de wel bestaande regelingen geven geen recht op een volledige schadevergoeding, maar alleen op een tegemoetkoming. Deze onvolledigheid wordt eensgezind als onwenselijk ervaren.2 Op de onschuldpresumptie berust die onwenselijkheid echter niet.
Bij de totstandkoming van de bestaande compensatieregelingen in het strafproces heeft de wetgever het met de onschuldpresumptie verbonden dilemma onder ogen gezien. De latere voorzitter van de staatscommissie die aan de wieg stond van het huidige Wetboek van Strafvordering, Bastiaan Ort, koos in zijn conceptwetboek voor een absoluut stelsel van schadevergoeding voor ondergane hechtenis. Onderscheid te maken tussen verschillende soorten vrijspraken en buitenvervolgingstellingen achtte hij “in strijd met den eersten eisch van rechtvaardigheid die medebrengt dat hij wiens schuld niet werd bewezen, naar de wet voor onschuldig moet worden gehouden”.3 Zijn voorstel werd door de staatscommissie evenwel verworpen. Vanaf het ORO is de materiële grondslag voor het toekennen van een vergoeding steeds afhankelijk gesteld van de billijkheid.4 Het vertrouwen in dat billijkheidsoordeel werd in de memorie van toelichting vooral op negatieve argumenten gestoeld. Het zou met het rechtsgevoel strijden wanneer beroepsmisdadigers, aan wie de gelegenheid tot stelen door de voorlopige hechtenis tijdelijk is ontnomen, ook nog schadevergoeding zouden ontvangen. Het gevaar van categorieën eervol en oneervol vrijgesprokenen pleitte anderzijds tegen een beginselrecht op schadevergoeding waarop uitzonderingen zouden gelden. Een opsomming van gronden die wél reden tot schadevergoeding vormen, zou echter gelet op de grote variëteit aan gevallen nooit voldoende volledig zijn.5
De keuze voor een billijkheidsoordeel, zo benadrukte de wetgever, was geen eufemisme voor gebleken onschuld. Want ook in gevallen van daadwerkelijke onschuld, kan de billijkheid zich tegen toekenning verzetten, bijvoorbeeld vanwege de proceshouding of de levenswandel van de betrokkene. Doordat ook andere factoren een rol spelen, zou stigmatisering ten gevolge van afwijzing worden voorkomen. Tegelijkertijd was verwachting noch bedoeling dat de rechter zich aan vermoedens van schuld of onschuld geheel zou onttrekken. Als buiten twijfel staat dat de verdachte het feit heeft gepleegd, behoorde volgens de wetgever geen schadevergoeding te worden toegekend. Maar de wetgever koesterde wel het vertrouwen dat bij ernstige twijfel ten voordele van de gewezen verdachte zou worden beslist.6
De wet laat derhalve ruimte om bij beoordeling van de billijkheid de gewezen verdachte als schuldige aan het feit waarvoor hij niet is veroordeeld te bejegenen. Doordat in geen van de strafvorderlijke regelingen de mogelijkheid tot cassatie is opengesteld, is het in de rechtspraak niet gekomen tot meer uitgekristalliseerde criteria.7 De flexibiliteit van het billijkheidscriterium gaat daardoor gepaard met een weinig uniforme toepassing.8 De mate waarin ontoelaatbare bejegening als schuldige zich in de rechtspraktijk voordoet, laat zich dan ook niet goed in kwantitatieve zin inschatten.
Tak rapporteerde in 1970 dat overtuiging van onschuld het dominante criterium ter invulling van de billijkheid scheen.9 Borsboom achtte die trend een decennium later voor het grootste deel verlaten en stuitte slechts op twee beschikkingen waarin de graad van resterende verdenking volgens hem werd meegewogen.10 In 1994 geeft de Commissie Cremers weer een andere voorstelling van zaken dan Borsboom. Deze werkgroep van de NVvR herkende in 244 onderzochte beschikkingen criteria die met de schuld van de verdachte samenhingen.11 Recenter komt Dane in haar proefschrift tot de conclusie dat resterende schuldvermoedens in uiteenlopende bewoordingen reden geven tot weigering van schadevergoeding. Tegelijkertijd is echter bij de rechterlijke macht het besef ingedaald dat de onschuldpresumptie in dit verband grenzen stelt aan de gebruikte motivering.12
Onderzoek van Tielemans waarbij zij alle in 2011 gewezen, gepubliceerde en ongepubliceerde beschikkingen van 4 rechtbanklocaties en twee hoven bestudeerde en tevens leden van de desbetreffende kamers interviewde, laat een gevarieerd beeld zien.13 Eén gerecht kwam nooit tot afwijzing van een ontvankelijke vordering. Twee andere nemen tot uitgangspunt dat een vrijspraak niet kan worden herbeoordeeld, maar verwijzen wel ter afwijzing naar de vaststellingen van de vonnissende rechter en de proceshouding van de betrokkene. De drie overige gerechten zien beoordeling van de reden dat het niet tot een veroordeling is gekomen als onderdeel van de beslissing. Zo stelt één rechtbank “dat een vrijspraak niet altijd betekent dat de gewezen verdachte ook daadwerkelijk onschuldig is; er kan immers sprake zijn van een technische vrijspraak”.14 Dat wekt de indruk dat geconstateerd mag worden dat bij een andere tenlastelegging wel veroordeling mogelijk was. Een dergelijke redenering heeft al eens geleid tot veroordeling van Nederland in Straatsburg.15 De overige door Tielemans genoemde illustraties uit ongepubliceerde rechtspraak geven de indruk dat de onschuldpresumptie incidenteel tekort wordt gedaan.
In een globale verkenning van de op rechtspraak.nl recent gepubliceerde rechtspraak16 trof ik zelf geen evidente schendingen van het onschuldvermoeden in dit verband aan.17 Nu en dan worden wel de grenzen van het toelaatbare opgezocht, bijvoorbeeld waar de rechtbank Noord-Holland oordeelde dat na een beleidssepot voor de schadevergoeding vooral van belang was “of buiten redelijke twijfel staat dat de strafrechter, later oordelend, tot een veroordeling zou zijn gekomen”.18 Uit de afwijzing van het verzoek zou het EHRM zomaar kunnen afleiden dat de beschikkingsrechter die vraag positief beantwoordde en dus schuld vaststelde. Na een onherroepelijke vrijspraak van medeplichtigheid aan poging tot afpersing overwoog het Hof Den Haag onder meer “dat verzoeker door zijn handelen de gerechtvaardigde zeer zware verdenking op zich heeft geladen dat hij zich samen met anderen schuldig had gemaakt aan een poging tot afpersing van het slachtoffer in de strafzaak”.19 Dat lijkt op zijn minst neer te komen op voicing of suspicions. Vaker echter lijkt de strafrechter zich bewust van de grenzen die het EVRM in dit verband stelt. Dat blijkt niet zozeer doordat het overgrote deel van de schadevergoedingsverzoeken wordt toegewezen,20 en niet alleen eruit dat aan de Straatsburgse rechtspraak zo nu en dan een afzonderlijke beschouwing wordt gewijd.21 Vooral is van belang dat in veel van de gepubliceerde, afwijzende beschikkingen wordt gekozen voor een motivering die ingegeven lijkt door de gedachte dat de gewezen verdachte wel degelijk iets op zijn kerfstok had, maar waarin dat niet met zoveel woorden zelfstandig wordt vastgesteld. Zo wordt ter afwijzing volstaan met verwijzing naar de vaststellingen van de vrijsprekende rechter,22 naar het feit dat de verdachte pas laat met het tot vrijspraak leidende alternatieve scenario op de proppen kwam,23 dat de verdachte over een op hem rustende verdenking in het geheel niet heeft verklaard,24 en naar de ontstaansredenen voor de (historische) verdenking.25
Dat de rechter op deze manier met zijn bevoegdheid omgaat laat zich goed verklaren. De wetgever heeft de ruimte geboden en ertoe destijds zelfs de wens uitgesproken dat schuldvermoedens in het billijkheidsoordeel zouden worden betrokken. Het EHRM heeft zich in zijn algemene overwegingen streng opgesteld, maar in diverse gevallen daaraan bij de toepassing weer afgedaan met uitzonderingen en nuanceringen die zich niet scherp laten afbakenen. Dat heeft van die rechtspraak – om met Keijzer te spreken – een woordenspel en een mijnenveld gemaakt.26 Daardoor blijft voorzichtigheid geboden, maar de op schadevergoedingsverzoeken beschikkende strafrechter lijkt dat woordenspel in de regel behoorlijk mee te spelen en ook het mijnenvegen aardig te beheersen.