Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/9.4.2.1
9.4.2.1 Inleiding
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453021:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 9.1.2.2.
Memorie van toelichting, Haantjes & Olden 2013, p. 14 (“een raadsheer-commissaris houdt toezicht op de onderzoeksfase”) (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 3); memorie van toelichting, Haantjes & Olden 2013, p. 153 (“Dat is vanuit toezichtperspectief niet wenselijk”) (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 34-38); memorie van toelichting, Haantjes & Olden 2013, p. 186 (“Nu het wetsvoorstel een raadsheer-commissaris introduceert die toezicht houdt op het verloop van het onderzoek en in dat verband ordemaatregelen kan treffen (…)”) (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 39); nota naar aanleiding van het verslag, Haantjes & Olden 2013, p. 164 (“De vraag is allereerst of hij actief of passief toezicht houdt”) (Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 27). Zie voorts Kamerlid Van der Steur, Haantjes & Olden 2013, p. 170 (“Het is heel goed dat er met dit wetsvoorstel een mogelijkheid wordt gecreëerd waarbij een raadsheer-commissaris toezicht houdt op het onderzoek en daar, op afstand weliswaar, ook bij betrokken is”) (Kamerstukken II 2011/12, 32887, 14, p. 1-2) en de toelichting op het gewijzigde amendement 14, Haantjes & Olden 2013,p. 175 (“Dit amendement regelt verder de rol van de raadsheer-commissaris als toezichthouder”) (Kamerstukken II 2011/12, 32887, 20, p. 1-2).
Memorie van toelichting, Haantjes & Olden 2013, p. 153 (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 34- 38); nota naar aanleiding van het verslag, Haantjes & Olden 2013, p. 157 (Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 24-25).
Memorie van toelichting, Haantjes & Olden 2013, p. 186 (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 39).
Vgl. § 6.5.4.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet aanpassing enquêterecht blijkt evident dat de rol van de raadsheer-commissaris niet die van onderzoeksleider is. Zowel in de memorie van toelichting als in de nota naar aanleiding van het verslag staat dat de onderzoeker – en dus niet de raadsheer-commissaris naast hem – verantwoordelijk blijft voor de opzet en uitvoering van het onderzoek.1 Wat de minister dus voor ogen staat, is dat de raadsheer-commissaris toezicht houdt op het onderzoek.2 Over de inhoud van het toezicht schrijft hij dat de rechtspersoon, de verzoekers en andere belanghebbenden zich tot de raadsheer-commissaris kunnen wenden met het verzoek om een beslissing te nemen met het oog op de goede gang van zaken van het onderzoek. Daarbij wordt gedoeld op de procesmatige kant van het onderzoek en niet op de inhoud.3 Even verderop schrijft de minister dat de raadsheer-commissaris in verband met het onderzoek ordemaatregelen kan treffen. Om die reden ligt het, aldus de minister, voor de hand dat deze raadsheer-commissaris ook de bevelen in de zin van artikel 2:352 BW kan geven.4
In de visie van de minister houdt de raadsheer-commissaris dus alleen repressief en concreet toezicht (op verzoek van partijen, of, bij de bevelen als bedoeld in artikel 2:352 BW, op verzoek van de onderzoekers).
Voor de goede orde merk ik nog op dat het bepaalde in artikel 2:352 BW niet meebrengt dat de raadsheer-commissaris exclusief bevoegd is deze bevelen te geven en de Ondernemingskamer zelf dat niet zou mogen in een andere, al dan niet door de onderzoekers geïnitieerde, procedure.5