Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.2.4
VIII.2.4 Waardering
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600910:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dat blijkt voor belediging uit het feit dat openbaarheid niet vereist is, maar ook volstaat dat een belediging geuit is in tegenwoordigheid van de beledigde. Voor laster is cruciaal en voor smaad relevant in hoeverre de tenlastelegging waar is. Ook dat het alle drie klachtdelicten betreft, wijst erop dat het primair de reputatie van de betrokkene is die wordt beschermd en in elk geval niet de tegen de klager bestaande strafprocedure.
Of het moet gaan om misstanden in de wijze waarop de overheid strafzaken afhandelt. Ook over het functioneren van het strafrecht is echter uitstekend te publiceren en debatteren met inachtneming van de onschuldpresumptie.
Van Lent 2013. Vgl. ook Groenhuijsen 1997.
Tegen publieke uitlatingen over lopende strafzaken krijgt de onschuldpresumptie beperkt bescherming. Daartoe specifiek strekkende wetgeving is niet aanwijsbaar. De niet op de onschuldpresumptie toegespitste strafbaarstellingen van smaad, laster en belediging waarborgen het beginsel maar gedeeltelijk. De eer en goede naam van het slachtoffer staan daarbij centraal.1 Daarbij kan men zich afvragen hoe realistisch deze remedie is, nu de schending van de onschuldpresumptie in lopende strafzaken veelal plaatsvindt door (prominente) politici, officieren van justitie en politiële ambtenaren. De kans op vervolging lijkt mij doorgaans nihil, in elk geval voor zover het geen valse beschuldigingen betreft. Ook de mogelijkheid van een onrechtmatigedaadsactie, waarbij de civiele rechter een afweging maakt tussen het aan de kaak stellen van misstanden en de reputatie van de gelaedeerde, beschermt hoofdzakelijk de reputatie van de betrokkene. Zowel in het civiele als het strafrecht wordt aan de juistheid van de beschuldigingen waarde gehecht. Bescherming is niet duidelijk groter wanneer aantijgingen een strafbaar feit betreffen. In zoverre heeft de wrijving met de onschuldpresumptie die bestaat bij beschuldiging van een strafbaar feit weinig additioneel gewicht ten opzichte van situaties waarin de beschuldigingen dat beginsel niet raken. Zelfregulering is globaal en verbindt aan het onschuldvermoeden geen duidelijke consequenties. Politici kunnen zich wat dat betreft vrijelijk over lopende strafzaken uitlaten, officieren van justitie hoeven in hun publieksvoorlichting inmiddels niet meer te benadrukken dat het in de opsporingsfase nog slechts om een verdachte gaat en journalisten tonen alleen enige terughoudendheid in het verspreiden van privacygevoelige gegevens, maar hebben zichzelf anders dan hun Duitse collega’s niet verplicht het vermoeden van onschuld in acht te nemen. Rechterlijke instrumenten om op publiciteit actief te reageren zijn ongeschikt om de daarvan uitgaande dreiging te bestrijden (verschoning), nooit van de grond gekomen (contempt of court) of worden bij mijn weten niet gebruikt (aanhouding of schorsing totdat media-aandacht is geluwd). De rechter heeft wel de ruimte om de verdachte voor door de uitlatingen geleden reputatieschade te compenseren. Uitgesloten lijkt evenwel de niet-ontvankelijkheid op de grond dat de eerlijkheid van het proces erdoor niet meer is te garanderen.
Kortom, de Nederlandse strafvordering kent waarborgen tegen schendingen van de onschuldpresumptie, maar deze behartigen niet alle belangen die de behandelingsdimensie beoogt te beschermen even goed. De bescherming van het individu tegen aantasting van zijn reputatie door ongefundeerde beschuldigingen, is het meest adequaat. Hij kan een civiele procedure starten en de rechter kan reputatieschade verdisconteren in de sanctietoemeting. Tegen de andere gevaren waarop de bescherming van de behandelingsdimensie ziet, zoals de aantasting van het gezag, de exclusiviteit en de openheid van een strafproces, bestaan daarentegen weinig waarborgen. Rechtsregels die dwingen tot terughoudendheid ontbreken en de feitenrechter heeft geen instrumenten om die terughoudendheid af te dwingen. Het is daardoor grotendeels afhankelijk van het gezag van het EVRM en van de binnen de verschillende bij het strafrecht betrokken organen levende ideeën over een goede functievervulling of en in welke mate de door de behandelingsdimensie beschermde belangen worden gewaarborgd.
De reden hiervoor kan mogelijk worden gezocht in het grote belang dat wordt gehecht aan ieders vrijheid van meningsuiting en de waarde van onverbloemde kritiek voor het functioneren van de overheid. Ik meen dat deze argumenten grote waarde hebben waar verdachtmakingen worden gearticuleerd terwijl daarnaar door de overheid geen of ontoereikend onderzoek plaatsvindt. Dan pleit tegen het vermoeden van onschuld dat het publiek en de media in staat moeten zijn actief, indringend en zonder angst misstanden aan de kaak te stellen en verdachtmakingen te uiten die op beschuldiging van strafbare feiten neerkomen. Het verbod op smaad en de bijbehorende strafuitsluitingsgrond sluiten daarop goed aan. Bij dergelijke verdachtmakingen maakt ook de civiele rechter een afweging van met het aankaarten van die misstand gemoeide belangen tegen de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Dat daarbij andere door de behandelingsdimensie beschermde belangen dan de persoonlijke levenssfeer niet worden meegewogen, is niet bezwaarlijk, aangezien een verdachtmaking op zichzelf de exclusiviteit van het strafproces als het forum voor schuldvaststelling, het gezag van die procedure en de eerlijkheid van het proces ook niet snel zal aantasten. Voor zover door de overheid echter reeds wel een onderzoek wordt gedaan naar de toedracht van een strafbaar feit, hebben een trial by media en daarmee gepaard gaande buitenprocedurele schuldvaststellingen met het aan de kaak stellen van misstanden weinig van doen.2 In die situaties, dus waar van een strafrechtelijk onderzoek reeds sprake is, deel ik het standpunt van Van Lent dat publicaties die de onschuldpresumptie schenden de met openbaarheid van het strafproces beoogde doelen eerder in de wielen rijden dan dat zij daaraan bijdragen.3 Ik vraag mij daarom af wat van die schending van de onschuldpresumptie in zulke gevallen de meerwaarde is en of het afdwingen van publicitaire terughoudendheid – door wettelijke regels, zelfregulering of rechterlijke reactie – dan niet is geboden.