Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/11.3.7
11.3.7 Terinzagelegging voor belanghebbenden
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451816:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 25 augustus 2010, JOR 2010/340, m.nt. M. Brink (Fortis), r.o. 2.3.
Zie § 11.2.6.
Zie § 11.3.5.
Zie § 11.4.5.
OK 8 juni 2010, ARO 2010/95 en 96 (CRV Beheer); OK 25 augustus 2010, JOR 2010/340, m.nt.M. Brink (Fortis); OK 16 maart 2011, JOR 2011/143, m.nt. B.E.L.J.C. Verbunt (Ageas (voorheen Fortis)). Zie over de eerste Fortis-beschikking uitvoerig Overkleeft 2010, p. 201-205.
Omdat de op te stellen richtlijn zich niet tot de onderzoekers richt, ligt het meer voor de hand deze richtlijn op te nemen in een afzonderlijk document dan in de Aandachtspunten.
Zie § 7.6.9.
Uit OK 28 april 2015, ARO 2015/127 (Leaderland TTM c.s.), r.o. 2.2, leid ik af dat dit ook het beleid van de Ondernemingskamer is. Een andere lezing van de uitspraak is echter mogelijk.
Zie § 11.2.6.
Vgl. § 6.3.5.6.
Zie § 5.4.3.
In de TICA-zaak verzochten belanghebbenden het verslag ter inzage te leggen voor “een ieder”. De Ondernemingskamer heeft de onderzoeker in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten, van welke mogelijkheid de onderzoeker geen gebruik heeft gemaakt. Zie OK 31 maart 2015, ARO 2015/ 125 (Trends-in-Center-Aalsmeer (TICA)), r.o. 1.8.
Indien de Ondernemingskamer het verslag niet voor eenieder ter inzage legt, pleegt zij het verslag ter inzage te leggen voor belanghebbenden. ‘Belanghebbenden’ is niet een vast omlijnd begrip. Het zijn niet noodzakelijkerwijs de in de procedure verschenen belanghebbenden. De Ondernemingskamer heeft dit met zoveel woorden beslist in de Fortis-zaak.1
Nadat de Ondernemingskamer heeft beslist dat het verzoek ter inzage ligt voor belanghebbenden, stuurt de griffier aan deze belanghebbenden een afschrift van het verslag toe.2 Dit betekent de facto dat de griffier van de Ondernemingskamer beoordeelt wie belanghebbende is en wie niet. Ik neem aan dat hetzelfde gebeurt als een persoon de griffier vraagt om toezending van het verslag, stellende dat hij belanghebbende is. Als de griffier met voldoende zekerheid meent te weten dat dit het geval is, dan krijgt hij een afschrift, en zo nee dan kan de beweerdelijke belanghebbende de Ondernemingskamer verzoeken het verslag voor hem ter inzage te leggen of te verstaan dat hij als belanghebbende in de zin van de beschikking wordt aangemerkt.3
Er is nog een procedure waarin aan de orde kan komen of iemand belanghebbende is en recht heeft op inzage in het verslag. Als een ander dan de verzoekers de voorzitter van de Ondernemingskamer vraagt om machtiging om mededelingen uit verslag te doen, zal de voorzitter als voorvraag moeten beoordelen of het verslag voor deze persoon ter inzage ligt. Dat kan iemand zijn die wel rechtmatig kennis van het verslag heeft (bijvoorbeeld een bestuurder of commissaris van de rechtspersoon), maar voor wie het verslag niet noodzakelijkerwijs persoonlijk ter inzage ligt.4 Het kan ook zijn dat deze persoon het verslag kent omdat een derde zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden.
Ik meen dat deze door de Ondernemingskamer ontwikkelde praktijk voor haar wel praktisch is, maar op gespannen voet staat met de wet. De facto komt het erop neer dat de Ondernemingskamer de bevoegdheid om te bepalen of het verslag voor een bepaalde persoon ter inzage ligt, heeft gedelegeerd aan de griffier of, als een machtiging wordt verzocht, haar voorzitter. Zij fungeert als een quasi beroepsinstantie voor het geval de griffier of de voorzitter meent dat de persoon die om inzage vraagt, respectievelijk vraagt om mededelingen uit het verslag te mogen doen, geen belanghebbende is. Een belangrijk nadeel van deze werkwijze is ook dat de rechtspersoon zelf geen invloed heeft op de beslissing voor wie het verslag ter inzage wordt gelegd en niet de gelegenheid krijgt te beargumenteren dat een bepaalde persoon niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.
Een consequentie van deze gang van zaken is bovendien dat uit de jurisprudentie van de Ondernemingskamer niet eenduidig kan worden afgeleid wie in dit verband ‘belanghebbende’ is. Ofschoon de Ondernemingskamer al in 2000 is begonnen om, behoudens in de schaarse gevallen dat het verslag voor eenieder ter inzage ligt, te bepalen dat het verslag voor belanghebbenden ter inzage ligt, heeft het tot 2010 geduurd voordat de Ondernemingskamer voor het eerst heeft beslist wie in dit verband onder belanghebbenden moeten worden verstaan. Het criterium dat de Ondernemingskamer daarbij hanteert, is of degene die inzage in het onderzoeksverslag verzoekt – de doeleinden van het enquêterecht in aanmerking nemende – als belanghebbende in de zin van de beschikking waarbij het verslag ter inzage voor belanghebbenden is gelegd dient te worden aangemerkt, en of er voor de verzoeker een uitzondering op het vertrouwelijk karakter van het onderzoeksverslag geldt.5 Dit criterium blinkt bepaald niet uit in duidelijkheid. Ik zou er een voorstander van zijn indien de Ondernemingskamer voor een aantal veel voorkomende gevallen een richtlijn zou opstellen voor welke belanghebbenden het verslag in beginsel ter inzage wordt gelegd.6 Verder zou de Ondernemingskamer in haar beschikking moeten specificeren voor wie het verslag ter inzage wordt gelegd. Daarbij zou de Ondernemingskamer de volgende criteria kunnen hanteren:
Personen over wie in het verslag wezenlijke bevindingen zijn opgenomen, zijn in ieder geval als belanghebbende aan te merken voor het deel van het verslag waarin deze bevindingen zijn opgenomen. Op grond van het bepaalde in artikel 2:351 lid 4 BW moeten deze personen van de onderzoekers de mogelijkheid hebben gekregen hierover opmerkingen te maken. Daartoe zullen de onderzoekers hun (een deel van) het conceptverslag ter inzage hebben moeten geven.7 Het zou om die reden merkwaardig zijn als zij geen inzage zouden krijgen in het ter griffie ingeleverde verslag en niet zouden kunnen zien wat de onderzoekers met hun opmerkingen hebben gedaan.8 Op basis van de hier geformuleerde regel zullen de (voormalige) bestuurders en commissarissen van de rechtspersoon in de onderzoeksperiode in beginsel als belanghebbende inzage in (een deel van) het verslag kunnen krijgen.
In besloten verhoudingen met een beperkt aantal aandeelhouders zijn deze aandeelhouders aan te merken als belanghebbenden voor wie het verslag ter inzage ligt. De rechtvaardiging hiervoor is dat de aandeelhouders uiteindelijk de kosten van het onderzoek moeten dragen en zij behoren tot de kring van personen beschermd door artikel 2:8 BW. Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar, bijvoorbeeld als de aandeelhouder pas na de periode waarop het onderzoek betrekking heeft, is toegetreden of een aandeelhouder een klein belang in de vennootschap heeft en zich niet met het beleid heeft bemoeid.
Indien een rechtspersoon onder toezicht staat van andere toezichthouders dan DNB, de ECB of de AFM, zoals zorginstellingen en woningcorporaties, die onder toezicht staan van de NZa of de AW, wordt het verslag voor de desbetreffende toezichthouder ter inzage gelegd.9
Partijen die in een andere relatie tot de rechtspersoon staan, zoals bijvoorbeeld crediteuren, contactuele wederpartijen en de accountant die de jaarrekening van de rechtspersoon heeft gecontroleerd, zijn in beginsel geen belanghebbende en krijgen geen inzage in het verslag.
Betrokkenen bij groepsmaatschappijen van de rechtspersoon, zoals medeaandeelhouders, bestuurders etc., zijn in beginsel niet aan te merken als belanghebbende en krijgen geen inzage in het verslag.
Bijlagen bij het rapport die raken aan de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen, zoals e-mails, worden in beginsel niet voor anderen dan voor deze personen ter inzage gelegd.10
De Ondernemingskamer heeft in de toelichting op Aandachtspunt 4.8 opgenomen dat het de onderzoekers vrijstaat in het verslag aanbevelingen te doen voor wie het verslag of delen daarvan ter inzage wordt gelegd.11Ik zou mij kunnen voorstellen dat als de Ondernemingskamer richtlijnen als hiervoor bedoeld zou opstellen, zij de onderzoekers wat dwingender vraagt zich in het verslag uit te laten of er redenen zijn af te wijken van de richtlijnen.12 Als de onderzoekers dat zouden doen in het conceptverslag heeft de rechtspersoon de gelegenheid daarop te reageren. Die reactie kan de Ondernemingskamer dan betrekken bij haar beslissing voor wie het verslag ter inzage ligt. Op deze wijze kan de rechtspersoon zijn visie geven, zonder dat dit tot vertraging van de procedure aanleiding behoeft te geven.