Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.4.5
7.4.5 Fair play-beginsel
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453037:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Praktijkhandreiking persoonsgerichte onderzoeken voor Accountants-Administratieconsulenten/ registeraccountants § 5.3, besproken in § 7.3.2.5.
Zie § 7.3.5 en § 7.4.8.
Deze samenvatting is, iets gewijzigd, ontleend aan Schlössels en Zijlstra 2010, § 8.3.1.13.
Zie § 7.5.8.6 (communicatie met partijen en hun advocaten) en § 7.6.6.4 (rechtsbijstand door een advocaat bij formele gesprekken).
Vgl. De Kluiver 2010, p. 243; Olden 2013, p. 414.
Vgl. artikel 2 Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken.
Zo ook Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2014, p. 22-23.
Zie § 7.5.6.
Zie § 6.3.5.5; § 6.4.5; § 7.6.6.4-5.
Zie § 7.6.6.6.
Vgl. De Kluiver 2010, p. 243; Olden 2013, p. 414.
Vgl. HR 27 oktober 1989, NJ 1990/109, r.o. 3.3 (Emmerik Rolluikenfabriek/Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid), besproken in § 7.3.2.
De onderzoekers dienen zich bij de uitvoering van het onderzoek te houden aan het fair play-beginsel, of beter gezegd het gebod van fair play. Volgens de Praktijkhandreiking persoonsgerichte onderzoeken voor Accountants-Administratieconsulenten/registeraccountants houdt het fair play-beginsel in dat de accountant bij zijn onderzoek geen gebruik mag maken van bedrog, listen, trucs of valse beloften.1
Naar mijn mening is dit te eng geformuleerd, althans voor het onderzoek in de enquêteprocedure. Het gebod van fair play dat onderzoekers in acht behoren te nemen, houdt mijns inziens in dat de onderzoekers open en eerlijk optreden (‘met open vizier’), partijen adequaat informeren (onder meer over hun procedurele rechten en verplichtingen), géén voor partijen relevante informatie achterhouden (uiteraard met inachtneming van de vertrouwelijkheid2) en partijen niet aan het lijntje houden of ongeoorloofd onder druk zetten.3 De onderzoekers moeten partijen de gelegenheid bieden zich te laten bijstaan door een advocaat en zijn rol in het onderzoek respecteren.4 Elementen van het gebod van fair play zijn ook dat de onderzoekers geen gebruik maken van off the record gemaakte opmerkingen (niet verifieerbaar; geen tegenspraak mogelijk) en als zij tijdens een formeel gesprek een persoon om een reactie vragen op bepaalde brondocumenten, zij die documenten volledig overleggen en hem de tijd geven die te bestuderen.5 Iets anders geformuleerd: de onderzoekers behoren zich ten opzichte van de bij het onderzoek betrokkenen integer6 en correct te gedragen.
In Aandachtspunt 3.2 komt één aspect van het fair play-beginsel aan de orde, waar de Ondernemingskamer de onderzoekers aanbeveelt hun werkzaamheden in openheid over hun hoedanigheid te verrichten en hun hoedanigheid bekend te maken indien zij een persoon in het kader van het onderzoek horen.7 Verder komt het fair play-beginsel in de Aandachtspunten niet aan de orde. Het beginsel zou wat mij betreft als volgt verder kunnen worden geconcretiseerd. Deze concretisering, waarvan de onderbouwing elders ook nog aan de orde komt (zie de verwijzingen in de voetnoten) zou in een nieuwe versie van de Aandachtspunten aldus kunnen worden opgenomen:
De onderzoekers stellen de partijen en de overige belanghebbenden bij de aanvang van het onderzoek op de hoogte van de door hen te volgen werkwijze, in hoeverre zij verplicht zijn mee te werken aan het onderzoek of verzocht worden daaraan vrijwillig mee te werken en hoe zij desgewenst tegen beslissingen van de onderzoekers kunnen opkomen bij de raadsheer-commissaris. Bij voorkeur wordt deze informatie opgenomen in een onderzoeksprotocol.8
Personen die door de onderzoekers in een formeel gesprek worden gehoord, worden door de onderzoekers van tevoren op de hoogte gebracht van de onderwerpen waarover de onderzoekers hen willen spreken. De onderzoekers treden de personen die zij horen open tegemoet en vermijden suggestieve vragen. De personen die worden gehoord hebben het recht zich door een advocaat te laten bijstaan. Voor zover zij een beroep kunnen doen op een verschoningsrecht, wordt dit verschoningsrecht geëerbiedigd.9 Als de onderzoekers een verslag van het verhoor maken, hebben de gehoorde personen het recht om een concept van dit verslag te ontvangen en daarover opmerkingen te maken.10
De onderzoekers maken in beginsel geen gebruik van informatie die alleen ‘off the record’ is verstrekt of afkomstig is uit anonieme bronnen.11 Slechts in zwaarwegende gevallen kunnen de onderzoekers gemotiveerd van dit beginsel afwijken, waarbij het uiteindelijk aan de Ondernemingskamer is om te beoordelen of het gebruik van deze anonieme bronnen de rechtspersoon en eventuele andere betrokkenen niet onevenredig in hun verdediging schaadt, in welk geval (dit deel van) het verslag buiten beschouwing moet worden gelaten.12
Deze regels kunnen worden toegepast in alle enquêtes, ongeacht het type enquête.