Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/14.2.1.1
14.2.1.1 Het beeld van het Nederlandse recht
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90742:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.1.2 en hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.1.5.
Hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.1.2.
Hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.1.4.
Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.1 en hoofdstuk 5, paragraaf 5.2.1.
Hoofdstuk 6, paragraaf 6.2.1.
Hoofdstuk 7, paragraaf 7.2.1.
Hoofdstuk 6, paragraaf 6.2.1 en 6.3.1.
Hoofdstuk 8, paragraaf 8.2.1, hoofdstuk 9, paragraaf 9.2.1, hoofdstuk 10, paragraaf 10.2.2, hoofdstuk 11, paragraaf 11.2.1, hoofdstuk 12, paragraaf 12.2.1.
Hoofdstuk 8, paragraaf 8.2.3, hoofdstuk 11, paragraaf 11.2.3, hoofdstuk 12, paragraaf 12.2.3.
Hoofdstuk 9, paragraaf 9.2.1.
Hoofdstuk 10, paragraaf 10.2.2.2.
In het Nederlandse recht kan de leverancier door middel van het bedingen van een eigendomsvoorbehoud op een eenvoudige wijze een voorrangspositie op de oorspronkelijke zaken verkrijgen die een ruime reikwijdte heeft en gemakkelijk uit te oefenen is.
In plaats van of in aanvulling op het eigendomsvoorbehoud kan de leverancier zich een (vuistloos) pandrecht voorbehouden. Hij draagt de zaak over onder voorbehoud van een (eerste) pandrecht. De reikwijdte is ruimer dan het eigendomsvoorbehoud, omdat het pandrecht niet beperkt is tot bepaalde vorderingen.1 De vestiging is daarentegen niet vormvrij zoals bij het eigendomsvoorbehoud. Voor het voorbehouden van een vuistloos pandrecht is een authentieke of een onderhandse geregistreerde akte vereist en dient aan de overige overdrachtsvereisten te zijn voldaan.2 Een ander verschil tussen het eigendomsvoorbehoud en het voorbehouden pandrecht ziet op de wijze van effectuering. De pandhouder heeft het recht van parate executie als de koper in verzuim is, zowel buiten als tijdens het faillissement van de koper. Hij executeert de zaken openbaar of onderhands of laat de zaak bij hem verblijven.3
Naast deze twee consensuele zekerheidsrechten komt de leverancier van rechtswege het recht van reclame toe. Is de koper in gebreke met de betaling van de koopprijs, dan heeft de leverancier de bevoegdheid om de koopovereenkomst met betrekking tot (het onbetaalde deel van) de geleverde zaken te ontbinden en de eigendom te herkrijgen.4 Dit geldt ook als de zaken zijn doorverkocht of verpand aan een derde.5 De termijn voor inroeping van het recht van reclame is beperkt tot zestig dagen na aflevering van de zaken en zes weken vanaf het moment dat de vordering opeisbaar wordt.6
De voorrangspositie voor leverancierskrediet in het Nederlandse recht kent een aantal bedreigingen. Ten eerste vormt het verhaalsrecht van de fiscus een risico voor de leverancier die bodemzaken heeft geleverd. Dit verhaalsrecht doorkruist de voorrang die de leverancier heeft op grond van het recht van reclame, eigendomsvoorbehoud en voorbehouden pand- recht.7 Ten tweede vervalt de voorrangspositie indien de geleverde zaak wordt nagetrokken, eigenlijk of oneigenlijk vermengd raakt, bewerkt wordt tot een nieuwe zaak of wordt doorverkocht.8 De voorrangspositie verlengt zich niet van rechtswege tot het surrogaat van de geleverde zaken. De leverancier heeft slechts beperkte mogelijkheden om zijn zekerheid consensueel te verlengen tot het surrogaat van de geleverde zaken. Hij kan een pandrecht bedingen op de eenheidszaak, nieuwe zaak of de vordering uit doorverkoop. Doorgaans is eerder een pandrecht (bij voorbaat) op dit goed gevestigd ten gunste van een andere schuldeiser van de koper, veelal zijn (huis)bank. De leverancier verkrijgt een tweede pandrecht op grond van de prior tempore-regel. De wet en de rechtspraak kennen geen voorrang toe aan dit bedongen zekerheidsrecht van de leverancier op het surrogaat.9
Dit beeld van het Nederlandse recht verdient naar mijn mening echter nuancering. Ten eerste zet de voorrangspositie voor leverancierskrediet zich bij natrekking en eigenlijke vermenging voort op (een aandeel in) het vermengde geheel als geen hoofdzaak valt aan te wijzen. Dit kan worden afgeleid uit het Zalco-arrest en art. 5:14 lid 2 BW.10 Ten tweede dient het rechtsverlies in geval van oneigenlijke vermenging beperkt te blijven tot situaties waarin sprake is van een wisselende voorraad zonder deugdelijke administratie. De leverancier behoudt zijn aanspraak als hij kan bewijzen dat een bepaald aantal van zijn zaken aanwezig is bij de koper.11