NJB 2025/652:Bijstelling door de Hoge Raad van zijn rechtspraak over het onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken naar aanleiding van HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21 (CG/Landeck). De algemene wettelijke bevoegdheden van opsporingsambtenaren bieden voldoende legitimatie voor een onderzoek aan voorwerpen – waaronder ook elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – als de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. De wet vereist in zo’n geval geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Van zo’n beperkte inbreuk kan – naast onderzoek dat slechts strekt tot het identificeren van de gebruiker – bijvoorbeeld sprake zijn als een opsporingsambtenaar een bij een verdachte aangetroffen elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk bekijkt en daarbij enkele beperkte waarnemingen doet over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten de gebruiker van een telefoon kort tevoren heeft gelegd. Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is echter al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, dan is voor dat onderzoek – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist.