Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.6.4
VIII.6.4 Waardering
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598641:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ VI.8.2. Zie hierna ook § IX.3.3.
Anders: Roef & De Roos 1996, p. 257. Zij bekritiseren de Straatsburgse instanties voor het niet gelijkstellen aan een straf van de ontzegging van schadevergoeding.
Het voornemen is terug te voeren op de tijdens de behandeling van het wetsvoorstel betreffende de opsporing en vervolging van terroristische misdrijven ingediende motie Weekers c.s., die op brede kamersteun kon rekenen, zie Kamerstukken II 2005/06, 30 164, nr. 19.
Zie voor mogelijke redenen Kwakman 2011, voetnoot 4. In het Discussiestuk ‘Verticale schadevergoeding’ ten behoeve van het tweede congres over de modernisering d.d. 15 oktober 2015, wordt naar de financiële crisis gewezen (p. 5).
Contourennota Modernisering WvSv, par. 2.6.7, p. 129-130; Discussiestuk ‘Verticale schadevergoeding’ ten behoeve van het tweede congres over de modernisering d.d. 15 oktober 2015.
Zie art. 597 van het concept wetsvoorstel schadecompensatie strafvorderlijk overheidsoptreden, geraadpleegd als bijlage in Dane 2009. Het voorstel is uitgebreid besproken door onder meer Van Dam 2008, p. 71 e.v.; Hoitink e.a. 2008; Kwakman 2008; Dane 2009, p. 475 e.v.
Zie § 4.7.1 van de toelichting bij concept wetsvoorstel schadecompensatie strafvorderlijk overheidsoptreden, zoals eveneens opgenomen door Dane 2009.
Vgl. Hoitink e.a. 2008, p. 873; Dane 2009, p. 502-503.
Vgl. Hoitink e.a. (2008, p. 876-877) die menen dat de Trajanusregel hier doorwerkt: beter tien schuldigen gecompenseerd, dan één onschuldige compensatie ontzegd.
‘Gewoon’ omdat het anticipatiegebod zou moeten voorkomen dat voorlopige hechtenis in andere gevallen (nog langer) wordt toegepast.
Vgl. in deze zin Leyds 1884 die om die reden pleit voor een absoluut stelsel van schadecompensatie.
In hoofdstuk VI verdedigde ik de opvatting dat de rechtspraak van het EHRM over schadevergoedingsverzoeken ten dele berust op een in conceptueel opzicht te ruim begrip van het vermoeden van onschuld. De onschuldpresumptie schrijft voor dat iemand die niet is veroordeeld niet toch als schuldige mag worden bejegend. Daaruit vloeit echter niet voor dat iemand waarvan de schuld niet is vastgesteld ook niet als verdachte mag worden behandeld. Wanneer de verdachte van het desbetreffende feit is vrijgesproken hoeft dat niet anders te zijn. Dat neemt niet weg dat het bestuursorgaan noch rechter aangaat om de schuld van de gewezen verdachte aan het feit waarvan hij ooit verdacht was, opnieuw vast te stellen. Een finding of guilt is na afloop van de strafzaak ontoelaatbaar. Er bestaat echter geen goede reden om na vrijspraak in aanvulling daarop ook steeds de voicing of suspicions te verbieden.1 Dat geldt in geval van schadevergoedingsverzoeken te meer, nu het in die gevallen niet de overheid is die de gewezen verdachte met een verdenking blijft achtervolgen, maar het de gewezen verdachte is die de zaak niet laat rusten.2
Aldus stelt het EVRM in dit verband strengere grenzen dan de onschuldpresumptie mijns inziens behoort te stellen. Zolang derhalve de grenzen van het verdragsrecht in acht worden genomen, lijkt mij de naleving van de onschuldpresumptie als theoretisch beginsel eveneens voldoende verzekerd. Als gezien is de naleving van het EVRM op dit punt thans echter niet gegarandeerd. In het strafrecht biedt de wettelijke regeling nauwelijks houvast. Het ontbreken van de mogelijkheid tot beroep in cassatie zorgt ervoor dat de Hoge Raad die houvast evenmin kan bieden en de controle op verdragsnaleving in dit opzicht beperkt is. Onder deze omstandigheden laten nieuwe gevallen van schending zich niet uitsluiten. De civiele rechtspraak bleek hiervoor met de Straatsburgse rechtspraak over artikel 6 lid 2 EVRM op zijn zachtst gezegd te schuren. In Bok/Nederland werd de lijn van de Hoge Raad nog gespaard. Echter niet omdat het Hof zich met de civiele rechtspraak in de kern kon verenigen, maar vanwege de bijzondere omstandigheid dat de verdachte tevens langs strafrechtelijke weg een compensatie kon verkrijgen en ook daadwerkelijk had ontvangen. Of het EHRM ook tot uitzonderingen op zijn vaste rechtspraak bereid is in gevallen waarin de strafrechtelijke route geen soelaas biedt, laat zich aanzien.
In de rechtspraak van de Hoge Raad is als bijkomend argument om aan de civielrechtelijke rechtspraak niet te tornen, gewezen op het voornemen van de strafwetgever te voorzien in een algemene, integrale schadevergoedingsregeling in het Wetboek van Strafvordering. Dat voornemen bestaat inmiddels ruim tien jaar.3 Een concept wetsvoorstel schadecompensatie strafvorderlijk overheidsoptreden dat wet had moeten worden in 2009, heeft het parlement nooit bereikt.4 In het kader van het project tot modernisering van het Wetboek van Strafvordering is de totstandkoming van een algemene schadevergoedingsregeling nieuw leven ingeblazen. Voor zover hier van belang wijkt het daarin voorgestelde niet wezenlijk af van het eerdere conceptwetsvoorstel.5 In dat conceptwetsvoorstel werd kort gezegd ook voor de gewezen verdachte aansluiting gezocht bij het égalitébeginsel, zoals dat in het bestuursrecht en civiele recht tot wasdom is gekomen. Schade die boven het normaal maatschappelijk risico uitstijgt, komt voor vergoeding in aanmerking, tenzij aan één van vier opgesomde criteria is voldaan: de betrokkene heeft het ontstaan van schade aanvaard, deze heeft onvoldoende maatregelen getroffen ter voorkoming of beperking van schade, de gewezen verdachte heeft langs andere weg vergoeding verkregen of kunnen verkrijgen, of de schade behoort anderszins redelijkerwijs geheel of ten dele ten laste van de benadeelde te blijven.6
Inwerkingtreding van dit voorstel had betekent dat de rollen van de civiele rechter en diens gebleken onschuldcriterium bij (ex tunc) rechtmatig overheidshandelen zouden zijn uitgespeeld, hetgeen de kans op schendingen van het verdragsrecht mijns inziens zou verminderen. In de toelichting op het wetsvoorstel werd tevens gesteld dat met de afwijzingscriteria wordt aangesloten bij een aanbeveling van de Commissie Cremers om motiveringen te vermijden die een vaststelling van strafrechtelijke schuld of verdenking inhouden.7 Als daarmee is bedoeld dat het voorstel schendingen van de onschuldpresumptie in de toekomst kan voorkomen, dan is die gedachte mijns inziens te rooskleurig. Het vangnetcriterium van de redelijkheid verschilt in wezen nauwelijks van de thans geldende billijkheidsmaatstaf. Het nieuwe criterium biedt evenzeer als het huidige de ruimte voor afwijzing van een verzoek op met het EVRM strijdige gronden.8 Uiteindelijk zou het bij de beoordeling door de strafrechter nog steeds aankomen op de wijze waarop de beschikkende rechter in het concrete geval met die ruimte omspringt.
Als gezegd dwingt de onschuldpresumptie mijns inziens niet tot negatieve beantwoording van de vraag of resterende verdenking bij de beoordeling van schadevergoedingsverzoeken een rol mag spelen. Wel kan men zich afvragen wat voor een negatief antwoord precies de reden is. Belangrijk argument is in elk geval dat daardoor wordt voorkomen dat misdadigers van hun misdaden profiteren doordat zij enerzijds worden vrijgesproken en anderzijds schadevergoeding toegewezen krijgen. Bedacht moet echter wel worden dat waar de strafrechter de schuld van de verdachte niet met zekerheid heeft kunnen vaststellen, de beschikkingsrechter dat doorgaans ook niet zal kunnen. Tegenover de niet-gecompenseerde dader zullen gevallen staan van personen die voorlopig gehecht zijn geweest, terwijl zij daadwerkelijk onschuldig waren, maar aan wie bij een zuinige regeling nadien de compensatie zal worden geweigerd.9 Bovendien is in dit verband moeilijk uit te leggen dat de voorlopig gehechte die voor dat feit ‘gewoon’ wordt veroordeeld tot gevangenisstraf,10 altijd en imperatief wordt gecompenseerd in de vorm van aftrek van het voorarrest. De rechtvaardiging daarvan is gelegen in de grote gelijkenis in opleggingsmotieven en tenuitvoerlegging van voorarrest en gevangenisstraf. In dat licht verbaast het echter dan wel dat personen die vermoedelijk iets ernstigs op hun geweten hebben, maar waarvan dat met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld voor – onbedoeld – op gevangenisstraf gelijkende dwangmiddelen geen enkele compensatie krijgen, terwijl de zekere dader in de aftrek van het voorarrest dat voorarrest geheel (of, bij tenuitvoerlegging van het voorarrest op de mildst mogelijke wijze zelfs: overmatig) ziet gecompenseerd.11