Zie de nader omschreven tenlastelegging die als bijlage is gevoegd bij het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 11 maart 2021.
HR, 29-11-2022, nr. 21/03967
ECLI:NL:HR:2022:1764
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-11-2022
- Zaaknummer
21/03967
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1764, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑11‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1121
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2021:1775
ECLI:NL:PHR:2022:1121, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑10‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1764
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑11‑2021
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0237
NJ 2023/169 met annotatie van P. Mevis
Uitspraak 29‑11‑2022
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Deelname aan terroristische organisatie, art. 140a.1 Sr. Ontvankelijkheid hoger beroep, geen rechtens te respecteren belang bij ingesteld h.b. Hof heeft OvJ n-o verklaard in zijn h.b. op de grond dat OvJ daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft, nu Rb verdachte overeenkomstig eis van OvJ heeft vrijgesproken. De aan ’s hofs oordeel ten grondslag liggende rechtsopvatting dat OM in zijn h.b. n-o kan worden verklaard als het geen rechtens te respecteren belang heeft bij ingesteld h.b., is juist. Als OM in h.b. komt tegen een uitspraak waarbij bezwaar zich uitsluitend richt tegen de motivering en niet tegen beslissing als zodanig, betekent dat echter niet z.m. dat OM geen rechtens te respecteren belang heeft bij ingesteld h.b. Het ligt dan wel op de weg van OM om dat belang aannemelijk te maken. Bij de beoordeling van dat belang kan ook worden betrokken dat OM o.m. is belast met strafrechtelijke handhaving van rechtsorde (art. 124 RO). Namens OM is in appelschriftuur en ttz. in h.b. naar voren gebracht dat vrijspraak van verdachte door Rb berust op toepassing van “verkeerd toetsingscriterium” en dat het met h.b. wil voorkomen dat onjuist oordeel Rb ingang vindt in Nederlandse en internationale jurisprudentie. In het licht van die onderbouwing is ‘s hofs overweging dat de door OM met h.b. beoogde doelen ook op andere wijzen kunnen worden nagestreefd, niet toereikend om oordeel te dragen dat OM wegens ontbreken van rechtens te respecteren belang n-o is in het door hem ingestelde h.b. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03967
Datum 29 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 september 2021, nummer 22-000877-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsvrouw van de verdachte, F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in het door hem ingestelde hoger beroep op de grond dat de officier van justitie daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft.
2.2.1
Aan de verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. In eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte van die tenlastelegging wordt vrijgesproken. De rechtbank heeft vervolgens bij vonnis van 11 maart 2021 de verdachte vrijgesproken.
2.2.2
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De appelschriftuur van de officier van justitie houdt onder meer het volgende in:
“Ter terechtzitting heeft ondergetekende gerekwireerd tot vrijspraak, nu naar de mening van het Openbaar Ministerie niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap heeft gehad van het oogmerk van de betrokken terroristische organisatie. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken, maar op andere gronden.
Ondergetekende kan zich wel verenigen met de vrijspraak, maar niet met de motivering daarvan.
Motivering
De rechtbank overweegt in haar vonnis dat het beschermen van eigen huis en haard tegen de 'terreur van het regime' geen terrorisme mag heten. Door de gedragingen van het Syrische regime als zodanig te kwalificeren, laat zij zich uit over de gevoerde strijd in het conflictgebied en geeft hiermee min of meer een rechtvaardigingsgrond voor het handelen van de verdachte. Hiermee gaat de rechtbank ver buiten het door haar te hanteren toetsingskader, waarin slechts aan de orde is of de verdachte heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. De rechtbank kan niet op basis van dit dossier tot het oordeel komen dat de vermeende gedragingen van de Syrische overheid waartegen het handelen van de verdachte gericht was, gekwalificeerd kunnen worden als terreur. Daarvoor is het Syrische conflict, waarin gewapende groeperingen zich verzetten tegen het regime, te complex en biedt het onderhavige dossier te weinig aanknopingspunten.
Het Openbaar Ministerie kan zich voorts niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat 'wachtlopen' in de onderhavige strafzaak geen strafbare deelnemingshandeling is. De rechtbank motiveert dit met de overweging dat het wachtlopen in dit geval niet strekt tot of rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van Ahrar al-Sham, omdat de verdachte enkel zijn eigen huis en haard zou hebben willen beschermen. De rechtbank lijkt dit als een soort rechtvaardigingsgrond te zien, terwijl dit het motief van verdachte betreft.
Naar de mening van het Openbaar Ministerie past de rechtbank in dit vonnis een verkeerd toetsingscriterium toe. Van deelneming aan een terroristische organisatie is volgens vaste jurisprudentie slechts sprake wanneer de verdachte:
- tot de organisatie behoort;
- een aandeel heeft, dan wel ondersteunende gedragingen verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van terroristische misdrijven;
- en hij wetenschap heeft van dat oogmerk.
De rechtbank maakt in haar overwegingen met betrekking tot het aandeel van verdachte (tweede gedachtestreepje) een distinctie tussen buitenlandse strijders en strijders afkomstig uit Syrië zelf. Daarbij ziet de rechtbank het kennelijk zo dat de bewijslast met betrekking tot strijders afkomstig uit Syrië zwaarder is. De door de rechtbank gestelde eis aan de gedraging van de verdachte is te zwaar en vindt zijn grondslag in wet noch jurisprudentie.
Vaststaat dat verdachte meerdere keren bewapend heeft deelgenomen aan een door of ten behoeve van Ahrar al-Sham georganiseerde wachtgroep. Ahrar al-Sham is blijkens staande (inter)nationale jurisprudentie een terroristische organisatie, zoals de rechtbank terecht ook overweegt. Het oogmerk van de terroristische organisatie in kwestie is onder meer het omverwerpen van het regime van Bashar al-Assad en het oprichten van een eigen (islamitische) staat, middels het plegen van terroristische misdrijven. Om die doelstelling te behalen, moet Ahrar al-Sham gebied in handen krijgen en hebben. Het feit dat er een grenswacht is, die gefaciliteerd is door Ahrar al-Sham, maakt dat het gebied, in dit geval [plaats], niet langer in handen is van het regime van Assad, maar onder controle is van Ahrar al-Sham. Door wacht te lopen (ribaat) voor een wachtgroep van Ahrar al-Sham, heeft verdachte ondersteunende gedragingen verricht die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van Ahrar al-Sham, ook al was zijn bedoeling daarmee (motief) slechts het beschermen van eigen huis en haard. Zijn motief maakt de deelnemingshandeling niet minder strafbaar.
De rechtbank overweegt in haar vonnis dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft geweten van het terroristische oogmerk van Ahrar al-Sham (derde gedachtestreepje). Ondergetekende kan zich hierin niet vinden, nu deze vaststelling onvoldoende steun vindt in het dossier. Op grond hiervan dient mijns inziens vrijspraak te volgen.
Concluderend dient de verdachte aldus op andere gronden te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde dan op basis waarvan de rechtbank tot haar oordeel is gekomen.”
2.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat het hof de advocaat-generaal en de raadsvrouw met een e-mailbericht van 7 september 2021 op voorhand kenbaar heeft gemaakt het belang van het ingestelde hoger beroep van het Openbaar Ministerie ter terechtzitting aan de orde te zullen stellen. Ter toelichting voegt de voorzitter daaraan toe dat in eerste aanleg de officier van justitie vrijspraak heeft gevorderd. Uit de appelmemorie van de officier van justitie blijkt dat het Openbaar Ministerie zich kan verenigen met de beslissing tot vrijspraak, maar zich niet kan verenigen met de motivering tot die vrijspraak. De voorzitter merkt op dat het bestaan van redenen voor het instellen van hoger beroep niet hetzelfde hoeft in te houden als het aanwezig zijn van een belang bij dat ingestelde hoger beroep.
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld voert de advocaat-generaal het woord, als volgt:
Artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering en verder, en het systeem van de wet, geven geen beperkingen voor het Openbaar Ministerie om in het onderhavige geval hoger beroep in te stellen. De vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bepaalt dat er bij het instellen van hoger beroep enig in rechte te respecteren belang moet zijn. Ik zal uiteen zetten waarom dat belang er voor het Openbaar Ministerie is. Uit de appelmemorie van de officier van justitie blijkt dat de grieven van het Openbaar Ministerie tegen het vonnis waarvan beroep zien op de vrijspraakmotivering van de rechtbank. Ik schaar mij achter deze grieven, omdat het Openbaar Ministerie zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat niet elke deelname aan de terroristische organisatie Ahrar al-Sham strafbaar is. De rechtbank overweegt dat het lopen als burgerwacht, dat wordt georganiseerd en gefaciliteerd door Ahrar al-Sham, waarmee de verdachte zijn huis en haard wilde beschermen tegen het regime van Assad, geen rechtstreekse bijdrage oplevert voor een terroristisch oogmerk en de verdachte met dit handelen niet heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. De rechtbank maakt onderscheid tussen buitenlandse strijders en Syrische strijders. Buitenlandse strijders zouden in dit geval wel strafbaar zijn en de Syrische strijders niet. Deze motivering is anders dan door de officier van justitie is betoogd. Door hem is namelijk betoogd dat de verdachte geen wetenschap had van het terroristische oogmerk van de organisatie en dat op die gronden de verdachte had moeten worden vrijgesproken. Het zal niet de laatste keer zijn dat een Syrische verdachte in Nederland wordt vervolgd voor gepleegde misdrijven in zijn of haar land van herkomst. De boodschap van de rechtbank is mijns inziens dat Syrische onderdanen zich gewapend kunnen aansluiten in eigen land en dat voor hun handelen een rechtvaardigingsgrond bestaat. Deze motivering van de rechtbank zal impact hebben op de Nederlandse en internationale jurisprudentie en ook veel teweeg brengen in internationale verbanden. Er zal gewezen worden naar hetgeen de rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld: het is niet strafbaar je als Syriër in Syrië aan te sluiten bij een terroristische organisatie en je mag meevechten tegen het regime van Assad. Kort gezegd is het belang van het Openbaar Ministerie bij het ingestelde hoger beroep dus dat de motivering van de rechtbank grote gevolgen heeft voor de jurisprudentie en voor de meningen die in internationaal verband worden geventileerd. Desgevraagd door de voorzitter meen ik niet dat de motivering van het vonnis waarvan beroep de heersende leer is, maar er zal bij instandhouding van het vonnis wel naar worden verwezen. Het heeft daarom effect hoger beroep tegen dat vonnis in te stellen. Desgevraagd door de voorzitter wens ik naar voren te brengen dat het Openbaar Ministerie ook oog heeft voor de belangen van de persoon van de verdachte. Het vertrouwensbeginsel speelt op in het geval dat de officier van justitie vrijspraak vordert, de rechtbank vervolgens de verdachte vrijspreekt, maar de officier van justitie alsnog hoger beroep instelt. Er spelen zoals reeds uiteengezet tevens andere belangen die maken dat mijns inziens het Openbaar Ministerie ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep. Daarbij komt dat op voorhand aan de verdediging is gecommuniceerd dat ik niet uitsluit dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep toch tot een bewezenverklaring zou kunnen komen. Bij deze stand van zaken ga ik daar niet van uit, maar het zou kunnen, mede omdat het hof de zaak opnieuw moet beoordelen. Ik verwijs hiervoor naar een conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, ECLI:NL PHR:2021:605, waaruit blijkt dat de akte tot het instellen van hoger beroep leidend is, maar de inhoud van de appelschriftuur niet. Het kan dus zo zijn dat in hoger beroep punten aan de orde komen, die blijkens de appelschriftuur in eerste instantie niet aan de orde zouden komen. De verdediging kan in die zin geen vertrouwen ontlenen aan de inhoud van de appelschriftuur van het Openbaar Ministerie. Desgevraagd door de jongste raadsheer deel ik mede dat ik mij op dit moment aansluit bij de grieven van de officier van justitie zoals neergelegd in de appelmemorie.
De oudste raadsheer houdt de advocaat-generaal voor dat zij het vonnis waarvan beroep genuanceerder leest dan zojuist door de advocaat-generaal is uiteengezet, namelijk zo dat, indien Syrische strijders hun eigen huis en haard beschermen, het zo kan zijn dat dat geen strafbare deelname aan een terroristische organisatie oplevert, ook als die bescherming wordt georganiseerd en gefaciliteerd door een terroristische organisatie. De oudste raadsheer verwijst in dit verband naar een. vergelijkbare situatie in een arrest van het hof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2020:2492, waarbij de verdachte wel is veroordeeld voor deelname aan een terroristische organisatie. De oudste raadsheer houdt voor dat indien de internationale gemeenschap verwijst naar het vonnis waarvan beroep van de rechtbank Rotterdam, ook verwezen kan worden naar voornoemd arrest van het hof Den Haag. Zij houdt verder voor dat het belang van de rechtsvorming, zoals dat door de advocaat-generaal is benoemd, ook op een andere wijze gediend kan worden, zoals door het schrijven van een artikel.
De advocaat-generaal reageert daarop als volgt:
Uw hof is door het ingestelde hoger beroep in de gelegenheid een oordeel te geven in de onderhavige zaak. Niet alle zaken zijn hetzelfde, waardoor de motivering niet in alle zaken hetzelfde is. Ik persisteer bij hetgeen ik naar voren heb gebracht over het belang van het Openbaar Ministerie bij het ingestelde hoger beroep.”
2.2.4
Het hof heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. De uitspraak van het hof houdt het volgende in:
“Het hof is van oordeel dat het Openbaar Ministerie gelet op de motivering van de advocaat-generaal, geen rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van het hoger beroep. Nog daargelaten de vraag of de advocaat-generaal de gewraakte overwegingen van de rechtbank accuraat heeft weergegeven, is het hof van oordeel dat de door het Openbaar Ministerie beoogde doelen ook op andere wijze kunnen worden nagestreefd, bijvoorbeeld door het standpunt van het Openbaar Ministerie in andere (vergelijkbare) strafzaken naar voren te brengen en/of via (wetenschappelijke) publicaties wereldkundig te maken. Het hof zal derhalve de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.”
2.3.1
De aan het oordeel van het hof ten grondslag liggende rechtsopvatting dat het openbaar ministerie in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde hoger beroep, is juist. Als het openbaar ministerie in hoger beroep komt tegen een uitspraak waarbij het bezwaar zich uitsluitend richt tegen de motivering en niet tegen de beslissing als zodanig, betekent dat echter niet zonder meer dat het openbaar ministerie geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde hoger beroep. Het ligt dan wel op de weg van het openbaar ministerie om dat belang aannemelijk te maken. Bij de beoordeling van dat belang kan ook worden betrokken dat het openbaar ministerie onder meer is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.3.2
Namens het openbaar ministerie is in de appelschriftuur en op de terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de vrijspraak van de verdachte door de rechtbank berust op de toepassing van een “verkeerd toetsingscriterium” en dat het met het hoger beroep wil voorkomen dat het onjuiste oordeel van de rechtbank ingang vindt in de Nederlandse en internationale jurisprudentie. In het licht van die onderbouwing is de overweging van het hof dat de door het openbaar ministerie met het hoger beroep beoogde doelen ook op andere wijzen kunnen worden nagestreefd, niet toereikend om het oordeel te dragen dat het openbaar ministerie wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang niet- ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep.
2.4
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2022.
Conclusie 11‑10‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie. Niet-ontvankelijkheid OM in h.b. Verdachte was ten laste gelegd dat hij in Syrië heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. OvJ heeft in e.a. tot vrijspraak gerekwireerd. Rechtbank heeft verdachte in e.a. vrijgesproken. OM stelt h.b. in omdat het zich weliswaar kan verenigen met vrijspraak met niet met motivering daarvan. Middel klaagt over oordeel hof dat OM geen rechtens te respecteren belang heeft bij instellen h.b. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03967
Zitting 11 oktober 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Bij arrest van 9 september 2021 heeft het gerechtshof Den Haag de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door de advocaat-generaal bij het gerechtshof Den Haag. H.H.J. Knol, advocaat-generaal in het ressortsparket (cassatiedesk), heeft een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend. F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
3. Het middel komt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht op tegen de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring.
4. Voordat ik overga tot een bespreking van het middel zal ik hieronder eerst het debat in eerste aanleg samenvatten en vervolgens de relevante passages uit het bestreden arrest weergeven.
De procedure in eerste aanleg
5. De verdachte was ten laste gelegd dat hij in Syrië van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016 heeft deelgenomen aan een organisatie, Ahrar al-Sham, die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (de delictsomschrijving van artikel 140a Sr).1.De officier van justitie heeft ter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2021 hiervan (in repliek) vrijspraak gevraagd wegens gebrek aan bewijs dat de verdachte in zijn algemeenheid wist – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat Ahrar al-Sham in de ten laste gelegde periode het oogmerk had om terroristische misdrijven te plegen.2.
6. De rechtbank heeft bij vonnis van 11 maart 2021 de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde. De rechtbank stelde vast dat de verdachte gewapend heeft wachtgelopen in een burgerwacht die diende ter bescherming van zijn dorp, [plaats] (Syrië), tegen aanvallen van buitenaf. Het dorp had zich gekeerd tegen het regime van Assad. Die burgerwacht was – naar de verdachte wist – georganiseerd door Ahrar al-Sham. Ahrar al-Sham was een terroristische organisatie. De rechtbank oordeelde dat de verdachte door uitsluitend te fungeren als gewapende burgerwacht ter bescherming van de eigen woonplaats tegen terroristische aanslagen van buitenaf geen bijdrage heeft geleverd die strekte tot of rechtstreeks verband hield met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van de organisatie die deze burgerwacht organiseerde. “Anders gezegd, het beschermen van eigen huis en haard tegen terreur kan en mag geen terrorisme heten, ook niet als dit wordt georganiseerd en gefaciliteerd door een terroristische organisatie”, aldus oordeelde de rechtbank.
7. In zijn appelmemorie van 7 april 2021 heeft de officier van justitie uiteengezet dat hij zich kan verenigen met de vrijspraak, maar niet met de motivering daarvan. De vrijspraak had moeten worden gegrond op het ontbreken van bewijs voor de wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie, niet op het oordeel dat de gedraging van de verdachte (het wachtlopen in een door Ahrar al-Sham georganiseerde burgerwacht) was gerechtvaardigd vanwege zijn motief voor die gedraging: de bescherming van eigen huis en haard tegen terroristische aanvallen van buitenaf.
Het bestreden arrest
8. Het bestreden arrest luidt voor zover relevant als volgt:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De wet geeft geen beperkingen voor het Openbaar Ministerie om in het onderhavige geval hoger beroep in te stellen. Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bepaalt dat er bij het instellen van hoger beroep enig in rechte te respecteren belang moet zijn.
Het Openbaar Ministerie persisteert bij de grief tegen het vonnis waarvan beroep, zoals verwoord in de appelmemorie van de officier van justitie, inhoudende dat het Openbaar Ministerie zich wel kan verenigen met de vrijspraak, maar niet met de motivering daarvan.
Het Openbaar Ministerie kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat niet elke deelname aan de terroristische organisatie Ahrar al-Sham strafbaar is. De rechtbank overweegt dat het lopen als burgerwacht, dat wordt georganiseerd en gefaciliteerd door Ahrar al-Sham, waarmee de verdachte zijn huis en haard wilde beschermen tegen het regime van Assad, geen rechtstreekse bijdrage oplevert voor een terroristisch oogmerk en de verdachte met dit handelen niet heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. De rechtbank maakt onderscheid tussen buitenlandse strijders en Syrische strijders. Buitenlandse strijders zouden in dit geval wel strafbaar zijn en de Syrische strijders niet.
Het zal niet de laatste keer zijn dat een Syrische verdachte in Nederland wordt vervolgd voor gepleegde misdrijven in zijn of haar land van herkomst. De boodschap van de rechtbank is volgens de advocaat-generaal dat Syrische onderdanen zich gewapend kunnen aansluiten in eigen land en dat voor hun handelen een rechtvaardigingsgrond bestaat.
Het belang van het Openbaar Ministerie bij het ingestelde hoger beroep is dat deze motivering van de rechtbank grote gevolgen heeft voor de Nederlandse en internationale jurisprudentie en voor de meningen die in internationaal verband worden geventileerd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar over[ge]legde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. Zij heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in dit geval geen rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van het hoger beroep, waarbij haar cliënt nogmaals wordt onderworpen aan een belastende strafprocedure omdat het Openbaar Ministerie meent dat de rechtbank wel tot de juiste uitkomst is gekomen, maar daarvoor een andere motivering heeft gegeven dan het Openbaar Ministerie wenselijk acht.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het Openbaar Ministerie gelet op de motivering van de advocaat-generaal, geen rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van het hoger beroep. Nog daargelaten de vraag of de advocaat-generaal de gewraakte overwegingen van de rechtbank accuraat heeft weergegeven, is het hof van oordeel dat de door het Openbaar Ministerie beoogde doelen ook op andere wijze kunnen worden nagestreefd, bijvoorbeeld door het standpunt van het Openbaar Ministerie in andere (vergelijkbare) strafzaken naar voren te brengen en/of via (wetenschappelijke) publicaties wereldkundig te maken.
Het hof zal derhalve de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.”
Het middel
9. De rechtsklacht tegen de bestreden uitspraak houdt in dat het hof bij zijn oordeelsvorming toepassing heeft gegeven aan een onjuiste maatstaf. In de toelichting op het middel wijst de steller ervan op rechtspraak aangaande de beperkte rechterlijke toetsing van vervolgingsbeslissingen van het OM. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in zijn vervolging van de verdachte, namelijk uitsluitend wanneer het instellen of voortzetten van een vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als hier bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, aldus de steller van het middel, die onder ‘voortzetting van de vervolging’ ook het instellen van hoger beroep vat. Als gevolg daarvan is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in het hoger beroep op de grond dat het OM daarbij geen rechtens te respecteren belang zou hebben.
10. De motiveringsklacht komt op tegen de begrijpelijkheid van de motivering van het oordeel dat het OM geen belang heeft bij het hoger beroep. Het hof was immers door middel van de appelmemorie van de officier van justitie en door de advocaat-generaal voldoende kenbaar gemaakt dat het belang van het hoger beroep was gelegen in de bestrijding in rechte van (i) het oordeel van de rechtbank dat er voor de vraag of de verdachte heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie onderscheid moet worden gemaakt tussen strijders uit Syrië zelf en die uit een ander land, en (ii) het oordeel van de rechtbank dat het beschermen van eigen huis en haard tegen terreur van buitenaf geen terrorisme kan en mag heten. Dergelijke oordelen kunnen in andere strafzaken in binnen- en buitenland een rol van betekenis spelen, en daarom moeten het hof en zo nodig de Hoge Raad zich hierover kunnen uitlaten. Dat het OM zijn standpunt hieromtrent ook op andere wijze wereldkundig kan maken, betreft een (volstrekt) onbegrijpelijke overweging van het hof, omdat de publicatie van het standpunt van het OM niet vergelijkbaar is met het oordeel van het hof en (eventueel) dat van de Hoge Raad in de zaak zelf. Ten slotte wijst de steller van het middel erop dat het het OM in hoger beroep vrijstond alsnog een veroordeling van de verdachte na te streven.
Het rechtskader
11. Het rechtsmiddel van hoger beroep staat ingevolge artikel 404 Sv open voor de verdachte en de officier van justitie. Uit de wet en jurisprudentie kan worden afgeleid dat ‘enig in rechte te respecteren belang’ bij het instellen van het rechtsmiddel wel is vereist. Deze (uit het civiele recht afkomstige) regel vindt zijn oorsprong in het Franse ‘point d’intérêt, point d’action’-beginsel.3.
12. Ook in het strafrecht wordt verlangd dat degene die een rechtsmiddel instelt, daarbij een rechtens te respecteren belang heeft. Zo komt het beginsel van point d’intérêt, point d’action tot uitdrukking in artikel 404 Sv waarin is bepaald dat de verdachte geen hoger beroep kan instellen tegen een algehele vrijspraak. Ook in de jurisprudentie komt het beginsel van point d’intérêt, point d’action inmiddels tot uiting, in dagvaardingszaken voor het eerst (nadrukkelijk)4.in HR 22 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9649, NJ 1994/306 m.nt. Van Veen. In die zaak had het hof het OM niet-ontvankelijk verklaard omdat een tweede dagvaarding in de strafzaak van de verdachte te vroeg was uitgebracht terwijl op de eerste dagvaarding nog niet onherroepelijk was beslist. Tegen die beslissing stelde de verdachte cassatieberoep in. De Hoge Raad verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep nu niet kon blijken dat hij daarbij ‘enig in rechte te respecteren belang’ had. In zijn conclusie voorafgaande aan het arrest merkte toenmalig A-G Van Dorst op:
“Het gebruik van een rechtsmiddel tegen een uitspraak waarbij men niets te winnen heeft, hetzij omdat zij in het voordeel van de verdachte geacht moet worden, hetzij omdat eventuele verzuimen bij de vervolgbehandeling ongedaan kunnen worden gemaakt, behoort mijns inziens gesanctioneerd te worden met een niet-ontvankelijkverklaring in het ingestelde beroep. Dit is een uitvloeisel van het aloude point d'intérêt point d'action-beginsel dat op alle rechtsgebieden geldt; (…).”
13. In de jurisprudentie zijn meer voorbeelden te vinden van gevallen waarin de verdachte een rechtsmiddel had aangewend tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het OM door de feitenrechter. Berust de niet-ontvankelijkverklaring op gronden die een hernieuwde vervolging uitsluiten, dan bestaat doorgaans voor de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij de behandeling van hoger beroep of cassatie.5.Dat geldt ook in geval het beroep is gericht tegen de nietigverklaring van de dagvaarding.6.
14. In de zaak die leidde tot HR 2 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5076, NJ 2009/7, was er wel een processueel belang voor het OM. In die zaak had het hof het OM én de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in de door hen ingestelde rechtsmiddelen. Tegen deze uitspraak stelde de advocaat-generaal bij het hof beroep in cassatie in. Blijkens de appelmemorie was dat beroep met name gericht tegen de vrijspraak van het aan de verdachte onder 3 primair ten laste gelegde feit alsmede de strafoplegging. Ter terechtzitting in hoger beroep had de advocaat-generaal echter verklaard dat het OM bij nader inzien bereid was te berusten in het vonnis van de rechtbank indien de verdachte zou afzien van hoger beroep in de ontnemingszaak. Daarover had de advocaat-generaal voorafgaande aan de zitting overleg gevoerd met de verdediging. Nu de verdachte niet bereid bleek aan die voorwaarde te voldoen, had het OM zijn hoger beroep in de strafzaak niet ingetrokken en gehandhaafd. Het hof verklaarde het OM niet-ontvankelijk in zijn hoger-beroep wegens het ontbreken van enig rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het appel en overwoog daartoe dat in de onderhavige strafzaak het handhaven van het appel van het OM blijkbaar uitsluitend was gebaseerd op verdachtes proceshouding in de ontnemingszaak, terwijl niet was aangegeven, noch viel in te zien hoe de uitkomst van de strafzaak doordoor beïnvloed kon worden. De Hoge Raad casseerde echter en oordeelde als volgt:
“In de overwegingen van het Hof ligt als zijn niet onbegrijpelijke oordeel besloten dat het Openbaar Ministerie ten tijde van het instellen van het hoger beroep belang had bij het aanwenden van dit rechtsmiddel. Het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep geen rechtens te respecteren belang meer had bij "voortzetting van het appel", is ontoereikend gemotiveerd. Immers, de enkele omstandigheid dat het Openbaar Ministerie zich bereid heeft verklaard onder voormelde voorwaarde te berusten in de uitspraak van de Rechtbank, aan welke voorwaarde de verdachte niet wenste te voldoen, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat het belang van het Openbaar Ministerie bij het ingestelde hoger beroep is komen te vervallen.”
15. In HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5516, welke zaak wel enige gelijkenis vertoont met de onderhavige zaak omdat ook in die zaak het rechtsmiddel niet zozeer gericht was tegen de uitkomst van de zaak maar zich richtte tegen de motivering daarvan, ging het om het volgende. Ter terechtzitting in eerste aanleg was gebleken dat tijdens het politieonderzoek naar de verdachte en andere leden van de Hells Angels, in strijd met relevante wet- en regelgeving, een groot aantal telefoongesprekken tussen verdachten en hun advocaten (zogeheten geheimhoudersgesprekken) waren opgenomen, uitgewerkt en in enige vorm bewaard waren gebleven. De rechtbank had in haar vonnis overwogen dat dit ernstige, grootschalige en herhaaldelijke inbreuken op de regelgeving rondom de waarborging van het verschoningsrecht opleverden die het vertrouwen van de burger dat hetgeen hij vertrouwelijk met een advocaat bespreekt ook geheim blijft, ondergroeven, en dat het gebrek aan verantwoording hieromtrent door het OM die vertrouwensbreuk versterkte. Nu deze kwestie volgens de rechtbank uitsteeg boven schending van de individuele rechtsbelangen van een verdachte in een concrete strafzaak en raakte aan het vertrouwen in de rechtspleging in haar geheel had de rechtbank, in het onderzoek dat de naam Acroniem droeg, het OM niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van alle verdachten, waaronder de verdachte, ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten.7.De verdachte stelde tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep in. Ter terechtzitting in hoger beroep had de raadsman aangevoerd dat het OM weliswaar terecht en op juiste gronden niet-ontvankelijk was verklaard in de vervolging van de verdachte, maar dat de rechtbank aan die beslissing tevens andere, destijds door de verdediging aangevoerde gronden ten grondslag had moeten leggen. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in zijn beroep en overwoog daartoe dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde hoger beroep. Daarbij nam het hof onder meer in aanmerking dat de verdediging geen andere uitkomst dan niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging had betoogd, dat een hernieuwde vervolging van de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde naar het oordeel van het hof was uitgesloten, alsmede dat een onderzoek naar de legitimiteit van het strafvorderlijk handelen van politie en OM geen zelfstandig doel is van het strafproces.
16. In zijn uitvoerige conclusie voorafgaand aan dit arrest merkte voormalig P-G Silvis met betrekking tot de vraag wat de rechtens te respecteren belangen bij het instellen van een rechtsmiddel in een strafprocedure zijn, het volgende op:
“38. Ik meen dat de Hoge Raad de mogelijkheid van een relevant processueel belang bij een rechtsmiddel tegen de redengeving van een op zich niet onwenselijk geachte beslissing, zoals de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, niet hoeft uit te sluiten. Wel kan in een dergelijk uitzonderlijk geval gevergd worden van degene die van een rechtsmiddel gebruik maakt dat door hem het belang nadrukkelijk wordt onderbouwd.
39. Aan een nadrukkelijk onderbouwd belang bij een rechtsmiddel zal doorgaans ook niet zonder meer voorbij kunnen worden gegaan. Degene die een hem rechtens toekomend rechtsmiddel aanwendt en die daarbij gemotiveerd aangeeft welk belang daarmee is gediend, komt als het gestelde belang niet te gering is of klaarblijkelijk kansloos wordt nagestreefd (vgl. 80a RO), in beginsel het recht toe te vernemen waarom hij geen procesbelang zou hebben. Daaraan hoeft, meen ik, geen afbreuk te doen dat het kan gaan om een belang bij een verweer dat betrekking heeft op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging waarvoor niet geldt het in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, omdat het een verweer betreft waarop ingevolge art. 358, derde lid, Sv al bepaaldelijk moet worden beslist. Voor een beslissing op een dergelijk verweer geldt het motiveringsvoorschrift van de eerste volzin van eerstgenoemde bepaling (vgl. HR 29 april 2008, LJN BB8977, NJ 2009/130, rov. 6.3 1., HR 27 september 2011, LJN BS1708, NJ 2011/518). De eventueel aan te nemen antwoordplicht aangaande een gesteld en onderbouwd belang bij een verweer is immers te onderscheiden van de motiveringsplicht die geldt aangaande dat verweer als zodanig.
40. Uit een recent arrest kan wellicht worden opgemaakt dat een klacht over de redengeving in cassatie niet altijd hoeft af te stuiten op het feit dat de beslissing niet wordt bestreden. In ieder geval geldt dat voor de bespreking van de klacht. Ik doel op HR 26 juni 2012, LJN BV1642. A-G Machielse adviseert in zijn voorafgaande conclusie het besproken middel van cassatie van het openbaar ministerie betreffende verkeerde uitleg van art. 359a Sv te verwerpen:
"Nu ook de AG in hoger beroep heeft gevorderd dat het hof tot deze beslissing zou komen heeft het OM geen belang bij vernietiging van het arrest op grond van een verkeerde uitleg door het hof van art. 359a Sv."
41. De Hoge Raad oordeelt vervolgens, na een bespreking, aangaande dat middel:
"3.6. Hieruit volgt dat de tegen dit oordeel gerichte klacht van de Advocaat-Generaal bij het Hof gegrond is, en dat het middel van de verdachte, dat uitgaat van de toepasselijkheid van art. 359a Sv, faalt. De gegrondheid van de klacht van de Advocaat-Generaal bij het Hof leidt nochtans niet tot cassatie nu niet is aangevoerd dat en in welk opzicht het Hof (ten onrechte en/of onjuiste) rechtsgevolgen heeft verbonden aan het (ten onrechte) aangenomen vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv."
42. Door te kijken naar de verbonden rechtsgevolgen, die mogelijk meer omvatten dan de bundel beslissingen, kan in beginsel ook een belang bij een middel in beeld komen waarmee in strikte zin geen andere beslissing wordt gezocht. Dat past in het systeem waarin de appelrechter een vonnis waarin hij zich wat betreft de gronden niet kan verenigen, bevestigt met aanvulling of verbetering van gronden. Daarmee wordt gedoeld op de motivering van de beslissingen, zoals nader geregeld in art. 359, art. 359a lid 3 en art. 360 Sv (HR 8 februari 2011, LJN BP8700; HR 13 juli 2010, LJN BM0256).”8.
17. De Hoge Raad deed de zaak kort af en overwoog:
“De aan het oordeel van het Hof ten grondslag liggende rechtsopvatting dat een verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als hij geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde hoger beroep, is juist. 's Hofs oordeel dat in het onderhavige geval de verdachte om die reden in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de door de verdachte beoogde uitkomst van de zaak overeenkomt met de uitspraak van de Rechtbank.”
18. Ook uit laatstgenoemd arrest kan worden afgeleid dat een processueel belang bij het instellen van een rechtsmiddel is vereist en dat het hof de verdachte (en het OM) niet-ontvankelijk in het hoger beroep kan verklaren indien hij (het OM) geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde hoger beroep. Met voormalig P-G Silvis ben ik echter van mening dat het te ver gaat om te concluderen dat een procesbelang bij een rechtsmiddel nimmer aanwezig is indien uitsluitend over de redengeving van een beslissing wordt geklaagd maar de beslissing zelf niet wordt bestreden. Dat geldt mijns inziens des te meer wanneer het rechtsmiddel wordt aangewend door het OM. Van Dorst & Borgers wijzen er in dit verband op dat een rechterlijke beslissing van zodanig juridisch of maatschappelijk belang kan zijn dat het gewenst voorkomt om het oordeel van de Hoge Raad uit te lokken. Zo zal de vraag of (door het OM) cassatie moet worden ingesteld zich vaak voordoen bij rechtsvragen waarmee de praktijk regelmatig geconfronteerd wordt, zodat een duidelijk beslissing van de Hoge Raad uit het oogpunt van rechtseenheid gewenst is. In dit verband kan (onder meer) gedacht worden aan de verandering van heersende rechtsopvattingen of het gevaar dat een onjuist geachte beslissing door andere rechters wordt overgenomen. In die gevallen is het van belang dat de Hoge Raad duidelijkheid schept en staat de vraag of de feitenrechter tot een juist eindoordeel is gekomen op het tweede plan. Deze achtergrond kan verklaren waarom bij een beroep van het OM het vereiste van voldoende belang bij cassatie een minder geprononceerde rol speelt dan bij een beroep van de verdachte. Dat belang wordt als het ware voorondersteld, aldus Van Dorst & Borgers.9.
19. Verdedigbaar is dat het OM om dezelfde redenen als hiervoor genoemd voldoende belang heeft bij het instellen van hoger beroep, ook wanneer in hoger beroep uitsluitend over de redengeving van de beslissing wordt geklaagd. Daar waar het belang van de verdachte vooral zal zijn gelegen in het feit dat hij ‘iets te winnen’ heeft met het instellen van een rechtsmiddel en hij in hoger beroep dus doorgaans ook het eindoordeel zal moeten bestrijden om voldoende belang te hebben bij het ingestelde rechtsmiddel, hoeft dit voor het OM niet steeds zo te zijn. Het belang van het OM kan ook (en uitsluitend) zijn gelegen in het verkrijgen van duidelijkheid over bepaalde rechtsvragen, ook al staat het eindoordeel van de feitenrechter voor het OM niet zozeer ter discussie.10.Wel kan in die gevallen waarin het rechtsmiddel uitsluitend is gericht tegen de redengeving van de beslissing van degene die het rechtsmiddel instelt worden verlangd dat hij zijn belang uitdrukkelijk motiveert. Het oordeel van het hof omtrent het belang bij het ingestelde rechtsmiddel kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.
De beoordeling van de voorliggende zaak
20. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Voor zover het middel klaagt dat het hof bij zijn oordeelsvorming toepassing heeft gegeven aan een onjuiste maatstaf, faalt het. De aan het oordeel van het hof ten grondslag liggende rechtsopvatting dat het OM in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde hoger beroep, is juist.
21. De vraag die vervolgens voorligt, is of het oordeel van het hof dat het OM geen rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van hoger beroep – in het licht van hetgeen de advocaat-generaal daaraan ten grondslag heeft gelegd – begrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.
22. Nu het door het OM ingestelde hoger beroep zich in dit geval (uitsluitend) richt tegen de motivering van de beslissing van de rechtbank en niet zozeer het eindoordeel van de rechtbank bestrijdt, mag van het OM worden verlangd dat het nader onderbouwt welk belang het heeft bij het instellen van het hoger beroep. Daartoe heeft de advocaat-generaal – samengevat – aangevoerd (ik herhaal) dat het belang van het hoger beroep is gelegen in de bestrijding in rechte van (i) het oordeel van de rechtbank dat er voor de vraag of de verdachte heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie onderscheid moet worden gemaakt tussen strijders uit Syrië zelf en die uit een ander land, en (ii) het oordeel van de rechtbank dat het beschermen van eigen huis en haard tegen terreur van buitenaf geen terrorisme kan en mag heten. Volgens het OM kunnen dergelijke oordelen in andere strafzaken in binnen- en buitenland een rol van betekenis spelen, en daarom moeten het hof en zo nodig de Hoge Raad zich hierover kunnen uitlaten.
23. In het licht van hetgeen het OM heeft aangevoerd, acht ik het oordeel van het hof dat het OM geen rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van het hoger beroep niet zonder meer begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Zonder nadere motivering die ontbreekt, is immers niet begrijpelijk waarom het belang van het OM om in dit geval een oordeel van het hof en eventueel de Hoge Raad uit te lokken, geen rechtens te beschermen belang oplevert. De enkele overweging dat de door het OM beoogde doelen ook op andere wijze kunnen worden nagestreefd, volstaat mijns inziens niet. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.
Slotsom
24. Het middel slaagt.
25. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑10‑2022
Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2021, p. 7, en zie het vonnis d.d. 11 maart 2021, p. 2.
Vgl. E. Korthals Altes & H.A. Groen in Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 47: “De mogelijkheid rechtsschendingen bij de Hoge Raad aan te vechten wordt beperkt door de norm dat een rechtsvordering, een verweer of een rechtsmiddel niet toekomt aan hem die daarbij geen voldoende belang heeft, art. 3:303 BW. Theoretisch gegronde cassatieklachten blijven in beginsel buiten onderzoek, indien herstel van de gemaakte fout voor de eiser geen nuttig effect zou teweegbrengen. De oorsprong van de regel ligt in Frankrijk. Het adagium point d’intérêt, point d’action werd lange tijd in de Franse rechtspraak als axioma aangenomen. De regel is nu vastgelegd in de Code de procédure civile. (…) Een beginsel dat appelleert aan het gezonde verstand vindt gemakkelijk ingang. Het rechterlijke apparaat behoort niet zonder voldoende aanleiding in beweging te worden gebracht. Niemand mag een ander overlast aandoen en de rechter nutteloos werk doen verrichten door een geschil op te werpen of een verweer te voeren dat niet tot enig praktisch resultaat kan leiden. (…) De Nederlandse rechtspraak gedraagt zich sedert lang naar de regel dat wie geen belang heeft geen recht toekomt daarover te procederen.”
Vgl. A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 64-65.
Vgl. HR 18 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0652, NJ 1997/411. Zie ook HR 19 maart 1996, DD 96.310, en HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5831.
HR 3 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2917; HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6126.
Deze samenvatting heb ik overgenomen uit de conclusie van Silvis voorafgaand aan HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5516 (vgl. het kopje ‘achtergrond van de zaak’).
Vgl. in gelijke zin: P-G Fokkens voorafgaand aan HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5831 (vervolg Schiedammer parkmoord): “Belang bij cassatie ontbreekt indien vernietiging van de bestreden uitspraak geen relevante gevolgen heeft voor de partij die het beroep heeft ingesteld. Die vraag moet worden onderscheiden van de vraag of het middel zich richt tegen een bepaalde beslissing of slechts klaagt over de motivering van een op zich niet bestreden beslissing. Ook als het middel zich richt tegen een onjuist geachte beslissing kan de klagende partij geen belang hebben bij cassatie en omgekeerd is belang bij cassatie ook mogelijk als niet de beslissing maar de motivering daarvan wordt bestreden.”
Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 171-172, en de in voetnoot 672 genoemde arresten: HR 16 december 1975, nr. 67.940, NJ 1976/204 (OM-cassatie tegen een vonnis van de politierechter omdat het OM, alhoewel het zich kon vinden in het oordeel van de politierechter, meende dat het van groot belang was te weten hoe de Hoge Raad dacht over het wel of niet verbindend zijn van een gemeentelijke verordening), HR 15 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:AC3982, NJ 1991/668 (het OM had, hoewel het zich, in de lijn van het requisitoir in hoger beroep, op hoofdlijnen zeer wel kon verenigen met het oordeel van het hof, beperkt cassatieberoep ingesteld in verband met het belang van helderheid omtrent de aangesneden rechtsvragen voor de strafrechtelijke aanpak van computercriminaliteit in de toekomst) en HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:AB3188 (hoewel de advocaat-generaal zich kon verenigen met de door het hof opgelegde sanctie ging hij in cassatie wegens een in de praktijk levende behoefte aan duidelijkheid over de vraag of in economische zaken een taalstraf kan worden opgelegd).
Vgl. in dit verband bijvoorbeeld ook HR 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9673. Het betrof een OM-cassatie in een ontnemingszaak. De advocaat-generaal had gevorderd dat het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op fl. 153.692,66 en dat voor dat bedrag een betalingsverplichting zou worden opgelegd. Het Hof had het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op fl. 259.792,34. Ten aanzien van de op te leggen betalingsverplichting had het Hof overwogen: 'Nu de advocaat generaal een bedrag van 153.692,66 heeft gevorderd, zal het Hof niet boven dat bedrag uitgaan'. De Hoge Raad overwoog wat betreft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep: “3.1. Namens de betrokkene is aangevoerd dat de Advocaat-Generaal bij het Hof niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn cassatieberoep, nu de door het Hof opgelegde betalingsverplichting gelijk is aan hetgeen te dier zake door hem is gevorderd, zodat hij geen belang heeft bij zijn beroep. 3.2. Anders dan is aangevoerd, volgt uit de enkele omstandigheid dat de rechter heeft beslist overeenkomstig de vordering van het openbaar ministerie, niet zonder meer dat het openbaar ministerie geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn beroep tegen die beslissing. De Advocaat-Generaal bij het Hof kan derhalve worden ontvangen in zijn cassatieberoep.”
Beroepschrift 12‑11‑2021
CASSATIESCHRIFTUUR
Kenmerk: 22-000877-21
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 9 september 2021, waarbij het Hof in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1996,
de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
Rekwirant kan zich met deze beslissing en de motivering daarvan niet verenigen en draagt het hierna volgende middel van cassatie voor.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, waarbij in het bijzonder is geschonden althans niet is nageleefd art. 167 en/of art. 404 Sv, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, het Hof met zijn oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep omdat het openbaar ministerie daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft, met miskenning van het hier toepasselijke toetsingskader, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat zijn oordeel hieromtrent onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, meer in het bijzonder Ahrar al-Sham. In eerste aanleg had de officier van justitie betoogd dat Ahrar al-Sham kan worden aangemerkt als een terroristische organisatie, maar dat er geen bewijs voorhanden was dat verdachte — in de zin van het vereiste onvoorwaardelijk opzet — heeft geweten dat Ahrar al-Sham een terroristische organisatie was in de tenlastegelegde periode. Om die reden had de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak.
1.2
De Rechtbank heeft bij vonnis van 11 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2057, NJFS 2021/231, verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde en daartoe het volgende overwogen:
‘(De) (…) conclusie (dient) te zijn dat Ahrar al-Sham dan wel als terroristische organisatie is aan te merken, maar dat dat nog niet betekent dat elke deelname aan Ahrar al-Sham ook strafbare deelneming aan een terroristische organisatie meebrengt. In dit verband is van belang op te merken dat deelname aan een gewone criminele organisatie strafbaar is als de verrichte gedraging strekt tot of rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het criminele oogmerk (HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264). Vertaald naar de terroristische organisatie betekent dit dat deelname strafbaar is als de gedraging strekt tot of rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk. Als het gaat om buitenlandse strijders die zich bij zo'n organisatie aansluiten is bewijs van deelname aan de organisatie op zich al voldoende voor bewijs van een rechtstreekse bijdrage aan de verwezenlijking van het terroristische oogmerk. Zij zorgen immers voor getalsmatige versterking en sluiten zich aan bij de ideologie van die organisatie. Voor Syrische strijders daarentegen die wonen in het gebied dat onder controle staat van zo'n organisatie kan dat anders zijn en wel in het geval als de onderhavige. De burgerwacht beschermt, als gezegd, de stad tegen terreur van het regime. De leden worden daarbij gefaciliteerd door Ahrar al-Sham, dat ook door de Syriërs en de verdachte zelf wordt gezien als organisatie die tegen de terreur van het regime beschermt. Door de eigen stad te beschermen tegen terreur, levert de burgerwacht naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreekse bijdrage aan de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van de organisatie die deze burgerwacht organiseert. Anders gezegd, het beschermen van eigen huis en haard tegen terreur kan en mag geen terrorisme heten, ook niet als dit wordt georganiseerd en gefaciliteerd door een terroristische organisatie.’
1.3
Tegen dit vonnis heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld. In zijn appelmemorie heeft hij aangegeven dat het hoger beroep zich richt tegen het door de Rechtbank gehanteerde toetsingskader, onder meer omdat de Rechtbank onderscheid maakt tussen buitenlandse strijders en strijders afkomstig uit Syrië zelf. Hij heeft daartoe (onder meer) gesteld:
‘De rechtbank overweegt in haar vonnis dat het beschermen van eigen huis en haard tegen de ‘terreur van het regime’ geen terrorisme mag heten. Door de gedragingen van het Syrische regime als zodanig te kwalificeren, laat zij zich uit over de gevoerde strijd in het conflictgebied en geeft hiermee min of meer een rechtvaardigingsgrond voor het handelen van de verdachte. Hiermee gaat de rechtbank ver buiten het door haar te hanteren toetsingskader, waarin slechts aan de orde is of de verdachte heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. De rechtbank kan niet op basis van dit dossier tot het oordeel komen dat de vermeende gedragingen van de Syrische overheid waartegen het handelen van de verdachte gericht was, gekwalificeerd kunnen worden als terreur. Daarvoor is het Syrische conflict, waarin gewapende groeperingen zich verzetten tegen het regime, te complex en biedt het onderhavige dossier te weinig aanknopingspunten.
Het Openbaar Ministerie kan zich voorts niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat ‘wachtlopen’ in de onderhavige strafzaak geen strafbare deelnemingshandeling is. De rechtbank motiveert dit met de overweging dat het wachtlopen in dit geval niet strekt tot of rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van Ahrar al-Sham, omdat de verdachte enkel zijn eigen huis en haard zou hebben willen beschermen. De rechtbank lijkt dit te als een soort rechtvaardigingsgrond te zien, terwijl dit het motief van verdachte betreft.
Naar de mening van het Openbaar Ministerie past de rechtbank in dit vonnis een verkeerd toetsingscriterium toe. Van deelneming aan een terroristische organisatie is volgens vaste jurisprudentie slechts sprake wanneer de verdachte:
- —
tot de organisatie behoort;
- —
een aandeel heeft, dan wel ondersteunende gedragingen verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van terroristische misdrijven;
- —
en hij wetenschap heeft van dat oogmerk.
De rechtbank maakt in haar overwegingen met betrekking tot het aandeel van verdachte (tweede gedachtestreepje) een distinctie tussen buitenlandse strijders en strijders afkomstig uit Syrië zelf. Daarbij ziet de rechtbank het kennelijk zo dat de bewijslast met betrekking tot strijders afkomstig uit Syrië zwaarder is. De door de rechtbank gestelde eis aan de gedraging van de verdachte is te zwaar en vindt zijn grondslag in wet noch jurisprudentie.
Vaststaat dat verdachte meerdere keren bewapend heeft deelgenomen aan een door of ten behoeve van Ahrar al-Sham georganiseerde wachtgroep. Ahrar al-Sham is blijkens staande (inter)nationale jurisprudentie een terroristische organisatie, zoals de rechtbank terecht ook overweegt.
Het oogmerk van de terroristische organisatie in kwestie is onder meer het omverwerpen van het regime van Bashar al-Assad en het oprichten van een eigen (islamitische) staat, middels het plegen van terroristische misdrijven. Om die doelstelling te behalen, moet Ahrar al-Sham gebied in handen krijgen en hebben. Het feit dat er een grenswacht is, die gefaciliteerd is door Ahrar al-Sham, maakt dat het gebied, in dit geval [a-plaats], niet langer in handen is van het regime van Assad, maar onder controle is van Ahrar al-Sham. Door wacht te lopen (ribaat) voor een wachtgroep van Ahrar al-Sham, heeft verdachte ondersteunende gedragingen verricht die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van Ahrar al-Sham, ook al was zijn bedoeling daarmee (motief) slechts het beschermen van eigen huis en haard. Zijn motief maakt de deelnemingshandeling niet minder strafbaar.’
1.4
Ter zitting van 9 september 2021 heeft advocaat-generaal het volgende aangevoerd:
‘Artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering en verder, en het systeem van de wet, geven geen beperkingen voor het Openbaar Ministerie om in het onderhavige geval hoger beroep in te stellen.
De vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bepaalt dat er bij het instellen van hoger beroep enig in rechte te respecteren belang moet zijn. Ik zal uiteen zetten waarom dat belang er voor het Openbaar Ministerie is.
Uit de appelmemorie van de officier van justitie blijkt dat de grieven van het Openbaar Ministerie tegen het vonnis waarvan beroep zien op de vrijspraakmotivering van de rechtbank. Ik schaar mij achter deze grieven, omdat het Openbaar Ministerie zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat niet elke deelname aan de terroristische organisatie Ahrar al-Sham strafbaar is. De rechtbank overweegt dat het lopen als burgerwacht, dat wordt georganiseerd en gefaciliteerd door Ahrar al-Sham, waarmee de verdachte zijn huis en haard wilde beschermen tegen het regime van Assad, geen rechtstreekse bijdrage oplevert voor een terroristisch oogmerk en de verdachte met dit handelen niet heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. De rechtbank maakt onderscheid tussen buitenlandse strijders en Syrische strijders. Buitenlandse strijders zouden in dit geval wel strafbaar zijn en de Syrische strijders niet.
Deze motivering is anders dan door de officier van justitie is betoogd. Door hem is namelijk betoogd dat de verdachte geen wetenschap had van het terroristische oogmerk van de organisatie en dat op die gronden de verdachte had moeten worden vrijgesproken.
Het zal niet de laatste keer zijn dat een Syrische verdachte in Nederland wordt vervolgd voor gepleegde misdrijven in zijn of haar land van herkomst. De boodschap van de rechtbank is mijns inziens dat Syrische onderdanen zich gewapend kunnen aansluiten in eigen land en dat voor hun handelen een rechtvaardigingsgrond bestaat. Deze motivering van de rechtbank zal impact hebben op de Nederlandse en internationale jurisprudentie en ook veel teweeg brengen in internationale verbanden. Er zal gewezen worden naar hetgeen de rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld: het is niet strafbaar je als Syriër in Syrië aan te sluiten bij een terroristische organisatie en je mag meevechten tegen het regime van Assad.
Kort gezegd is het belang van het Openbaar Ministerie bij het ingestelde hoger beroep dus dat de motivering van de rechtbank grote gevolgen heeft voor de jurisprudentie en voor de meningen die in internationaal verband worden geventileerd.
Desgevraagd door de voorzitter meen ik niet dat de motivering van het vonnis waarvan beroep de heersende leer is, maar er zal bij instandhouding van het vonnis wel naar worden verwezen. Het heeft daarom effect hoger beroep tegen dat vonnis in te stellen.
Desgevraagd door de voorzitter wens ik naar voren te brengen dat het Openbaar Ministerie ook oog heeft voor de belangen van de persoon van de verdachte. Het vertrouwensbeginsel speelt op in het geval dat de officier van justitie vrijspraak vordert, de rechtbank vervolgens de verdachte vrijspreekt, maar de officier van justitie alsnog hoger beroep instelt. Er spelen zoals reeds uiteengezet tevens andere belangen die maken dat mijns inziens het Openbaar Ministerie ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep.
Daarbij komt dat op voorhand aan de verdediging is gecommuniceerd dat ik niet uitsluit dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep toch tot een bewezenverklaring zou kunnen komen. Bij deze stand van zaken ga ik daar niet van uit, maar het zou kunnen, mede omdat het hof de zaak opnieuw moet beoordelen. Ik verwijs hiervoor naar een conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, ECLI:NL:PHR:2021:605, waaruit blijkt dat de akte tot het instellen van hoger beroep leidend is, maar de inhoud van de appelschriftuur niet. Het kan dus zo zijn dat in hoger beroep punten aan de orde komen, die blijkens de appelschriftuur in eerste instantie niet aan de orde zouden komen. De verdediging kan in die zin geen vertrouwen ontlenen aan de inhoud van de appelschriftuur van het Openbaar Ministerie.
Desgevraagd door de jongste raadsheer deel ik mede dat ik mij op dit moment aansluit bij de grieven van de officier van justitie zoals neergelegd in de appelmemorie.
(…)
Uw hof is door het ingestelde hoger beroep in de gelegenheid een oordeel te geven in de onderhavige zaak. Niet alle zaken zijn hetzelfde, waardoor de motivering niet in alle zaken hetzelfde is. Ik persisteer bij hetgeen ik naar voren heb gebracht over het belang van het Openbaar Ministerie bij het ingestelde hoger beroep.’
1.5
Het Hof heeft in het bestreden arrest de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe overwogen:
‘Het hof is van oordeel dat het Openbaar Ministerie gelet op de motivering van de advocaat-generaal, geen rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van het hoger beroep. Nog daargelaten de vraag of de advocaat-generaal de gewraakte overwegingen van de rechtbank accuraat heeft weergegeven, is het hof van oordeel dat de door het Openbaar Ministerie beoogde doelen ook op andere wijze kunnen worden nagestreefd, bijvoorbeeld door het standpunt van het Openbaar Ministerie in andere (vergelijkbare) strafzaken naar voren te brengen en/of via (wetenschappelijke) publicaties wereldkundig te maken.’
2.1
De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109, en 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:947, NJ 2014/145).
2.2
Voor zover al aangenomen zou moeten worden dat art. 167 Sv alleen betrekking heeft op de initiële vervolgingsbeslissing, heeft het daarin tot uitdrukking gebrachte opportuniteitsbeginsel een ruimere werking en beperkt dit zich niet slechts tot de opportuniteit van de initiële vervolgingsbeslissing. Dit beginsel heeft ook betrekking op de voortzetting van de vervolging, waaronder ook de beslissing tot het instellen van hoger beroep door de officier van justitie. Dit volgt mede uit het feit dat de Hoge Raad in zijn hiervoor onder 2.1 vermelde arresten steeds mede spreekt over de voortzetting van de vervolging. Daarmee wordt naar de mening van rekwirant niet alleen gedoeld op de voortzetting van de vervolging door middel van het uitbrengen van een dagvaarding nadat daarvoor al eerdere daden van vervolging hebben plaatsgevonden — waaronder bijvoorbeeld in het kader van het voorbereidend onderzoek en/of van de voorlopige hechtenis — maar dus ook op andere beslissingen van het openbaar ministerie die ertoe leiden dat de vervolging wordt voortgezet.
Dit brengt mee dat ook de beslissing van het openbaar ministerie om de vervolging voort te zetten door na een vrijsprekend vonnis hoger beroep in te stellen zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep omdat het openbaar ministerie daarbij geen rechtens te respecteren belang zou hebben.
3.1
Gelet op het voorgaande heeft het Hof naar de mening van rekwirant het strenge toetsingskader dat geldt om tot het oordeel te kunnen komen dat de officier van justitie op de door het Hof aangegeven grond niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep, miskend en daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Tevens, en ook indien aangenomen zou moeten worden dat het hiervoor onder 2.2 weergegeven toetsingskader niet geldt ten aanzien van de beslissing van de officier van justitie om hoger beroep in te stellen, is het oordeel van het Hof dat het openbaar ministerie geen rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van hoger beroep ontoereikend gemotiveerd, althans is zijn oordeel niet zonder meer begrijpelijk, mede gelet op hetgeen door de officier van justitie in zijn appelschriftuur en door de advocaat-generaal ter zitting is aangevoerd (vgl. HR 2 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5076, NJ 2009/7). Het is immers volstrekt duidelijk dat het hoger beroep zich richtte tegen het oordeel van de Rechtbank — kort gezegd — dat voor de vraag of sprake is van deelneming aan een organisatie met een terroristisch oogmerk in Syrië, van belang kan zijn of de ‘strijder’ afkomstig is uit Syrië zelf, dan wel uit een ander land, alsmede de overweging van de Rechtbank dat in het onderhavige geval ‘het beschermen van eigen huis en haard’ tegen terreur geen terrorisme kan en mag heten. De advocaat-generaal heeft ter zitting ook aangegeven dat en waarom deze vraag, naast het belang van de onderhavige zaak, ook van belang is voor de rechtspraktijk en dat het oordeel van de Rechtbank impact zal hebben op de Nederlandse en internationale jurisprudentie en ook veel teweeg zal brengen in internationale verbanden. Daarmee heeft de advocaat-generaal tot uitdrukking gebracht dat het van groot belang is dat het Hof zich hierover zal uitlaten, zodat hierover in hoogste feitelijke instantie duidelijkheid komt. Zoals AG Knigge in zijn conclusie voor HR 2 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5076, NJ 2009/7 heeft gesteld, is het belang dat een procespartij bij een rechtsmiddel heeft, zijn belang om een andere, beter geachte beslissing te krijgen. Naast dat belang staan andere belangen, die voor de procespartij soms zwaarder wegen, maar die niet maken dat hij geen belang bij het rechtsmiddel heeft, aldus Knigge.
3.2
De overweging van het Hof in dit kader dat de door het openbaar ministerie beoogde doelen ook op ander wijze kunnen worden nagestreefd, bijvoorbeeld door het standpunt van het Openbaar Ministerie in andere (vergelijkbare) strafzaken naar voren te brengen en/of via (wetenschappelijke) publicaties wereldkundig te maken, is naar de mening van rekwirant volstrekt onbegrijpelijk. Dit is immers niet te vergelijken met een oordeel hieromtrent van het Hof als hoogste feitelijke instantie en mogelijk in vervolg daarop een oordeel van de Hoge Raad naar aanleiding van een tegen het arrest van het Hof ingesteld beroep in cassatie door de verdachte en/of het openbaar ministerie. Dat uit een eerdere uitspraak van het Hof — de oudste raadsheer heeft hiervoor tijdens de behandeling ter terechtzitting van 9 september 2021 verwezen naar Hof Den Haag 18 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2492 — zou kunnen worden afgeleid dat in een vergelijkbare zaak de verdachte wel is veroordeeld voor deelname aan een terroristische organisatie, maakt dit niet anders, reeds omdat dit punt in dat arrest niet expliciet aan de orde is geweest. Juist daarom bestaat er een rechtens te respecteren belang voor het openbaar ministerie om een expliciete uitspraak te krijgen omtrent de vraag of, en in hoeverre, in het onderhavige geval van belang is dat verdachte op het moment van het tenlastegelegde zelf woonachtig was in [land] en, in de woorden van de Rechtbank, zijn eigen stad beschermde ‘tegen terreur van het regime’, te weten het regime van de Syrische president Assad.
3.3
Voor zover in de overwegingen van het Hof besloten ligt dat het mede van belang achtte dat de officier van justitie in zijn appelschriftuur had aangegeven dat verdachte ook in hoger beroep zou moeten worden vrijgesproken, geldt dat de advocaat-generaal, onder verwijzing naar een conclusie van AG Hofstee (ECLI:NL:PHR:2021:605), terecht heeft aangegeven dat het openbaar ministerie in hoger beroep kan afwijken van de door de officier van justitie in zijn appelschriftuur aangedragen grieven tegen het bestreden vonnis. Daaronder valt ook dat het de advocaat-generaal, binnen de grenzen van de omvang van het bij akte ingestelde hoger beroep, vrij staat om (gemotiveerd) af te wijken van de eerder door de officier van justitie in zijn appelschriftuur betrokken stelling dat ook het Hof tot vrijspraak zou moeten komen, zij het op andere gronden dan de Rechtbank heeft gedaan. In dat kader is van belang dat de advocaat-generaal ter zitting expliciet heeft aangegeven dat hij niet uitsluit dat het openbaar ministerie in hoger beroep toch tot een bewezenverklaring zou kunnen komen. Dit was ook op voorhand per e-mail van 20 juli 2021 bericht aan zowel de raadsvrouw van verdachte als aan het Hof, welk e-mailbericht zich, naar rekwirant aanneemt, bevindt in het dossier waarover de Hoge Raad beschikt.
4.
Zoals hiervoor betoogd, stelt rekwirant zich dan ook op het standpunt dat het Hof met zijn oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep, omdat het openbaar ministerie daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft, met miskenning van het hier toepasselijke toetsingskader, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat zijn oordeel hieromtrent onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Indien het cassatiemiddel doel treft zal het arrest van het Hof Den Haag van 9 september 2021 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 12 november 2021
mr H.H.J. Knol
advocaat-generaal bij het ressortsparket