Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/7.3.3
7.3.3 Het Belgische recht
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90828:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Hellebuyk 2014, Commentaar bij art. 69 Pandwet, nr. 1.
Del Corral 2013, nr. 219.
Dirix, RW 1997-98, nr. 25.
Vóór de invoering van de Pandwet gold een belangrijke beperking voor de effectuering van het eigendomsvoorbehoud. Buiten faillissement kon de leverancier slechts zijn eigendom revindiceren als geen sprake was van een geval van samenloop. Een andere schuldeiser mocht bijvoorbeeld geen beslag hebben gelegd op de zaak. In andere gevallen van samenloop gold het eigendomsvoorbehoud alleen tussen de leverancier en koper en kon het niet jegens derden worden ingeroepen. Zo kon het eigendomsvoorbehoud bijvoorbeeld niet worden ingeroepen bij een collectieve schuldenregeling of gerechtelijke reorganisatie. Ook kon de leverancier zijn eigendomsvoorbehoud niet tegenwerpen aan een andere schuldeiser die beslag heeft gelegd op de zaak. Tijdens faillissement kon de leverancier het eigendomsvoorbehoud wel tegenwerpen aan schuldeisers van de koper op grond van art. 101 Faillissementswet. Zie Hof van Cassatie 7 mei 2010, NJW 2010, 225, p. 502.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 130.
Dirix RW 1997-98, nr. 8-9; Dirix & De Corte 2006, nr. 595; Vanwynsberghe, Jura Falc 2010-11, p. 35. Dirix merkt wel op dat niet elke terugneming ook ontbinding meebrengt.
Dirix RW 1997-98, nr. 9; Storme 2012-13, p. 110.
Heuverswyn, DAOR 1998/9, p. 30; Verschelden, AJT 1998-99, p. 825; Sagaert 2004-2005, p. 197; Del Corral 2013, nr. 219; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 132.
Hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.1.1.2.
Is de leverancier te laat met het uitoefenen van zijn eigendomsvoorbehoud dan is de sanctie dat hij zijn eigendomsrecht verliest. De zaak valt in de failliete boedel. Hij kan ook niet als back-up een beroep doen op zijn voorrecht ex art. 20 lid 5 Hyp.W.
De curator hoeft voor de lossing niet de eventueel verschuldigde rente en/of de schadevergoeding uit hoofde van een partijafspraak te voldoen.
Storme 2018, p. 418.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 124; Storme 2018, p. 364.
Dit verbod werd onder het oude recht al verdedigd en is gecodificeerd in art. 72 Pandwet. Zie hierover onder meer Sagaert 2017, nr. 49.
Dirix, RW 1997-1998, nr. 8; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 120; Hellebuyk 2014, Commentaar bij art. 72 Pandwet. Nr. 1-2.
Dirix, RW 1997-1998, nr. 8; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 125.
Betaalt de koper de koopprijs niet, dan kan de leverancier als eigenaar de zaken revindiceren in het Belgische recht.1 Ook moet de koopovereenkomst worden ontbonden, zodat partijen bevrijd zijn van hun verplichtingen voor de toekomst.
Door de niet-betaling van de koopprijs is de opschortende voorwaarde voor eigendomsovergang niet vervuld. Deze kan ook niet meer vervuld worden als de overeenkomst is ontbonden. Daarmee vervalt ook de juridische leveringshandeling voor de toekomst.2
Voor de revindicatie en ontbinding dient de koper in verzuim te zijn. De leverancier zal de koper dus in gebreke moeten stellen, tenzij partijen anders zijn overeengekomen.3 Vervolgens kan de leverancier een gerechtelijk ontbinding van de overeenkomst vorderen, tenzij partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat een buitengerechtelijke ontbinding mogelijk is (art. 1184 BBW).
Ontbinding heeft terugwerkende kracht. Er is nooit een titel voor overdracht geweest. Partijen moeten vervolgens in dezelfde toestand worden gebracht als waarin zij zouden hebben verkeerd als er geen overeenkomst zou zijn gesloten.4 De leverancier kan als onvoorwaardelijk eigenaar de zaken revindiceren.5
Een deel van de literatuur stelt dat revindicatie van de zaak van rechtswege de ontbinding van de koopovereenkomst tot gevolg heeft.6 Indien dit niet het gevolg van revindicatie is, blijft de leverancier namelijk verplicht om de zaak te leveren.7 Anderen menen dat de leverancier met het opeisen van de zaak niet steeds ook ontbinding van de koopovereenkomst beoogt. Mogelijk wil hij de zaken tijdelijk in zijn macht krijgen om bijvoorbeeld zijn opschortingsrecht uit te kunnen oefenen.8 Een vergelijkbare discussie is te vinden in de Nederlandse literatuur.9
Ook tijdens het faillissement van de koper kan de leverancier het eigendomsvoorbehoud uitoefenen. Dit kan tot het moment dat het proces-verbaal van de verificatie van vorderingen wordt opgemaakt (art. 101 lid 3 Fw).10 De regie ligt echter bij de curator. Hij moet de revindicatie, na een akkoord van de rechter-commissaris, goedkeuren (art. 108 Faill.W.). De curator kan er ook voor kiezen om de overeenkomst na te komen. Hij voldoet de koopprijsvordering en accessoria, waarna de zaak in de boedel valt (art. 108 Faill.W.).11 De curator oefent dit lossingsrecht bijvoorbeeld uit indien het nog onbetaalde gedeelte van de koopprijsvordering veel lager is dan de marktwaarde van de zaak.12
Oefent de leverancier het eigendomsvoorbehoud uit en is de zaak in waarde gedaald in de periode tussen de koop en de revindicatie, dan verkrijgt de leverancier een schadevergoedingsvordering op de koper.13 De zaken kunnen ook in waarde zijn gestegen. In dat geval geldt het verrijkingsverbod van art. 72 Pandwet.14 Dit verbod is een uitwerking van de functionele benadering en houdt in dat de leverancier niet in een betere positie mag komen te verkeren door de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud. Dit wordt beoordeeld door de positie van de leverancier na de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud te vergelijken met de situatie waarin hij zou verkeren indien de koper de koopprijs had betaald. Kortom, de vordering die de leverancier heeft op de koper moet worden verminderd met de waarde van de gerevindiceerde zaak.15 Is de waarde van de gerevindiceerde zaak (plus de ontvangen koopprijstermijnen) hoger dan de koopprijsvordering, dan wordt de leverancier verrijkt. Hij moet de ‘overwaarde’ afdragen aan de koper.16
In het Nederlandse recht kennen we een soortgelijke bepaling voor het pandrecht in art. 3:253 BW. Een pandhouder kan zich op de executieopbrengst verhalen ter hoogte van zijn vordering. Een vergelijkbare bepaling kent het Nederlandse recht echter niet bij het eigendomsvoorbehoud. De leverancier lijkt alleen in het kader van de overeenkomst van goederenkrediet verplicht te zijn om de overwaarde af te dragen (art. 7:92 BW). Daarbuiten bepaalt art. 6:278 BW dat de leverancier slechts een afdrachtverplichting heeft, indien de koper aannemelijk maakt dat de leverancier de overeenkomst niet zou hebben ontbonden zonder deze waardestijging. In het Belgische recht geldt het verrijkingsverbod echter voor alle zekerheidsfiguren, waaronder het eigendomsvoorbehoud, en steeds indien de leverancier meer ontvangt dan de openstaande koopprijsvordering. Dit is het gevolg van de functionele benadering die aan de Pandwet ten grondslag ligt.