Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/241
Arbeidsrecht. Loonvordering. Rechtsvermoeden omvang arbeidsovereenkomst (art. 7:610b BW); referteperiode; maatstaf. Beroep werknemer op rechtsvermoeden.
HR 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:99
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23 januari 2026
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, H.M. Wattendorff, K. Teuben
- Zaaknummer
25/00774
- Conclusie
A-G mr. G.R.B. van Peursem
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:99, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1010, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑09‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑02‑2025
- Wetingang
Art. 7:610b BW
Essentie
Arbeidsrecht. Loonvordering. Rechtsvermoeden omvang arbeidsovereenkomst (art. 7:610b BW); referteperiode; maatstaf. Beroep werknemer op rechtsvermoeden.
Samenvatting
Art. 7:610b BW bepaalt dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Een geslaagd beroep op het rechtsvermoeden van art. 7:610b BW heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst een bepaalde arbeidsomvang inhoudt. Met het weerlegbare rechtsvermoeden van art. 7:610b BW is beoogd de positie van de werknemer ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.