Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/7.3.3.5
7.3.3.5 Bruikleen
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS587550:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 april 1966, NJ 1966/302 (Sanders/Sanders), waarover Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/206. Dit is in overeenstemming met hetgeen in het algemeen wordt geleerd over opzegging van duurovereenkomsten, zie HR 28 oktober 2011, NJ 2012/685 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin) en HR 14 juni 2013, NJ 2013/341 (Auping/Beverslaap), HR 14 april 2016, NJ 2016/236 (Gooise Gemeenten/Gemeente Amsterdam) en HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, NJ 2018/98 (Goglio/SMQ). Zie verder Asser/Sieburgh 6-III 2018/408-409 en verdere verwijzingen aldaar.
332. A leent zijn auto uit aan B. B verricht een noodzakelijke reparatie en maakt hiervoor kosten. Ingevolge art. 7A:1789 BW is de uitlener verplicht om deze kosten te vergoeden aan de bruiklener. Vervolgens gaat A failliet. Kan de curator de zaak bij B opeisen en wat is daarin de rol van het retentierecht van B?
Er zijn verschillende mogelijkheden voor de curator om de zaak bij de bruiklener op te eisen. In art. 7A:1787 BW is bepaald dat de uitlener de zaak pas kan terugvorderen nadat de overeengekomen bepaalde tijd is verstreken, of de zaak tot het gebruik waartoe zij was uitgeleend heeft gediend of kunnen dienen. De curator van A kan zich bijvoorbeeld op het verstrijken van de bepaalde termijn beroepen, of dat de zaak B al tot het door partijen bedoelde gebruik heeft gediend. Verder is nog mogelijk dat de uitlener bij een contract voor bepaalde tijd de zaak kan opvorderen vóórdat de zaak geheel ‘gediend heeft tot het gebruik waartoe zij was uitgeleend’, wanneer de uitlener de zaak om dringende redenen zelf nodig heeft. Art 7A:1788 BW bepaalt dat de uitlener de bruiklener in dat geval daartoe door de rechter kan laten veroordelen.
Bij een bruikleen voor onbepaalde tijd is de uitlener in zijn algemeenheid tot opzegging bevoegd.1 In het arrest Sanders/Sanders oordeelde de Hoge Raad dat de uitlener de overeenkomst in het algemeen kan opzeggen wanneer hem dit goeddunkt, met inachtneming van een redelijke termijn.2 Maar in datzelfde arrest overwoog de Hoge Raad eveneens dat dit anders kan zijn wanneer de bruiklener aanzienlijke kosten heeft gemaakt ten behoeve van de zaak. Onder die omstandigheden is voor opzegging een dringende reden nodig. Hoewel het om een uitzonderingsgeval gaat, is het juist bij het retentierecht niet ondenkbaar dat de bruiklener zelf kosten voor de zaak heeft gemaakt. Of afwijking van de hoofdregel van opzegging gerechtvaardigd is, kan alleen per geval worden beoordeeld.
Kortom: er bestaan verschillende mogelijkheden om de bruikleen te beëindigen. Is beëindiging door A mogelijk op grond van de overeenkomst of de wet, dan is diens curator daar ook toe bevoegd. Als B dan alsnog afgifte weigert met een beroep op het retentierecht, kan de curator van A dit doorbreken op grond van art. 60 lid 2 Fw. Is beëindiging door de curator van A daarentegen niet mogelijk, dan kan de curator evenmin de zaak opeisen met behulp van art. 60 lid 2 Fw. Zoals in paragraaf 7.2 betoogd, kan art. 60 Fw niet afdoen aan het principe dat het faillissement geen invloed heeft op bestaande verbintenissen.