Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/1.4.1:1.4.1 Art. 2:9 BW — aansprakelijkheid jegens de vennootschap
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/1.4.1
1.4.1 Art. 2:9 BW — aansprakelijkheid jegens de vennootschap
Documentgegevens:
mr. D.A.M.H.W. Strik, datum 20-07-2010
- Datum
20-07-2010
- Auteur
mr. D.A.M.H.W. Strik
- JCDI
JCDI:ADS433420:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van den 28sten Mei 1925, Stbl. N0 204, houdende nieuwe wettelijke regeling van de Cobperatieve Vereeniging.
Wet van den 2 den Juli 1928 (Stbl. N0 216) tot wijziging en aanvulling van de bepalingen omtrent de naamlooze vennootschap en regeling van de aansprakelijkheid voor het prospectus, in werking getreden op 1 april 1929.
Bij het ter perse gaan van dit proefschrift was het Wetsvoorstel Bestuur en Toezicht aangenomen in de Tweede Kamer.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 2:9 BW is de hoofdnorm neergelegd voor de taakvervulling van bestuurders en de aansprakelijkheid van de bestuurders jegens de vennootschap wegens onbehoorlijke vervulling van die taak. De bepaling, die van kracht is sinds 1 januari 19921, luidt als volgt:
"Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak Indien het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van twee of meer bestuurders behoort, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk terzake van een tekortkoming, tenzij deze niet aan hem is te wijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden."
Hoewel deze bepaling dat niet expliciet vermeldt, wordt algemeen aangenomen dat art. 2:9 BW van besturen een collectieve aangelegenheid maakt en in principe een hoofdelijke aansprakelijkheid met zich brengt in geval van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur.
Een dergelijke bepaling is voor het eerst opgenomen in onze wetgeving in 1925, in art. 31 Wet op de CoiSperatieve Vereeniging:2
"1. Iedere bestuurder is tegenover de cooperatieve vereeniging aansprakelijk wegens tekortkomingen bij de vervulling der hem opgedragen taak
2.Indien eene tekortkoming betreft eene aangelegenheid, welke behoort tot den werkkring van meer dan een bestuurder, zijn deze allen deswege hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk: niet aansprakelijk is echter hij die bewijst, dat de tekortkoming aan hem niet te wijten is en dat hij zoo spoedig mogelijk de in zijn bereik liggende maatregelen heeft genomen om de gevolgen daarvan af te wenden.
3.Voor de toepassing van het voorgaand lid, wordt de bestuurder geacht kennis te hebben gekregen van al datgene, wat hem bij eene richtige waarneming zijner betrekking niet onbekend gebleven zou zijn. "
Vervolgens werd in 1929 een variant op deze bepaling opgenomen in Art. 47c (oud) Wetboek van Koophandel, dat ook van toepassing was op naamloze vennootschappen:3
"Elke bestuurder is tegenover de vennootschap gehouden tot eene behoorlijke vervulling der hem opgedragen taak
De aansprakelijkheid te dezer zake is een hoofdelijke voor het geheel, indien het betreft eene aangelegenheid, welke behoort tot den werkkring van meer bestuurders. Niet aansprakelijk is echter de bestuurder, die bewijst, dat het feit aan hem niet te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden."
Sinds 1925 is de oorspronkelijk in art. 31 Wet op de Co0peratieve Vereenigingen neergelegde regeling in essentie niet veranderd. Het was ook niet de bedoeling van de ontwerpers van het huidige art. 2:9 BW om de regeling inhoudelijk te wijzigen ten opzichte van die bepaling.
Ter facilitering van een zgn. one tier board — een bestuursmodel waarin zowel uitvoerende als niet-uitvoerende bestuurders zitting hebben — is in 2008 het Wetsvoorstel Bestuur en Toezicht ingediend, waarin onder meer wordt voorgesteld om art. 2:9 BW als volgt te wijzigen:4
"1. Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld.
2. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur; tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden."
Art. 2:9 BW staat centraal in hoofdstuk 2, waarin de aard van het in de jurisprudentie voor aansprakelijkheid uit hoofde van deze bepaling ontwikkelde criterium ernstig verwijt wordt onderzocht. In hoofdstuk 3 wordt deze bepaling verder besproken, in het bijzonder de in deze bepaling vervatte gedragsnorm, en de voor deze bepaling toepasselijke toerekeningsmaatstaf en rechterlijke toetsingsstandaard.
In hoofdstuk 4 wordt art. 2:9 BW behandeld in het kader van het vraagstuk van collegiaal bestuur en disculpatie van individuele bestuurders. Onderzocht wordt wat het effect is van een taakverdeling binnen het bestuur op de aansprakelijkheid van de individuele bestuurder. In hoofdstuk 5 komt vervolgens een bijzondere vorm van taakverdeling binnen het bestuur aan de orde: de one tier-board. In dat hoofdstuk ga ik in op het huidige art. 2:9 BW, de voorgestelde wijziging van die bepaling volgens het Wetsvoorstel Bestuur en Toezicht en de aansprakelijkheid van niet-uitvoerende bestuurders volgens beide versies van art. 2:9 BW. In Hoofdstuk 6 komt de verhouding tussen art. 2:9 BW en 2:139 BW aan de orde. In hoofdstuk 9 wordt bezien wanneer art. 2:9 BW tot aansprakelijkheid van bestuurders kan leiden in geval van falend risicomanagement.