Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.6.1
III.6.1 Het recht op een eerlijk proces: absoluut of relatief?
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593963:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. EHRM (GK) 1 juni 2010, nr. 22978/05, par. 107 (Gäfgen/Duitsland).
Aldus t.a.v. het EHRM ook Ölçer 2008, p. 163-164.
Zie daarover uitgebreid Brems 2005.
EHRM (GK) 11 juli 2006, nr. 54810/00, par. 97 (Jalloh/Duitsland).
Zie ter illustratie bijvoorbeeld EHRM (GK) 29 juni 2007, nrs. 15809/02 en 25624/02, NJ 2008, 25 m.nt. Alkema (O’Halloran en Francis/Verenigd Koninkrijk) en in het bijzonder ook de dissenting opinions daarbij. Zie voorts de vooropstelling in EHRM 21 april 2009, nr. 19235/03, par. 68 (Marttinen/Finland).
EHRM 13 september 2016 (GK), nrs. 50541/08, 50571/08, 50573/08 en 40351/09,par. 252, 293 (Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk). Zie daarover nader Van Kempen 2017.
Bijv. EHRM 26 maart 1996, nr. 20524/92 (Doorson/Nederland).
EHRM (GK) 16 februari 2000, nr. 28901/95, par. 61 (Rowe en Davis/Verenigd Koninkrijk).
Zie daarover zeer kritisch Goss 2014, p. 176-204 die het gebrek aan coherentie in de rechtspraak benadrukt en meent dat het EHRM zich bij de toepassing van het ongekwalificeerde art. 6 niet zou moeten inlaten met proportionaliteitsafwegingen (zie i.h.b. p. 203).
Zie voor kritiek op afwegingen tussen individuele vrijheidsrechten en veiligheid in het algemeen Waldron 2009.
Het EHRM doet dat ook, zie o.a. Van Kempen 2011b, p. 12.
Vgl. De Roos 2004. Zie ook EHRM (GK) 27 november 2008, nr. 36391/02, NJ 2009, 124, par. 54 (Salduz/Turkije): “These principles are particularly called for in the case of serious charges, for it is in the face of the heaviest penalties that respect for the right to a fair trial is to be ensured to the highest possible degree by democratic societies.”
De werking van mensenrechten hangt niet alleen van hun inhoud en reikwijdte af. Dikwijls is de mate waarin zij beperkt mogen worden met het oog op andere belangen medebepalend. Niet alle mensenrechten lenen zich voor beperkingen op grond van andere belangen. Het mooiste voorbeeld van een absoluut, notstandsfest en onvervreemdbaar recht biedt het verbod op tortuur en onmenselijke of vernederende behandeling en/of bestraffing.1 Is de bewijsdimensie van het vermoeden van onschuld ook zo’n absoluut mensenrecht?
De onschuldpresumptie is onderdeel van het recht op een eerlijk proces en daarmee van de absoluut geformuleerde artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR. Enkel met betrekking tot de openbaarheidseis kennen de verdragsbepalingen een beperkingsclausule. Aldus is in de verdragen niet voorzien in gronden waarop van de in die artikelen genoemde rechten kan worden afgeweken. Voor zover mij bekend, heeft het EHRM of het VN Mensenrechtencomité het recht op een eerlijke procedure als zodanig ook nog nooit afgewogen tegen andere belangen.2
De absolute formulering van het recht op een eerlijk proces heeft er evenwel niet aan in de weg gestaan dat op het niveau van de uitleg van de verschillende deelrechten op zowel impliciete als expliciete wijze andere – aan die van de verdachte tegengestelde – belangen zijn verdisconteerd. Van echte beperkingssystematiek is geen sprake, eerder van een impliciete of expliciete relativering met het oog op die belangen.3 Zo blijkt uit de EHRM-rechtspraak over het nemo-teneturbeginsel dat een kern van dat beginsel waarop inbreuken ontoelaatbaar zijn, moet worden onderscheiden van een voor balanceerwerk met public interests vatbare periferie.4 In die rechtspraak lijken de meer voor afweging vatbare aspecten van het beginsel vooral aan de orde waar het gaat om een groot publiek belang bij effectieve rechtshandhaving in het geval van kleine, veelvoorkomende criminaliteit.5 In de zaak Ibrahim e.a./ Verenigd Koninkrijk heeft het EHRM echter duidelijk gemaakt dat deelrechten uit artikel 6 EVRM ook uitzonderingen verdragen in het geval van juist zeer ernstige feiten. Het moet dan (vooralsnog) wel gaan om een inbreuk die van direct belang is voor de veiligheid. In casu was medebepalend voor het oordeel dat het recht op rechtsbijstand bij het politieverhoor niet was geschonden, dat de verdenking een zeer ernstig, terroristisch misdrijf betrof, terwijl de betrokkene nog een ernstige en acute bedreiging vormde voor de fysieke integriteit van burgers.6 Ook de belangen van derden kunnen bij de beoordeling van de eerlijkheid van een strafproces een rol spelen, zoals het belang van een getuige niet ter zitting te hoeven verschijnen.7 Meer in het algemeen overwoog de Straatsburgse Grote Kamer in Rowe en Davis/Verenigd Koninkrijk dat “[i]n any criminal proceedings there may be competing interests, such as national security or the need to protect witnesses at risk of reprisals or keep secret police methods of investigation of crime, which must be weighed against the rights of the accused [...]”.8Niet altijd is daarbij een compenserende waarborg aan te wijzen, zodat de facto van afweging van de totaaleerlijkheid tegen andere belangen vermoedelijk wel enigszins sprake kan zijn.9
Aangezien een zekere afweging van deelrechten van het recht op een eerlijk proces tegen andere belangen niet op voorhand lijkt uitgesloten, luidt de vervolgvraag tegen welke belangen die rechten zich dan laten afwegen. In de hierboven genoemde EHRM-rechtspraak kwamen het algemene belang van effectieve criminaliteitsbestrijding en de individuele belangen van derden naar voren. Vooral dat eerste belang springt in het oog en is voor de bewijsdimensie van belang. Bij gebrek aan een adequaat alternatief ter reactie op en preventie van ontoelaatbaar gedrag, is een effectief strafrecht voor de burger even onmisbaar als bescherming van zijn individuele rechten. Een functionerend strafrechtelijk systeem is immers cruciaal voor het voortbestaan van de rechtsstaat. Verschillende mensenrechten laten zich dan ook afwegen tegen belangen als de openbare orde, de nationale veiligheid, recidivegevaar en het opsporingsbelang.10 Met strafprocessuele rechten van de verdachte onderhouden de efficiëntie en effectiviteit van de criminaliteitsbestrijding bovendien een inherent gespannen relatie. Rechten als het zwijgrecht, het consultatierecht en het verbod een veroordeling in beslissende mate te doen steunen op de verklaring van een niet door de verdediging te ondervragen getuige, kunnen aan slagvaardige bestraffing van daders in de weg staan.
Vanzelfsprekend dient bij de aan het recht op een eerlijk proces te geven uitleg rekening te worden gehouden met het belang van een effectieve en efficiënte strafvordering.11 Toch is de op het eerste gezicht voor de hand liggende afweging van die belangen bij nader inzien niet zonder meer wenselijk. In het bijzonder de grote ernst van het feit is als argument niet zonder bezwaren. Ten eerste is immers de spanning tussen criminaliteitsbestrijding en rechtsbescherming van de verdachte dermate evident dat zij reeds in de vastlegging van strafprocessuele fundamentele rechten is verdisconteerd. Denkt men na over minimumrechten die een verdachte behoren toe te komen in een eerlijk proces, dan is daarbij niet alleen gedacht aan de rechten van de kruimeldief, maar ook aan die van de moordenaar en – zeker rond 1950 – aan die van de landverrader en de opdrachtgever tot genocide. De toekenning van het recht op een eerlijk proces en de daarin te onderscheiden deelrechten is een uitvloeisel van afweging van die belangen. Voor een nadere opoffering van de rechtsbescherming aan het belang van criminaliteitsbestrijding in het concrete geval is in dat licht niet gauw plaats.
Ten tweede is de afweging van veiligheids- en opsporingsbelangen tegen de belangen van het individu een andere dan bijvoorbeeld in het kader van het recht op vrijheid of het recht op privacy plaatsheeft. Naarmate de ernst van een feit toeneemt, groeit de waarde van vrijheid of privacy niet mee. De verhouding tussen het individueel en algemeen belang verandert daardoor. Dat is bij het recht op een eerlijk proces niet steeds het geval. Een ernstiger feit vergroot zowel het belang van een adequate strafrechtelijke reactie, als het belang van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang.12 Dat maakt de ernst van een strafbaar feit sec een zwak argument voor beperkingen van het recht op een eerlijk proces. Waar de verhouding tussen individuele en algemene belangen verandert, bestaat mogelijk meer ruimte voor begrenzing van eerlijk procesrechten. Die verhouding kan veranderen door een relatieve toename van de belangen van de samenleving en/of een relatieve afname van het belang van het individu.