HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830(Bezirkshauptmannschaft Landeck).
HR, 18-03-2025, nr. 22/03889
ECLI:NL:HR:2025:409
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-03-2025
- Zaaknummer
22/03889
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:409, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑03‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2145
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1230
ECLI:NL:PHR:2024:1230, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:409
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑11‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑10‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0092
NJ 2025/116 met annotatie van J.M. Reijntjes
JBP 2025/65
Computerrecht 2025/90 met annotatie van J.J. Oerlemans
Uitspraak 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
OM-cassatie en cassatie verdachte. Phishing-fraude met behulp van valse betaalverzoeken. Medeplegen computervredebreuk, meermalen gepleegd (art. 138ab.1 Sr), medeplegen voorhanden hebben van toegangscodes (art. 139d.2.b Sr), medeplegen oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr) en medeplegen diefstal d.m.v. valse sleutels (art. 311.1 Sr). Onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones. In dit arrest gaat de Hoge Raad in op de betekenis van recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie – in het bijzonder de uitspraak in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck – voor de eisen die moeten worden gesteld aan onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones. Deze recente rechtspraak brengt mee dat dit onderzoek op een enigszins andere manier moet worden genormeerd dan uit een eerdere uitspraak van de Hoge Raad voortvloeit. Het is aan de wetgever om een wettelijke regeling op te stellen die in haar algemeenheid voldoet aan alle in de rechtspraak van het Hof van Justitie gestelde vereisten. In afwachting van zo’n regeling ziet de Hoge Raad aanleiding om zijn eerdere rechtspraak bij te stellen. In dit arrest wordt in rechtsoverweging 5 uiteengezet wat deze bijstelling inhoudt. Vervolgens worden de cassatiemiddelen van het openbaar ministerie en van de verdachte beoordeeld (rechtsoverweging 6 en 7). In rechtsoverweging 9 geeft de Hoge Raad een samenvatting van zijn oordeel in deze zaak. Volgt verwerping. Samenhang met 22/03872 en 22/03913.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03889
Datum 18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 oktober 2022, nummer 22-005666-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie.
Namens de verdachte heeft N. van Schaik, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsman van de verdachte heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Waar het in deze zaak om gaat
In dit arrest gaat de Hoge Raad in op de betekenis van recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) – in het bijzonder de uitspraak in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (hierna: CG/Landeck) – voor de eisen die moeten worden gesteld aan onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones. Deze recente rechtspraak brengt mee dat dit onderzoek op een enigszins andere manier moet worden genormeerd dan uit een eerdere uitspraak van de Hoge Raad voortvloeit. Het is aan de wetgever om een wettelijke regeling op te stellen die in haar algemeenheid voldoet aan alle in de rechtspraak van het Hof van Justitie gestelde vereisten. In afwachting van zo’n regeling ziet de Hoge Raad aanleiding om zijn eerdere rechtspraak bij te stellen. In dit arrest wordt in rechtsoverweging 5 uiteengezet wat deze bijstelling inhoudt. Vervolgens worden de cassatiemiddelen van het openbaar ministerie en van de verdachte beoordeeld (rechtsoverweging 6 en 7). In rechtsoverweging 9 geeft de Hoge Raad een samenvatting van zijn oordeel in deze zaak.
3. De overwegingen van het hof
Het hof heeft in zijn arrest onder meer overwogen:
“Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog van belang – tenlastegelegd dat:
1.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 2 mei 2018 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in (een) (gedeelte van) één of meer geautomatiseerd(e) werk(en), te weten een server en/of netwerk van de ING Bank en/of ABN AMRO Bank, althans een bank, is/zijn binnengedrongen, althans een deel daarvan, doordat verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)
één of meerdere Tikkie link(s), althans (een) applicatie(s), heeft/hebben verzonden naar [slachtoffer 1] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 2] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 3] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 4] (zaak Ipad) en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] , althans één of meer andere perso(o)n(en), waarbij die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 3] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of één of meer andere perso(o)n(en), naar phishings website(s) werd(en) geleid, waardoor één of meer (inlog)gegevens van de bankrekening(en) van voornoemde perso(o)n(en) zijn opgevangen/afgevangen en/of achterhaald,
waarna verdachte en/of zijn mededader(s) vervolgens (telkens) inlogden met die al dus verkregen gegevens (al dan niet met behulp van mobiel bankieren betaal-apps van de ING Bank) op/van voornoemd(e) geautomatiseerd(e) werk(en), waarin hij verdachte en/of zijn mededader(s) zich wederrechtelijk bevond(en) en gegevens voor zichzelf en/of een ander heeft/hebben opgenomen, afgetapt of overgenomen, althans betalingen mee heeft/hebben verricht;
2.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 2 mei 2018 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) één of meerdere toegangscode(s) en/of daarmee vergelijkbaar gegeven(s), waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd(e) werk(en)
heeft vervaardigd, verkocht, verworven, ingevoerd, verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c Wetboek van Strafrecht werd gepleegd, door één of meerdere TAN codes en/of (inlog)gegevens (ondere andere van [slachtoffer 1] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 2] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 3] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 4] (zaak Ipad) en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] ), althans één of meerdere toegangscode(s)
(waarmee kon worden ingelogd op een server en/of website van de ING Bank, althans een bank en/of bankrekening(en) van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] , althans één of meer andere perso(o)n(en))
heeft doorgegeven aan en/of verspreid onder, althans ter beschikking gesteld, aan vrienden en/of mededader(s), althans één of meer andere personen en/of voorhanden heeft gehad;
3.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 28 mei 2018 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels de ING Bank (telkens) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en), althans tot afgifte van enig goed,
hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid meermalen, althans éénmaal,
inlog- en/of accountgegevens en/of gebruikersgegevens van (ING) bankrekening(en) van [slachtoffer 1] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 2] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 3] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] , althans één of meer andere perso(o)n(en), waarbij die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 3] (zaak Mediamarkt) en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] heimelijk en zonder toestemming verworven en/of (vervolgens)
met die gegevens (van de ING bankrekening(en) van die in de voorgaande alinea genoemde personen) ingelogd op de server en/of website en/of een netwerk, althans een deel daarvan, van voornoemde ING Bank, als zijnde hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die in de voorgaande alinea genoemde personen en/of (vervolgens)
(al dan niet met behulp van een mobiel bankieren app van de ING Bank op naam van de in de vierde alinea genoemde personen) (digitaal) één of meerdere goederen aangekocht/betaald,
waardoor de ING Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
4.hij op of omstreeks 16 april 2018 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal,
met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft/hebben weggenomen één of meerdere geldbedrag(en) (ongeveer 2.488,22,=), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een ING mobiel bankieren app (op naam van voornoemde [slachtoffer 2] en welke mobiel bankieren app was geïnstalleerd op een/de telefoon(s) van verdachte en/of die van zijn, verdachtes, mededader(s)) waartoe hij verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren één of meerdere mobiele telefoon(s), althans één of meer goederen aangekocht bij de Mediamarkt aan [a-straat] te [plaats] , te betalen;
5.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juli 2018 te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of één of meer anderen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (onder meer)
het plegen van computervredebreuk (artikel 138ab Wetboek van Strafrecht) en/of
het verspreiden, ter beschikking stellen en/of voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel waarmee een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk kan worden afgeluisterd, afgetapt of opgenomen kan worden of een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig doet zijn met het oogmerk dat daarmee computervredebreuk te plegen (artikel 139d Wetboek van Strafrecht) en/of
het plegen van oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of
het plegen van diefstal door middel van een valse sleutel (artikel 311 Wetboek van Strafrecht).
(...)
Rechtmatigheid onderzoek gegevensdragers
In het navolgende zal het hof uit praktische overwegingen de term ‘digitale-gegevensdrager’ gebruiken ter aanduiding van alle apparaten met de functionaliteit om digitale gegevens op te slaan, ook als deze daarnaast aangemerkt kunnen worden als geautomatiseerd werk in de zin van artikel 80sexies van het Wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’).
Het hof overweegt dat ten aanzien van het onderzoek dat in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden aan digitale-gegevensdragers toebehorende aan de verdachte en/of een of meer medeverdachten, dient te worden beoordeeld of, indien eenmaal sprake is van rechtmatig door de rechter-commissaris in beslag genomen voorwerpen, uit (de uitoefening van) die bevoegdheid zonder meer voortvloeit dat de gegevens op die gegevensdragers ongeclausuleerd mochten worden onderzocht.
Zoals het hof eerder heeft overwogen (Hof Den Haag, 26 augustus 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1873) vloeit, indien het onderzoek van de gegevens op een digitale gegevensdrager zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager, uit de enkele beslissing tot inbeslagneming niet zonder meer voort dat gegevens op die digitale-gegevensdragers zonder meer mogen worden onderzocht. Indien een dergelijke voorzienbaarheid zich voordoet, zal door de rechter-commissaris die de inbeslaggenomen gegevensdragers voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst, moeten worden overwogen of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek dienen te worden verbonden.
Bij die beslissing en bij het bepalen van aard en omvang van die eventuele beperkingen zullen factoren als de ingrijpendheid van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de betreffende gegevensdragers door het onderzoek en de proportionaliteit en subsidiariteit van de te verrichten onderzoekshandelingen in relatie tot de aard en omvang van de verdenking waarop het onderzoek betrekking heeft een rol kunnen spelen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan beperkingen betreffende het aantal te onderzoeken gegevensdragers, beperkingen betreffende de te onderzoeken gegevens (zoals afbeeldingen, communicatie, internetgedrag et cetera) en beperkingen betreffende de periode waarbinnen de te onderzoeken gegevens zijn gegenereerd of op de betreffende digitale-gegevensdrager terecht zijn gekomen. Ook kan worden gekozen voor fasering van toegestane onderzoekshandelingen doordat de rechter-commissaris eventueel tussentijds beslist tot uitbreiding of (verdere) beperking van het toegestane onderzoek.
In het onderhavige geval heeft een dergelijke toetsing niet kenbaar plaatsgevonden.
Uit het strafdossier blijkt dat na de doorzoekingen in de woningen van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de in beslag genomen voorwerpen door de rechter-commissaris voor nader onderzoek zijn overgedragen aan het onderzoeksteam. Het proces-verbaal van doorzoeking van de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] bevat een dergelijke vermelding niet, maar uit het strafdossier blijkt onmiskenbaar dat aldaar digitale-gegevensdragers in beslag zijn genomen en vervolgens zijn onderzocht door het onderzoeksteam. Nu deze voorwerpen kennelijk feitelijk bij het onderzoeksteam terecht zijn gekomen, neemt het hof aan dat de rechter-commissaris die deze voorwerpen in beslag heeft genomen deze eveneens voor nader onderzoek aan het onderzoeksteam heeft overgedragen.
Voorts blijkt dat bij de aanhouding van de verdachte twee digitale-gegevensdragers bij hem zijn aangetroffen, welke met toestemming van de officier van justitie zijn doorzocht. Nu het hier ging om zogenaamde ‘smartphones’ welke door de verdachte bij zich werden gedragen, moest – nu niet blijkt van aanwijzingen dat hij hier anders dan als een doorsnee-gebruiker mee omging – er rekening mee worden gehouden dat hierop zodanige informatie omtrent zijn persoonlijk leven te vinden zou zijn dat op voorhand te voorzien was dat uit het onderzoek daarvan een min of meer compleet beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte. Dit leidt ertoe dat het louter met toestemming van de officier van justitie onderzoeken van de betreffende twee digitale-gegevensdragers onrechtmatig was.
Tegen deze achtergrond is thans slechts een beoordeling achteraf mogelijk van de vraag of de rechter-commissaris toestemming zou hebben gegeven voor het onderzoek van de gegevens op de digitale-gegevensdragers van verdachte en de medeverdachten, op de wijze zoals dat heeft plaatsgevonden, namelijk zonder enige kenbare beperking. Daartoe overweegt het hof het volgende.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 1] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een zogenaamde Tikkie-fraude op 13 en 14 april 2018 ten aanzien van één aangever ( [aangever 1] ).
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 3] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een of meer Tikkie-fraudes met de verdachte.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 4] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer Tikkie-fraudes op 8/9 en 30 juni 2018.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de verdachte is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer Tikkie-fraudes op 21 en 23 april 2018.
Gegeven hetgeen omtrent deze verdenkingen uit de verschillende aanvragen blijkt, had de rechter-commissaris niet ongeclausuleerd toestemming mogen geven voor doorzoeking van de diverse digitale-gegevensdragers, zodat dit onrechtmatig jegens de verdachte was.
Het hof heeft hiervoor reeds aangegeven waaraan bij bedoelde clausulering eventueel zou kunnen worden gedacht. Zo had in dit geval bijvoorbeeld in eerste instantie de toestemming beperkt kunnen worden tot gegevens afkomstig uit 2018. Het ligt voor de hand dat in voorkomende gevallen de visie van de aanvragend officier van justitie op de concrete vormgeving van dergelijke beperkingen wordt betrokken.
Het voorgaande betekent dat het hof op de voet van artikel 359a Sv dient te beoordelen of aan het ontbreken van een wettelijke legitimatie aan de respectievelijke onderzoeken enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt.
Vastgesteld dient te worden dat noch de verdachte, noch één van de medeverdachten, heeft aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat de facto sprake is geweest van enige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het hof zal derhalve, rekening houdend met het belang dat de geschonden norm dient (de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte), de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt (: geen), volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan.”
4. Juridisch kader
Wetboek van Strafvordering
4.1
In deze zaak zijn in het bijzonder de volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van belang.
- Artikel 94 lid 1 Sv:
“Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen (...).”
- Artikel 95 lid 1 Sv:
“De opsporingsambtenaar die de verdachte staande houdt of aanhoudt, kan de voor inbeslagneming vatbare voorwerpen die de verdachte met zich voert, in beslag nemen.”
- Artikel 96 lid 1 Sv:
“In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, is de opsporingsambtenaar bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden.”
- Artikel 104 lid 1 Sv:
“De rechter-commissaris is tot inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd. Buiten het geval hij uit hoofde van de artikelen 181 tot en met 183 onderzoekshandelingen verricht, vindt inbeslagneming door de rechter-commissaris slechts plaats op vordering van de officier van justitie.”
- Artikel 141 Sv:
“Met de opsporing van strafbare feiten zijn belast:
a. de officieren van justitie;
b. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012, en de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder c en d, van die wet, voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
c. de door Onze Minister van Veiligheid en Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee;
d. de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.”
“1. De officier van justitie is belast met de opsporing van de strafbare feiten waarvan de rechtbank in het arrondissement waarin hij is aangesteld, kennisneemt, alsmede met de opsporing binnen het rechtsgebied van die rechtbank van de strafbare feiten waarvan andere rechtbanken kennisnemen.
2. Hij geeft daartoe bevelen aan de overige personen met de opsporing belast.”
- Artikel 177 lid 1 Sv:
“De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, in het belang van het onderzoek, het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan de ambtenaren genoemd in artikel 141 onder b, c en d en aan de personen genoemd in artikel 142, eerste lid.”
Rechtspraak van de Hoge Raad
4.2
In zijn arrest van 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.5. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.
2.6.
Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.
(...)
2.8.
Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling verdient het volgende opmerking. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar.
In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen – waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt – in het licht van art. 8 EVRM – aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn.”
4.3.1
Het Wetboek van Strafvordering kent niet expliciet een specifieke bevoegdheid toe aan opsporingsambtenaren – onder wie de officier van justitie – of de rechter-commissaris tot het verrichten van onderzoek aan (inbeslaggenomen) elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken. Voor de toepassing van zo’n bevoegdheid kunnen artikel 94 lid 1, 95 lid 1, 96 lid 1, 104 lid 1, 141 en 148 lid 1 Sv wel een wettelijke grondslag bieden.
4.3.2
In de onder 4.2 weergegeven uitspraak wordt de vraag aan welke functionaris in eerste instantie de bevoegdheid toekomt tot het verrichten van een onderzoek aan (inbeslaggenomen) elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, beantwoord aan de hand van de mate waarin door de toepassing van de bevoegdheid een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk. Als de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, kan die bevoegdheid zelfstandig door opsporingsambtenaren worden uitgeoefend. Als op voorhand is te voorzien dat het onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van die gebruiker, kan die bevoegdheid niet in eerste instantie door opsporingsambtenaren worden uitgeoefend, maar kan de officier van justitie dat onderzoek verrichten. Op grond van artikel 148 lid 2 Sv kan de officier van justitie aan opsporingsambtenaren het bevel geven om dat onderzoek uit te voeren. Als op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn, zal het onderzoek door de rechter-commissaris moeten worden verricht. Op grond van artikel 177 lid 1 Sv kan de rechter-commissaris, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, in het belang van het onderzoek, aan opsporingsambtenaren het bevel geven om het onderzoek te verrichten.
4.3.3
Naar aanleiding van de hierna onder 4.4.4 weer te geven uitspraak van het Hof van Justitie is de vraag gerezen of deze rechtspraak over het onderzoek aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken moet worden bijgesteld. Deze vraag wordt onder 5 nader besproken.
Unierecht en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)
4.4.1
Het Unierecht stelt regels voor het verwerken van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Deze regels zijn neergelegd in Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (hierna: Richtlijn 2016/680). De volgende bepalingen uit deze richtlijn zijn in het bijzonder van belang.
- Artikel 1:
“Onderwerp en doelstellingen
1. Bij deze richtlijn worden de regels vastgesteld betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid.
2. Overeenkomstig deze richtlijn hebben de lidstaten de verplichting:
a) de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens te beschermen; en
b) erop toe te zien dat de uitwisseling van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten binnen de Unie, wanneer die uitwisseling bij het Unierecht of het recht van de lidstaten is vereist, niet wordt beperkt of verboden om redenen die verband houden met de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.
3. Deze richtlijn belet de lidstaten niet uitgebreidere waarborgen te bieden dan die waarin deze richtlijn voorziet voor de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten.”
- Artikel 2 leden 1 en 2:
“Toepassingsgebied
1. Deze richtlijn is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de doeleinden van artikel 1, lid 1.
2. Deze richtlijn is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde, alsmede op de niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.”
- Artikel 3:
“Definities
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1) „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatiemiddel zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificatiemiddel of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
2) „verwerking”: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, bekendmaking door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;
(...)
4) „profilering”: elke vorm van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens waarbij aan de hand van persoonsgegevens bepaalde persoonlijke aspecten van een natuurlijke persoon worden geëvalueerd, met name met de bedoeling aspecten betreffende zijn beroepsprestaties, economische situatie, gezondheid, persoonlijke voorkeuren, interesses, betrouwbaarheid, gedrag, locatie of verplaatsingen te analyseren of te voorspellen;
(...)
6) „bestand”: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op functionele of geografische gronden is verspreid;
7) „bevoegde autoriteit”:
a) iedere overheidsinstantie die bevoegd is voor de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid; of
b) ieder ander orgaan dat of iedere andere entiteit die krachtens het lidstatelijke recht is gemachtigd openbaar gezag en openbare bevoegdheden uit te oefenen met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid;
(...)
11) „inbreuk in verband met persoonsgegevens”: een inbreuk op de beveiliging die per ongeluk of op onrechtmatige wijze leidt tot de vernietiging, het verlies, de wijziging of de ongeoorloofde bekendmaking van of de ongeoorloofde toegang tot doorgezonden, opgeslagen of anderszins verwerkte gegevens;
12) „genetische gegevens”: persoonsgegevens die verband houden met de overgeërfde of verworven genetische kenmerken van een natuurlijke persoon die unieke informatie verschaffen over de fysiologie of de gezondheid van die natuurlijke persoon en die met name voortkomen uit een analyse van een biologisch monster van die natuurlijke persoon;
13) „biometrische gegevens”: persoonsgegevens die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking met betrekking tot de fysieke, fysiologische of gedragsgerelateerde kenmerken van een natuurlijke persoon op grond waarvan eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon mogelijk is of wordt bevestigd, zoals gezichtsafbeeldingen of vingerafdrukgegevens;
14) „gezondheidsgegevens”: persoonsgegevens die verband houden met de fysieke of mentale gezondheid van een natuurlijke persoon, waaronder gegevens over verleende gezondheidsdiensten, waarmee informatie over zijn gezondheidstoestand wordt gegeven; (...).”
- Artikel 4 lid 1:
“Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens
1. De lidstaten schrijven voor dat persoonsgegevens:
a) rechtmatig en eerlijk worden verwerkt;
b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doeleinden worden verzameld en niet op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt;
c) toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig in verhouding tot de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, zijn;
d) juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren;
e) worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt;
f) met gebruikmaking van passende technische of organisatorische middelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat de beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging.”
- Artikel 8:
“Rechtmatigheid van de verwerking
1. De lidstaten zorgen ervoor dat verwerking alleen rechtmatig is indien en voor zover die verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering door een bevoegde autoriteit van een taak voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde doeleinden, en dat die verwerking gebaseerd is op het Unierecht of het lidstatelijke recht.
2. In het lidstatelijke recht dat verwerking binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn regelt, worden ten minste de verwerkingsdoeleinden, de te verwerken persoonsgegevens en de doeleinden van de verwerking gespecificeerd.”
- Artikel 10:
“Verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens
Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijkt, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon, gegevens over gezondheid of gegevens over seksueel gedrag of seksuele gerichtheid van een natuurlijke persoon zijn slechts toegelaten wanneer de verwerking strikt noodzakelijk is, geschiedt met inachtneming van passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkene, en:
a) bij het Unierecht of het lidstatelijke recht is toegestaan;
b) noodzakelijk is om vitale belangen van de betrokkene of een andere natuurlijke persoon te beschermen; of
c) die verwerking betrekking heeft op gegevens die kennelijk door de betrokkene zelf openbaar zijn gemaakt.”
4.4.2
Verder zijn de volgende bepalingen uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) van belang.
- Artikel 7:
“Eerbiediging van het privé-leven en het familie- en gezinsleven
Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.”
- Artikel 8:
“Bescherming van persoonsgegevens
1. Eenieder heeft recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens.
2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht op toegang tot de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan.
3. Een onafhankelijke autoriteit ziet toe op de naleving van deze regels.”
- Artikel 52 leden 1 en 3:
“Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen
1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.”
4.4.3
Artikel 8 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
4.4.4
Het Hof van Justitie is in de zaak CG/Landeck ingegaan op, kort gezegd, de voorwaarden die door het Unierecht worden gesteld aan het verkrijgen van toegang door politiediensten tot de gegevens die zijn opgeslagen op een inbeslaggenomen mobiele telefoon (HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830). Het arrest van het Hof van Justitie houdt onder meer in:
“Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20 Op 23 februari 2021 hebben ambtenaren van het douanekantoor Innsbruck (Oostenrijk) bij een drugscontrole een aan CG geadresseerd pakket met daarin 85 gram cannabis in beslag genomen. Dit pakket is voor onderzoek overgedragen aan het politiebureau van St. Anton am Arlberg (Oostenrijk).
21 Op 6 maart 2021 hebben twee politieagenten van dit bureau een huiszoeking gedaan bij CG, waarbij zij hem hebben ondervraagd over de afzender van dit pakket en zijn woning hebben doorzocht. Tijdens deze huiszoeking hebben de politieagenten CG verzocht om toegang tot de verkeersgegevens van zijn mobiele telefoon. Nadat deze laatste dit had geweigerd, hebben die politieagenten deze mobiele telefoon (met inbegrip van een simkaart en een SD-kaart) in beslag genomen en CG het proces-verbaal van de inbeslagneming overhandigd.
22 Vervolgens is deze telefoon, met het oog op de ontgrendeling ervan, overgedragen aan een expert van het Bezirkspolizeikommando Landeck (regionale politie Landeck, Oostenrijk). Aangezien deze er niet in slaagde om de betrokken mobiele telefoon te ontgrendelen, is die telefoon aan het Bundeskriminalamt (federale recherche, Oostenrijk) in Wenen gezonden, waar een nieuwe poging is gedaan om die telefoon te ontgrendelen.
23 De inbeslagneming van de mobiele telefoon van CG alsmede de latere pogingen om die telefoon uit te lezen, hebben plaatsgevonden op eigen initiatief van de betrokken politieagenten, zonder dat zij daarvoor toestemming hadden gekregen van het openbaar ministerie of een rechter.
(...)
30 In deze omstandigheden heeft het Landesverwaltungsgericht Tirol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moet artikel 15, lid 1, [van richtlijn 2002/58, eventueel gelezen in samenhang met artikel 5], in het licht van de artikelen 7 en 8 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat de toegang van overheidsinstanties tot de op mobiele telefoons opgeslagen gegevens op dermate ernstige wijze inbreuk maakt op de door die artikelen van het Handvest gewaarborgde grondrechten dat die toegang op het gebied van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten moet worden beperkt tot de bestrijding van zware criminaliteit?
2) Moet artikel 15, lid 1, van [richtlijn 2002/58], in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 alsook artikel 52, lid 1, van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als § 18 juncto § 99, lid 1, [StPO], op grond waarvan veiligheidsdiensten zichzelf in het kader van een strafrechtelijk onderzoek zonder toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan volledige en ongecontroleerde toegang kunnen verschaffen tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen digitale gegevens?
3) (...)”
(...)
Ten gronde
(...)
57 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof met name op basis van artikel 1, leden 1 en 3, en artikel 3 van richtlijn 2002/58 heeft geoordeeld dat wanneer de lidstaten rechtstreeks maatregelen toepassen die inbreuk maken op het beginsel van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie, zonder dat zij verwerkingsverplichtingen opleggen aan aanbieders van elektronische-communicatiediensten, de bescherming van de gegevens van de betrokken personen niet wordt beheerst door richtlijn 2002/58, maar uitsluitend door nationaal recht, behoudens de toepassing van richtlijn 2016/680 (arresten van 6 oktober 2020, Privacy International, C-623/17, EU:C:2020:790, punt 48, en 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 103).
58 Vast staat dat in het hoofdgeding de politiediensten rechtstreeks hebben geprobeerd om toegang te krijgen tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens, zonder dat om de tussenkomst van een aanbieder van elektronische-communicatiediensten is verzocht.
59 Bijgevolg is het duidelijk dat dit geding niet valt binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/58, waarop de eerste en de tweede prejudiciële vraag betrekking hebben.
(...)
Toepassing van richtlijn 2016/680 op een poging tot het verkrijgen van toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens
69 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2016/680 definieert de materiële werkingssfeer. Volgens deze bepaling is deze richtlijn „van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de doeleinden van artikel 1, lid 1”, te weten met name „de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten”.
70 Artikel 3, punt 2, van die richtlijn definieert het begrip „verwerking” als „een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het [...] opvragen, raadplegen” of het „verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen”.
71 Zo blijkt uit de bewoordingen zelf van artikel 3, punt 2, van richtlijn 2016/680 en met name uit het gebruik van de uitdrukkingen „een bewerking”, „een geheel van bewerkingen” en „op andere wijze ter beschikking stellen” dat de Uniewetgever een ruime strekking heeft willen geven aan het begrip „verwerking” en dus aan de materiële werkingssfeer van die richtlijn. Deze uitlegging vindt steun in het feit dat de in die bepaling genoemde handelingen niet exhaustief zijn, wat tot uitdrukking komt in het woord „zoals” [zie naar analogie arrest van 24 februari 2022, Valsts ieņēmumu dienests (Verwerking van persoonsgegevens voor fiscale doeleinden), C-175/20, EU:C:2022:124, punt 35].
72 Deze tekstuele elementen pleiten dan ook voor een uitlegging volgens welke de politiediensten, wanneer zij een telefoon in beslag nemen en die manipuleren om de op die telefoon opgeslagen persoonsgegevens op te vragen en te raadplegen, een verwerking initiëren in de zin van artikel 3, punt 2, van richtlijn 2016/680, ook als die diensten er om technische redenen niet in slagen om toegang te krijgen tot die gegevens.
73 Deze uitlegging wordt bevestigd door de context van artikel 3, punt 2, van richtlijn 2016/680. Op grond van artikel 4, lid 1, onder b), van die richtlijn schrijven de lidstaten immers voor dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doeleinden worden verzameld en niet op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt. In deze laatste bepaling is het beginsel van doelbinding neergelegd [zie in die zin arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Registratie van biometrische en genetische gegevens door de politie), C-205/21, EU:C:2023:49, punt 122]. De doeltreffendheid van dit beginsel vereist noodzakelijkerwijs dat het doel van de gegevensverzameling wordt bepaald vanaf het moment waarop de bevoegde autoriteiten proberen om toegang te krijgen tot persoonsgegevens, aangezien een dergelijke poging, wanneer die succesvol is, die autoriteiten met name in staat stelt om de betrokken gegevens onmiddellijk te verzamelen, op te vragen of te raadplegen.
74 Wat de doelstellingen van richtlijn 2016/680 betreft, beoogt deze richtlijn met name een hoge mate van bescherming van de persoonsgegevens van natuurlijke personen te waarborgen, zoals blijkt uit de overwegingen 4, 7 en 15.
75 Aan deze doelstelling zou echter afbreuk worden gedaan indien een poging om toegang te verkrijgen tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens niet kan worden aangemerkt als „verwerking” van die gegevens. Een dergelijke uitlegging van richtlijn 2016/680 zou voor de personen op wie die poging tot toegang betrekking heeft immers het grote risico met zich meebrengen dat een schending van de in deze richtlijn neergelegde beginselen niet meer kan worden vermeden.
76 Opgemerkt dient nog te worden dat die uitlegging in overeenstemming is met het rechtszekerheidsbeginsel, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist dat de toepassing van rechtsregels voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben (arrest van 27 juni 2024, Gestore dei Servizi Energetici, C148/23, EU:C:2024:555, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een uitlegging volgens welke de toepasselijkheid van richtlijn 2016/680 afhangt van het succes van de poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens, zou immers voor zowel de bevoegde nationale autoriteiten als de justitiabelen een onzekerheid met zich meebrengen die onverenigbaar is met dit beginsel.
77 Uit het voorgaande volgt dat een poging om toegang te verkrijgen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens door politiediensten ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek, zoals die in het hoofdgeding, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/680 valt, zoals ook de advocaat-generaal heeft overwogen in punt 53 van zijn conclusie.
Eerste en tweede prejudiciële vraag
78 De verwijzende rechter heeft in zijn eerste en tweede vraag uitdrukkelijk verwezen naar, enerzijds, artikel, 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, dat met name vereist dat de wettelijke maatregelen die de lidstaten kunnen treffen ter beperking van de reikwijdte van de in meerdere artikelen van deze richtlijn bedoelde rechten en plichten noodzakelijk, redelijk en proportioneel zijn in een democratische samenleving ter waarborging van de nationale veiligheid, dat wil zeggen de staatsveiligheid, de landsverdediging, de openbare veiligheid, of het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten of van onbevoegd gebruik van het elektronische-communicatiesysteem, en, anderzijds, artikel 52, lid 1, van het Handvest, waarin het evenredigheidsbeginsel is neergelegd in verband met de beperking van de uitoefening van de door het Handvest erkende rechten en vrijheden.
79 Op grond van artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2016/680 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de persoonsgegevens toereikend en ter zake dienend zijn en niet bovenmatig zijn in verhouding tot de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Deze bepaling vereist dus dat de lidstaten het beginsel van de „minimale gegevensverwerking” in acht nemen, dat uitdrukking geeft aan dit evenredigheidsbeginsel (arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia, C-118/22, EU:C:2024:97, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80 Hieruit volgt dat met name bij het verzamelen van persoonsgegevens in het kader van een strafprocedure en bij de opslag daarvan door de politiediensten voor in artikel 1, lid 1, van richtlijn 2016/680 genoemde doeleinden, aan dit laatste beginsel moet worden voldaan, net zoals bij elke verwerking die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt (arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia, C-118/22, EU:C:2024:97, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81 Derhalve moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn eerste en tweede vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2016/680, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 alsmede artikel 52, lid 1, van het Handvest, zich verzet tegen een nationale regeling die de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid biedt om zich toegang te verschaffen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten in het algemeen, en die het gebruik van die mogelijkheid niet afhankelijk stelt van een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan.
82 Om te beginnen blijkt uit de overwegingen 2 en 4 van richtlijn 2016/680 dat deze richtlijn bedoeld is om bij te dragen aan de totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie, waarbij een solide en coherent kader voor de bescherming van persoonsgegevens wordt ontwikkeld om de eerbiediging te waarborgen van het grondrecht van de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van de hen betreffende persoonsgegevens, dat is erkend in artikel 8, lid 1, van het Handvest en artikel 16, lid 1, VWEU [zie in die zin arrest van 25 februari 2021, Commissie/Spanje (Persoonsgegevensrichtlijn – Strafrechtelijk gebied), C-658/19, EU:C:2021:138, punt 75].
83 Hiertoe beoogt richtlijn 2016/680 met name, zoals is opgemerkt in punt 74 van dit arrest, een hoge mate van bescherming van de persoonsgegevens van natuurlijke personen te waarborgen.
84 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat, zoals in overweging 104 van richtlijn 2016/680 wordt onderstreept, de beperkingen die op grond van deze richtlijn kunnen worden gesteld aan het in artikel 8 van het Handvest neergelegde recht op bescherming van persoonsgegevens, alsmede aan het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, dat wordt beschermd door artikel 7 van het Handvest, moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest, waartoe onder meer de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel behoort (zie in die zin arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia, C-118/22, EU:C:2024:97, punt 33).
85 Die grondrechten hebben immers geen absolute gelding, maar moeten worden beschouwd in relatie tot hun functie in de samenleving en moeten worden afgewogen tegen andere grondrechten. Beperkingen op de uitoefening van deze grondrechten moeten overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest bij wet worden gesteld alsook de wezenlijke inhoud van die grondrechten en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen. Krachtens dit beginsel kunnen er slechts beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen die voortvloeien uit de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Zij moeten binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven en de regeling die de beperkingen in kwestie inhoudt moet duidelijke en nauwkeurige regels bevatten over de draagwijdte en de toepassing van deze beperkingen (arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia, C-118/22, EU:C:2024:97, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 Wat in de eerste plaats de doelstelling van algemeen belang betreft die een beperking van de uitoefening van de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest neergelegde grondrechten kan rechtvaardigen, zoals de beperking die voortvloeit uit de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, dient erop te worden gewezen dat een verwerking van persoonsgegevens in het kader van een politieonderzoek dat gericht is op de vervolging van een strafbaar feit, zoals een poging om zich toegang te verschaffen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens, in beginsel moet worden geacht daadwerkelijk te beantwoorden aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest.
87 Wat in de tweede plaats het vereiste betreft dat die beperking noodzakelijk is, is aan dit vereiste niet voldaan wanneer de beoogde doelstelling van algemeen belang redelijkerwijs op even doeltreffende wijze kan worden bereikt met andere middelen, die minder inbreuk maken op de grondrechten van de betrokken personen, zoals in wezen in overweging 26 van richtlijn 2016/680 wordt onderstreept (zie in die zin arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia, C-118/22, EU:C:2024:97, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88 Daarentegen is aan het noodzakelijkheidsvereiste voldaan wanneer het met de betrokken gegevensverwerking nagestreefde doel niet redelijkerwijs even doeltreffend kan worden bereikt op een andere wijze, die minder inbreuk maakt op de grondrechten van de betrokkenen, met name het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven alsmede het recht op bescherming van persoonsgegevens, zoals die worden gewaarborgd door de artikelen 7 en 8 van het Handvest [arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Registratie van biometrische en genetische gegevens door de politie), C-205/21, EU:C:2023:49, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
89 Wat in de derde plaats de evenredigheid betreft van de beperking van de uitoefening van de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten als gevolg van dergelijke verwerkingen, impliceert deze evenredigheid een afweging van alle relevante elementen van het geval (zie in die zin arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia, C-118/22, EU:C:2024:97, punten 62 en 63 alsmede aldaar aangehaalde rechtspraak).
90 Deze elementen omvatten met name de ernst van de beperking van de uitoefening van de betrokken grondrechten, die afhangt van de aard en de gevoeligheid van de gegevens waartoe de bevoegde politiediensten zich toegang kunnen verschaffen, het belang van de met die beperking nagestreefde doelstelling van algemeen belang, de relatie tussen de eigenaar van de mobiele telefoon en het betrokken strafbare feit of de relevantie van de betrokken gegevens voor de vaststelling van de feiten.
91 Wat ten eerste de ernst betreft van de beperking van de grondrechten als gevolg van een regeling zoals die in het hoofdgeding, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat die regeling de bevoegde politiediensten toestaat om zich zonder voorafgaande toestemming toegang te verschaffen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens.
92 Een dergelijke toegang kan, afhankelijk van de inhoud van de betrokken mobiele telefoon en de door die politiediensten gemaakte keuzes, niet alleen verkeers- en locatiegegevens betreffen, maar ook betrekking hebben op foto’s en de browsergeschiedenis van die telefoon, en zelfs op een deel van de inhoud van de via die telefoon uitgewisselde communicatie, met name door de daarop bewaarde berichten te lezen.
93 De toegang tot al die gegevens maakt het mogelijk om zeer nauwkeurige conclusies te trekken over het privéleven van de betrokkene, zoals zijn dagelijkse gewoonten, zijn permanente of tijdelijke verblijfplaats, zijn dagelijkse of andere verplaatsingen, de activiteiten die hij uitoefent, zijn sociale relaties en de sociale kringen waarin hij verkeert.
94 Tot slot kan niet worden uitgesloten dat sommige van de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens bijzonder gevoelig van aard zijn, zoals persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen en religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken. Deze gevoelige gegevens genieten de specifieke bescherming van artikel 10 van richtlijn 2016/680, die zich ook uitstrekt tot gegevens waaruit dergelijke informatie indirect, door beredeneerde deductie of vergelijking, kan worden afgeleid [zie naar analogie arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C-204/21, EU:C:2023:442, punt 344].
95 De inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten waartoe de toepassing van een regeling zoals die in het hoofdgeding kan leiden, moet derhalve worden beschouwd als ernstig of zelfs bijzonder ernstig.
96 Wat ten tweede het belang van de nagestreefde doelstelling betreft, moet erop worden gewezen dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.
97 Indien zou worden geoordeeld dat alleen de bestrijding van zware criminaliteit de toegang tot gegevens op een mobiele telefoon kan rechtvaardigen, zou dit echter de onderzoeksbevoegdheden van de bevoegde autoriteiten, in de zin van richtlijn 2016/680, beperken ten aanzien van strafbare feiten in het algemeen. Dit zou leiden tot een hoger risico van straffeloosheid van die strafbare feiten, gelet op het belang dat zulke gegevens kunnen hebben voor strafonderzoeken. Een dergelijke beperking zou derhalve in strijd zijn met de specifieke aard van de taken die deze autoriteiten uitvoeren voor de in artikel 1, lid 1, van die richtlijn genoemde doeleinden, zoals benadrukt in de overwegingen 10 en 11 ervan, en afbreuk doen aan de met die richtlijn nagestreefde doelstelling om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht tot stand te brengen binnen de Unie.
98 Deze overwegingen gelden echter onverminderd het in artikel 52, lid 1, van het Handvest gestelde vereiste dat beperkingen op de uitoefening van een grondrecht „bij wet worden gesteld”. Dit vereiste impliceert dat de wettelijke grondslag die een dergelijke beperking toestaat, de draagwijdte ervan voldoende duidelijk en nauwkeurig omschrijft [zie in die zin arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Registratie van biometrische en genetische gegevens door de politie), C-205/21, EU:C:2023:49, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
99 Om aan dit vereiste te voldoen, staat het aan de nationale wetgever om voldoende nauwkeurig te bepalen met welke elementen rekening moet worden gehouden, met name de aard of de categorieën van de strafbare feiten in kwestie.
100 Wat ten derde de relatie tussen de eigenaar van de mobiele telefoon en het betrokken strafbare feit betreft alsmede de relevantie van de betrokken gegevens voor de vaststelling van de feiten, blijkt uit artikel 6 van richtlijn 2016/680 dat het begrip „betrokkene” verschillende categorieën van personen omvat, te weten, in wezen, personen ten aanzien van wie gegronde vermoedens bestaan dat zij een strafbaar feit hebben gepleegd of zullen plegen; personen die voor een strafbaar feit zijn veroordeeld; slachtoffers of potentiële slachtoffers van een strafbaar feit, alsmede andere bij een strafbaar feit betrokken personen die als getuige kunnen worden opgeroepen in een onderzoek naar strafbare feiten of een daaruit voortvloeiende strafrechtelijke procedure. Volgens dit artikel moeten de lidstaten voorschrijven dat de verwerkingsverantwoordelijke, in voorkomend geval en voor zover mogelijk, een duidelijk onderscheid maakt tussen persoonsgegevens betreffende deze verschillende categorieën van betrokkenen.
101 Wat in dit verband met name de toegang betreft tot gegevens die zijn opgeslagen op de mobiele telefoon van de persoon tegen wie een strafrechtelijk onderzoek loopt, zoals in het hoofdgeding, is het van belang dat het bestaan van redelijke vermoedens ten aanzien van die persoon, in de zin dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd, pleegt of van plan is te plegen of dat hij op enigerlei wijze betrokken is bij dat strafbare feit, wordt gestaafd door voldoende objectieve elementen.
102 Met name om ervoor te zorgen dat het evenredigheidsbeginsel in elk concreet geval wordt geëerbiedigd door middel van een afweging van alle relevante elementen, is het essentieel dat, wanneer de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de persoonsgegevens het risico van een ernstige of zelfs zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene met zich meebrengt, deze toegang afhankelijk wordt gesteld van een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan.
103 Die voorafgaande toetsing vereist dat de rechter die of het onafhankelijke bestuursorgaan dat belast is met die toetsing, over alle bevoegdheden beschikt en alle noodzakelijke waarborgen biedt om ervoor te zorgen dat de verschillende betrokken legitieme belangen en rechten met elkaar in overeenstemming worden gebracht. In het specifieke geval van een strafrechtelijk onderzoek vereist een dergelijke toetsing dat die rechter of entiteit in staat is een juist evenwicht te verzekeren tussen, enerzijds, de legitieme belangen die verband houden met de behoeften van het onderzoek in het kader van de bestrijding van criminaliteit en, anderzijds, de fundamentele rechten op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en op bescherming van de persoonsgegevens van de personen op wier gegevens de toegang betrekking heeft.
104 In een situatie zoals bedoeld in punt 102 van dit arrest moet deze onafhankelijke toetsing plaatsvinden voorafgaand aan elke poging tot het verkrijgen van toegang tot de betrokken gegevens, behalve in naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen, waarin die toetsing op korte termijn dient plaats te vinden. Met een latere toetsing kan immers niet worden beantwoord aan het doel van een voorafgaande toetsing, dat erin bestaat te verhinderen dat tot de betrokken gegevens een toegang wordt verleend die verder gaat dan strikt noodzakelijk is.
105 In het bijzonder moet de rechter die of het onafhankelijke bestuursorgaan dat een voorafgaande toetsing verricht naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek om toegang dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/680 valt, die toegang kunnen weigeren of beperken wanneer wordt vastgesteld dat de inmenging in de grondrechten die deze toegang met zich meebrengt, onevenredig is gelet op alle relevante elementen.
106 De toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens door de bevoegde politiediensten moet derhalve worden geweigerd of beperkt indien, rekening houdend met de ernst van het strafbare feit en de behoeften van het onderzoek, de toegang tot de inhoud van de communicatie of tot gevoelige gegevens niet gerechtvaardigd wordt geacht.
107 Wat in het bijzonder de verwerking van gevoelige gegevens betreft, dient rekening te worden gehouden met de vereisten van artikel 10 van richtlijn 2016/680, dat beoogt een versterkte bescherming te waarborgen tegen dergelijke verwerkingen die, zoals uit overweging 37 van die richtlijn naar voren komt, aanzienlijke risico’s kunnen meebrengen voor de grondrechten en de fundamentele vrijheden, zoals het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, die door de artikelen 7 en 8 van het Handvest zijn gewaarborgd. Hiertoe moet, zoals blijkt uit de bewoordingen zelf van dit artikel 10, het vereiste volgens hetwelk de verwerking van dergelijke gegevens „slechts” toegelaten is „wanneer de verwerking strikt noodzakelijk is”, aldus worden uitgelegd dat daarin strengere voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van gevoelige gegevens worden vastgesteld dan die welke voortvloeien uit artikel 4, lid 1, onder b) en c), en artikel 8, lid 1, van deze richtlijn, waarin enkel wordt verwezen naar de „noodzaak” van een verwerking van gegevens die binnen de algemene werkingssfeer van die richtlijn vallen [arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Registratie van biometrische en genetische gegevens door de politie), C-205/21, EU:C:2023:49 punten 116 en 117 alsmede aldaar aangehaalde rechtspraak].
108 Zo benadrukt het gebruik van het bijwoord „slechts” vóór de uitdrukking „wanneer strikt noodzakelijk” dat de verwerking van bijzondere categorieën van gegevens in de zin van dit artikel 10 alleen in een beperkt aantal gevallen noodzakelijk kan worden geacht. Verder impliceert het feit dat de verwerking van dergelijke gegevens „strikt” noodzakelijk moet zijn dat deze noodzaak bijzonder streng wordt beoordeeld [arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Registratie van biometrische en genetische gegevens door de politie), C205/21, EU:C:2023:49, punt 118].
109 In het onderhavige geval geeft de verwijzende rechter aan dat de Oostenrijkse politiediensten in het kader van een strafrechtelijk onderzoek bevoegd zijn om zich toegang te verschaffen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens. Bovendien wijst deze rechter erop dat die toegang in beginsel niet is onderworpen aan een voorafgaande toestemming van een rechter of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit. Het is evenwel uitsluitend een zaak van de verwijzende rechter om in het hoofdgeding consequenties te trekken uit de verduidelijkingen die met name in de punten 102 tot en met 108 van het onderhavige arrest zijn gegeven.
110 Uit het voorgaande volgt dat op de eerste en de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2016/680, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 alsmede artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid biedt om zich toegang te verschaffen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens, met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten in het algemeen, indien die regeling:
– de aard of de categorieën van de betrokken strafbare feiten voldoende nauwkeurig omschrijft,
– de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel waarborgt, en
– de gebruikmaking van die mogelijkheid onderwerpt aan een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan, behalve in naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen.
(...)
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 alsmede artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling die de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid biedt om zich toegang te verschaffen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens, met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten in het algemeen, indien die regeling:
– de aard of de categorieën van de betrokken strafbare feiten voldoende nauwkeurig omschrijft,
– de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel waarborgt, en
– de gebruikmaking van die mogelijkheid onderwerpt aan een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan, behalve in naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen.”
4.4.5
Het Hof van Justitie is in de zaak La Quadrature du Net II ingegaan op, kort gezegd, de vraag onder welke omstandigheden in het licht van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie; hierna: Richtlijn 2002/58/EG) een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit achterwege kan blijven bij een inmenging in onder meer de in artikel 7 en 8 Handvest verankerde grondrechten (HvJ EU 30 april 2024, zaak C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II)). Het arrest van het Hof van Justitie houdt onder meer in:
“130 Uit de rechtspraak van het Hof over het evenredigheidsbeginsel, dat volgens artikel 15, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2002/58 moet worden geëerbiedigd – met name uit de rechtspraak volgens welke, bij de beoordeling of de lidstaten een beperking van de omvang van de met name in de artikelen 5, 6 en 9 van deze richtlijn bedoelde rechten en plichten kunnen rechtvaardigen, moet worden bepaald wat de ernst is van de inmenging in de in de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest verankerde grondrechten die een dergelijke beperking meebrengt, en moet worden nagegaan of het belang van de met die beperking nagestreefde doelstelling van algemeen belang in verhouding staat tot die ernst (arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 131) – volgt dat de mate van inmenging in de betrokken grondrechten die de toegang tot de persoonsgegevens in kwestie met zich meebrengt alsmede de gevoeligheid van die gegevens ook van invloed moeten zijn op de materiële en procedurele waarborgen voor die toegang, zoals het vereiste van een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit.
131 Gelet op dit evenredigheidsbeginsel moet derhalve worden geoordeeld dat het vereiste van voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit noodzakelijk is wanneer, in de context van een nationale regeling die voorziet in de toegang van een overheidsinstantie tot persoonsgegevens, die toegang het risico inhoudt van een ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene, in die zin dat die overheidsinstantie op basis daarvan nauwkeurige gevolgtrekkingen over zijn privéleven kan maken en, in voorkomend geval, een gedetailleerd profiel van hem kan bepalen.
132 Omgekeerd is het niet de bedoeling dat dit vereiste van voorafgaande toetsing wordt toegepast wanneer de inmenging in de betrokken grondrechten die de toegang van een overheidsinstantie tot persoonsgegevens met zich meebrengt, niet als ernstig kan worden aangemerkt.
133 Dat is het geval met de toegang tot gegevens betreffende de burgerlijke identiteit van de gebruikers van elektronische-communicatiemiddelen met als enige doel de betrokken gebruiker te identificeren en zonder dat deze gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie, omdat de inmenging die een dergelijke verwerking van die gegevens met zich meebrengt volgens het Hof in beginsel niet als ernstig kan worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punten 157 en 158).
134 Wanneer een bewaringsmechanisme zoals beschreven in de punten 86 tot en met 89 van dit arrest wordt ingevoerd, is er bijgevolg in beginsel geen voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuurlijke autoriteit vereist voor de toegang van de overheidsinstantie tot de aldus bewaarde met een IP-adres overeenkomende gegevens betreffende de burgerlijke identiteit.”
5. Bijstelling van eerdere rechtspraak
5.1.1
Uit het onder 4.4.4 weergegeven arrest van het Hof van Justitie in de zaak CG/Landeck kan het volgende worden afgeleid. Dat arrest heeft betrekking op een wettelijke bepaling in de betreffende lidstaat die de politie in het kader van een strafrechtelijk onderzoek zonder nadere vereisten de bevoegdheid geeft zich toegang te verschaffen tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens. Die toegang kan, afhankelijk van de inhoud van de telefoon en de aard en de inrichting van het onderzoek dat aan die telefoon wordt verricht, ertoe leiden dat inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die telefoon uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens). De toegang tot al die gegevens kan, in het bijzonder als deze gegevens in onderling verband met elkaar worden gebracht, leiden tot zeer nauwkeurige conclusies over het privéleven van de gebruiker. De daaruit voortvloeiende inbreuk op de door artikel 7 en 8 Handvest gewaarborgde grondrechten moet worden aangemerkt als ernstig of bijzonder ernstig, in het bijzonder als daarbij ook de in artikel 10 Richtlijn 2016/680 bedoelde ‘gevoelige gegevens’ aan de orde kunnen zijn. In het licht van het evenredigheidsbeginsel moet de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot persoonsgegevens daarom afhankelijk worden gesteld van een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan als die toegang het risico van een ernstige of zelfs zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker met zich brengt.
5.1.2
Of de toegang tot een mobiele telefoon (of een andere elektronische gegevensdrager) het risico oplevert van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker, hangt mede af van de keuzes met betrekking tot de aard en de inrichting van het te verrichten onderzoek. Het onder 4.4.4 weergegeven arrest van het Hof van Justitie houdt niet in dat een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan ook is vereist als die keuzes niet leiden tot het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker. Dat in zo’n geval niet het vereiste van een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan geldt, wordt bevestigd door het onder 4.4.5 weergegeven arrest van het Hof van Justitie in de zaak La Quadrature du Net II. Uit dat arrest vloeit (met betrekking tot Richtlijn 2002/58/EG) voort dat het niet nodig is dat het vereiste van voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit wordt toegepast als de inmenging in de betrokken grondrechten die de toegang van een overheidsinstantie tot persoonsgegevens met zich brengt, niet als ernstig kan worden aangemerkt.
5.2.1
Deze rechtspraak van het Hof van Justitie brengt mee dat het onderzoek aan (inbeslaggenomen) elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken voortaan op een enigszins andere manier moet worden genormeerd dan uit de onder 4.2 weergegeven uitspraak van de Hoge Raad voortvloeit. Het is aan de wetgever om een wettelijke regeling op te stellen die in haar algemeenheid voldoet aan alle in de rechtspraak van het Hof van Justitie gestelde vereisten. In afwachting van zo’n regeling ziet de Hoge Raad aanleiding om zijn eerdere rechtspraak bij te stellen. De rechtspraak van het Hof van Justitie brengt in dit verband het volgende met zich voor het onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken.
5.2.2
In lijn met de onder 4.2 weergegeven uitspraak van de Hoge Raad bieden de bevoegdheden van opsporingsambtenaren zoals neergelegd in artikel 94 in samenhang met artikel 95 en 96 Sv en in artikel 141 en 148 lid 1 Sv een toereikende grondslag voor een onderzoek aan voorwerpen – waaronder ook elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – als de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. De wet vereist in zo’n geval geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Het kan dan – naast onderzoek dat slechts strekt tot het identificeren van de gebruiker – onder meer gaan om onderzoek dat een opsporingsambtenaar in het kader van zijn taakuitoefening doet waarbij hij een bij een verdachte aangetroffen elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk bekijkt en daarbij enkele beperkte waarnemingen doet over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten de gebruiker van een telefoon kort tevoren heeft gelegd.
5.2.3
Richtlijn 2016/680 biedt, zo volgt uit de onder 4.4.4 weergegeven uitspraak van het Hof van Justitie, de mogelijkheid dat in ‘naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen’ wordt afgezien van het vereiste van voorafgaande toetsing door de rechter. Dat betekent dat de hiervoor genoemde bevoegdheden van opsporingsambtenaren ook een toereikende grondslag bieden voor onderzoek dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt, als en voor zover met dat onderzoek niet kan worden gewacht totdat toetsing door de rechter, op de hierna te bespreken manier, heeft plaatsgevonden.
5.2.4
In het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie moet het er – voor de toepassing van de genoemde algemene bevoegdheden van opsporingsambtenaren – voor worden gehouden dat van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer al geen sprake meer is als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, dan is voor dat onderzoek – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Deze toetsing vergt een beoordeling of de inbreuk die door het onderzoek wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, is gerechtvaardigd mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk voor de waarheidsvinding. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het openbaar ministerie niet kan worden aangemerkt als een onafhankelijk bestuursorgaan in de onder 5.1.1 bedoelde zin, gelet op de eisen die in de rechtspraak van het Hof van Justitie worden gesteld aan de onafhankelijkheid van zo’n bestuursorgaan (vgl. HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rechtsoverweging 6.11.1-6.11.2).
5.2.5
Zo’n rechterlijke toetsing kan plaatsvinden naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie tot het verkrijgen van een machtiging van de rechter-commissaris voor het verrichten van het onderzoek aan de betreffende elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk. Hoewel het Wetboek van Strafvordering het vorderen van zo’n machtiging niet als eis stelt, verzet het stelsel van dat wetboek zich er niet tegen dat de officier van justitie zo’n vordering doet. In geval van dringende noodzaak kan de machtiging van de rechter-commissaris mondeling worden gegeven. In dat geval stelt de rechter-commissaris de machtiging binnen drie dagen op schrift. (Vgl. HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rechtsoverweging 6.11.3.)Als de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris vordert, moet in deze vordering voldoende concreet worden omschreven welk onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk zal worden verricht en hoe dit onderzoek zal worden uitgevoerd. Bij het verlenen van een machtiging voor het gevorderde onderzoek kan de rechter-commissaris zo nodig nadere eisen stellen aan het te verrichten onderzoek. In het geval dat de officier van justitie de uitvoering van het onderzoek op grond van artikel 148 lid 2 Sv opdraagt aan opsporingsambtenaren, wordt het onderzoek verricht in overeenstemming met de omschrijving van het onderzoek in de vordering van de officier van justitie die aan de door de rechter-commissaris verleende machtiging ten grondslag ligt en de eventueel in de machtiging van de rechter-commissaris gestelde nadere eisen.
5.2.6
Aan het vereiste van een voorafgaande rechterlijke toetsing wordt ook voldaan als na de inbeslagneming van een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk door een opsporingsambtenaar, het onderzoek aan die gegevensdrager of dat geautomatiseerde werk wordt verricht door de rechter-commissaris op grond van artikel 104 lid 1 Sv. Op grond van artikel 177 lid 1 Sv kan de rechter-commissaris opsporingsambtenaren het bevel geven om dit onderzoek te verrichten.
5.2.7
In dit verband verdient opmerking dat aan het waarborgen dat bij het aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk te verrichten onderzoek geen grotere inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker dan noodzakelijk, kan bijdragen dat in de door de officier van justitie gevorderde machtiging of in het op grond van artikel 177 lid 1 Sv door de rechter-commissaris te verlenen bevel wordt vastgelegd waarop dit onderzoek is gericht, en dat daarbij wordt voorgeschreven dat dit onderzoek – voor zover mogelijk – geautomatiseerd wordt gedaan met behulp van een technisch hulpmiddel alsmede dat uit een schriftelijke verslaglegging van de uitkomst van het onderzoek ook de inrichting en de omvang daarvan kunnen blijken.
5.2.8
In het licht van het vorenstaande komt aan het in de onder 4.2 weergegeven uitspraak van de Hoge Raad gemaakte onderscheid tussen onderzoek dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt en onderzoek waarbij op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn, voor de bevoegdheidsverdeling tussen de officier van justitie en de rechter-commissaris geen bijzondere betekenis meer toe. Immers, bij elke vorm van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt, is een voorafgaande betrokkenheid van de rechter-commissaris vereist, op de onder 5.2.5 dan wel de onder 5.2.6 besproken manier. De omstandigheid dat door het onderzoek waarschijnlijk inzicht zal worden verkregen in gegevens die “bijzonder gevoelig van aard zijn, zoals persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen en religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken”, of in andere in artikel 10 Richtlijn 2016/680 genoemde gegevens, kan wel van belang zijn voor de beslissing van de rechter-commissaris of het onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk wordt toegestaan en, zo ja, welk onderzoek wordt toegestaan en hoe dat onderzoek moet worden uitgevoerd.
5.2.9
Op grond van Richtlijn 2016/680 moet verzekerd zijn dat, als onderzoek heeft plaatsgevonden aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk en voor dat onderzoek voorafgaande rechterlijke toetsing is vereist, de gebruiker in kennis wordt gesteld van de gronden waarop de toestemming voor dat onderzoek is verleend, vanaf het moment waarop het belang van het onderzoek zich niet daartegen verzet. De verdachte zal in het algemeen van deze gronden op de hoogte komen doordat de stukken die op het onderzoek betrekking hebben, bij de processtukken worden gevoegd. Daarbuiten rust de verplichting tot notificatie op de officier van justitie, die hiertoe in overeenstemming met artikel 126bb Sv kan handelen.
6. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
6.1
Het cassatiemiddel komt met drie klachten op tegen het oordeel van het hof dat het onderzoek aan smartphones en (andere) elektronische gegevensdragers onrechtmatig was.
6.2.1
Ten eerste wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat het louter met toestemming van de officier van justitie verrichte onderzoek aan elektronische gegevensdragers (smartphones) onrechtmatig was omdat er rekening mee gehouden moest worden dat hierop zodanige informatie over het persoonlijk leven van de verdachte te vinden zou zijn dat op voorhand te voorzien was dat uit het onderzoek daarvan een min of meer compleet beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van dat persoonlijk leven, de uit het onder 4.2 weergegeven arrest voortvloeiende bevoegdheidsverdeling miskent.
6.2.2
Het hof heeft vastgesteld dat bij de aanhouding van de verdachte twee elektronische gegevensdragers (smartphones) zijn aangetroffen, die met toestemming van de officier van justitie zijn onderzocht. Het hof heeft geoordeeld dat die toestemming niet volstaat voor dat onderzoek, nu er rekening mee moest worden gehouden dat – gelet op het kennelijke gebruik daarvan – op deze gegevensdragers zodanige informatie over het persoonlijk leven van de verdachte te vinden zou zijn dat op voorhand te voorzien was dat uit het onderzoek daarvan een min of meer compleet beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte. Dit oordeel – waarin besloten ligt dat de officier van justitie zijn toestemming verleende zonder dat hij een machtiging van de rechter-commissaris voor het onderzoek aan de gegevensdragers had verkregen – getuigt, gelet op wat onder 5.2 is overwogen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
6.2.3
De klacht faalt.
6.3.1
Het cassatiemiddel betoogt ten tweede dat, nu bij doorzoekingen elektronische gegevensdragers door de rechter-commissaris in beslag zijn genomen en deze door de rechter-commissaris zijn overgedragen aan het onderzoeksteam van de politie, door de politie onderzoek aan die voorwerpen mocht worden verricht zonder (nadere) machtiging van de rechter-commissaris, en klaagt over het andersluidende oordeel van het hof. In samenhang hiermee klaagt het cassatiemiddel ten derde over het oordeel van het hof dat de rechter-commissaris beperkingen kan stellen aan het onderzoek aan inbeslaggenomen gegevensdragers.
6.3.2
Het hof heeft overwogen dat, als het onderzoek van de gegevens op een elektronische gegevensdrager zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager, uit de enkele beslissing tot inbeslagneming niet zonder meer voortvloeit dat gegevens op die elektronische gegevensdrager zonder meer mogen worden onderzocht. Verder heeft het hof overwogen dat in zo’n situatie door de rechter-commissaris die de inbeslaggenomen gegevensdrager voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst, moet worden overwogen of beperkingen aan dat onderzoek moeten worden verbonden. In verband daarmee heeft het hof overwogen dat bij die beslissing van de rechter-commissaris en bij het bepalen van de aard en de omvang van die eventuele beperkingen, factoren als de ingrijpendheid van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de betreffende gegevensdragers door het onderzoek en de proportionaliteit en subsidiariteit van de te verrichten onderzoekshandelingen in relatie tot de aard en omvang van de verdenking waarop het onderzoek betrekking heeft, een rol kunnen spelen. Daarbij kan volgens het hof onder meer worden gedacht aan beperkingen van het aantal te onderzoeken gegevensdragers, van de te onderzoeken gegevens en van de periode waarbinnen de te onderzoeken gegevens zijn gegenereerd of op de betreffende elektronische gegevensdrager zijn terechtgekomen. Ook kan volgens het hof worden gekozen voor fasering van toegestane onderzoekshandelingen doordat de rechter-commissaris eventueel tussentijds beslist tot uitbreiding of (verdere) beperking van het toegestane onderzoek.
Het hof heeft vastgesteld dat na doorzoekingen in onder meer de woning van de verdachte de inbeslaggenomen voorwerpen – smartphones en (andere) elektronische gegevensdragers – door de rechter-commissaris voor nader onderzoek zijn overgedragen aan het onderzoeksteam van de politie. Het hof heeft verder vastgesteld dat dit onderzoek is uitgevoerd, terwijl door de rechter-commissaris niet is overwogen of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek waren verbonden. Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat het verrichte onderzoek onrechtmatig was. Daarmee heeft het hof ook tot uitdrukking gebracht dat in het geval dat de inbeslagneming van gegevensdragers door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden en die gegevensdragers door de rechter-commissaris voor nader onderzoek in handen worden gesteld van opsporingsambtenaren, de rechter-commissaris gehouden is een instructie te geven welk onderzoek moet plaatsvinden en hoe dit onderzoek moet worden uitgevoerd, en dus in zoverre beperkingen kan stellen aan het te verrichten onderzoek. Deze oordelen van het hof getuigen, gelet op wat onder 5.2 is overwogen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk.
6.3.3
De klachten falen.
7. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
8. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van veertien maanden.
9. Samenvatting
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak CG/Landeck zijn rechtspraak over het onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken bijgesteld. Kort gezegd en op hoofdlijnen houdt het oordeel van de Hoge Raad het volgende in.
De algemene wettelijke bevoegdheden van opsporingsambtenaren bieden voldoende legitimatie voor een onderzoek aan voorwerpen – waaronder ook elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – als de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. De wet vereist in zo’n geval geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Van zo’n beperkte inbreuk kan – naast onderzoek dat slechts strekt tot het identificeren van de gebruiker – bij het verrichten van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk bijvoorbeeld sprake zijn als een opsporingsambtenaar een bij een verdachte aangetroffen elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk bekijkt en daarbij enkele beperkte waarnemingen doet over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten de gebruiker van een telefoon kort tevoren heeft gelegd. (Zie rechtsoverweging 5.2.2.)
Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is echter al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, dan is voor dat onderzoek – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. (Zie rechtsoverweging 5.2.4.) De toetsing kan resulteren in een – naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie – door de rechter-commissaris verstrekte machtiging tot het verrichten van onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk (zie rechtsoverweging 5.2.5), of in een onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk door de rechter-commissaris op grond van artikel 104 lid 1 Sv, waarbij de rechter-commissaris op grond van artikel 177 lid 1 Sv opsporingsambtenaren het bevel kan geven om dit onderzoek te verrichten (zie rechtsoverweging 5.2.6).
Aan het waarborgen dat bij het aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk te verrichten onderzoek geen grotere inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker dan noodzakelijk, kan bijdragen dat in de door de officier van justitie gevorderde machtiging of in het op grond van artikel 177 lid 1 Sv door de rechter-commissaris te verlenen bevel wordt vastgelegd waarop dit onderzoek is gericht, en dat daarbij wordt voorgeschreven dat dit onderzoek – voor zover mogelijk – geautomatiseerd wordt gedaan met behulp van een technisch hulpmiddel alsmede dat uit een schriftelijke verslaglegging van de uitkomst van het onderzoek ook de inrichting en de omvang daarvan kunnen blijken (zie rechtsoverweging 5.2.7).
10. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze dertien maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt de beroepen voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, de vicepresident M.J. Borgers en de raadsheren A.L.J. van Strien, M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Conclusie 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie en cassatie verdachte. Betaalverzoekfraude. O.a. medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd en medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd. Oordeel hof t.a.v. rechtmatigheid onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken. AG gaat in op hoe uitspraak van Hof van Justitie EU in zaak C-548/21 (Landeck) zich verhoudt tot door Hoge Raad in Smartphone-arresten neergelegde stelsel. Ambtshalve: overschrijding redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige. Samenhang met 22/03913, 22/03872 en 22/03946.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03889
Zitting 19 november 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 13 oktober 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens de eendaadse samenloop van 1. “medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd”, 2. “medeplegen van met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of deel daarvan, voorhanden hebben, meermalen gepleegd”, 3. “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd” en 4. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof een beslissing genomen over in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en over de vordering van de benadeelde partij. Tot slot heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder bij arrest van het hof Den Haag van 17 januari 2018, rolnummer 22-003217-17, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, afgewezen.
1.2
Namens het openbaar ministerie heeft H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het hof Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, eveneens één middel van cassatie voorgesteld. Voorts heeft N. van Schaik namens de verdachte een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
1.3
Deze zaak hangt samen met de zaken 22/03913, 22/03872 en 22/03946. In de zaken 22/03913 en 22/03872 zal ik vandaag ook concluderen. In de zaak 22/03946 is het cassatieberoep ingetrokken.
2. Een korte schets van de feiten
2.1
Gezien de bewijsvoering van het hof gaat het in deze zaak om het volgende. De verdachte en/of zijn mededader(s) hebben in het voorjaar van 2018 via Marktplaats diverse personen met een bankrekening bij de ING benaderd en verleid tot het doen van een betaling ter hoogte van € 0,01 door middel van een betaalverzoek (een “Tikkie-link”), ten behoeve van het vaststellen van de identiteit van de Marktplaatsverkoper. De slachtoffers werden via deze link naar een phisingwebsite geleid, waar zij diverse gegevens met betrekking tot hun ING-bankrekening moesten invullen, die werden afgevangen. Vervolgens werd met deze gegevens ingelogd op het ING-internetbankierenaccount van de slachtoffers, werd de aan de bankrekening van de slachtoffers gekoppelde Mobiel Bankieren App en de Mobiel Betalen App geïnstalleerd op de telefoon(s) van de verdachte en/of zijn mededader(s) en werden aankopen gedaan bij MediaMarkt.
2.2
In het kader van het opsporingsonderzoek heeft onderzoek plaatsgevonden aan digitale-gegevensdragers van de verdachte en/of een of meer medeverdachten. Zowel het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel als het namens de verdachte voorgestelde middel gaat over de rechtmatigheid van het onderzoek aan deze gegevensdragers. Voordat ik de middelen bespreek, zal ik daarom eerst de overweging van het hof ten aanzien van de rechtmatigheid van het onderzoek aan de digitale-gegevensdragers weergeven.
3. De overweging van het hof omtrent het onderzoek aan de digitale-gegevensdragers
3.1
Het hof heeft in het bestreden arrest ambtshalve het volgende overwogen over de rechtmatigheid van het onderzoek aan de gegevensdragers van de verdachte en/of een of meer medeverdachten:
“Rechtmatigheid onderzoek gegevensdragers
In het navolgende zal het hof uit praktische overwegingen de term ‘digitale-gegevensdrager’ gebruiken ter aanduiding van alle apparaten met de functionaliteit om digitale gegevens op te slaan, ook als deze daarnaast aangemerkt kunnen worden als geautomatiseerd werk in de zin van artikel 80sexies van het wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’).
Het hof overweegt dat ten aanzien van het onderzoek dat in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden aan digitale-gegevensdragers toebehorende aan de verdachte en/of een of meer medeverdachten, dient te worden beoordeeld of, indien eenmaal sprake is van rechtmatig door de rechter-commissaris in beslag genomen voorwerpen, uit (de uitoefening van) die bevoegdheid zonder meer voortvloeit dat de gegevens op die gegevensdragers ongeclausuleerd mochten worden onderzocht.
Zoals het hof eerder heeft overwogen (Hof Den Haag, 26 augustus 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1873) vloeit, indien het onderzoek van de gegevens op een digitale gegevensdrager zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager, uit de enkele beslissing tot inbeslagneming niet zonder meer voort dat gegevens op die digitale-gegevensdragers zonder meer mogen worden onderzocht. Indien een dergelijke voorzienbaarheid zich voordoet, zal door de rechter-commissaris die de inbeslaggenomen gegevensdragers voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst, moeten worden overwogen of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek dienen te worden verbonden.
Bij die beslissing en bij het bepalen van aard en omvang van die eventuele beperkingen zullen factoren als de ingrijpendheid van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de betreffende gegevensdragers door het onderzoek en de proportionaliteit en subsidiariteit van de te verrichten onderzoekshandelingen in relatie tot de aard en omvang van de verdenking waarop het onderzoek betrekking heeft een rol kunnen spelen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan beperkingen betreffende het aantal te onderzoeken gegevensdragers, beperkingen betreffende de te onderzoeken gegevens (zoals afbeeldingen, communicatie, internetgedrag et cetera) en beperkingen betreffende de periode waarbinnen de te onderzoeken gegevens zijn gegenereerd of op de betreffende digitale-gegevensdrager terecht zijn gekomen. Ook kan worden gekozen voor fasering van toegestane onderzoekshandelingen doordat de rechter-commissaris eventueel tussentijds beslist tot uitbreiding of (verdere) beperking van het toegestane onderzoek. In het onderhavige geval heeft een dergelijke toetsing niet kenbaar plaatsgevonden.
Uit het strafdossier blijkt dat na de doorzoekingen in de woningen van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de in beslag genomen voorwerpen door de rechter-commissaris voor nader onderzoek zijn overgedragen aan het onderzoeksteam. Het proces-verbaal van doorzoeking van de woning van de [medeverdachte 3] bevat een dergelijke vermelding niet, maar uit het strafdossier blijkt onmiskenbaar dat aldaar digitale-gegevensdragers in beslag zijn genomen en vervolgens zijn onderzocht door het onderzoeksteam. Nu deze voorwerpen kennelijk feitelijk bij het onderzoeksteam terecht zijn gekomen, neemt het hof aan dat de rechter-commissaris die deze voorwerpen in beslag heeft genomen deze eveneens voor nader onderzoek aan het onderzoeksteam heeft overgedragen.
Voorts blijkt dat bij de aanhouding van de verdachte twee digitale-gegevensdragers bij hem zijn aangetroffen, welke met toestemming van de officier van justitie zijn doorzocht. Nu het hier ging om zogenaamde ‘smartphones’ welke door de verdachte bij zich werden gedragen, moest - nu niet blijkt van aanwijzingen dat hij hier anders dan een doorsnee-gebruiker mee omging - er rekening mee [AEH: zin onleesbaar] zijn persoonlijk leven te vinden zou zijn dat op voorhand te voorzien was dat uit het onderzoek daarvan een min of meer compleet beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte. Dit leidt ertoe dat het louter met toestemming van de officier van justitie onderzoeken van de betreffende twee digitale-gegevensdragers onrechtmatig was.
Tegen deze achtergrond is thans slechts een beoordeling achteraf mogelijk van de vraag of de rechter-commissaris toestemming zou hebben gegeven voor het onderzoek van de gegevens op de digitale-gegevensdragers van verdachte en de medeverdachten, op de wijze zoals dat heeft plaatsgevonden, namelijk zonder enige kenbare beperking. Daartoe overweegt het hof het volgende.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de [medeverdachte 3] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een zogenaamde Tikkie-fraude op 13 en 14 april 2018 ten aanzien van één aangever ([slachtoffer]).
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de [medeverdachte 1] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een of meer Tikkie-fraudes met de verdachte.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de [medeverdachte 2] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer Tikkie-fraudes op 8/9 en 30 juni 2018.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de verdachte is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt 2018 aan een of meer Tikkie-fraudes op 21 en 23 april 2018.
Gegeven hetgeen omtrent deze verdenkingen uit de verschillende aanvragen blijkt, had de rechter-commissaris niet ongeclausuleerd toestemming mogen geven voor doorzoeking van de diverse digitale-gegevensdragers, zodat dit onrechtmatig jegens de verdachte was. Het hof heeft hiervoor reeds aangegeven waaraan bij bedoelde clausulering eventueel zou kunnen worden gedacht. Zo had in dit geval bijvoorbeeld in eerste instantie de toestemming beperkt kunnen worden tot gegevens afkomstig uit 2018. Het ligt voor de hand dat in voorkomende gevallen de visie van de aanvragend officier van justitie op de concrete vormgeving van dergelijke beperkingen wordt betrokken.
Het voorgaande betekent dat het hof op de voet van artikel 359a Sv dient te beoordelen of aan het ontbreken van een wettelijke legitimatie aan de respectievelijke onderzoeken enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Vastgesteld dient te worden dat noch de verdachte, noch één van de medeverdachten, heeft aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat de facto sprake is geweest van enige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het hof zal derhalve, rekening houdend met het belang dat de geschonden norm dient (de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte), de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt (: geen), volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan.”
4. Het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel
4.1
In het middel wordt met drie deelklachten opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het onderzoek aan de smartphone en aan de andere gegevensdragers van de verdachte onrechtmatig was.
Het juridisch kader
4.2
Het draait in deze zaak om (i) de rechtmatigheid van onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken die op de voet van art. 104 Sv door de rechter-commissaris in beslag zijn genomen en (ii) dezelfde vraag ten aanzien van door opsporingsambtenaren in beslag genomen mobiele telefoons. Beide kwesties hebben zeer recent nog een extra dimensie gekregen door de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ EU) van 4 oktober 2024 in de zaak C-548/21: (Bezirkshauptmannschaft Landeck).1.Op die zaak en de gevolgen daarvan voor het juridisch kader in de onderhavige zaak, in het bijzonder ook voor het onderzoek door een opsporingsambtenaar aan een in beslag genomen mobiele telefoon, ga ik later in. Eerst zal ik ten behoeve van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling trachten aan de hand van het – in ieder geval tot aan de Landeck-uitspraak – geldende recht de in het bestreden arrest opgeworpen vraag te beantwoorden of indien sprake is van rechtmatig door de rechter-commissaris in beslag genomen gegevensdragers en geautomatiseerde werken, uit (de uitoefening van) die bevoegdheid tevens voortvloeit dat die gegevensdragers en geautomatiseerde werken onbeperkt mogen worden onderzocht.
4.3
Het huidige Wetboek van Strafvordering bevat geen regeling die specifiek gaat over het doen van onderzoek aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken.2.Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad houdt in dat voor de waarheidsvinding onderzoek mag worden gedaan aan in beslag genomen voorwerpen – waaronder in computers opgeslagen gegevens – teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen.3.In de praktijk bleek behoefte te bestaan aan meer duidelijkheid en eenduidigheid over de vraag of in het licht van art. 8 EVRM de bepalingen over inbeslagneming van voorwerpen een toereikende wettelijke basis vormen voor onderzoek aan elektronische gegevensdragers en in beslag genomen voorwerpen.4.De Hoge Raad heeft in een drietal arresten van 4 april 2017 getracht hierover duidelijkheid te verschaffen.5.In de wandeling wordt doorgaans naar (een van) die arresten verwezen met de titel ‘Smartphone-arrest(en)’, maar hetgeen de Hoge Raad overwoog in die arresten is niet beperkt tot in beslag genomen smartphones. Het heeft betrekking op het ruimere terrein van in beslag genomen voorwerpen, waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken.
4.4
In de genoemde arresten heeft de Hoge Raad het volgende overwogen ten aanzien van het geldende recht met betrekking tot onderzoek aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken:
“2.5. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.
2.6.
Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.
[…]
2.8.
Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling verdient het volgende opmerking. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar.In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen - waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken - dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt - in het licht van art. 8 EVRM - aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn.”6.
4.5
Uit dit kader blijkt dat, bij het ontbreken van een wettelijke regeling die is toegesneden op onderzoek aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, in de bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen de bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen besloten ligt. De grondslag voor het verrichten van onderzoek door de rechter-commissaris is art. 104 lid 1 Sv, zowel wanneer de inbeslagneming door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden als wanneer de voorwerpen door de opsporingsambtenaar in beslag zijn genomen.
4.6
In lagere rechtspraak – waaronder de bestreden uitspraak – en in de literatuur is de vraag aan de orde gesteld of indien sprake is van rechtmatig door de rechter-commissaris in beslag genomen voorwerpen, uit (de uitoefening van) die bevoegdheid tevens voortvloeit dat de gegevensdragers onbeperkt mogen worden onderzocht.7.Met andere woorden: is met de toestemming van de rechter-commissaris voor de inbeslagname van de digitale gegevensdragers tevens toestemming gegeven voor onderzoek naar de gegevens op de aldus in beslag genomen digitale gegevensdragers, of is een nadere machtiging vereist?
4.7
In de feitenrechtspraak lijkt deze vraag niet op een eenduidige wijze te worden beantwoord.
4.8
Zo overwoog het hof Den Haag in een arrest van 26 augustus 2021 – net als in de onderhavige zaak – dat indien het onderzoek van de gegevens op een digitale gegevensdrager zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager, uit de enkele beslissing tot inbeslagneming niet zonder meer voortvloeit dat gegevens op die digitale-gegevensdrager zonder meer mogen worden onderzocht. Volgens het hof zal indien een dergelijke voorzienbaarheid zich voordoet, door de rechter-commissaris die de in beslag genomen gegevensdrager voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst, moeten worden overwogen of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek dienen te worden verbonden.8.
4.9
In een arrest van 23 februari 2023 nam het hof Den Haag echter een ander standpunt in. In deze zaak had een doorzoeking plaatsgevonden onder leiding van de rechter-commissaris in de woning van de verdachte. Tijdens deze doorzoeking waren op last van de rechter-commissaris voorwerpen, waaronder mobiele telefoons, in beslag genomen op grond van art. 104 Sv. Het hof overwoog ter beantwoording van de vraag of indien eenmaal sprake is van rechtmatig door de rechter-commissaris in beslag genomen voorwerpen, uit (de uitoefening van) die bevoegdheid zonder meer voortvloeit dat de gegevens op gegevensdragers ongeclausuleerd mogen worden onderzocht, dat uit het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 volgt dat “de doorzoekings- en inbeslagnemingsbevoegdheden van de rechter-commissaris mede inhouden de bevoegdheid om de gegevens op de gegevensdrager ongeclausuleerd te doorzoeken”. Het hof oordeelde dat “mitsdien” geen sprake was van een onherstelbaar vormverzuim.9.
4.10
De rechtbank Den Haag nam in een uitspraak van 12 juni 2020 eveneens het standpunt in dat uit de toestemming van de rechter-commissaris om gegevensdragers te zoeken impliciet de toestemming volgt om onderzoek te verrichten naar de onder toezicht van de rechter-commissaris in beslag genomen telefoons, zodat van een vormverzuim geen sprake was.10.
4.11
Verder noem ik het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2021. In deze zaak overwoog de rechtbank dat gegevens die zijn opgeslagen op een door de rechter-commissaris in beslag genomen digitale-gegevensdrager mogen worden geraadpleegd. De rechter-commissaris hoeft het onderzoek niet zelf te verrichten, maar kan op grond van art. 177 Sv daartoe een opdracht geven aan een opsporingsambtenaar. In de voorliggende zaak was het volgens de rechtbank niet nodig dat de rechter-commissaris een expliciete beslissing nam over het onderzoek aan en in de digitale gegevensdragers van de verdachte, omdat het de betrokkenen duidelijk was waarom de digitale-gegevensdragers in beslag genomen moesten worden. De inbeslagneming door de rechter-commissaris en de terhandstelling van de in beslag genomen smartphones aan de politie impliceert volgens de rechtbank dat deze digitale-gegevensdragers vrijelijk onderzocht mochten worden.11.
4.12
Tot slot ben ik uitspraken tegengekomen waarin het standpunt wordt ingenomen dat het juridisch kader zoals geschetst door de Hoge Raad in zijn arrest van 4 april 2017 niet van toepassing is wanneer een smartphone door de rechter-commissaris in beslag is genomen.12.
4.13
In de literatuur komt eveneens een wisselend beeld naar voren. Simmelink stelt dat kan worden aangenomen dat de officier van justitie en de rechter-commissaris met de beslissing tot inbeslagneming van de gegevensdrager impliciet hebben beslist dat die gegevensdrager mag worden onderzocht op gegevens die voor inbeslagneming vatbaar zijn.13.Van den Hurk en De Vries betogen daarentegen dat dit zou betekenen dat kan worden volstaan met een “globale, niet-inhoudelijke toets”. Zij wijzen erop dat de vordering van de officier van justitie en het onderliggende proces-verbaal wel enige informatie zal bevatten over de verdenking, maar niet over de vraag in hoeverre een inbreuk op het privéleven zal worden veroorzaakt. Omdat van tevoren niet bekend is welke digitale gegevensdragers zullen worden gevonden en welke gegevens daarop zijn opgeslagen, bestaat het risico dat toestemming wordt gegeven zonder dat er informatie is over de hoeveelheid en het type in beslag te nemen gegevensdragers. Dit zou in feite resulteren in een ‘carte blanche’ voor de politie, waarmee de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de digitale gegevensdrager niet op een betekenisvolle manier wordt beschermd.14.Zij betogen dat de toetsing door de officier van justitie of de rechter-commissaris voorafgaand aan het onderzoek aan de digitale gegevensdragers dient plaats te vinden en dat per afzonderlijke digitale gegevensdrager een beslissing moet worden genomen.15.
4.14
Het voorgaande illustreert dat de meningen uiteenlopen. Duidelijkheid op dit punt is temeer van belang, nu uit een onderzoek van Mevis, Verbaan en Salverda blijkt dat het merendeel van de elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken tijdens de doorzoeking ter inbeslagneming, onder leiding van de officier van justitie of de rechter-commissaris wordt in beslag genomen en niet op grond van een zelfstandige inbeslagnemingsbevoegdheid van de opsporingsambtenaar.16.Uit dit onderzoek blijkt voorts dat degene die beslist een gegevensdrager in beslag te nemen, daarmee tevens beslist tot het doen van onderzoek daaraan, zonder dat aanvullende of nadere toetsen plaatsvinden omtrent welke gegevens in de voorwerpen nader (mogen) worden onderzocht.17.De hier voorliggende vraag of met de toestemming voor inbeslagname tevens toestemming voor het onderzoeken van de digitale gegevensdrager is gegeven, zal zich dan ook vaak voordoen.
4.15
In het wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt de bevoegdheid tot het in beslag nemen losgemaakt van de bevoegdheid tot het onderzoeken van in beslag genomen gegevensdragers en geautomatiseerde werken. De algemene bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming van voorwerpen berust op art. 2.7.68 jo. 2.7.8 NSv en de bevoegdheid om een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken ter inbeslagneming is voortaan neergelegd in art. 2.7.69 NSv. Art. 2.7.38 NSv bevat de (nieuwe) bevoegdheid tot het stelselmatig onderzoeken van gegevens in een (al dan niet in beslag genomen) digitale-gegevensdrager of een geautomatiseerd werk. Daarbij is – in lijn met de Smartphone-arresten van de Hoge Raad – een driedeling aangebracht ten aanzien van de autoriteit die de uitoefening van de bevoegdheid kan bevelen. Zolang het onderzoek een geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene oplevert is het onderzoek niet stelselmatig en kan de opsporingsambtenaar dit zelfstandig verrichten op grond van de algemene bevoegdheidsbepaling van art. 2.1.9 NSv.18.Als het onderzoek op geautomatiseerde wijze plaatsvindt, zal het waarschijnlijk resulteren in een meer dan geringe inbreuk en is sprake van stelselmatig onderzoek van gegevens, waarvoor een bevel van de officier van justitie is vereist op grond van art. 2.7.1 NSv. Voor ingrijpend stelselmatig onderzoek is ook een bevel van de officier van justitie vereist. Hij heeft daarvoor echter een machtiging van de rechter-commissaris nodig.19.In de memorie van toelichting wordt benadrukt dat de betrokkenheid van de rechter-commissaris alleen in bijzondere gevallen van onderzoek van gegevens nodig is en dat het niet de bedoeling is dat uit voorzorg in veel gevallen een machtiging van de rechter-commissaris zal worden gevraagd ter voorkoming van onrechtmatigheid.20.De officier van justitie kan in zijn bevel bepalen tot welke (soorten) apparaten het bevel zich uitstrekt, maar er is niet voor elk afzonderlijk apparaat een nieuw bevel nodig. Dit geldt ook voor de machtiging van de rechter-commissaris.21.
4.16
Naar mijn mening moet de huidige wettelijke regeling als volgt worden verstaan. Uit de arresten van de Hoge Raad van 4 juli 2017 volgt dat art. 104 lid 1 Sv een toereikende wettelijke grondslag vormt voor het door de rechter-commissaris verrichten van onderzoek aan in beslag genomen voorwerpen, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Ik meen dat dit moet worden begrepen als “onderzoek (doen) verrichten” door de rechter-commissaris. De rechter-commissaris hoeft het onderzoek mijns inziens niet per se zelf te verrichten – de daarvoor vereiste kennis en/of apparatuur zal denkelijk ook niet altijd ter beschikking staan in het kabinet van de rechter-commissaris. Onderzoek door een (gespecialiseerde) opsporingsambtenaar is wel mogelijk, en daartoe kan de rechter-commissaris een bevel geven conform art. 177 lid 1 Sv. Uit de eerder genoemde Smartphone-arresten blijkt dat een dergelijk bevel ook later kan worden verkregen dan ten tijde van de eigenlijke inbeslagneming, bijvoorbeeld als gaande het opsporingsonderzoek blijkt dat een ingrijpend onderzoek van de gegevensdrager noodzakelijk is. Met een dergelijk bevel is de proportionaliteit en subsidiariteit van de inzet van dit middel gewaarborgd, meer dan met de algemene beslagbevoegdheid alleen.22.Dit betekent dus dat het niet volstaat dat slechts blijkt dat de digitale gegevensdrager door of onder leiding van de rechter-commissaris in beslag is genomen, maar dat tevens moet blijken van een expliciet bevel van de rechter-commissaris tot het doen onderzoeken daarvan. Een zodanig bevel kan worden gegeven wanneer een digitale gegevensdrager voor nader onderzoek wordt overgedragen aan het onderzoeksteam en zal dan moeten specificeren hoever dat onderzoek kan strekken, in het bijzonder ook of de opdracht strekt tot onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen. In gevallen waarin de in beslag genomen gegevensdrager zonder nadere aanduiding voor onderzoek is overgedragen aan opsporingsambtenaren kan niet worden gesproken van onderzoek door de rechter-commissaris en is voor situaties waarin op voorhand door de opsporingsambtenaar is te voorzien dat het te verrichten onderzoek een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal meebrengen, een aanvullende beslissing van de rechter-commissaris vereist.
De Landeck-zaak
4.17
Dan komt nu de vraag aan de orde hoe dit in de Smartphone-arresten neergelegde stelsel zich verhoudt tot het arrest van het HvJ EU in de zaak Landeck. Deze zaak met kenmerk C-548/21 betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Landesverwaltungsgericht Tirol (Oostenrijk) op 6 september 2021 inzake C.G. / Bezirkshauptmannschaft Landeck. Het gerecht in Tirol heeft daarbij de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU:
“1) Moet artikel 15, lid 1 (eventueel gelezen in samenhang met artikel 5), van richtlijn 2002/58, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG, in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten, aldus worden uitgelegd dat de toegang van overheidsinstanties tot de op mobiele telefoons opgeslagen gegevens op dermate ernstige wijze inbreuk maakt op de door die artikelen van het Handvest gewaarborgde grondrechten dat die toegang op het gebied van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten moet worden beperkt tot de bestrijding van zware criminaliteit?
2) Moet artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 alsook artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als § 18 juncto § 99, lid 1, van de Strafprozessordnung [(wetboek van strafvordering; hierna: “StPO”)], op grond waarvan veiligheidsdiensten zichzelf in het kader van een strafrechtelijk onderzoek zonder toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan volledige en ongecontroleerde toegang kunnen verschaffen tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen digitale gegevens?
3) Moet artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, eventueel gelezen in samenhang met de artikelen 41 en 52 van het Handvest, vanuit het oogpunt van het beginsel van wapengelijkheid (equality of arms) en een doeltreffende voorziening in rechte aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die, zoals § 18 juncto § 99, lid 1, StPO, toestaat dat een mobiele telefoon digitaal wordt uitgelezen zonder dat de betrokkene daarvan vooraf of op zijn minst na de toepassing van de maatregel in kennis wordt gesteld?”23.
4.18
Op 4 oktober 2024 heeft de Grote Kamer van het HvJ EU deze prejudiciële vragen beantwoord. Een preliminaire kwestie die zich daarbij afspeelde was dat, zoals ook door – onder meer – de Oostenrijkse regering was aangevoerd, de door het verwijzende gerecht als toepasselijke richtlijn aangewezen Richtlijn 2002/58/EG niet op de betrokken vragen van toepassing was (of kon zijn) aangezien het onderzoek aan een mobiele telefoon niet onder het begrip telecommunicatie valt, terwijl dat het onderwerp is van de aangehaalde richtlijn. Het HvJ EU achtte zich daardoor echter niet verhinderd om een antwoord te geven op de gestelde vragen. Dat kon namelijk door herformulering van de vraag, in die zin deze dat beantwoord kan worden in het licht van de Richtlijn (EU) 2016/680 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.
4.19
In zijn arrest – dat ten tijde van het schrijven van deze conclusie nog niet vanuit de oorspronkelijke Duitse taal in het Nederlands was vertaald, maar waarvan wel de Engelse vertaling beschikbaar is – besteedt het HvJ EU eerst aandacht aan de gang van zaken die geleid heeft tot het stellen van de prejudiciële vragen:
“The dispute in the main proceedings and the questions referred for a preliminary ruling
20 On 23 February 2021, while carrying out a narcotics check, officers of the customs office of Innsbruck (Austria) seized a package addressed to CG containing 85 grams of cannabis. That package was sent for examination to the central police station of St. Anton am Arlberg (Austria).
21 On 6 March 2021, two police officers of that station conducted a search of CG’s residence in the course of which they questioned him regarding the consignor of that package and went through his home. During that search, the police officers asked for access to the connection data on CG’s mobile telephone. Following CG’s refusal, those police officers seized that mobile telephone, which contained a SIM card and an SD card, and gave CG the seizure report.
22 Subsequently, that mobile telephone was handed over to an expert of the Landeck District (Austria) police station with a view to unlocking it. That expert not having succeeded in unlocking the mobile telephone at issue, it was sent to the Vienna Bundeskriminalamt (Federal Office of the Criminal Investigation Police) (Austria) where a new attempt to unlock the telephone was made.
23 The seizure of CG’s mobile telephone and the subsequent attempts to make use of that telephone were carried out at the personal initiative of the police officers concerned, without the authorisation of the Public Prosecutor’s Office or a court.
24 On 31 March 2021, CG brought an action before the Landesverwaltungsgericht Tirol (Regional Administrative Court, Tyrol, Austria), the referring court, challenging the lawfulness of the seizure of his mobile telephone. That telephone was returned to CG on 20 April 2021.
25 CG was not informed promptly of the attempts to make use of his mobile telephone. He only became aware of those attempts when the police officer who seized that telephone and subsequently took the first steps to exploit its digital data was questioned as a witness in the proceedings pending before the referring court. Nor were those attempts documented in the file compiled by the criminal investigation police.
26 In the light of the foregoing, the referring court asks, in the first place, whether, in the light of paragraphs 52 to 61 of the judgment of 2 October 2018, Ministerio Fiscal (C 207/16, EU:C:2018:788), and the case-law cited therein, Article 15(1) of Directive 2002/58, read in the light of Articles 7 and 8 of the Charter, must be interpreted as meaning that full and uncontrolled access to all digital data contained in a mobile telephone, that is to say connection data, the content of communications, photos and browsing history – which can provide a very detailed and in-depth picture of almost all areas of the private life of the data subjects – constitutes so serious an interference with the fundamental rights enshrined in Articles 7 and 8 of the Charter that, as regards the prevention, investigation, detection and prosecution of criminal offences, that access must be limited to fighting serious offences.
27 In that regard, that court states that the offence of which CG is accused in the criminal investigation at issue in the main proceedings is set out in Paragraph 27(1) of the Law on Narcotics and is punishable by a term of imprisonment of up to a year and constitutes, in the light of the classification set out in Paragraph 17 of the StGB, only a minor offence.
28 In the second place, after recalling the lessons to be drawn from paragraphs 48 to 54 of the judgment of 2 March 2021, Prokuratuur (Conditions of access to data relating to electronic communications) (C 746/18, EU:C:2021:152), and the case-law cited therein, the referring court asks whether Article 15(1) of Directive 2002/58 precludes a national legal rule such as that stemming from the combined provisions of Paragraph 18 and Paragraph 99(1) of the StPO pursuant to which, in the course of a criminal investigation, the criminal investigation police can gain, without the authorisation of a court or independent administrative body, full and uncontrolled access to all digital data contained in a mobile telephone.
29 In the third and last place, after stating that Paragraph 18 of the StPO, read in conjunction with Paragraph 99(1) thereof, does not impose any obligation on the police to document the measures for the digital exploitation of a mobile telephone, or to inform its owner of the existence of such measures, so that the latter may, as the case may be, object to such measures by means of a preventive or ex post facto challenge before the courts, the referring court is uncertain whether those provisions of the StPO are compatible with the principle of equality of arms and the right to an effective judicial remedy within the meaning of Article 47 of the Charter.
30 In those circumstances the Landesverwaltungsgericht Tirol (Regional Administrative Court, Tyrol) decided to stay the proceedings and to refer the following questions to the Court of Justice for a preliminary ruling:
‘(1) Is Article 15(1) [of Directive 2002/58 – as the case may be, in combination with Article 5 thereof –], read in the light of Articles 7 and 8 of the [Charter], to be interpreted as meaning that [access by public authorities] to data stored on mobile telephones [constitutes an] interference with [the] fundamental rights enshrined in those articles of the Charter which is sufficiently serious to [require] that that access [be] limited, in areas of prevention, investigation, detection and prosecution of criminal offences, to the objective of fighting serious crime?
(2) Is Article 15(1) of Directive [2002/58], read in the light of Articles 7, 8 and 11 and Article 52(1) of the [Charter], to be interpreted as meaning that it precludes a national rule, such as that enacted in Paragraph 18 of the [StPO], read in combination with Paragraph 99(1) thereof, which allows security authorities to grant themselves full and uncontrolled access to all digital data stored on a mobile telephone in the course of a criminal investigation without the authorisation of a court or independent administrative body?
(3) Is Article 47 of the [Charter], [as the case may be,] read in combination with Articles 41 and 52 thereof, to be interpreted, from the point of view of equality of arms and from the point of view of an effective remedy, as meaning that it precludes a national rule, such as that enacted in Paragraph 18 of the [StPO], read in combination with Paragraph 99(1) thereof, which allows [data stored on a mobile telephone to be exploited] without advising the data subject [of the measure concerned beforehand or, at the very least, after it is taken]?’”24.
4.20
Om tot een beantwoording te komen van de gestelde vragen in het licht van Richtlijn 2016/680 onderzoekt het HvJ EU eerst of de (uiteindelijk mislukte) poging van de politie om toegang te verkrijgen tot de op de mobiele telefoon opgeslagen gegevens onder die Richtlijn valt:
“The application of Directive 2016/680 to an attempt to access data contained in a mobile telephone
69 Article 2(1) of Directive 2016/680 defines its material scope. According to that provision, that directive ‘applies to the processing of personal data by competent authorities for the purposes set out in Article 1(1) [thereof]’, that is to say, inter alia, ‘the prevention, investigation, detection or prosecution of criminal offences’.
70 Article 3(2) of that directive defines the concept of ‘processing’ as including ‘any operation or set of operations which is performed on personal data or on sets of personal data, whether or not by automated means, such as … retrieval, consultation’ or also ‘dissemination or otherwise making available’.
71 It is thus apparent from the very wording of Article 3(2) of Directive 2016/680 and, in particular, from the use of the expressions ‘any operation’, ‘any set of operations’ and ‘otherwise making available’ that the EU legislature intended the concept of ‘processing’ to be broad in scope and, consequently, for the material scope of that directive to be wide. That interpretation is supported by the non-exhaustive nature, expressed by the expression ‘such as’, of the list of operations mentioned in that provision (see, by analogy, judgment of 24 February 2022, Valsts ieņēmumu dienests (Processing of personal data for tax purposes), C 175/20, EU:C:2022:124, paragraph 35).
72 Those textual elements thus argue in favour of an interpretation according to which, where the police seize a telephone and handle it with a view to extracting and consulting personal data contained therein, they begin processing within the meaning of Article 3(2) of Directive 2016/680, even if they do not, for technical reasons, succeed in accessing those data.
73 That interpretation is confirmed by the context of Article 3(2) of Directive 2016/680. Under Article 4(1)(b) of that directive, Member States are to provide that personal data are to be collected for specified, explicit and legitimate purposes and not processed in a manner that is incompatible with those purposes. The latter provision lays down the principle of purpose limitation (see, to that effect, judgment of 26 January 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Recording of biometric and genetic data by the police), C 205/21, EU:C:2023:49, paragraph 122). The effectiveness of that principle necessarily requires that the purpose of the collection be determined as from when the competent authorities attempt to access personal data since such an attempt, if successful, is such as to enable those authorities, inter alia, to collect, extract or consult the data in question immediately.
74 As regards the objectives of Directive 2016/680, that directive seeks, inter alia, as is apparent from recitals 4, 7 and 15 thereof, to ensure a high level of protection of the personal data of natural persons.
75 That objective would be undermined should it not be possible to classify an attempt to access personal data contained in a mobile telephone as ‘processing’ of that data. An interpretation of Directive 2016/680 to that effect would expose the persons concerned by such an access attempt to a significant risk that it will no longer be possible to prevent the principles established by that directive from being breached.
76 It should also be noted that such an interpretation is consistent with the principle of legal certainty, which, in accordance with the Court’s settled case-law, requires the application of rules of law to be foreseeable by those subject to them, in particular where they may have adverse consequences (judgment of 27 June 2024, Gestore dei Servizi Energetici, C 148/23, EU:C:2024:555, paragraph 42 and the case-law cited). An interpretation according to which the applicability of Directive 2016/680 depends on the success of the attempt to access personal data contained in a mobile telephone would create uncertainty incompatible with that principle for both the competent national authorities and individuals.
77 It follows from the foregoing that an attempt by the police to access the data contained in a mobile telephone for the purposes of a criminal investigation, such as that at issue in the main proceedings, falls, as the Advocate General stated in point 53 of his Opinion, within the scope of Directive 2016/680.”25.
4.21
Na de positieve beantwoording van de vraag naar de toepasselijkheid van Richtlijn 2016/680 op de onderliggende casus gaat het HvJ EU over tot beantwoording van de drie gestelde vragen:
“The first and second questions
78 The referring court expressly referred, in its first and second questions, first, to Article 15(1) of Directive 2002/58, which requires, inter alia, that the legislative measures which it allows the Member States to adopt to restrict the scope of the rights and obligations laid down in several provisions of that directive, constitute a necessary, appropriate and proportionate measure within a democratic society to safeguard national security – that is to say, State security – defence and public security, and the prevention, investigation, detection and prosecution of criminal offences or of unauthorised use of the electronic communications system, and, second, to Article 52(1) of the Charter, which enshrines the principle of proportionality in the context of limitations on the exercise of the rights and freedoms recognised by the Charter.
79 Under Article 4(1)(c) of Directive 2016/680, Member States are to provide for personal data to be adequate, relevant and not excessive in relation to the purposes for which they are processed. That provision thus requires the Member States to observe the principle of ‘data minimisation’, which gives expression to the principle of proportionality (judgment of 30 January 2024, Direktor na Glavna direktsia ‘Natsionalna politsia’ pri MVR – Sofia, C 118/22, EU:C:2024:97, paragraph 41 and the case-law cited).
80 It follows that, in particular, the collection of personal data in the context of criminal proceedings and their storage by police authorities, for the purposes set out in Article 1(1) of that directive, must, like any processing falling within the scope of that directive, comply with that principle (judgment of 30 January 2024, Direktor na Glavna direktsia ‘Natsionalna politsia’ pri MVR – Sofia, C 118/22, EU:C:2024:97, paragraph 42 and the case-law cited).
81 Thus, it must be held that, by its first and second questions, which it is appropriate to examine together, the referring court asks, in essence, whether Article 4(1)(c) of Directive 2016/680, read in the light of Articles 7 and 8 of the Charter and Article 52(1) thereof, precludes national legal rules which afford the competent authorities the possibility of accessing data contained in a mobile telephone, for the purposes of preventing, investigating, detecting and prosecuting criminal offences in general, and which do not make reliance on that possibility subject to prior review by a court or an independent administrative body.
82 As a preliminary point, it should be noted that, as is apparent from recitals 2 and 4 of Directive 2016/680, while establishing a strong and coherent framework for the protection of personal data in order to ensure respect for the fundamental right of protection of natural persons with regard to the processing of their personal data, recognised in Article 8(1) of the Charter and Article 16(1) TFEU, that directive is intended to contribute to the accomplishment of an area of freedom, security and justice within the European Union (see, to that effect, judgment of 25 February 2021, Commission v Spain (Personal Data Directive – Criminal law), C 658/19, EU:C:2021:138, paragraph 75).
83 To that end, Directive 2016/680 seeks, inter alia, as has been noted in paragraph 74 of the present judgment, to ensure a high level of protection of the personal data of natural persons.
84 In that regard, it should be recalled that, as recital 104 of Directive 2016/680 highlights, the limitations which, under that directive, can be placed on the right to the protection of personal data, provided for in Article 8 of the Charter, and on the right to respect for private and family life, protected by Article 7 of the Charter, must be interpreted in accordance with the requirements of Article 52(1) thereof, which include respect for the principle of proportionality (see, to that effect, judgment of 30 January 2024, Direktor na Glavna direktsia ‘Natsionalna politsia’ pri MVR – Sofia, C 118/22, EU:C:2024:97, paragraph 33).
85 Those fundamental rights are not absolute rights, but must be considered in relation to their function in society and be weighed against other fundamental rights. Any limitation on the exercise of those fundamental rights must, in accordance with Article 52(1) of the Charter, be provided for by law, respect the essence of those fundamental rights and observe the principle of proportionality. Under the principle of proportionality, limitations may be made only if they are necessary and genuinely meet objectives of general interest recognised by the European Union or the need to protect the rights and freedoms of others. They must apply only in so far as is strictly necessary and the legislation which entails the limitations in question must lay down clear and precise rules governing the scope and application of those limitations (judgment of 30 January 2024, Direktor na Glavna direktsia ‘Natsionalna politsia’ pri MVR – Sofia, C 118/22, EU:C:2024:97, paragraph 39 and the case-law cited).
86 As regards, in the first place, the objective of general interest capable of justifying a limitation on the exercise of the fundamental rights enshrined in Articles 7 and 8 of the Charter, such as that arising from the legal rule at issue in the main proceedings, it should be noted that the processing of personal data in the context of a police investigation aimed at the prosecution of a criminal offence – such as an attempt to access the data contained in a mobile telephone – must be regarded, in principle, as genuinely meeting an objective of general interest recognised by the European Union, within the meaning of Article 52(1) of the Charter.
87 As far as concerns, in the second place, the requirement that such a limitation be necessary, as stated, in essence, in recital 26 of Directive 2016/680, that requirement is not met where the objective of general interest pursued can reasonably be achieved just as effectively by other means less restrictive of the fundamental rights of the data subjects (see, to that effect, judgment of 30 January 2024, Direktor na Glavna direktsia ‘Natsionalna politsia’ pri MVR – Sofia, C 118/22, EU:C:2024:97, paragraph 40 and the case-law cited).
88 By contrast, the requirement of necessity is met where the objective pursued by the data processing at issue cannot reasonably be achieved just as effectively by other means less restrictive of the fundamental rights of data subjects, in particular the rights to respect for private life and to the protection of personal data guaranteed in Articles 7 and 8 of the Charter (judgment of 26 January 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Recording of biometric and genetic data by the police), C 205/21, EU:C:2023:49, paragraph 126 and the case-law cited).
89 As regards, in the third place, the proportionate nature of the limitation on the exercise of the fundamental rights guaranteed in Articles 7 and 8 of the Charter, resulting from such processing, it involves balancing all the relevant factors in the individual case (see, to that effect, judgment of 30 January 2024, Direktor na Glavna direktsia ‘Natsionalna politsia’ pri MVR – Sofia, C 118/22, EU:C:2024:97, paragraphs 62 and 63 and the case-law cited).
90 Such factors include, inter alia, the seriousness of the limitation thus placed on the exercise of the fundamental rights at issue, which depends on the nature and sensitivity of the data to which the competent police authorities may have access, the importance of the objective of general interest pursued by that limitation, the link existing between the owner of the mobile telephone and the criminal offence in question and the relevance of the data in question for the purpose of establishing the facts.
91 As regards, first, the seriousness of the limitation on fundamental rights resulting from a legal rule such as that at issue in the main proceedings, it is apparent from the order for reference that that rule authorises the competent police authorities to access, without prior authorisation, the data contained in a mobile telephone.
92 Such access is liable to concern, depending on the content of the mobile telephone in question and the choices made by the police, not only traffic and location data, but also photographs and the internet browsing history on that telephone, or even a part of the content of the communications made with that telephone, in particular by consulting the messages stored therein.
93 Access to such a set of data is liable to allow very precise conclusions to be drawn concerning the private life of the data subject, such as his or her everyday habits, permanent or temporary places of residence, daily or other movements, the activities carried out, the social relationships of that data subject and the places he or she frequents socially.
94 Last, it cannot be ruled out that the data contained in a mobile telephone may include particularly sensitive data, such as personal data revealing racial or ethnic origin, political opinions and religious or philosophical beliefs, such sensitivity justifying the specific protection afforded to them by Article 10 of Directive 2016/680, which also extends to data revealing information of that nature indirectly, following an intellectual operation involving deduction or cross-referencing (see, by analogy, judgment of 5 June 2023, Commission v Poland (Independence and private life of judges), C 204/21, EU:C:2023:442, paragraph 344).
95 The interference with the fundamental rights guaranteed in Articles 7 and 8 of the Charter to which the application of a rule such as that at issue in the main proceedings may give rise must therefore be regarded as serious, or even particularly serious.
96 As regards, second, the importance of the objective pursued, it should be noted that the seriousness of the offence which is the subject matter of the investigation is one of the main parameters when examining the proportionality of the serious interference which access to the personal data contained in a mobile telephone constitutes and which allow precise conclusions to be drawn concerning the private life of the data subject.
97 However, to consider that only combating serious crime may justify access to data contained in a mobile telephone would limit the investigative powers of the competent authorities, within the meaning of Directive 2016/680, in relation to criminal offences in general. This would increase the risk of impunity for such offences, given the importance that such data may have for criminal investigations. Accordingly, such a limitation would disregard the specific nature of the tasks performed by those authorities for the purposes set out in Article 1(1) of that directive, highlighted in recitals 10 and 11 thereof, and would undermine the objective of achieving an area of freedom, security and justice within the European Union pursued by that directive.
98 That being so, those considerations are without prejudice to the requirement, arising from Article 52(1) of the Charter, that any limitation on the exercise of a fundamental right must be ‘provided for by law’, that requirement implying that the legal basis authorising such a limitation must define its scope sufficiently clearly and precisely (see, to that effect, judgment of 26 January 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Recording of biometric and genetic data by the police), C 205/21, EU:C:2023:49, paragraph 65 and the case-law cited).
99 In order to satisfy that requirement, it is for the national legislature to define with sufficient precision the factors, in particular the nature or categories of the offences concerned, which must be taken into account.
100 As regards, third, the link that exists between the owner of the mobile telephone and the criminal offence in question and the relevance of the data in question for the purpose of establishing the facts, it is apparent from Article 6 of Directive 2016/680 that the concept of ‘data subject’ covers different categories of persons, namely, in essence, persons suspected, on serious grounds, of having committed or being about to commit a criminal offence, persons convicted of a criminal offence, victims or potential victims of such offences, and others parties to a criminal offence which may be called on to testify in investigations in connection with criminal offences or subsequent criminal proceedings. According to that article, Member States are required to provide for the controller, where applicable and as far as possible, to make a clear distinction between personal data of different categories of data subjects.
101 In that regard, so far as concerns, in particular, access to the data contained in the mobile telephone of a person who is subject to a criminal investigation, as in the case in the main proceedings, it is important that the existence of reasonable suspicions in relation to that person – in the sense that that person has committed, commits or plans to commit an offence, or that he or she is involved in one way or another in such an offence – is supported by objective and sufficient evidence.
102 It is essential – in particular in order to ensure that the principle of proportionality is observed in each specific case by balancing all the relevant factors – that, where access to personal data by the competent national authorities carries the risk of serious, or even particularly serious, interference with the fundamental rights of the data subject, that access be subject to a prior review carried out either by a court or by an independent administrative body.
103 That prior review requires that the court or independent administrative body entrusted with carrying it out must have all the powers and provide all the guarantees necessary in order to reconcile the various legitimate interests and rights at issue. As regards a criminal investigation in particular, it is a requirement of such a review that that court or body must be able to strike a fair balance between, on the one hand, the legitimate interests relating to the needs of the investigation in the context of combating crime and, on the other hand, the fundamental rights to respect for private life and protection of personal data of the persons whose data are concerned by the access.
104 That independent review, in a situation such as that referred to in paragraph 102 of the present judgment, must take place prior to any attempt to access the data concerned, except in cases of duly justified urgency, in which case that review must take place within a short time. A subsequent review would not enable the objective of a prior review, consisting in preventing the authorisation of access to the data in question that exceeds what is strictly necessary, to be met.
105 In particular, the court or independent administrative body, acting in the context of a prior review carried out following a reasoned request for access falling within the scope of Directive 2016/680, must be entitled to refuse or restrict that access where it finds that the interference with fundamental rights which that access would constitute would be disproportionate in the light of all the relevant factors.
106 A refusal to authorise the competent police authorities to access the data contained in a mobile telephone, or a restriction on that access, is therefore necessary if, taking into account the seriousness of the offence and the needs of the investigation, access to the content of the communications or to sensitive data does not appear to be justified.
107 As regards, in particular, the processing of sensitive data, account must be taken of the requirements laid down in Article 10 of Directive 2016/680, the purpose of which is to ensure enhanced protection with regard to that processing which is liable, as is apparent from recital 37 of that directive, to create significant risks to fundamental rights and freedoms, such as the right to respect for private and family life and the right to the protection of personal data, guaranteed by Articles 7 and 8 of the Charter. To that end, as follows from the very terms of Article 10 of Directive 2016/680, the requirement that the processing of such data be allowed ‘only where strictly necessary’ must be interpreted as establishing strengthened conditions for lawful processing of sensitive data, compared with those which follow from Article 4(1)(b) and (c) and Article 8(1) of that directive and refer only to the ‘necessity’ of data processing that falls generally, within the directive’s scope (judgment of 26 January 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Recording of biometric and genetic data by the police), C 205/21, EU:C:2023:49, paragraphs 116 and 117 and the case-law cited).
108 Thus, first, the use of the adverb ‘only’ before the words ‘where strictly necessary’ underlines that the processing of special categories of data, within the meaning of Article 10 of Directive 2016/680, will be capable of being regarded as necessary solely in a limited number of cases. Second, the fact that the necessity for processing of such data is an ‘absolute’ one signifies that that necessity is to be assessed with particular rigour (judgment of 26 January 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Recording of biometric and genetic data by the police), C 205/21, EU:C:2023:49, paragraph 118).
109 In the present case, the referring court states that, in the course of criminal investigation proceedings, the Austrian police are authorised to access data contained in a mobile telephone. In addition, it states that such access is not, in principle, subject to the prior authorisation of a court or independent administrative authority. It is, however, for that court alone to draw the appropriate conclusions from the clarifications provided, inter alia, in paragraphs 102 to 108 of the present judgment in the main proceedings.
110 It follows from the foregoing that the answer to the first and second questions is that Article 4(1)(c) of Directive 2016/680, read in the light of Articles 7 and 8 and Article 52(1) of the Charter, must be interpreted as not precluding national legal rules which afford the competent authorities the possibility to access data contained in a mobile telephone for the purposes of the prevention, investigation, detection and prosecution of criminal offences in general, provided those rules:
– define with sufficient precision the nature or categories of offences concerned,
– ensure respect for the principle of proportionality, and
– make reliance on that possibility, except in duly justified cases of urgency, subject to prior review by a judge or an independent administrative body.
The third question
111 It is apparent from the order for reference that, by its third question, the referring court seeks, in essence, to determine whether CG should have been informed of the attempts to access the data contained in his mobile telephone in order to be able to exercise his right to an effective remedy guaranteed in Article 47 of the Charter.
112 In that regard, the relevant provisions of Directive 2016/680 are, first, Article 13 of that directive, entitled ‘Information to be made available or given to the data subject’, and, second, Article 54 of that directive, entitled ‘Right to an effective judicial remedy against a controller or processor’.
113 It must also be borne in mind that, as recital 104 of Directive 2016/680 highlights, the limitations imposed by that directive on the right to an effective remedy and to a fair trial, protected by Article 47 of the Charter, must be interpreted in accordance with the requirements of Article 52(1) thereof, which include respect for the principle of proportionality.
114 It must therefore be held that, by its third question, the referring court asks, in essence, whether Articles 13 and 54 of Directive 2016/680, read in the light of Article 47 and Article 52(1) of the Charter, must be interpreted as precluding national legal rules which authorise the competent authorities in criminal matters to attempt to access data contained in a mobile telephone without informing the data subject.
115 It follows from Article 13(2)(d) of Directive 2016/680 that, in addition to the information referred to in paragraph 1, such as the identity of the controller, the purpose of that processing and the right to lodge a complaint with a supervisory authority which must be made available to the data subject, Member States are to provide by law for the controller to give the data subject further information to enable him or her to exercise his or her rights, where necessary, in particular where the personal data are collected without the knowledge of the data subject.
116 However, Article 13(3)(a) and (b) of Directive 2016/680 allows the national legislature to restrict the provision of information to the data subject pursuant to paragraph 2, or to omit to provide that information ‘to the extent that, and for as long as, such a measure constitutes a necessary and proportionate measure in a democratic society with due regard for the fundamental rights and the legitimate interests of the natural person concerned’, inter alia, to ‘avoid obstructing official or legal inquiries, investigations or procedures’ or to ‘avoid prejudicing the prevention, detection, investigation or prosecution of criminal offences or the execution of criminal penalties’.
117 Last, it should be noted that Article 54 of Directive 2016/680, which gives expression to Article 47 of the Charter, requires Member States to provide that, where a person considers that his or her rights laid down in the provisions adopted pursuant to that directive have been infringed as a result of the processing of his or her personal data in breach of those provisions, that person has the right to an effective judicial remedy.
118 It is apparent from the case-law that the right to an effective judicial remedy, guaranteed in Article 47 of the Charter, requires, in principle, that the person concerned must be able to ascertain the reasons on which the decision taken in relation to him or her is based, so as to make it possible for him or her to defend his or her rights in the best possible conditions and to decide, with full knowledge of the relevant facts, whether there is any point in his or her applying to the court with jurisdiction, and in order to put the latter fully in a position in which it may carry out the review of the lawfulness of that decision (judgment of 16 November 2023, Ligue des droits humains (Verification by the supervisory authority of data processing), C 333/22, EU:C:2023:874, paragraph 58).
119 Although that right is not an absolute right and, in accordance with Article 52(1) of the Charter, limitations may be placed upon it, that is on condition that those limitations are provided for by law, they respect the essence of the rights and freedoms at issue and, in compliance with the principle of proportionality, they are necessary and genuinely meet objectives of general interest recognised by the European Union or the need to protect the rights and freedoms of others (judgment of 16 November 2023, Ligue des droits humains (Verification by the supervisory authority of data processing), C 333/22, EU:C:2023:874, paragraph 59).
120 Therefore, it follows from the provisions cited in paragraphs 115 to 119 above that it is for the competent national authorities which have been authorised by a court or an independent administrative body to access the data stored to inform the data subjects, within the framework of the applicable national procedural rules, of the grounds on which that authorisation is based, as soon as such information is not liable to jeopardise the investigations carried out by those authorities, and to make available to them all the information referred to in Article 13(1) of Directive 2016/680. That information is indeed necessary to enable those persons to exercise, inter alia, the right to a remedy expressly provided for in Article 54 of Directive 2016/680 (see, to that effect, judgment of 17 November 2022, Spetsializirana prokuratura (Retention of traffic and location data), C 350/21, EU:C:2022:896, paragraph 70 and the case-law cited).
121 By contrast, national legal rules which exclude as a general rule any right to obtain such information are not consistent with EU law (see, to that effect, judgment of 17 November 2022, Spetsializirana prokuratura (Retention of traffic and location data), C 350/21, EU:C:2022:896, paragraph 71).
122 In the present case, it is apparent from the order for reference that CG knew that his mobile telephone had been seized when the Austrian police attempted in vain to unlock it in order to access the data contained therein. In those circumstances, it does not appear that informing CG of the fact that those authorities were going to attempt to access those data was liable to prejudice the investigations; accordingly, he should have been informed of those attempts beforehand.
123 It follows from the foregoing that the answer to the third question is that Articles 13 and 54 of Directive 2016/680, read in the light of Article 47 and Article 52(1) of the Charter, must be interpreted as precluding national legal rules which authorise the competent authorities to attempt to access data contained in a mobile telephone without informing the data subject, within the framework of the applicable national procedural rules, of the grounds on which the authorisation to access such data, issued by a court or an independent administrative body, is based, once the communication of that information is no longer liable to jeopardise the tasks of those authorities under that directive.
Costs
124 […]
On those grounds, the Court (Grand Chamber) hereby rules:
1. Articles 4(1)(c) of Directive (EU) 2016/680 of the European Parliament and of the Council of 27 April 2016 on the protection of natural persons with regard to the processing of personal data by competent authorities for the purposes of the prevention, investigation, detection or prosecution of criminal offences or the execution of criminal penalties, and on the free movement of such data, and repealing Council Framework Decision 2008/977/JHA, read in the light of Articles 7, 8 and Article 52(1) of the Charter of Fundamental Rights of the European Union,
must be interpreted as not precluding national legal rules which afford the competent authorities the possibility to access data contained in a mobile telephone for the purposes of the prevention, investigation, detection and prosecution of criminal offences in general, provided those rules:
– define with sufficient precision the nature or categories of offences concerned,
– ensure respect for the principle of proportionality, and
– make reliance on that possibility, except in duly justified cases of urgency, subject to prior review by a judge or an independent administrative body.
2. Articles 13 and 54 of Directive 2016/680, read in the light of Article 47 and Article 52(1) of the Charter of Fundamental Rights,
must be interpreted as precluding national legal rules which authorise the competent authorities to attempt to access data contained in a mobile telephone without informing the data subject, within the framework of the applicable national procedural rules, of the grounds on which the authorisation to access such data, issued by a court or an independent administrative body, is based, once the communication of that information is no longer liable to jeopardise the tasks of those authorities under that directive.”26.
4.22
Naar het arrest in deze Landeck-zaak is, zeker nadat de A-G Campos Sánchez-Bordona op 23 april 2023 bij het HvJ EU had geconcludeerd,27.al een tijd uitgezien, met ten minste gespannen verwachtingen. Een zekere parallel is immers aanwezig met het eerdere Prokuratuur-arrest, dat de Hoge Raad noodzaakte tot aanpassing van het nationale strafprocesrecht op het punt van het vorderen van verkeersgegevens: daarvoor moest vanaf het wijzen van het desbetreffende arrest door de Hoge Raad de rechter-commissaris worden ingeschakeld.28.Iets dergelijks zou wellicht ook het gevolg van de Landeck-zaak moeten zijn. Verrest, in zijn preadvies voor de Nederlandse Juristen-Vereniging van 2024 vreest voor onduidelijkheid, die gemakkelijk kan ontaarden in een situatie van rechtsonzekerheid in de strafrechtelijke praktijk, die moet snel worden verholpen.29.Schermer en Custers stellen naar aanleiding van de conclusie van Campos Sánchez-Bordona: “Dit betekent dat het voor het verzamelen van persoonsgegevens volgens de A-G bij het HvJ EU altijd een onafhankelijke toetsing noodzakelijk is. Aangezien in Nederland de officier van justitie aan het hoofd van het onderzoek staat, lijkt een bevel van de officier daarom niet te volstaan.”30.
4.23
Het lijkt mij inderdaad een acute en dringende vraag hoe de uitspraak van het HvJ EU in de Landeck-zaak moet worden geduid. Is nu voor alle gevallen waarin de politie zich toegang verschaft tot een mobiele telefoon een machtiging van de rechter-commissaris vereist? Daarnaast is het nog de vraag welke repercussies de invulling die het HvJ EU geeft aan de Richtlijn 2016/680 heeft voor andere objecten in de digitale sfeer die in beslag zijn genomen en die moeten worden onderzocht. Ik merk daarbij nog eens en waarschijnlijk ten overvloede op dat de Hoge Raad in zijn smartphone-arresten heel algemeen spreekt over een “elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens”. Het HvJ EU wijdt daaraan geen woorden maar beperkt zich tot de specifieke vraag die is voorgelegd met betrekking tot een in beslag genomen mobiele telefoon. Een derde punt, waar het arrest van het HvJ EU volstrekt duidelijk over is, is of uit de Richtlijn 2016/680 beperkingen voortvloeien met betrekking tot de soort strafbare feiten waarvoor een onderzoeksbevoegdheid als de onderhavige kan worden ingezet. Maar, zoals het HvJ EU stelt, een beperking tot ernstige criminaliteit zou teveel afbreuk doen aan de doelstelling van het opsporen en voorkomen van strafbare feiten en geldt dus hier niet – anders dan in Richtlijn 2002/58, waarop (onder meer) de Prokuratuur-uitspraak betrekking had.
4.24
Het lijkt mij – mede gelet op het voorgaande – verstandig eerst te analyseren waarop de aan het HvJ EU voorgelegde vragen betrekking hebben. Dat betreft de situatie waarin volgens de Oostenrijkse verwijzende rechter door de politie een mobiele telefoon in beslag is genomen door politieambtenaren ingevolge Oostenrijkse wetgeving “op grond waarvan veiligheidsdiensten zichzelf in het kader van een strafrechtelijk onderzoek zonder toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan volledige en ongecontroleerde toegang kunnen verschaffen tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen digitale gegevens.” Niet onbelangrijk voor de uitkomst van de vervolgens gestelde prejudiciële vragen is naar ik meen het volgende. In haar interventie bij het HvJ EU had de Oostenrijkse regering aangevoerd dat de verwijzende Tiroolse rechter over het hoofd had gezien dat (paragraaf 45): “under Austrian law, an order of the Public Prosecutor’s Office is necessary in order to seize a mobile telephone or to attempt to access data contained in that telephone.” Het HvJ EU houdt echter vast aan de uitleg van het nationale recht die door de verwijzende rechter is gegeven (paragraaf 54):
“In the present case, it is apparent from the request for a preliminary ruling and, in particular, from the wording of the questions referred, that the referring court considers, first, that those provisions of Austrian law are applicable to the dispute in the main proceedings and, second, that an attempt to access data contained in a mobile telephone, without prior authorisation from the Public Prosecutor’s Office or a court, such as that at issue in the main proceedings, is permitted under Austrian law. In accordance with the case-law cited in the preceding paragraph of the present judgment, it is not for the Court to rule on such an interpretation of those provisions.”31.
4.25
Met deze precisering wordt duidelijk dat het gaat om de omvang van de bevoegdheid die aan de opsporingsambtenaren in de concrete zaak toekomt.
4.26
De uitkomst, bij de tweede prejudiciële vraag van het Oostenrijkse gerecht, is vervolgens dat een wettelijke regeling die inhoudt dat opsporingsambtenaren in het kader van een strafrechtelijk onderzoek zonder toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan zich volledige en ongecontroleerde toegang kunnen verschaffen tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen digitale gegevens in strijd is met de Richtlijn 2016/680.
4.27
Die uitkomst spoort naar ik meen in belangrijke opzichten met de uitkomst van de Hoge Raad in de Smartphone-arresten: voor zover het onderzoek in elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt is naar geldend Nederlands recht voor opsporingsambtenaren immers een onderzoek door een andere autoriteit – de officier van justitie of de rechter-commissaris – vereist. Een probleem daarbij is wel dat, zoals in de Prokuratuur-zaak bleek, de officier van justitie niet als een ‘onafhankelijk bestuursorgaan’ kan gelden.32.Dat zou er dus naar ik meen toe moeten leiden dat – in ieder geval als het een mobiele telefoon betreft – de rechter-commissaris voor een meer dan beperkt onderzoek toestemming moet geven. Op een meer precieze afgrenzing kom ik nog terug.
4.28
Waar ik stelde dat de uitkomst in de Smartphone-arresten nog wel in belangrijke mate spoort met de uitkomst in de Landeck-zaak zijn er enkele punten die meen ik in het bijzonder aan de orde moeten komen. Dat is ten eerste de vraag of een onderzoek door opsporingsambtenaren dat slechts in geringe mate een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer nog wel is toegelaten onder de Richtlijn 2016/680.
4.29
In paragraaf 92 en verder wordt door het HvJ EU benadrukt dat de Oostenrijkse wet de toegang tot alle data betreft, waaruit het risico voortvloeit dat sprake is van een ernstige of zelfs zeer ernstige inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer:
“92 Such access is liable to concern, depending on the content of the mobile telephone in question and the choices made by the police, not only traffic and location data, but also photographs and the internet browsing history on that telephone, or even a part of the content of the communications made with that telephone, in particular by consulting the messages stored therein.
93 Access to such a set of data is liable to allow very precise conclusions to be drawn concerning the private life of the data subject, such as his or her everyday habits, permanent or temporary places of residence, daily or other movements, the activities carried out, the social relationships of that data subject and the places he or she frequents socially.
94 Last, it cannot be ruled out that the data contained in a mobile telephone may include particularly sensitive data, such as personal data revealing racial or ethnic origin, political opinions and religious or philosophical beliefs, such sensitivity justifying the specific protection afforded to them by Article 10 of Directive 2016/680, which also extends to data revealing information of that nature indirectly, following an intellectual operation involving deduction or cross-referencing (see, by analogy, judgment of 5 June 2023, Commission v Poland (Independence and private life of judges), C 204/21, EU:C:2023:442, paragraph 344).
95 The interference with the fundamental rights guaranteed in Articles 7 and 8 of the Charter to which the application of a rule such as that at issue in the main proceedings may give rise must therefore be regarded as serious, or even particularly serious.”33.
4.30
De aangehaalde redenering van het HvJ EU laat ruimte over voor onderzoekshandelingen met betrekking tot de mobiele telefoon waaruit niet een ernstige of zelfs zeer ernstige inbreuk op de privacy voortvloeit. Dat zulke handelingen in het licht van Richtlijn 2016/680 nog wel door opsporingsambtenaren zouden kunnen worden verricht blijkt naar mijn mening uit het evenzeer recente Luxemburgse arrest van het HvJ EU van 30 april 2024 in de zaak C-470/21 (La Quadrature du Net II).34.In die zaak was de handhaving van het auteursrecht aan de orde en in verband daarmee werden bepaalde persoonsgegevens verzameld door de organisatie die dat auteursrecht handhaaft. Weliswaar gaat het in die zaak – net als in Prokuratuur – over de Richtlijn 2002/58, maar de onderliggende beginselen zijn vergelijkbaar. Het HvJ EU geeft in dit verband weer wat het beoordelingskader in zulke zaken onder meer bepaalt:
“130 Uit de rechtspraak van het Hof over het evenredigheidsbeginsel, dat volgens artikel 15, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2002/58 moet worden geëerbiedigd – met name uit de rechtspraak volgens welke, bij de beoordeling of de lidstaten een beperking van de omvang van de met name in de artikelen 5, 6 en 9 van deze richtlijn bedoelde rechten en plichten kunnen rechtvaardigen, moet worden bepaald wat de ernst is van de inmenging in de in de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest verankerde grondrechten die een dergelijke beperking meebrengt, en moet worden nagegaan of het belang van de met die beperking nagestreefde doelstelling van algemeen belang in verhouding staat tot die ernst (arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C‑511/18, C‑512/18 en C‑520/18, EU:C:2020:791, punt 131) – volgt dat de mate van inmenging in de betrokken grondrechten die de toegang tot de persoonsgegevens in kwestie met zich meebrengt alsmede de gevoeligheid van die gegevens ook van invloed moeten zijn op de materiële en procedurele waarborgen voor die toegang, zoals het vereiste van een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit.
131 Gelet op dit evenredigheidsbeginsel moet derhalve worden geoordeeld dat het vereiste van voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit noodzakelijk is wanneer, in de context van een nationale regeling die voorziet in de toegang van een overheidsinstantie tot persoonsgegevens, die toegang het risico inhoudt van een ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene, in die zin dat die overheidsinstantie op basis daarvan nauwkeurige gevolgtrekkingen over zijn privéleven kan maken en, in voorkomend geval, een gedetailleerd profiel van hem kan bepalen.
132 Omgekeerd is het niet de bedoeling dat dit vereiste van voorafgaande toetsing wordt toegepast wanneer de inmenging in de betrokken grondrechten die de toegang van een overheidsinstantie tot persoonsgegevens met zich meebrengt, niet als ernstig kan worden aangemerkt.
133 Dat is het geval met de toegang tot gegevens betreffende de burgerlijke identiteit van de gebruikers van elektronische-communicatiemiddelen met als enige doel de betrokken gebruiker te identificeren en zonder dat deze gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie, omdat de inmenging die een dergelijke verwerking van die gegevens met zich meebrengt volgens het Hof in beginsel niet als ernstig kan worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C‑511/18, C‑512/18 en C‑520/18, EU:C:2020:791, punten 157 en 158).
134 Wanneer een bewaringsmechanisme zoals beschreven in de punten 86 tot en met 89 van dit arrest wordt ingevoerd, is er bijgevolg in beginsel geen voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuurlijke autoriteit vereist voor de toegang van de overheidsinstantie tot de aldus bewaarde met een IP-adres overeenkomende gegevens betreffende de burgerlijke identiteit.”35.
4.31
Het onder paragraaf 132 gestelde - naar analogie toegepast - laat meen ik de ruimte voor opsporingsambtenaren om net zoals in Nederland het geval is een onderzoek te verrichten aan een mobiele telefoon als daardoor niet een ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene ontstaat. Daartoe moeten uiteraard wel de grenzen worden bepaald. Door de Hoge Raad kunnen die grenzen worden bewaakt. Ik verwijs daarvoor naar het arrest van 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1079. Daar was door opsporingsambtenaren (i) de gehele inhoud van de mobiele telefoon van de verdachte en de bij die telefoon behorende SD-kaart gekopieerd en veiliggesteld met als doel de daarop opgeslagen of beschikbare gegevens nader te onderzoeken, en (ii) op verschillende momenten onderzoek gedaan naar deze opgeslagen of beschikbare gegevens, waarbij alle foto’s en video’s zijn onderzocht. De Hoge Raad overwoog vervolgens:
“2.4.1 […] Op basis van deze vaststellingen heeft het Hof geoordeeld dat art. 94 Sv een toereikende wettelijke grondslag vormt voor het door de opsporingsambtenaren verrichte nadere onderzoek aan de inbeslaggenomen smartphone en de daarbij behorende SD-kaart van de verdachte, aangezien daarmee niet meer dan een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is gemaakt.
2.4.2
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld - en in aanmerking genomen dat het Hof wel overweegt dat “de politie selectief is geweest in het onderzoek aan de telefoon”, maar dat het niet heeft vastgesteld aan de hand waarvan en met het oog waarop een selectie, die blijkbaar tenminste alle opgeslagen foto’s en films omvatte, is gemaakt -, is het oordeel van het Hof niet toereikend gemotiveerd.”36.
4.32
Een onderzoek door opsporingsambtenaren zoals in het arrest is dus naar Nederlands recht onrechtmatig, aangezien daardoor een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer werd gemaakt. Voorts is (ook) de uitoefening van onderzoeksbevoegdheden waarvan hier sprake is onderworpen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. En als waarborg geldt ook dat opsporingsambtenaren zijn beëdigd en zijn gebonden aan regels van geheimhouding omtrent hetgeen zij in hun taakuitoefening aan gegevens verzamelen.37.
4.33
Een tweede punt dat aandacht behoeft is hoe het onderzoek naar de gegevens in een mobiele telefoon, zoals in de Landeck-zaak aan de orde is, zich verhoudt tot het onderzoek aan in beslag genomen voorwerpen – waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – in het algemeen, zoals dat in de Smartphone-arresten aan de orde was. Voor zover het andere elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken betreft ligt naar ik meen een parallel met het Smartphone-arresten voor de hand. Het onderzoek naar de daarin opgeslagen gegevens is ook een vorm van ‘dataprocessing’ zoals genormeerd in de Richtlijn 2016/680. Als het onderzoek naar die gegevens een meer dan beperkte inbreuk meebrengt zal dan ook, die parallel doortrekkend, de rechter-commissaris voor dat onderzoek toestemming moeten geven. Dat kan ook, zoals uit de Smartphone-arresten voortvloeit, als het een door een opsporingsambtenaar zelf in beslag genomen voorwerp betreft en gaandeweg uit een – eerst beperkt – onderzoek blijkt dat nader, verdergaand onderzoek noodzakelijk is.
4.34
Een derde punt dat in de Smartphone-arresten niet expliciet is benoemd maar dat wel in de Landeck-zaak naar voren komt, is het volgende. Bij het antwoord op de eerste en tweede prejudiciële vraag formuleert het HvJ EU een uitzondering op het vereiste van een voorafgaande ‘review’ door een rechter of onafhankelijke bestuurlijke autoriteit. Dat geldt “except in duly justified cases of urgency.” In paragraaf 104 wordt daarbij overwogen dat in een dergelijk urgent geval “that review must take place within a short time.” Het is denkbaar dat, doordat de rechter-commissaris wellicht niet altijd op stel en sprong is te bereiken en zelfs een mondelinge machtiging niet mogelijk is, ook naar Nederlands recht de behoefte aan een soortgelijke uitzondering zich zou kunnen voordoen. Daarvoor zou een voorziening in de wet geschapen kunnen worden. Bij gebreke daaraan moet naar ik meen vooralsnog worden vertrouwd op de bereikbaarheid van de rechter-commissaris, in combinatie met de bestaande mogelijkheden om bijvoorbeeld bij een voorgenomen doorzoeking de situatie ter plaatse te bevriezen (art. 96 lid 2 Sv).
4.35
Het vierde en laatste punt betreft het antwoord op de derde prejudiciële vraag, waarop het HvJ EU ingaat op de noodzaak om de betrokkene (“the data subject”) te informeren over het onderzoeken van de mobiele telefoon. Dat kan gerealiseerd worden door een bescheiden uitbreiding van de al bestaande notificatieplicht van art. 126bb Sv. Vooralsnog kan dat ook zonder wettelijke grondslag in het bestaande beleid worden ingepast.
4.36
Al met al denk ik dat naar aanleiding van de Landeck-zaak – in het voetspoor van de Smartphone-arresten – wel een redelijk samenhangend systeem kan worden gevolgd. Tot het verrichten van een slechts beperkt onderzoek in mobiele telefoons, elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken blijft de opsporingsambtenaar bevoegd. Als naar redelijke verwachting is te voorzien dat het onderzoek een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt dan is onderzoek door de rechter-commissaris vereist. Daarbij kan worden aangetekend dat de rechter-commissaris zulk onderzoek ook kan opdragen aan een alsdan onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris opererende opsporingsambtenaar. Van dat onderzoek dient in lijn met art. 126bb Sv de betrokkene op enig moment achteraf op de hoogte te worden gesteld.
Beoordeling van het middel
4.37
De eerste deelklacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat het met toestemming van de officier van justitie doorzoeken van de twee digitale-gegevensdragers (smartphones) die bij de aanhouding van de verdachte bij hem zijn aangetroffen en onder hem in beslag zijn genomen, onrechtmatig is. Het hof zou – in mijn woorden samengevat – hebben overwogen dat dit onderzoek onrechtmatig is, aangezien op voorhand te voorzien was dat door het onderzoek een min of meer compleet beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte en dat toestemming van de officier van justitie in een dergelijk geval niet volstaat. Volgens het openbaar ministerie heeft het hof hiermee de uit HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, voortvloeiende bevoegdheidsverdeling miskend.
4.38
In de schriftuur houdende tegenspraak wordt namens de verdachte betoogd dat het openbaar ministerie geen belang heeft bij deze deelklacht, aangezien vaste rechtspraak reeds een antwoord geeft op deze rechtsvraag, zodat het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling is komen te ontvallen.
4.39
Naar ik meen is het echter wel van belang voor de rechtsontwikkeling om de in het middel opgeworpen deelklacht te beantwoorden. Voor de beoordeling van de deelklacht is immers niet meer uitsluitend het genoemde arrest van belang, maar dient daarbij ook het hiervoor besproken Landeck-arrest van het HvJ EU te worden betrokken. Uit die bespreking – samengevat onder 4.36 – blijkt dat naar mijn mening het oordeel van het hof, dat uitgaande van de vaststelling dat het voorzienbaar was dat het onderzoek van de smartphones een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zou meebrengen het onderzoek door de rechter-commissaris had moeten worden verricht, juist is.
4.40
De tweede deelklacht gaat over het oordeel van het hof dat het onderzoek aan de digitale-gegevensdragers die na doorzoekingen in de woningen van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in beslag zijn genomen en door de rechter-commissaris voor nader onderzoek zijn overgedragen aan het onderzoeksteam, onrechtmatig is. Dit oordeel getuigt volgens het openbaar ministerie van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de inbeslagname door de rechter-commissaris en de overdracht aan het onderzoeksteam meebrengt dat zonder (nadere) machtiging van de rechter-commissaris onderzoek mag worden verricht aan de digitale-gegevensdrager, ook indien op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar is dat daardoor een ingrijpend beeld van iemands privéleven kan ontstaan. Inbeslagneming door een autoriteit brengt immers mee dat daaraan onderzoek mag worden gedaan waartoe die autoriteit bevoegd is. De overdracht aan het onderzoeksteam impliceert de machtiging daartoe, aldus het openbaar ministerie.
4.41
Deze deelklacht berust naar ik meen op gronden zoals hierboven onder 4.16 door mij zijn weergegeven op een onjuiste rechtsopvatting.
4.42
De derde deelklacht betreft het oordeel van het hof dat de rechter-commissaris beperkingen kan stellen aan het onderzoek aan in beslag genomen gegevensdragers. Ook hiermee zou het hof blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de steller van het middel is een gedetailleerde inmenging van de rechter-commissaris in de manier waarop opsporingsonderzoek plaatsvindt in strijd met de door de wetgever beoogde systematische uitgangspunten van strafvordering, waarbij in een geval als dit slechts een machtiging van de rechter-commissaris vereist is.
4.43
Hierboven onder 4.16 heb ik gesteld dat uit de Smartphone-arresten voortvloeit dat een onderzoek als hier gesteld wordt verricht ‘door de rechter-commissaris’. Dat houdt in dat de rechter-commissaris, ook als het onderzoek ingevolge de opdracht van de rechter-commissaris door een opsporingsambtenaar wordt verricht, de aard en omvang van dat onderzoek bepaalt. Dat uitgangspunt vindt bevestiging in het aangehaalde Landeck-arrest van het HvJ EU, in het bijzonder in het door dat Hof gestelde in paragraaf 105:
“In particular, the court or independent administrative body, acting in the context of a prior review carried out following a reasoned request for access falling within the scope of Directive 2016/680, must be entitled to refuse or restrict that access where it finds that the interference with fundamental rights which that access would constitute would be disproportionate in the light of all the relevant factors.”
4.44
Het hof heeft aldus anders dan de steller van het middel aanvoert naar ik meen geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
4.45
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
5. Het namens de verdachte voorgestelde middel
5.1
Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat ten aanzien van het geconstateerde vormverzuim kan worden volstaan met de enkele constatering van dat verzuim, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
5.2
Daartoe wordt in de eerste plaats geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte geen nadeel heeft ondervonden, onbegrijpelijk is. De steller van het middel voert in dat verband aan dat het hof heeft overwogen dat “uit het strafdossier [onmiskenbaar] blijkt […] dat aldaar digitale-gegevensdragers […] zijn onderzocht door het onderzoeksteam”. In deze overweging zou besloten liggen dat een inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en dat hij wel degelijk nadeel heeft geleden.
5.3
Ten tweede wordt – subsidiair – betoogd dat het impliciete oordeel van het hof dat enig nadeel vereist is om op de voet van art. 359a Sv tot bewijsuitsluiting over te gaan, onjuist is en/of onvoldoende met redenen is omkleed. Bewijsuitsluiting kan volgens de steller van het middel noodzakelijk zijn als rechtsstatelijke waarborg of als middel om opsporingsambtenaren ervan te weerhouden in de toekomst vergelijkbare vormverzuimen te begaan. Het hof zou ontoereikend hebben gemotiveerd waarom in de onderhavige zaak bewijsuitsluiting niet het aangewezen rechtsgevolg zou zijn.
5.4
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Als de rechter van oordeel is dat sprake is van een vormverzuim en als de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg moet worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg dat is. Bij deze beoordeling moeten de factoren die zijn genoemd in art. 359a lid 2 Sv worden betrokken, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bij deze laatste factor is van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.38.De rechter hoeft niet altijd toepassing te geven aan een van de in art. 359a Sv genoemde rechtsgevolgen (niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting of strafvermindering), maar hij kan ook volstaan met het oordeel dat een vormverzuim is begaan.39.Of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, is afhankelijk van een afweging tussen enerzijds de belangen van vervolging en berechting van strafbare feiten en anderzijds de belangen van handhaving van grondrechten en bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek. Waar mogelijk wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de belangen van vervolging en berechting van strafbare feiten – minst verstrekkende rechtsgevolg.40.Gelet hierop mag van de verdediging worden gevergd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren zoals genoemd in art. 359a lid 2 Sv wordt aangegeven tot welk rechtsgevolg het vormverzuim zou moeten leiden. Alleen op een dergelijk verweer moet de rechter een met redenen omklede beslissing te nemen.41.
5.5
Anders dan de steller van het middel, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het verzuim geen nadeel heeft veroorzaakt. Daarbij neem ik in aanmerking dat het bij deze beoordelingsfactor van belang is of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.42.In de onderhavige zaak is door of namens de verdachte niet aangevoerd dat zijn persoonlijke levenssfeer is geschonden en dat de verdachte als gevolg van die schending daadwerkelijk nadeel heeft geleden, laat staan dat is geconcretiseerd in welke mate zijn persoonlijke levenssfeer is geschaad en hij nadeel heeft geleden.43.In zoverre faalt het middel.
5.6
Ook voor zover geklaagd wordt dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd waarom in de onderhavige zaak bewijsuitsluiting niet het aangewezen rechtsgevolg zou zijn, faalt het middel. De motiveringsplicht ontstaat immers pas wanneer sprake is van een verweer dat is ingekleed aan de hand van de criteria zoals genoemd in art. 359a lid 2 Sv. In dit geval is een dergelijk verweer niet gevoerd, zodat het hof niet was gehouden zijn beslissing met redenen te omkleden.44.Ook getuigt het kennelijke oordeel van het hof dat bewijsuitsluiting in dit geval niet aangewezen was, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel niet onbegrijpelijk.
5.7
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
6. Het middel van het openbaar ministerie faalt. Het namens de verdachte voorgestelde middel faalt eveneens.
7. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte op 18 oktober 2022 cassatie is ingesteld. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM geschonden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.
8. Voor het overige heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑11‑2024
HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577, m.nt. T.M.C.J. Schalken, r.o. 9.3; HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564, NJ 2008/113, m.nt. T.M.C.J. Schalken, r.o. 4.2.6 en HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0004, NJ 2014/11, m.nt. T.M.C.J. Schalken, r.o. 3.4.
P. Mevis, J. Verbaan & B. Salverda, Onderzoek aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken ten behoeve van opsporing en vervolging van strafbare feiten, Rotterdam: WODC 2016, p. 39-44.
HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/229, m.nt. T. Kooijmans; HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:592, NJ 2017/230, m.nt. T. Kooijmans en HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:588.
HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/229, m.nt. T. Kooijmans, r.o. 2.5-2.8; HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:592, NJ 2017/230, m.nt. T. Kooijmans, r.o. 3.3-3.6; HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:588, 2.5-2.8.
Hof Den Haag 23 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:324; J.W. van den Hurk & S.J. de Vries, Onderzoek aan digitale gegevens-dragers. Een technische en juridische verkenning, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 26 en 94.
Hof Den Haag 26 augustus 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1873. In deze zaak concludeer ik vandaag eveneens.
Hof Den Haag 23 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:324.
Rb. Den Haag 12 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5198, r.o. 3.4.
Rb. Amsterdam 24 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:748, r.o. 3.5-3.7.
Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 8 augustus 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5746, r.o. 4.3; Rb. Limburg 8 mei 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:4484 en Rb. Den Haag 3 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8906.
J.B.H.M. Simmelink, ‘Normering van opsporingsbevoegdheden in het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering’, Themis 2017/6, p. 332.
J.W. van den Hurk & S.J. de Vries, Onderzoek aan digitale gegevens-dragers. Een technische en juridische verkenning, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 94-97.
J.W. van den Hurk & S.J. de Vries, Onderzoek aan digitale gegevens-dragers. Een technische en juridische verkenning, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 94-97.
P. Mevis, J. Verbaan & B. Salverda, Onderzoek aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken ten behoeve van opsporing en vervolging van strafbare feiten, Rotterdam: WODC 2016, p. 69.
P. Mevis, J. Verbaan & B. Salverda, Onderzoek aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken ten behoeve van opsporing en vervolging van strafbare feiten, Rotterdam: WODC 2016, p. 70.
Vlg. Kooijmans in zijn noot bij NJ 2017/230, onder 3.
Verzoek om prejudiciële beslissing, ingediend door het Landesverwaltungsgericht Tirol (Oostenrijk) op 6 september 2021 – C.G. Bezirkshauptmannschaft Landeck (Zaak C-548/21).
HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830(Bezirkshauptmannschaft Landeck), par. 20-30.
HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830(Bezirkshauptmannschaft Landeck), par. 69-77.
HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830(Bezirkshauptmannschaft Landeck), par. 78-123.
Concl. A-G Campos Sánchez-Bordona 23 april 2023, ECLI:EU:C:2023:313(Bezirkshauptmannschaft Landeck).
HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur).
P. Verrest, ‘De invloed van het Handvest op het Nederlandse strafrecht’, in: J.H. Gerards e.a., Waarde, werking en potentie van het EU-Grondrechtenhandvest in de Nederlandse rechtsorde. Preadviezen (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 153e jaargang), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 215.
B.W. Schermer & B.H.M. Custers, ‘Modernisering strafvordering en de bescherming van persoonsgegevens in het opsporingsonderzoek’, DD 2024/8, p. 6.
HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830(Bezirkshauptmannschaft Landeck), par. 45.
HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, NJ 2022/354, m.nt. J.W. Ouwerkerk.
HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830(Bezirkshauptmannschaft Landeck), par. 92-95.
HvJ EU 30 april 2024, C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II).
HvJ EU 30 april 2024, C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II), par. 130-134.
HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1079, NJ 2019/464, m.nt. N. Jörg, r.o. 2.4.1-2.4.2.
Vgl. wat die laatste twee vereisten betreft HvJ EU 30 april 2024, C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II), par. 113 en 114.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.5; HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen, r.o. 2.4.1.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.6.1; HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen, r.o. 2.4.1.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, r.o. 2.1.3.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.7.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.5; HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen, r.o. 2.4.1.
Vgl. HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:241, r.o. 2.4.2.
Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 891.
Beroepschrift 16‑11‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
van: mr. N. van Schaik
inzake:
de heer [verdachte], geboren d.d. [geboortedatum] 1996, requirant van cassatie van het te zijnen laste door het Gerechtshof Den Haag, op 13 oktober 2022, onder parketnummers 10-080955-18 en 22-003217-17, gewezen arrest.
Middel
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 8 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en/of artikel 350 en/of artikel 358 en/of artikel 359 en/of artikel 359a Sv jo. artikel 415 Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat het oordeel van het Hof dat voor het vastgestelde vormverzuim bij gebrek aan enig door requirant gesteld nadeel kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend gemotiveerd is,
- a)
nu in de overwegingen van het Hof besloten ligt dat requirant wel degelijk nadeel heeft geleden door voornoemd vormverzuim, te weten een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer;
en/of
- b)
nu het — impliciete — oordeel van het Hof dat ‘enig nadeel’ vereist is om op voet van artikel 359a Sv tot bewijsuitsluiting over te gaan, onjuist is en/of onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien dit rechtsgevolg immers noodzakelijk kan zijn als rechtsstatelijke waarborg en als middel om opsporingsambtenaren ervan te weerhouden in de toekomst vergelijkbare vormverzuimen te begaan.
Het arrest kan daarom niet in stand blijven.
Toelichting
1.
Voor de leesbaarheid van dit middel geef ik hier eerst het gewraakte oordeel van het Hof weer:
‘Het hof overweegt dat ten aanzien van het onderzoek dat in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden aan digitale-gegevensdragers toebehorende aan de verdachte en/of een of meer medeverdachten, dient te worden beoordeeld of, indien eenmaal sprake is van rechtmatig door de rechter-commissaris in beslag genomen voorwerpen, uit (de uitoefening van) die bevoegdheid zonder meer voortvloeit dat de gegevens op die gegevensdragers ongeclausuleerd mochten worden onderzocht
Zoals het hof eerder heeft overwogen (Hof Den Haag, 26 augustus 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1873) vloeit, indien het onderzoek van de gegevens op een digitale gegevensdrager zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager, uit de enkele beslissing tot inbeslagneming niet zonder meer voort dat gegevens op die digitale-gegevensdragers zonder meer, mogen worden onderzocht. Indien een dergelijke voorzienbaarheid zich voordoet, zal door de rechter-commissaris die de inbeslaggenomen gegevensdragers voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst, moeten worden overwogen of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek dienen te worden verbonden.
Bij die beslissing en bij het bepalen van aard en omvang van die eventuele beperkingen zullen factoren als de ingrijpendendheid van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de betreffende gegevensdragers door het onderzoek en de proportionaliteit en subsidiariteit van de te verrichten onderzoekshandelingen in relatie tot de aard en omvang van de verdenking waarop het onderzoek betrekking heeft een rol kunnen spelen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan beperkingen betreffende het aantal onderzoeken gegevensdragers, beperkingen betreffende de te onderzoeken gegevens (zoals afbeeldingen, communicatie, internetgedrag et cetera) en beperkingen betreffende de periode waarbinnen de te onderzoeken gegevens zijn gegenereerd of op de betreffende digitale gegevensdragers terecht zijn gekomen. Ook kan worden gekozen voor fasering van toegestane onderzoekshandelingen doordat de rechter-commissaris eventueel tussentijds beslist tot uitbreiding of (verdere) beperking van het toegestane onderzoek. In het onderhavige geval heeft een dergelijke toetsing niet kenbaar plaatsgevonden.
Uit het strafdossier blijkt dat na de doorzoekingen in de woningen van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de in beslag genomen voorwerpen door de rechter-commissaris voor nader onderzoek zijn overgedragen aan het onderzoeksteam. Het proces-verbaal van doorzoeking van de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] bevat een dergelijke vermelding niet, maar uit het strafdossier blijkt onmiskenbaar dat aldaar digitale-gegevensdragers in beslag zijn genomen en vervolgens zijn onderzocht door het onderzoeksteam. Nu deze voorwerpen kennelijk feitelijk bij het onderzoeksteam terecht zijn gekomen, neemt het hof aan dat de rechter-commissaris die deze voorwerpen in beslag heeft genomen deze eveneens voor nader onderzoek aan het onderzoeksteam heeft overgedragen.
Voorts blijkt dat bij de aanhouding van de verdachte twee digitale-gegevensdragers bij hem zijn aangetroffen, welke met toestemming van de officier van justitie zijn doorzocht. Nu het hier ging om zogenaamde ‘smartphones’ welke door de verdachte bij zich werden gedragen, moest — nu niet blijkt van aanwijzingen dat hij hier anders dan een doorsnee-gebruiker mee omging — er rekening mee worden gehouden dat hierop zodanige informatie omtrent zijn persoonlijk te vinden zou zijn dat op voorhand te voorzien was dat uit het onderzoek daarvan een min of meer compleet beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte. Dit leidt ertoe dat het louter met toestemming van de officier van justitie onderzoeken van de betreffende twee digitale-gegevensdragers onrechtmatig was.
Tegen deze achtergrond is thans slechts een beoordeling achteraf mogelijk van de vraag of de rechter-commissaris toestemming zou hebben gegeven voor het onderzoek van de gegevens op de digitale-gegevensdragers van verdachte en de medeverdachten, op de wijze zoals dat heeft plaatsgevonden, namelijk zonder enige kenbare beperking. Daartoe overweegt het hof het volgende.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 1] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een zogenaamde Tikkie-fraude op 13 en 14 april 2018 ten aanzien van één aangever ([aangever 1]). Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 3] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een of meer Tikkie-fraudes met de verdachte.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 4] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer Tikike-fraudes op 819 en 30 juni 2018.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de verdachte is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer Tikkie-fraudes op 21 en 23 april 2018.
Gegeven hetgeen omtrent deze verdenkingen uit de verschillende aanvragen blijkt, had de rechter-commissaris niet ongeclausuleerd toestemming mogen geven voor doorzoeking van de diverse digitale-gegevensdragers, zodat dit onrechtmatig jegens de verdachte was. Het hof heeft hiervoor reeds aangegeven waaraan bij bedoelde clausulering eventueel zou kunnen worden gedacht. Zo had in dit geval bijvoorbeeld in eerste instantie de toestemming beperkt kunnen worden tot gegevens afkomstig uit 2018. Het ligt voor de hand dat in voorkomende gevallen de visie van de aanvragend officier van justitie op de concrete vormgeving van dergelijke beperkingen wordt betrokken.
Het voorgaande betekent dat het hof op de voet van artikel 359a Sv dient te beoordelen of aan het ontbreken van een wettelijke legitimatie aan de respectievelijke onderzoeken enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt.
Vastgesteld dient te worden dat noch de verdachte, noch één van de medeverdachten, heeft aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat de facto sprake is geweest van enige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het hof zal derhalve, rekening houdend met het belang dat de geschonden norm dient (de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte), de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt (geen), volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan.’1.
2.
Deze klacht is met name toegespitst op de vraag of een feitenrechter, die op eigen initiatief ambtshalve) onderzoek doet naar een vormverzuim, de verdachte zonder meer mag tegenwerpen dat deze zelf geen nadeel van dat vormverzuim heeft gesteld. Deze vraag miskent niet hetgeen volgt uit HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 (en opvolgende jurisprudentie), namelijk dat van de verdediging die een beroep doet op artikel 359a Sv, verlangd mag worden dat deze duidelijk en gemotiveerd aangeeft welk vormverzuim tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dient te leiden. Of er voor het Hof al dan niet de rechtsplicht bestond tot het doen van overwegingen met betrekking tot een bepaald onderwerp — zij het volgend uit 359a Sv, zij het uit andere hoofde —, de overwegingen die het ambtshalve heeft gedaan, moeten van een juiste rechtsopvatting getuigen en tenminste ook begrijpelijk zijn.
3.
Het Hof heeft vastgesteld dat bij de doorzoeking c.q. uitlezing van de smartphone van requirant er op voorhand rekening mee moest worden gehouden dat er een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van requirants persoonlijke leven verkregen zou worden. Het Hof heeft de ernst van dat te verwachten min of meer complete beeld, kennelijk zo ingeschat dat toestemming van de officier van justitie tot doorzoeking c.q. uitlezing van die smartphone daartoe niet voldoende was. Het Hof heeft daarbij beoordeeld of de rechter-commissaris, achteraf beschouwd, toestemming zou mogen hebben gegeven en/of daaraan beperkingen zou hebben gekoppeld. Het heeft geoordeeld dat de rechter-commissaris slechts geclausuleerde toegang tot de smartphone had mogen geven, in ieder geval — gelet op de verdenking — beperkt in gegevens van bepaalde data.
Ad deelklacht A)
4.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat geen verweer met betrekking tot artikel 359a Sv gevoerd is, en dat — kennelijk ‘derhalve’ — geen nadeel door de verdachte is ondervonden. Dit oordeel is echter onbegrijpelijk.
5.
Het Hof heeft namelijk ook overwogen dat ‘uit het strafdossier [onmiskenbaar] blijkt […] dat aldaar digitale-gegevensdragers […] zijn onderzocht door het onderzoeksteam.’ Deze gegevensdragers zijn dus onderzocht, terwijl dit onrechtmatig is geweest. Het concrete nadeel ligt daarin besloten: justitie en/of politie hebben een (min of meer compleet) beeld gekregen van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van requirant, terwijl dat niet mocht. Het Hof heeft daarbij aangenomen dat het gaat om een smartphones van ‘doorsnee-gebruikers.’ Een feit van algemene bekendheid is dat dit type smartphone-gebruikers ‘hun hele hebben en houwen’ aan deze gegevensdrager toevertrouwen: men wisselt berichten uit met geliefden en vrienden, alles wat per e-mail wordt verstuurd is ter inzage beschikbaar, uit navigatie-applicaties kan een reisverleden geconstrueerd worden, men maakt foto's en slaat deze op, uit de browsergeschiedenis kunnen specifieke interesses worden afgeleid, etc.
6.
Gelet op de context van de onderhavige zaak — tikkiefraude via Whatsapp — moet het er voor worden gehouden dat tenminste (uitgebreid) Whatsappberichten uitgelezen zijn. Het kan dus niet anders zijn dan dat er door requirant (privacy)nadeel geleden is. In zoverre is 's Hofs andersluidende oordeel onbegrijpelijk.
7.
Requirant kan in cassatie niet worden tegengeworpen dat hij in hoger beroep geen nadeel heeft gesteld als gevolg van het geconstateerde vormverzuim. Het Hof heeft die deur immers zelf geopend door daar de nodige overwegingen aan te wijden. Bovendien ligt het nadeel in die overwegingen besloten. Het belang bij cassatie is dat het Hof na terugwijzing zich opnieuw moet uitlaten over de ernst van het door hemzelf vastgestelde verzuim, met inachtneming van het feit dat voor requirant wel degelijk nadeel heeft bestaan.
Ad deelklacht B)
8.
Maar ook indien het Hof wel gevolgd kan worden in zijn oordeel dat er geen concreet nadeel is gebleken — of zelfs is geweest — getuigt het arrest van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk. Ik herhaal voor de leesbaarheid de conclusie van 's Hofs ambtshalve overwegingen met betrekking tot de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek:
‘Vastgesteld dient te worden dat noch de verdachte, noch één van de medeverdachten, heeft aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat de facto sprake is geweest van enige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het hof zal derhalve, rekening houdend met het belang dat de geschonden norm dient (de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte), de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt (: geen), volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan.’2.
9.
De overweging dat geen nadeel gebleken is, kan namelijk slechts het oordeel dragen dat er geen vormverzuim is waarop strafvermindering het aangewezen rechtsgevolg is.3. Echter kan ook bewijsuitsluiting als rechtsgevolg aan de orde zijn bij een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Dit rechtsgevolg is dan noodzakelijk als rechtsstatelijke waarborg en als middel om opsporingsambtenaren ervan te weerhouden in de toekomst vergelijkbare vormverzuimen te begaan. In geen enkel recent arrest heeft Uw Raad overwogen dat voor bewijsuitsluiting concreet nadeel vereist is, terwijl Uw Raad in voorkomende gevallen dat wel steeds benadrukt in het kader van strafvermindering.4. Daarmee wil ik niet beweren dat concreet nadeel niet relevant kan zijn — immers blijkt uit Uw jurisprudentie dat zulks wel degelijk een relevant aspect kan zijn5. — maar dat dit in het kader van bewijsuitsluiting ‘slechts’ één van de te wegen elementen is.
10.
Dat is in deze zaak van bijzonder belang, omdat het er alle schijn van heeft dat het Hof tot de ambtshalve toetsing is overgegaan wegens de constatering dat in gevallen als de onderhavige vaker ten onrechte geen nadere toetsing door de rechter-commissaris plaatsvindt met betrekking tot eventuele beperkingen voor de doorzoeking c.q. uitlezing van digitale gegevensdragers. Het Hof verwijst immers naar een eerder arrest in een andere zaak, waarin evenmin de hier door het Hof bedoelde RC-toetsing had plaatsgevonden.6.
11.
Het Hof heeft in de gegeven omstandigheden dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd waarom in de onderhavige zaak bewijsuitsluiting niet het aangewezen rechtsgevolg zou zijn van het door hemzelf ambtshalve geconstateerde vormverzuim.
12.
Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, aldaar kantoorhoudende aan de Catharijnesingel 70 (3511 GM), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie.
Utrecht, 16 november 2023
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 16‑11‑2023
Arrest Hof, p. 6–9.
Arrest Hof, p. 9.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.3.2, HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, r.o. 6.12.5.
Vgl. HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, r.o. 6.12.4–6.12.5, HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479 (enkel betrekking op bewijsuitsluiting), HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1264, r.o. 3.2.1–3.2.2.
Bijv. HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:975, r.o. 2.4
Hof Den Haag, 26 augustus 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1873. In deze zaak komt het Hof tot de conclusie dat nadere beperkingen niet gesteld hadden hoeven worden door de R-C, zodat er geen sprake is van een vormverzuim. Het Hof komt tot dat oordeel omdat het eerste onderzoek waaruit gegevens m.b.t. de verdachte zijn gevonden zonder dat het onderzoek tegen hem gericht was, en dat het tweede onderzoek al van de meet af aan beperkt was ingestoken.
Beroepschrift 26‑10‑2023
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van de meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag van 13 oktober 2022, waarbij het Hof in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996
de verdachte heeft veroordeeld ter zake verschillende misdrijven en daarbij een aantal juridisch inhoudelijke oordelen heeft gegeven.
Rekwirant kan zich met een aantal van deze oordelen en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor.
Inleidende opmerkingen
In de onderhavige zaak heeft het Hof de verdachte vrijgesproken van het deelnemen aan een criminele organisatie en veroordeeld ter zake de eendaadse samenloop van — kort gezegd — het medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd, medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd en diefstal door middel van valse sleutels, in vereniging gepleegd.
Het onderhavige cassatieberoep richt zich niet tegen de vrijspraak van het deelnemen aan een criminele organisatie. Ook richt het cassatieberoep zich niet tegen de bewezenverklaring en de strafoplegging. Het cassatieberoep is gericht tegen de oordelen van het Hof ten aanzien van de rechtmatigheid van het onderzoek aan inbeslaggenomen gegevensdragers, waarbij, zoals in het middel nader wordt toegelicht, het Hof op meerdere punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft geoordeeld dat sprake was een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en heeft vervolgens geoordeeld dat daaraan geen rechtgevolgen worden verbonden, maar dat volstaan kan worden met de enkele constatering dat een vormverzuim is begaan.
De vraag dringt zich op welk belang het openbaar ministerie heeft bij het onderhavige cassatieberoep. Dat belang is er in gelegen dat de bestreden uitspraak is gewezen door een kamer van het Hof Den Haag, die in het land bekend staat als de cybercrime-kamer van het Hof. Om die reden wordt dit college in het land als gezaghebbend aangemerkt op het gebied van cybercrime, hetgeen in zijn algemeenheid door rekwirant ook niet wordt bestreden. Inmiddels is gebleken dat meerdere rechtbanken en hoven het Hof ook hebben gevolgd in zijn in deze zaak gegeven oordelen omtrent de rechtmatigheid van het onderzoek aan gegevensdragers. Daarnaast is er een uitspraak van een andere kamer van het Hof Den Haag dat ten aanzien van één van de juridische punten die in de schriftuur worden aangekaart een tegengesteld oordeel heeft gegeven. Gelet op de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling is het van belang voor de rechtspraktijk dat de Hoge Raad zich over de in het cassatiemiddel opgeworpen juridische punten uitlaat. In dit kader merkt rekwirant op dat het openbaar ministerie onder meer is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (art. 124 RO). Het feit dat de bezwaren tegen de uitspraak van het Hof zich uitsluitend richten tegen beslissingen die als zodanig niet van invloed zijn geweest op de uiteindelijke uitkomst van de strafzaak, brengt niet zonder meer mee dat het openbaar ministerie geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde cassatieberoep (vgl. HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1764, NJ 2023/169, r.o. 2.3.1).
De onderhavige zaak tegen verdachte [verdachte] maakt onderdeel uit van het onderzoek Roetnevel, waarvan ook de zaken tegen de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3]1. deel uitmaken. Ook in die laatste zaken was door het openbaar ministerie beroep in cassatie ingesteld. Nu het voor het verkrijgen van een oordeel van de Hoge Raad omtrent de in schriftuur opgeworpen juridische vragen niet noodzakelijk is om in al deze zaken het cassatieberoep te handhaven en de zaak tegen verdachte [verdachte] de enige zaak is waarin zowel sprake was van inbeslagname van smartphones onder de verdachte (zie verder de toelichting op het middel onder 4), alsmede van inbeslagname van gegevensdragers bij een doorzoeking door de rechter-commissaris (zie verder de toelichting op het middel onder 5 en 6), is besloten om alleen in de onderhavige zaak tegen verdachte [verdachte] een schriftuur in te dienen en zijn de cassatieberoepen in de zaken tegen de overige verdachte op 20 oktober 2023 ingetrokken.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, meer in het bijzonder schending van art. 94, 95, 96, 104, 141 en/of 148 Sv, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht,
- i)
's Hofs oordeel dat het louter met toestemming van de officier van justitie verrichte onderzoek aan onder verdachte inbeslaggenomen smartphones en aan bij een doorzoeking in de woning van verdachte inbeslaggenomen digitale gegevensdragers onrechtmatig was, omdat er rekening mee gehouden moest worden dat hierop zodanige informatie omtrent zijn persoonlijk leven te vinden zou zijn dat op voorhand te voorzien was dat uit het onderzoek daarvan een min of meer compleet beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van verdachte, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu dit de uit HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/229 (smartphone-arrest) voortvloeiende bevoegdheidsverdeling miskent;
- ii)
's Hofs oordeel dat het onderzoek aan de door de rechter-commissaris inbeslaggenomen en aan de politie overgedragen gegevensdragers onrechtmatig was, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu deze inbeslagname en overdracht meebrengen dat daaraan zonder (nadere) machtiging van de rechter-commissaris onderzoek mag worden verricht, ook indien op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar is dat daardoor een ingrijpend beeld van iemands privéleven kan ontstaan;
- iii)
's Hofs oordeel dat de rechter-commissaris beperkingen kan stellen aan het onderzoek aan inbeslaggenomen gegevensdragers blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu een gedetailleerde inmenging van de rechter-commissaris in de manier waarop opsporingsonderzoek plaatsvindt in strijd is met de door de wetgever beoogde systematische uitgangspunten van strafvordering, waarbij in een geval als dit slechts een machtiging van de rechter-commissaris vereist is.
Toelichting
1.
In de onderhavige zaak zijn, voor zover thans van belang, bij een doorzoeking in de woning van verdachte door de rechter-commissaris digitale gegevensdragers inbeslaggenomen en vervolgens overgedragen aan het onderzoeksteam van de politie. Deze gegevensdragers zijn vervolgens onderzocht door het onderzoeksteam. Tevens zijn bij de aanhouding van verdachte digitale gegevensdragers aangetroffen en inbeslaggenomen, welke met toestemming van de officier van justitie zijn onderzocht. Het Hof heeft vastgesteld dat het onderzoek van de gegevens op de digitale gegevensdragers van verdachte en zijn medeverdachten zonder enige beperking heeft plaatsgevonden.
Tijdens de behandeling ter terechtzitting is de vraag naar de rechtmatigheid van het onderzoek aan deze gegevensdragers niet aan de orde geweest. Noch door de verdediging, noch door het openbaar ministerie is hieromtrent iets aangevoerd en het Hof heeft dit ook niet ambtshalve aan de orde gesteld, waardoor de verdediging en het openbaar ministerie niet de gelegenheid hebben gehad hieromtrent een standpunt in te nemen.
2.
In het bestreden arrest heeft het Hof ten aanzien van de rechtmatigheid van het onderzoek aan de digitale gegevensdragers het volgende overwogen:
‘Rechtmatigheid onderzoek gegevensdragers
In het navolgende zal het hof uit praktische overwegingen de term ‘digitale-gegevensdrager’ gebruiken ter aanduiding van alle apparaten met de functionaliteit om digitale gegevens op te slaan, ook als deze daarnaast aangemerkt kunnen worden als geautomatiseerd werk in de zin van artikel 80sexies van het Wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’).
Het hof overweegt dat ten aanzien van het onderzoek dat in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden aan digitale-gegevensdragers toebehorende aan de verdachte en/of een of meer medeverdachten, dient te worden beoordeeld of, indien eenmaal sprake is van rechtmatig door de rechter-commissaris in beslag genomen voorwerpen, uit (de uitoefening van) die bevoegdheid zonder meer voortvloeit dat de gegevens op die gegevensdragers ongeclausuleerd mochten worden onderzocht.
Zoals het hof eerder heeft overwogen (Hof Den Haag, 26 augustus 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1873) vloeit, indien het onderzoek van de gegevens op een digitale gegevensdrager zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager, uit de enkele beslissing tot inbeslagneming niet zonder meer voort dat gegevens op die digitale-gegevensdragers zonder meer mogen worden onderzocht. Indien een dergelijke voorzienbaarheid zich voordoet, zal door de rechter-commissaris die de inbeslaggenomen gegevensdragers voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst, moeten worden overwogen of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek dienen te worden verbonden.
Bij die beslissing en bij het bepalen van aard en omvang van die eventuele beperkingen zullen factoren als de ingrijpendheid van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de betreffende gegevensdragers door het onderzoek en de proportionaliteit en subsidiariteit van de te verrichten onderzoekshandelingen in relatie tot de aard en omvang van de verdenking waarop het onderzoek betrekking heeft een rol kunnen spelen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan beperkingen betreffende het aantal te onderzoeken gegevensdragers, beperkingen betreffende de te onderzoeken gegevens (zoals afbeeldingen, communicatie, internetgedrag et cetera) en beperkingen betreffende de periode waarbinnen de te onderzoeken gegevens zijn gegenereerd of op de betreffende digitale-gegevensdrager terecht zijn gekomen. Ook kan worden gekozen voor fasering van toegestane onderzoekshandelingen doordat de rechter-commissaris eventueel tussentijds beslist tot uitbreiding of (verdere) beperking van het toegestane onderzoek. In het onderhavige geval heeft een dergelijke toetsing niet kenbaar plaatsgevonden.
Uit het strafdossier blijkt dat na de doorzoekingen in de woningen van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de in beslag genomen voorwerpen door de rechter-commissaris voor nader onderzoek zijn overgedragen aan het onderzoeksteam. Het proces-verbaal van doorzoeking van de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] bevat een dergelijke vermelding niet, maar uit het strafdossier blijkt onmiskenbaar dat aldaar digitale-gegevensdragers in beslag zijn genomen en vervolgens zijn onderzocht door het onderzoeksteam. Nu deze voorwerpen kennelijk feitelijk bij het onderzoeksteam terecht zijn gekomen, neemt het hof aan dat de rechter-commissaris die deze voorwerpen in beslag heeft genomen deze eveneens voor nader onderzoek aan het onderzoeksteam heeft overgedragen.
Voorts blijkt dat bij de aanhouding van de verdachte twee digitale-gegevensdragers bij hem zijn aangetroffen, welke met toestemming van de officier van justitie zijn doorzocht. Nu het hier ging om zogenaamde ‘smartphones’ welke door de verdachte bij zich werden gedragen, moest — nu niet blijkt van aanwijzingen dat hij hier anders dan een doorsnee-gebruiker mee omging — er rekening mee worden gehouden dat hierop zodanige informatie omtrent zijn persoonlijk leven te vinden zou zijn dat op voorhand te voorzien was dat uit het onderzoek daarvan een min of meer compleet beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte. Dit leidt ertoe dat het louter met toestemming van de officier van justitie onderzoeken van de betreffende twee digitale-gegevensdragers onrechtmatig was.
Tegen deze achtergrond is thans slechts een beoordeling achteraf mogelijk van de vraag of de rechter-commissaris toestemming zou hebben gegeven voor het onderzoek van de gegevens op de digitale-gegevensdragers van verdachte en de medeverdachten, op de wijze zoals dat heeft plaatsgevonden, namelijk zonder enige kenbare beperking. Daartoe overweegt het hof het volgende.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 1] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een zogenaamde Tikkie-fraude op 13 en 14 april 2018 ten aanzien van één aangever ([aangever 1]).
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 3] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een of meer Tikkie-fraudes met de verdachte.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 4] is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer Tikkie-fraudes op 8/9 en 30 juni 2018.
Het proces-verbaal Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming met betrekking tot de verdachte is gebaseerd op de verdenking dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer Tikkie-fraudes op 21 en 23 april 2018.
Gegeven hetgeen omtrent deze verdenkingen uit de verschillende aanvragen blijkt, had de rechter-commissaris niet ongeclausuleerd toestemming mogen geven voor doorzoeking van de diverse digitale-gegevensdragers, zodat dit onrechtmatig jegens de verdachte was. Het hof heeft hiervoor reeds aangegeven waaraan bij bedoelde clausulering eventueel zou kunnen worden gedacht. Zo had in dit geval bijvoorbeeld in eerste instantie de toestemming beperkt kunnen worden tot gegevens afkomstig uit 2018. Het ligt voor de hand dat in voorkomende gevallen de visie van de aanvragend officier van justitie op de concrete vormgeving van dergelijke beperkingen wordt betrokken.
Het voorgaande betekent dat het hof op de voet van artikel 359a Sv dient te beoordelen of aan het ontbreken van een wettelijke legitimatie aan de respectievelijke onderzoeken enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt.
Vastgesteld dient te worden dat noch de verdachte, noch één van de medeverdachten, heeft aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat de facto sprake is geweest van enige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het hof zal derhalve, rekening houdend met het belang dat de geschonden norm dient (de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte), de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt (: geen), volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan.’
3.
In HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/229, (smartphone-arrest) heeft de Hoge Raad, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:
‘2.5.
Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.
2.6.
Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.
(…)
2.8.
Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling verdient het volgende opmerking. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar.
In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen — waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken — dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt — in het licht van art. 8 EVRM — aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn.’
4.1
Uit het smartphone-arrest volgt ten aanzien van de bevoegdheidsverdeling het volgende:
- —
indien het onderzoek aan inbeslaggenomen gegevensdragers een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert, zoals het geval dat het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren (art. 94, jo art. 95 en 96 Sv) voldoende legitimatie voor onderzoek;
- —
onderzoek dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt behoort tot de bevoegdheid van de officier van justitie;
- —
als op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn, zal dit onderzoek door of onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris moeten plaatsvinden.2.
4.2
In het op 20 maart 2023 ingediende wetsvoorstel Nieuw Wetboek van Strafvordering (NSv)3. wordt de bevoegdheidsverdeling uit het smartphone-arrest gecodificeerd. Stelselmatig onderzoek van gegevens, waaronder moet worden verstaan een onderzoek van gegevens waarbij op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands privéleven kan ontstaan4. (art. 2.1.1 NSv), kan door een opsporingsambtenaar worden verricht op bevel van de officier van justitie (art. 2.7.38 lid 1 NSv). Voor ingrijpend stelselmatig onderzoek van gegevens, waaronder moet worden verstaan een onderzoek van gegevens waarbij op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar een ingrijpend beeld van iemands privéleven kan ontstaan (art. 2.1.1 NSv), moet sprake zijn van een dringend onderzoeksbelang en is, naast een bevel van de officier van justitie, een machtiging van de rechter-commissaris vereist (art. 2.7.38 lid 2 NSv). Dit impliceert tevens dat een onderzoek van gegevens, welk onderzoek niet kan worden aangemerkt als (ingrijpend) stelselmatig, kan geschieden door een opsporingsambtenaar zonder dat daarvoor een bevel van de officier van justitie of een machtiging van de rechter-commissaris nodig is.5.
4.3
De bij de aanhouding van verdachte aangetroffen smartphones zijn met toestemming van de officier van justitie doorzocht/onderzocht. Het Hof heeft ten aanzien hiervan overwogen dat nu het ging om smartphones, welke door verdachte bij zich werden gedragen, er rekening mee gehouden moest worden dat hierop zodanige informatie omtrent zijn persoonlijk leven te vinden zou zijn dat op voorhand te voorzien was dat uit het onderzoek daarvan een min of meer compleet kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van verdachte, en dat om die reden het louter met toestemming van de officier van justitie onderzoeken van die gegevensdragers onrechtmatig was.
Het door het Hof gehanteerde criterium is het criterium dat op grond van het smartphone-arrest geldt voor zaken waarin de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat het opsporingsonderzoek wordt verricht door een opsporingsambtenaar, zonder dat daarvoor een machtiging van de rechter-commissaris vereist is.
Gelet daarop geeft het oordeel van het Hof dat het onderhavige onderzoek aan de onder verdachte inbeslaggenomen smartphones louter met toestemming van de officier van justitie onrechtmatig was, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
5.1
Hetgeen hiervoor is gesteld ten aanzien van de onder verdachte inbeslaggenomen smartphones geldt eveneens voor de digitale gegevensdragers die door de rechter-commissaris bij een doorzoeking in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Ook ten aanzien daarvan heeft het Hof geoordeeld dat het onderzoek van de gegevens zo verstrekkend was dat op voorhand was te voorzien dat een min of meer compleet beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager. Zoals hiervoor betoogd was ook ten aanzien van dit onderzoek geen machtiging van de rechter-commissaris vereist.
5.2
Daarnaast volgt uit de overwegingen van het Hof dat indien na de inbeslagname gegevensdragers door de rechter-commissaris en de overdracht daarvan aan een opsporingsdienst, voorzienbaar is dat bij onderzoek daarvan een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van de gebruiker van die gegevensdrager (het OvJ-criterium), de rechter-commissaris zal moeten beslissen of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek dienen te worden verbonden. Nog los van het hetgeen hiervoor is aangevoerd ten aanzien van het geldende criterium, heeft het Hof daarmee miskend dat indien een gegevensdrager door de rechter-commissaris is inbeslaggenomen en overgedragen aan het opsporingsteam, dit meebrengt dat daaraan zonder (nadere) machtiging van de rechter-commissaris onderzoek mag worden verricht, ook indien op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar is dat daardoor een ingrijpend beeld van iemands privéleven kan ontstaan (het RC-criterium), waarvan, zoals gezegd, in het onderhavige geval overigens geen sprake was. Inbeslagneming door een autoriteit, in dit geval de rechter-commissaris, brengt immers mee dat daaraan onderzoek mag worden gedaan waartoe die autoriteit bevoegd is (vgl. het eerder genoemde smartphone-arrest, r.o. 2.8). Dat dit onderzoek feitelijk na overdracht van de gegevensdrager wordt verricht door een opsporingsambtenaar maakt dit niet anders. De overdracht aan het onderzoekteam impliceert de machtiging daartoe.
5.3
Bij de inmiddels onherroepelijk geworden uitspraak van een andere samenstelling van het Hof Den Haag van 23 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:324, heeft het Hof, naar aanleiding van een daaromtrent door de verdediging gevoerd verweer, voor zover thans van belang, in gelijke zin geoordeeld en daartoe het volgende overwogen:
‘Ad VI. Vormverzuimen
Telecomgegevens
Smartphone-jurisprudentie
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat — mocht het hof tot de conclusie komen dat de aangetroffen telefoon aan de verdachte toebehoort en hij de gebruiker van het account ‘ilovebadbitches’ zou zijn — sprake is van een onherstelbaar vormverzuim waarop bewijsuitsluiting van al hetgeen uit deze telefoon is verkregen dient te volgen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het toestel volledig is uitgelezen, hetgeen een ernstige schending van de privacy van de gebruiker oplevert, terwijl hiervoor geen bevel van de rechter-commissaris of van de officier van justitie is gegeven.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat in onderhavig geval geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim ten gevolge van handelen in strijd met de smartphone-jurisprudentie.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Op 22 april 2020 heeft een doorzoeking plaatsgevonden onder leiding van de rechter-commissaris in de woning van de verdachte aan de [a-straat] in [a-plaats]. Tijdens de doorzoeking zijn voorwerpen, waaronder mobiele telefoons, in beslag genomen op last van de rechter-commissaris. Een van de mobiele telefoons betreft een PGP-telefoon van het merk Aquaris.
Ingevolge artikel 104 Sv is de rechter-commissaris tot inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd, waaronder ingevolge artikel 94 Sv begrepen alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid omtrent het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft aan de dag te brengen.
Voor de waarheidsvinding mag voorts onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In telefoons (smartphones) opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd.
De vraag rijst of, zoals door het openbaar ministerie is betoogd, indien eenmaal sprake is van rechtmatig door de rechter-commissaris in beslag genomen voorwerpen, uit (de uitoefening van) die bevoegdheid zonder meer voortvloeit dat de gegevens op gegevensdragers ongeclausuleerd mochten worden onderzocht.
De Hoge Raad heeft op 4 april 2017 in het eerste smartphone-arrest (ECLI:NL:HR:2017:584 en bevestigd in ECLI:NL:HR:2021:202) het volgende overwogen:
‘2.5.
Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.
(…)
2.8
De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar.’
Naar het oordeel van het hof volgt uit deze jurisprudentie dat de doorzoekings- en inbeslagnemingsbevoegdheden van de rechter-commissaris mede inhouden de bevoegdheid om de gegevens op de gegevensdrager ongeclausuleerd te doorzoeken en mitsdien is geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim en wordt het verweer verworpen.’
5.4
's Hofs oordeel in de onderhavige zaak dat het onderzoek aan de door rechter-commissaris inbeslaggenomen gegevensdragers onrechtmatig was, getuigt derhalve eveneens van een onjuiste rechtsopvatting.
6.
Het Hof heeft tevens overwogen dat de rechter-commissaris beperkingen kan stellen aan het onderzoek aan de inbeslaggenomen gegevensdragers, waarbij volgens het Hof kan worden gedacht aan beperkingen betreffende het aantal te onderzoeken gegevensdragers, beperkingen betreffende de te onderzoeken gegevens (zoals afbeeldingen, communicatie, internetgedrag et cetera) en beperkingen betreffende de periode waarbinnen de te onderzoeken gegevens zijn gegenereerd of op de betreffende digitale-gegevensdrager terecht zijn gekomen.
Ook met zijn oordeel dat de rechter-commissaris de bevoegdheid zou hebben om de machtiging te clausuleren heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het stelsel van strafvordering houdt in dat ten aanzien van de inzet van de verschillende opsporingsbevoegdheden de officier van justitie de autoriteit is die daar een bevel toe kan geven.6. Bij ingrijpende opsporingsbevoegdheden behoeft de officier van justitie daartoe een machtiging van de rechter-commissaris. Als de rechter-commissaris een dergelijke machtiging geeft, is de officier van justitie, als leider van het opsporingsonderzoek, de autoriteit die bepaalt op welke manier die bevoegdheid vervolgens wordt uitgeoefend. De officier van justitie is ook degene die later op de zitting verantwoording aflegt over de manier waarop die bevoegdheid is uitgeoefend.
De officier van justitie zal in zijn vordering aan de rechter-commissaris om een machtiging af te geven wel beperkingen aan kunnen brengen ten aanzien van de wijze van uitvoering. Daarbij valt — ter vergelijking — bijvoorbeeld te denken aan het geval dat de officier van justitie een vordering indient tot het verkrijgen van een machtiging tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel (art. 1261 Sv). In die vordering zal de officier van justitie kunnen/moeten opnemen in welke ruimte(s) het technisch hulpmiddel geplaatst dient te worden. Zo gelden er zwaardere eisen van proportionaliteit in het geval dat afgeluisterd wordt in een slaapkamer in een woning. Als de rechter-commissaris van oordeel is dat het gevorderde afluisteren in een slaapkamer niet in overeenstemming is met de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, zal hij de vordering afwijzen, waarna het aan de officier van justitie is om eventueel een nieuwe (beperktere) vordering in te dienen waarin het afluisteren in de slaapkamer niet meer aan de orde is, dan wel daarvan af te zien.
De rechter-commissaris heeft, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet de bevoegdheid om de manier waarop uitvoering wordt gegeven aan het uitvoeren van een opsporingsbevoegdheid waartoe hij machtiging verleent, te beperken of te clausuleren. Niet alleen kan de rechter-commissaris niet beoordelen óf het, gelet op de andere onderzoeksbevindingen, nog noodzakelijk is om onderzoek te verrichten aan inbeslaggenomen gegevensdragers, maar ook niet waartoe zich dat onderzoek zou moeten uitstrekken en hoe diepgaand dit onderzoek zou moeten zijn, mede gelet op de inmiddels verkregen onderzoeksresultaten. Dit is bij uitstek ter beoordeling aan de officier van justitie als leider van het opsporingsonderzoek. Een zodanige gedetailleerde inmenging van de rechter-commissaris in de manier waarop het opsporingsonderzoek plaatsvindt, is in strijd met de door de wetgever beoogde systematische uitgangspunten van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de rol van de rechter-commissaris in het opsporingsonderzoek.
Gelet hierop geeft ook het oordeel van het Hof dat de rechter-commissaris beperkingen kan stellen aan het onderzoek aan inbeslaggenomen gegevensdragers blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Indien het middel doel treft, dan wel één of meer onderdelen daarvan, zal het bestreden arrest van het Hof Den Haag van 13 oktober 2022 op de in de schriftuur aangegeven onderdelen niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze uitspraak in zoverre te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 26 oktober 2023
mr. H.H.J. Knol
advocaat-generaal bij het Ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑10‑2023
Deze zaken zijn bij de Hoge Raad bekend onder de zaaknummers S 22/03913, S 22/03872 en S 22/03946.
Zie ook het Jaarverslag 2017 van de Hoge Raad, Strafzaken, onder ‘Onderzoek (in) smartphone’.
TK 2022–2023, 36 327, nr. 2.
Zie ook de Memorie van Toelichting bij de Innovatiewet Strafvordering, TK 2020-201, 35 869, nr. 3, p. 41–42.
Vgl. AG Keulen in zijn vordering tot cassatie in het belang der wet naar aanleiding van het Prokuratuur-arrest, ECLI:NL:PHR:2021:1181, onder 117–125.