Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/14.2.1:14.2.1 De uitwerking van de voorrangspositie – de totaalbeelden
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/14.2.1
14.2.1 De uitwerking van de voorrangspositie – de totaalbeelden
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90743:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de hoofdstukken 3 tot en met 13 volgt op welke wijzen de vier rechtsstelsels de voorrangspositie voor leverancierskrediet vormgeven per component en wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen de rechts- stelsels met betrekking tot elk van deze componenten.
De hierna volgende vergelijking van de vier totaalbeelden toont op een abstracter niveau de verschillen en overeenkomsten tussen de rechtsstelsels. Ook maken de totaalbeelden inzichtelijk dat tussen de componenten in een rechtsstelsel samenhang bestaat. De samenhang tussen de componenten heeft tot gevolg dat één component van het ene rechtsstelsel niet zomaar in te passen is in een ander rechtsstelsel. De component moet in het licht van het gehele rechtssysteem worden bezien. Dit geldt eveneens voor het rechtsstelsel waarin het component wordt geïmplementeerd.1 Ik geef twee voorbeelden.
Het eerste voorbeeld laat zien dat het leerstuk van oneigenlijke vermenging samenhangt met de reikwijdte van de voorrangspositie van de leverancier. De gevolgen van oneigenlijke vermenging in een rechtsstelsel zijn relevant bij de beoordeling van de ruimte die partijen hebben om de gedekte vorderingen uit te breiden. In het Nederlandse recht kan de leverancier een kredieteigendomsvoorbehoud bedingen. Op deze wijze kan de leverancier voorkomen dat hij zijn zekerheid verliest in het geval hij meermaals soortgelijke zaken onder eigendomsvoorbehoud levert aan de koper en een gedeelte wordt betaald. Door het kredieteigendomsvoorbehoud blijft de leverancier eigenaar van alle geleverde zaken en raken zij niet oneigenlijk vermengd.2 Naar Belgisch recht kan de leverancier slechts een enkelvoudig eigendomsvoorbehoud bedingen. De leverancier kan zich slechts de eigendom van de geleverde zaak voorbehouden tot zekerheid van de daartegenover staande koopprijsvordering. Worden meerdere keren soortgelijke zaken door de leverancier overgedragen aan de koper en is een gedeelte betaald, dan kan dit leiden tot oneigenlijke vermenging. In het Nederlandse recht zou dit – afhankelijk van de keuze voor de strikte of rekkelijke benadering – het verlies van voorbehouden eigendom tot gevolg kunnen hebben. Dit is niet het geval in het Belgische recht. De leverancier verkrijgt in geval van oneigenlijke vermenging een aandeel in de mede-eigendom.3 Het ontbreken van de mogelijkheid in het Belgische recht om een kredieteigendomsvoorbehoud te bedingen is daarom in deze situatie niet problematisch.
Het tweede voorbeeld betreft het Duitse recht en toont de samenhang tussen de reikwijdte en de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud. In het Duitse recht kan de leverancier zich de eigendom van geleverde zaken voorbehouden voor elke vordering op de koper uit welke hoofde ook. Strekt de voorbehouden eigendom (mede) tot zekerheid van de koopprijs voor de geleverde zaken, dan heeft de leverancier het recht om zijn zaken na ontbinding te revindiceren uit de failliete boedel op grond van het Aussonderungsrecht. Zijn nog slechts andere vorderingen dan de koopprijs niet betaald of wil de leverancier zijn ‘verlengde eigendomsvoorbehoud’ uitoefenen op andere zaken dan de oorspronkelijk geleverde zaken, dan kan hij de zaken niet uit de boedel separeren. De wet kent hem een Absonderungsrecht toe. De leverancier heeft het recht om met voorrang te worden voldaan bij verdeling van de executieopbrengst van de zaak tijdens het faillissement van de koper en dient een boedelbijdrage te betalen. De effectuering van de voorrangspositie tijdens faillissement is dus relevant bij de beoordeling van de mogelijkheden voor partijen om de gesecureerde vorderingen uit te breiden.
Voor de wijzen waarop en de mate waarin het Nederlandse, Duitse, Belgische en Amerikaanse recht de voorrangspositie voor leverancierskrediet vormgeven en voor een verklaring voor de overeenkomsten en verschillen tussen de rechtsstelsels, is het daarom noodzakelijk dat naast een vergelijking van de afzonderlijke componenten ook de vier totaalbeelden worden vergeleken. De rechtsvergelijking van afzonderlijke componenten geeft inzicht in de overeenkomsten, verschillen en diens verklaringen op detailniveau.4 De vergelijking van de totaalbeelden van de rechtsstelsels geeft inzicht in de voorrangspositie voor leverancierskrediet, omdat elf componenten tezamen en in onderlinge samenhang worden geanalyseerd. Significante of anderszins opmerkelijke verschillen en overeenkomsten op een abstracter niveau worden zichtbaar. De vergelijkingen op beide niveaus leiden tot het antwoord op het eerste deel van de hoofdvraag.
De vier totaalbeelden beschrijf ik hieronder bondig en op hoofdlijnen. De gedetailleerde beschrijving van de elf componenten is te vinden in de hoofdstukken 3 tot en met 13. Paragraaf 14.3 bevat de rechtsvergelijkende conclusie op basis van deze totaalbeelden.
14.2.1.1 Het beeld van het Nederlandse recht14.2.1.2 Het beeld van het Duitse recht14.2.1.3 Het beeld van het Belgische recht14.2.1.4 Het beeld van het Amerikaanse recht