Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.2.1
VIII.2.1 Wettelijke grenzen en zelfregulering
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593980:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dat wordt breed onderkend, zie o.a. Van de Pol 1986; Pagano 1992; Groenhuijsen 1997, p. 417-419; Van Lent 2008, i.h.b. p. 206-211; Stevens 2010a, par. 1.
Zie nader Van de Pol 1986, i.h.b. p. 579-580, p. 622; Witteveen 2001, p. 77-78; Brants 2005; Van Lent 2008, p. 40-45; Cleiren 2013, p. 113 e.v.; Van Lent 2013, p. 350.
Vgl. in dit verband Pagano (1992, p. 118) die spreekt van een trial by media “[…] wanneer het informele proces dat via de media tegen een verdachte wordt gevoerd, in de publieke opinie het rechtsproces verdringt waardoor het rechterlijk vonnis geen wortel kan schieten in de samenleving”. Zie ook uitvoerig Schouten 2011, p. 12-15.
§ IV.3.
Ook in de bestaande literatuur over het thema wordt met regelmaat de aandacht gevestigd op mogelijke tekortkomingen in de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, zie bijv. Van de Pol 1986, p. 409; Buruma 1997, p. 308; Brants & Van Lent 2001, p. 94; Brants 2005, i.h.b. p. 59-60; Schuijt 2007; Van Lent 2008, p. 211; Stevens 2010a; Franken 2011; Schouten 2011, p. 53 e.v. Van Lent 2013, p. 358-359; Ölçer 2014.
Zie § IV.4.4.
Zie § VI.3.2.
De wetgever heeft met de ruime formulering van de strafuitsluitingsgrond een zekere verruiming ten behoeve van politieke uitingen op het oog, zie Machielse, ‘Art. 261 Sr’, in: NLR, aant. 6.2.
Zie wel bijv. de strafrechtelijke veroordeling van Maurice de Hond wegens beschuldigingen over de Deventer moordzaak aan het adres van ‘de klusjesman’, HR 14 juni 2011, NJ 2011, 504, m.nt. Dommering.
Bijv. Hof Amsterdam 15 juli 1977, NJ 1977, 490 (Menten); HR 24 juni 1983, NJ 1984, 801; HR 13 juli 2007, NJ 2007, 505, m.nt. Alkema (Clickfonds); HR 1 oktober 2010, NJ 2010, 529 (civielrechtelijke veroordeling De Hond); HR 11 mei 2012, NJ 2012, 530, m.nt. Alkema.
Zie over deze in de vorige voetnoot aangehaalde rechtspraak Nieuwenhuis 2013.
De huidige persrichtlijn is vastgesteld in maart 2013 en geraadpleegd via rechtspraak.nl.
Zie de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek en de Gedragscode voor Nederlandse journalisten van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren. Laatstgenoemde is uitdrukkelijk niet bindend maar – naar eigen zeggen – louter uitgangspunt voor debat. Beide zijn geraadpleegd via de website van de desbetreffende organisatie.
Ook overigens bestaat in de Duitse gedragscode ruime aandacht voor het vermoeden van onschuld, zie art. 13 van de Pressekodex.
Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging (2012A009), vastgesteld op 10 april 2012, Stcrt. 2012, 8161.
Aanwijzing Opsporingsberichtgeving (2009A004), vastgesteld op 16 februari 2009, Stcrt. 2009, 51 en verlengd in Stcrt. 2013, 5114.
Daarover bestaat echter verdeeldheid. Vgl. en contrasteer bijvoorbeeld de antwoorden op Kamervragen van toenmalig minister Donner (Handelingen II 2004/2005, nr. 24, p. 1523) met de opvattingen van G. Wilders, ‘ieder mag vrijspraak Samir A. kritiseren, ook ik’, Trouw 22 november 2005. Zie voorts de verwijzingen bij Schelfaut 2006, p. 338-339; Gommer, Woerdman & Lammers 2008, voetnoot 13. Voorstander van beperkingen zijn voorts o.a. Schelfaut 2006; Schuijt 2007, p. 42-44 en zie bijv. ook de vingerwijzing in Rb. Den Haag 21 juni 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7856 (zaak Savanna). Daartegen pleiten o.a. Kosto 1979; Giltay Veth 1980, i.h.b. p. 22; Zwart 2007; Gommer 2008 en A-G Remmelink in zijn conclusie voor HR 13 januari 1981, NJ 1981, 79, m.nt. Van Veen. Uit empirisch onderzoek blijkt daarnaast dat zowel rechters (zie De Keijser, Van de Bunt & Elffers 2004) als politici (Gommer, Woerdman & Lammers 2008) overwegend negatief staan tegen commentaar van politici in individuele lopende zaken.
Zo o.a. Giltay Veth 1980, p. 22; Van de Pol 1986, p. 409; Voermans 2004; Schelfaut 2006, p. 340; Cleiren 2013, p. 114. Zie enigszins anders Schuijt 2007, p. 43. Volgens hem is het ook in Nederland een rechtsregel, in zoverre dat schending van de onschuldpresumptie een onrechtmatige daad oplevert.
Zie daarover en over de verbondenheid van dat instrument met accusatoire strafrechtsstelsels Keijzer 2000.
Vgl. in dezelfde zin Cleiren 2013, p. 116-117.
Criminaliteit en de aanpak daarvan staan volop in de publieke belangstelling. Publiciteit in en over strafzaken is belangrijk. Het draagt bij aan de verwezenlijking van de met het beginsel van externe openbaarheid beoogde doelen.1 Daarnaast zijn de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid niet alleen voor de democratische rechtsstaat in het algemeen, maar ook specifiek voor de legitimatie en de kwaliteit van het strafrecht van wezenlijk belang. Openbaarheid heeft evenwel een inherente keerzijde die door publiciteit wordt uitvergroot.2 Berichtgeving over strafzaken kan de privacy van verdachten en andere belanghebbenden schaden, de waarheidsvinding hinderen (bijv. door confirmation bias bij opsporingsambtenaren of door beïnvloeding van getuigen) en de rechterlijke onbevangenheid aantasten. De exclusiviteit van de rechtszaal als hét forum waarin een strafrechtelijk geschil wordt beslecht en het gezag van de uitkomst van de gerechtelijke procedure kunnen door een trial by media bovendien ernstige schade lijden.3 De behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie beoogt precies deze belangen te beschermen.4
Bij de problematiek die publiciteit in strafzaken meebrengt, vormt het onschuldvermoeden dan ook een belangrijk gezichtspunt dat in bepaalde opzichten tot terughoudendheid en beperkingen dwingt.5 Publiciteit van overheidswege mag de verdachte immers niet voortijdig als schuldige portretteren. Betwistbaar is of ook particulieren, en de van strafzaken verslag leggende media in het bijzonder, aan de onschuldpresumptie gebonden zijn. Eerder bleek dat de grondslagen van het beginsel ervoor pleiten ook privépersonen daaraan tot op zekere hoogte gebonden te achten.6 Het EHRM erkent die mogelijkheid en laat lidstaten ruimte om de vrijheid van meningsuiting in dat licht te beperken, maar dwingt daartoe nauwelijks.7
De Nederlandse wetgever heeft geen specifieke wettelijke regeling tot stand gebracht die de wijze reguleert waarop overheidsvertegenwoordigers en particuliere media zich in het openbaar over lopende strafzaken uitlaten. Dat is uit te leggen als een keuze voor tamelijk grote vrijheid over een strafrechtelijke procedure te zeggen wat men zelf wil, ook als dat ten koste gaat van de reputatie, privacy of een eerlijk strafproces van een verdachte. De wetgever vertrouwt kennelijk op de meer algemene grenzen die het rechtsstelsel aan gedrag stelt en acht deze kennelijk toereikend. Bij die meer algemene grenzen valt te denken aan de strafrechtelijke grenzen die smaad (art. 261 Sr), laster (art. 262 Sr) en in mindere mate belediging (art. 266 Sr) stellen en de mogelijkheid een onwelgevallige uitlating civielrechtelijk aan te vechten als onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). In strafrechtelijk opzicht beperkt op het eerste gezicht vooral het verbod op smaad de mogelijkheden tot bejegening als schuldige sterk. De strafuitsluitingsgrond van het derde lid geeft echter veel ruimte voor uitlatingen waarmee een algemeen belang wordt gediend.8 In de (gepubliceerde) rechtspraak zijn vervolgingen wegens smaad mede daardoor schaars.9
Ook de civiele rechter heeft zo nu en dan te oordelen over publieke beschuldigingen en berichtgeving over een verdachte.10 Daarbij dient de rechter aan de hand van een breed beoordelingskader de vrijheid misstanden aan te kaarten af te wegen tegen het recht op respect voor het privéleven.11 Die afweging ligt vanuit de aard van de civiele procedure voor de hand, maar heeft wel tot gevolg dat de andere door de onschuldpresumptie beschermde belangen die zich tegen uitlatingen van particulieren en overheidsfunctionarissen over niet-afgesloten strafzaken kunnen verzetten, daarin geen plaats hebben.
Het ontbreken van een toegespitste wettelijke regeling, betekent dat de diverse bij de strafrechtspleging betrokken organen, instituties en media grotendeels zelf nader invullen op welke manier en onder welke voorwaarden over strafzaken uitlatingen worden gedaan. Van die ruimte wordt uiteenlopend gebruik gemaakt.
Zo heeft de Rechtspraak daaraan invulling gegeven met een persrichtlijn. Deze benadrukt dat de onschuldpresumptie als “absoluut uitgangspunt” fungeert en leidt daaruit af dat de verdachte niet mag worden gefilmd, maar heeft voor het overige een op transparantie gerichte inslag.12 De journalistiek kent twee gedragscodes, die de journalist onder meer voorschrijven te voorkomen dat verdachten en veroordeelden door het grote publiek eenvoudig te identificeren zijn.13 Een verbod op Vorverurteiling zoals neergelegd in het Duitse equivalent, de zogenaamde Pressekodex, vindt men daarin echter niet.14
Het Openbaar Ministerie heeft zijn verhouding met de media nader vormgegeven door een tweetal aanwijzingen die zich van elkaar onderscheiden door het met publiciteit beoogde doel. De Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging beoogt het publiek correct te informeren, onder meer ter vergroting van het vertrouwen in het Nederlandse criminaliteitsbeleid en de zichtbaarheid van de rol van het Openbaar Ministerie daarin.15 De Aanwijzing Opsporingsberichtgeving heeft betrekking op het vrijgeven van informatie ten behoeve van de bijstand van burgers aan de opsporing.16 Ook in de politiek komt de (on)wenselijkheid van uitlatingen over lopende strafzaken zo nu en dan ter sprake.17 Tot zelfregulering is het echter nooit gekomen. Hooguit is terughoudendheid in dezen te beschouwen als een fatsoensnorm of goed gebruik.18 Op uitlatingen over lopende strafzaken staan derhalve geen politieke sancties. Voor zover uitspraken in het parlement zijn gedaan, is ook strafvervolging uitgesloten (art. 71 Gw).19
De ruimte om zich over lopende strafzaken uit te laten is door verschillende beroepsgroepen dus variërend nader ingekleurd. Gedetailleerde grenzen worden door zelfregulering niet gesteld en niet steeds is sprake van bindende afspraken. De onschuldpresumptie speelt daarbij ook nauwelijks een (expliciete) rol van betekenis. Ons stelsel kent evenmin een instrument waarmee de rechter zich kan wapenen tegen aantasting van zijn onpartijdigheid en van de exclusiviteit en het gezag van de onder zijn leiding plaatsvindende procedure. Het contempt of court zoals ze dat in Angelsaksische stelsels kennen is vooralsnog niet overgewaaid.20 Al met al zijn uitlatingen over lopende strafzaken dus in beperkte mate aan banden gelegd.21 Behoudens de uitzonderingsgevallen waarin uitlatingen leiden tot strafvervolging of een civiele procedure, zal doorgaans hoofdzakelijk de (beroeps)ethiek van de individuele beroepsbeoefenaar hem van schendingen van het vermoeden van onschuld moeten weerhouden.