Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/11.3.5
11.3.5 De procedurele gang van zaken
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451817:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 9 december 2014, ARO 2015/52 (Middle Europe Investments c.s.), r.o. 2.7.
Zie § 11.3.1.
Zie bijvoorbeeld OK 8 juni 2010, ARO 2010/95 en 96 (CRV Beheer); OK 25 augustus 2010, JOR 2010/340, m.nt. M. Brink (Fortis); OK 16 maart 2011, JOR 2011/143, m.nt. B.E.L.J.C. Verbunt (Ageas (voorheen Fortis)).
Omdat het verslag in het belang van de rechtspersoon in beginsel vertrouwelijk is, lijkt het mij niet noodzakelijk dat de Ondernemingskamer de verzoekers en andere in de procedure verschenen partijen hierover hoort. Ik zou het aan de discretie van de Ondernemingskamer willen overlaten om te bepalen of zij, naast de rechtspersoon, nog anderen wil horen.
Zie § 11.3.7.
OK 9 december 2014, ARO 2015/52 (Middle Europe Investments c.s.), r.o. 2.7.
OK 9 december 2014, ARO 2015/52 (Middle Europe Investments c.s.), r.o. 2.4.
HR 20 november 2009, NJ 2011/212, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2010/8, m.nt. M. Brink (KPNQwest), r.o. 3.5-3.6.
OK 9 december 2014, ARO 2015/52 (Middle Europe Investments c.s.), r.o. 2.10.
Zie over deze beschikking verder § 6.8.
Vz OK 15 juli 2003, ARO 2003/139 (Aannemingsmaatschappij Zeelandia Curaçao c.s.).
Vgl. HR 20 november 2009, NJ 2011/212, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2010/8, m.nt. M. Brink (KPNQwest), r.o. 3.7.
Deze verplichting vloeit ook voort uit het bepaalde in artikel 995 lid 3 Rv.
OK 31 maart 2015, ARO 2015/125 (Trends-in-Center-Aalsmeer (TICA)), r.o. 1.8.
Zie bijvoorbeeld OK 8 juni 2010, ARO 2010/95 en 96 (CRV Beheer); OK 25 augustus 2010, JOR 2010/340, m.nt. M. Brink (Fortis); OK 16 maart 2011, JOR 2011/143, m.nt. B.E.L.J.C. Verbunt (Ageas (voorheen Fortis)).
De Ondernemingskamer kan zowel ambtshalve als op verzoek beslissen voor wie het verslag ter inzage ligt.1 De Ondernemingskamer maakt sinds 2000 altijd ambtshalve gebruik van deze bevoegdheid en bepaalt dat het verslag ter inzage ligt voor belanghebbenden dan wel voor eenieder.2 Daarnaast kunnen ook belanghebbenden de Ondernemingskamer verzoeken te bepalen dat het verslag voor henzelf of voor eenieder ter inzage ligt.3
De Ondernemingskamer pleegt de verzoekers en de rechtspersoon niet te horen alvorens zij ambtshalve beslist over de terinzagelegging van het verslag. Partijen hebben dus geen invloed op de beslissing van de Ondernemingskamer. Dit is anders als een persoon vraagt het verslag voor hem ter inzage te leggen. Dan worden de rechtspersoon en de verzoekers wél gehoord. Deze inconsistentie is merkwaardig. Waarom zouden de rechtspersoon en de verzoekers in het ene geval wel en in het andere geval niet in de gelegenheid worden gesteld om op de beslissing van de Ondernemingskamer invloed uit te oefenen? Mijns inziens behoort de Ondernemingskamer als zij voornemens is het verslag voor eenieder ter inzage te leggen, het voornemen daartoe in ieder geval aan de rechtspersoon mede te delen en hem in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten en pas daarna een beslissing te nemen.4 De rechtspersoon heeft dan de gelegenheid te beargumenteren waarom hij zou menen dat het verslag niet voor eenieder ter inzage zou moeten worden gelegd, of mededelen dat hij zelf voor publicatie (op zijn website) zal zorgdragen, zodat terinzagelegging voor eenieder niet nodig is. Omdat het verslag in beginsel in het belang van de rechtspersoon vertrouwelijk is, heeft hij er ook belang bij om te worden gehoord als de Ondernemingskamer het verslag niet voor eenieder maar voor belanghebbenden ter inzage legt. Hij heeft dit belang om te kunnen aangeven voor welke belanghebbenden het verslag al dan niet ter inzage zou moeten worden gelegd. De Ondernemingskamer hoort een rechtspersoon daar echter nooit over. Vanwege het gebruik dat de Ondernemingskamer bepaalt dat het verslag ter inzake ligt voor belanghebbenden zonder te specificeren wie dat zijn, heeft dat ook weinig zin. Mede om die reden meen ik dat de Ondernemingskamer haar werkwijze moet aanpassen.5
De Ondernemingskamer heeft beslist dat op een verzoek tot inzage in het verslag – evenals op andere in het enquêterecht geregelde verzoeken aan de Ondernemingskamer of haar voorzitter – de regels van de verzoekprocedure als geregeld in titel 3 van boek 1 Rv van toepassing zijn, een en ander steeds voor zover uit de wet niet anders voortvloeit.6 Met die beslissing ben ik het eens, evenals met het in enquêteprocedures te hanteren uitgangspunt dat elke verzoeker, verweerder of andere belanghebbende die voor de eerste maal een verzoek- of verweerschrift indient, griffierecht is verschuldigd.7 De Ondernemingskamer leidt uit de KPNQwest-beschikking8 af dat een verzoek tot inzage niet door tussenkomst van een advocaat behoeft te worden ingediend.9 Met die beslissing ben ik het niet eens. De Hoge Raad heeft in de KPNQwest-beschikking – terecht – beslist dat de onderzoekers een verzoek zonder tussenkomst van een advocaat kunnen indienen.10Ik zie echter niet in waarom deze uitzondering voor de onderzoekers ook voor belanghebbenden zou moeten gelden. Bovendien valt deze beslissing niet te rijmen met de beslissing van de voorzitter van de Ondernemingskamer dat een verzoek tot het doen van mededelingen uit het verslag door een advocaat moet worden ingediend.11
De Ondernemingskamer zal het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het verzoek tot inzage niet toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. In dat geval heeft de Ondernemingskamer niet de vrijheid het verzoek op de voet van artikel 279 lid 1/30jlid 5 Rv onmiddellijk toe te wijzen.12 Ik meen dat het belang van de rechtspersoon bij vertrouwelijkheid van het onderzoeksverslag per definitie meebrengt dat niet kan worden uitgesloten dat zijn belangen door toewijzing van het verzoek worden geraakt. Om die reden meen ik dat de Ondernemingskamer altijd de rechtspersoon moet oproepen.13 Zij kan ook andere belanghebbenden oproepen, maar dat is te harer discretie. In de TICA-zaak heeft de Ondernemingskamer de onderzoeker in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek het verslag voor eenieder ter inzage te leggen.14 De formulering die de Ondernemingskamer hanteert (“in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek”) suggereert dat zij de onderzoeker aanmerkt als belanghebbende. Dat klopt echter niet; de onderzoekers zijn niet aan te merken als belanghebbende bij dit verzoek. Ik neem aan dat de Ondernemingskamer van de onderzoeker wilde vernemen wat de voor- en nadelen van toewijzing van het verzoek zouden zijn. Daar bestaat geen bezwaar tegen. Echter, in dat geval ligt het voor de hand de onderzoeker om zijn advies te vragen, in plaats van de keuze al dan niet te reageren aan hem over te laten.
Uit artikel 279 lid 1/30jlid 5 Rv vloeit verder voort dat de Ondernemingskamer het verzoek niet mag afwijzen zonder mondelinge behandeling. In de praktijk gebeurt dit overigens wel.15