Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 februari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4836.
HR, 29-09-2023, nr. 22/01667
ECLI:NL:HR:2023:1266, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-09-2023
- Zaaknummer
22/01667
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1266, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑09‑2023; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1043, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:4836, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
ECLI:NL:PHR:2022:1043, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1266, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑05‑2022
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2023/570
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2023-0084
JPF 2023/95 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
NJ 2023/350 met annotatie van L. Strikwerda
JPF 2024/4
JBPr 2024/7 met annotatie van mr. B.F.L.M. Schim
JPF 2023/95 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
JPF 2024/4
JBPr 2024/7 met annotatie van mr. B.F.L.M. Schim
Uitspraak 29‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht; bevoegdheid. Litispendentie, art. 12 Rv. Is voor aanhouding en onbevoegdverklaring op grond van art. 12 Rv alleen vereist dat buitenlandse (veroordelende) beslissing vatbaar is voor erkenning in Nederland of is vereist dat zij ook vatbaar is voor tenuitvoerlegging in Nederland? Tijdstip aanhangig maken van buitenlandse procedure; ambtshalve toepassing buitenlands recht.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/01667
Datum 29 september 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[B] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
[R] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: A.H.M. van den Steenhoven.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak C/01/350244 / FA RK 19-4248 van de rechtbank Oost-Brabant van 26 juni 2020 en 23 maart 2021;
b. de beschikkingen in de zaak 200.295.190/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 september 2021 en 3 februari 2022.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof van 3 februari 2022 beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze zaak staat in cassatie de vraag centraal of voor aanhouding en onbevoegdverklaring op grond van art. 12 Rv alleen is vereist dat de buitenlandse (veroordelende) beslissing vatbaar is voor erkenning in Nederland of dat daarvoor ook is vereist dat zij vatbaar is voor tenuitvoerlegging in Nederland.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 2012 in Marokko met elkaar gehuwd op grond van islamitisch recht.
(ii) In 2013 zijn zij in Nederland met elkaar gehuwd.
(iii) Partijen hebben beiden zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.
(iv) Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren.
(v) De man heeft op 19 augustus 2019 bij de rechtbank te Marrakesh, Marokko, een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend (hierna: de Marokkaanse procedure).
(vi) In de Marokkaanse procedure heeft de rechtbank te Marrakesh bij beschikking van 12 maart 2020 (hierna: de Marokkaanse beschikking) tussen partijen de echtscheiding uitgesproken (het in 2012 in Marokko gesloten huwelijk). Bij die beschikking heeft de rechtbank te Marrakesh voorts, uitvoerbaar bij voorraad, onder meer bepaald dat de man aan de vrouw als kinderalimentatie 2.000,-- dirham (ongeveer € 200) per kind per maand moet voldoen. De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gegaan. In hoger beroep heeft zij, samengevat, verzocht haar rechten te verhogen ‘naar het passend niveau van het werkelijke inkomen’ van de man.
2.3
In de onderhavige procedure heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder kinderalimentatie, ingediend op 5 september 2019, dus nadat de man een verzoekschrift tot echtscheiding had ingediend bij de rechtbank te Marrakesh. De man heeft in de onderhavige procedure voor alle weren, onder verwijzing naar de Marokkaanse procedure, verzocht om aanhouding en onbevoegdverklaring op grond van art. 12 Rv. Ook heeft de man verzocht om erkenning van de Marokkaanse beschikking.
2.4
Bij tussenbeschikking van 26 juni 2020 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de Marokkaanse rechtbank op 12 maart 2020 uitspraak heeft gedaan en dat er, ondanks de mogelijkheid van hoger beroep tegen de Marokkaanse beschikking, daarom geen reden meer is om de onderhavige procedure aan te houden op grond van art. 12 Rv.
Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat nu het Marokkaanse huwelijk op grond van art. 10:31 BW in Nederland wordt erkend en rechtsgeldig is, het Nederlandse huwelijk nietig is, en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de Marokkaanse beschikking kan worden erkend.
Bij eindbeschikking van 23 maart 2021 heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat de Marokkaanse beschikking in Nederland wordt erkend voor zover daarin de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken. Ten aanzien van de beslissing in de Marokkaanse beschikking dat de man aan de vrouw 2.000,-- dirham per kind per maand aan alimentatie moet voldoen, heeft de rechtbank overwogen dat deze beslissing niet krachtens verdrag of wet in Nederland uitvoerbaar is, zodat de vrouw op grond van art. 431 Rv geen verlof wordt verleend om de uitspraak in Nederland ten uitvoer te leggen. De vrouw heeft volgens de rechtbank dan ook belang bij een oordeel van de Nederlandse rechter over de kinderalimentatie. De rechtbank heeft bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking aan de vrouw als kinderalimentatie € 557,79 per kind per maand moet voldoen en heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.5
Het hof heeft bij beschikking van 3 februari 2022, voor zover in cassatie van belang, de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard kennis te nemen van het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie.1.Daartoe heeft het hof, samengevat, als volgt overwogen.
Het hof dient zijn rechtsmacht ten aanzien van de nevenvoorzieningen afzonderlijk te beoordelen (HR 12 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:31). De Nederlandse rechter is op grond van art. 3, aanhef en onder a en b, Alimentatieverordening bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw betreffende kinderalimentatie omdat zowel de man (als verweerder) als de vrouw (als verzoekster) hun gewone verblijfplaats in Nederland heeft. (rov. 5.1)
De man verzoekt te bepalen dat de Nederlandse rechter onbevoegd is ten aanzien van het alimentatieverzoek omdat de rechtbank te Marrakesh hierover al, uitvoerbaar bij voorraad, heeft beslist bij de Marokkaanse beschikking en de vrouw van die beschikking in hoger beroep is gegaan. (rov. 5.2)
Of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw is, gelet op art. 12 Rv, ervan afhankelijk of (i) de Marokkaanse beschikking voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar is en (ii) het verzoek hetzelfde onderwerp betreft als waarover de Marokkaanse rechter reeds heeft beslist. (rov. 5.3)
Tussen Nederland en Marokko geldt geen verdrag of verordening waarin de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen is geregeld. De erkenning van de Marokkaanse beschikking wordt beheerst door het Nederlandse commune internationaal privaatrecht, te weten art. 431 Rv. De voorwaarden voor erkenning zijn door de Hoge Raad uiteengezet in het Gazprombank-arrest.2.De Marokkaanse alimentatiebeslissing voldoet aan deze voorwaarden. (rov. 5.3-5.5)
Nu de Marokkaanse beschikking vatbaar is voor erkenning in Nederland, kan de vrouw een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv instellen om een in Nederland voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verwerven. Toewijzing van die vordering stuit niet af op het feit dat van deze beschikking (in Marokko) hoger beroep is ingesteld. De Marokkaanse beschikking is immers uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Omdat de waardering van de voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging ten aanzien van de beslissing in hoger beroep niet anders zal zijn, zal ook die beslissing te zijner tijd in Nederland worden erkend en ten uitvoer gelegd door het voeren van een procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv. (rov. 5.6)
Tussen partijen is niet in geschil dat de Marokkaanse rechter een beslissing over kinderalimentatie heeft genomen. Nu die Marokkaanse beschikking in Nederland kan worden erkend en tenuitvoergelegd, is de Nederlandse rechter onbevoegd kennis te nemen van het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie. (rov. 5.8)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel bestrijdt vanuit verschillende invalshoeken het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie.
Het middel stelt niet de vraag aan de orde of art. 12 Rv kan worden toegepast in het geval dat de rechter zijn internationale bevoegdheid ontleent aan de Alimentatieverordening.3.In cassatie geldt in deze zaak dus als onbestreden uitgangspunt dat art. 12 Rv kan worden toegepast.
Het middel klaagt evenmin dat het hof zich onbevoegd heeft verklaard zonder vast te stellen dat de Marokkaanse beschikking onherroepelijk was.4.
3.2.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof de litispendentiebepaling van art. 12 Rv onjuist heeft toegepast. Volgens de klacht kan de rechter zich op grond van art. 12 Rv alleen onbevoegd verklaren indien de buitenlandse beslissing vatbaar is voor tenuitvoerlegging in Nederland. De Marokkaanse beschikking is, bij gebreke van een verdrag of verordening tussen Nederland en Marokko, niet vatbaar voor tenuitvoerlegging in Nederland. Daarom is geen sprake van litispendentie en heeft het hof zich ten onrechte onbevoegd verklaard, aldus de klacht.
3.2.2
Art. 12 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling kan aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd.
3.2.3
Art. 12 Rv strekt ertoe in Nederland tegenstrijdige beslissingen tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp te voorkomen. Het gevaar van dergelijke tegenstrijdige beslissingen doet zich voor indien de door de eerder aangezochte buitenlandse rechter gegeven beslissing in Nederland wordt erkend. De rechter die overweegt op grond van art. 12 Rv de behandeling van de zaak aan te houden dan wel beoordeelt of hij zich op grond van die bepaling onbevoegd dient te verklaren, dient daarom te onderzoeken of in de procedure bij de buitenlandse rechter een beslissing kan worden respectievelijk is gegeven die vatbaar is voor erkenning in Nederland.5.Zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij art. 12 Rv,6.kan een beslissing van een buitenlandse rechter in Nederland worden erkend hetzij op grond van de voorwaarden die in de rechtspraak zijn ontwikkeld (zoals in het na de totstandkoming van art. 12 Rv gewezen Gazprombank-arrest7.), hetzij op grond van een internationale regeling.
Voor toepassing van art. 12 Rv is niet tevens vereist dat de beslissing van de buitenlandse rechter voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is. Dit is alleen anders als het gaat om een veroordelende beslissing en tussen Nederland en de desbetreffende vreemde staat een executieverdrag geldt dat voorziet in de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van die beslissing in Nederland (in welk geval een exequatur moet worden gevraagd). Zoals blijkt uit de memorie van toelichting kan, tenzij het verdrag zelf in een litispendentieregeling voorziet, art. 12 Rv ook in dat geval toepassing vinden.8.De rechter dient in dat geval, wanneer hij overweegt op grond van art. 12 Rv de behandeling van de zaak aan te houden dan wel beoordeelt of hij zich op grond van die bepaling onbevoegd dient te verklaren, te onderzoeken of in de procedure bij de buitenlandse rechter een beslissing kan worden respectievelijk is gegeven die vatbaar is voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland. De woorden “en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging” zijn blijkens de memorie van toelichting om deze reden opgenomen in art. 12 Rv.9.
Aan het voorgaande doet de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9 geciteerde passage in de memorie van toelichting10.niet af. Met de laatste zin in dit citaat heeft de wetgever kennelijk slechts tot uitdrukking gebracht dat aanhouding en onbevoegdverklaring op grond van art. 12 Rv niet mogelijk zijn in een geval waarin een executieverdrag van toepassing is maar de beslissing van de buitenlandse rechter ingevolge dat verdrag of de art. 985 e.v. Rv niet voor tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt.
3.2.4
Gelet op het hiervoor in 3.2.3 overwogene heeft het hof, door in de bestreden beschikking te onderzoeken of de Marokkaanse beschikking in Nederland voor erkenning in aanmerking komt op grond van de voorwaarden in het Gazprombank-arrest, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over art. 12 Rv. In dit geval was, bij gebreke van een verdrag tussen Nederland en Marokko, voor toepassing van art. 12 Rv immers niet vereist dat de Marokkaanse beschikking voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is. Onderdeel 1 faalt dus.
3.3.1
Onderdeel 2.4 klaagt dat het kennelijke oordeel van het hof dat de zaak wat betreft de kinderalimentatie eerder aanhangig is gemaakt in Marokko dan in Nederland, ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof niet is ingegaan op het betoog van de vrouw dat zij met haar op 5 september 2019 bij de Nederlandse rechter ingediende echtscheidingsverzoek met nevenvoorzieningen – waaronder kinderalimentatie – eerder heeft verzocht om te beslissen over de kinderalimentatie dan de man, omdat hij in Marokko op 19 augustus 2019 alleen heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken.
3.3.2
Deze klacht slaagt. Door over te gaan tot beoordeling van de vraag of de Marokkaanse beschikking vatbaar is voor erkenning in Nederland, heeft het hof kennelijk tot uitgangspunt genomen dat, wat betreft de kinderalimentatie, de Marokkaanse procedure eerder aanhangig was dan de Nederlandse procedure. Het hof heeft daarbij echter niet (kenbaar) gerespondeerd op het betoog van de vrouw dat de Nederlandse procedure wat betreft de kinderalimentatie eerder aanhangig was dan de Marokkaanse procedure omdat die laatste, toen die op 19 augustus 2019 werd ingesteld, geen betrekking had op kinderalimentatie.
Na cassatie en verwijzing zal moeten worden beoordeeld of, wat betreft de kinderalimentatie, de Marokkaanse procedure eerder aanhangig was dan de Nederlandse procedure. Hierbij geldt dat het tijdstip van aanhangig maken van de buitenlandse procedure moet worden bepaald naar het – door de rechter ambtshalve toe te passen – recht van de desbetreffende staat, dus in dit geval naar Marokkaans recht.11.In het onderhavige geval zal ook moeten worden onderzocht het betoog van de man dat de Marokkaanse rechter die over de echtscheiding oordeelt, ambtshalve is gehouden te oordelen over kinderalimentatie.
3.3.3
De overige klachten van onderdeel 2 behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 februari 2022;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 29 september 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑09‑2023
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank).
Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, PbEU 2009, L7/1.
HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1265 (A/K), rov. 3.3.6.
Vgl. ook HR 3 juli 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1786, rov. 3.4.
Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 45-46.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank), rov. 3.6.4. Zie ook HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170 (Albaniabeg), rov. 3.2.2; HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1265 (A/K), rov. 3.6.1.
Zie Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 45.
Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 45-46.
Vgl. Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 45.
Conclusie 11‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Internationaal Privaatrecht. Procesrecht. Litispendentie (art. 12 Rv). Kinderalimentatieprocedures aanhangig in Marokko en in Nederland; uitleg art. 12 Rv; Nederlandse rechter onbevoegd o.g.v. erkenning Marokkaanse alimentatiebeslissing op voet art. 431 lid 2 Rv op basis Gazprombank-criteria (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838)?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01667
Zitting 11 november 2022
(bij vervroeging)
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[de vrouw] (hierna: de vrouw)
tegen
[de man] (hierna: de man)
Deze zaak heeft betrekking op art. 12 Rv inzake litispendentie. De man heeft in Marokko een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. De vrouw heeft bij de Nederlandse rechter een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. In de Nederlandse procedure heeft de man zich beroepen op art. 12 Rv en om aanhouding verzocht totdat de Marokkaanse rechter op het echtscheidingsverzoek heeft beslist. De rechtbank heeft de inmiddels uitgesproken Marokkaanse echtscheiding erkend en ten aanzien van de beslissing van de Marokkaanse rechter over kinderalimentatie geoordeeld dat deze op grond van art. 431 lid 2 Rv niet voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt. De rechtbank heeft zich bevoegd geacht om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie. In hoger beroep doet de man een beroep op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de kinderalimentatie. Het hof oordeelt dat art. 12 Rv van toepassing is en dat de Marokkaanse alimentatiebeslissing voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland op de voet van art. 431 lid 2 Rv in aanmerking zal komen. Hiertegen richt zich het middel. De vraag rijst of art. 12 Rv van toepassing is wanneer tussen Nederland en de betrokken staat geen verdrag (of verordening) inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen van toepassing is.
Deze vraag staat ook centraal in een andere zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is met als zaaknummer 22/01718, waarin ik eveneens vandaag conclusie neem.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1.De man en de vrouw zijn op 30 december 2012 gehuwd in Marokko op basis van de Koran en de soena. Op 28 mei 2013 zijn zij te [plaats] met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn drie thans nog minderjarige kinderen geboren. De man en de vrouw hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.
1.2
Op 19 augustus 2019 heeft de man een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank te Marrakesh (Marokko).
1.3
De vrouw heeft op 5 september 2019 een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant.
1.4
Op 12 maart 2020 heeft de rechtbank te Marrakesh de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft ook nevenvoorzieningen uitgesproken ten aanzien van het zorgrecht voor de kinderen, een omgangsregeling en de kinderalimentatie. De rechtbank heeft beslist dat de man aan de vrouw als kinderalimentatie 2000 dirham (circa € 200,-) per kind per maand moet voldoen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.5
Tegen de beschikking van de Marokkaanse rechter heeft de vrouw hoger beroep ingesteld en verzocht haar rechten te verhogen naar het passend niveau van het werkelijke inkomen van de man.
1.6
De rechtbank Oost-Brabant heeft bij tussenbeschikking van 26 juni 2020 overwogen dat de man voor alle weren een beroep heeft gedaan op art. 12 Rv en om aanhouding heeft verzocht totdat de Marokkaanse rechter op het verzoek tot echtscheiding heeft beslist (rov. 2.5.1). De Marokkaanse rechter heeft op 12 maart 2020 uitspraak gedaan op het verzoek tot echtscheiding en tevens nevenvoorzieningen uitgesproken, onder meer ten aanzien van de kinderalimentatie. Volgens de rechtbank is er geen reden meer om de onderhavige procedure aan te houden op grond van art. 12 Rv, ondanks dat een hoger beroep mogelijk is tegen de Marokkaanse uitspraak. Het feit dat sprake is van een dubbel huwelijk tussen dezelfde personen, dat een Marokkaanse echtscheidingsuitspraak is afgegeven en de belangen van de kinderen, maken dat er duidelijkheid moet komen over de voortgang van de Nederlandse procedure (rov. 2.5.4). Het in Marokko op 30 december 2012 gesloten huwelijk wordt in Nederland erkend op grond van art. 10:31 BW, waardoor het in Nederland op 28 mei 2013 gesloten huwelijk nietig is (rov. 2.6.4). De rechtbank heeft ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding van de vrouw en de in de Nederlandse procedure verzochte nevenvoorzieningen overwogen dat moet worden afgewacht of de Marokkaanse echtscheidingsuitspraak in Nederland kan worden erkend. Zo ja, dan zal de rechtbank moeten beoordelen of de door de Marokkaanse rechter getroffen nevenvoorzieningen in Nederland kunnen worden erkend (rov. 2.8.1).
1.7
Bij beschikking van 23 maart 2021 heeft de rechtbank Oost-Brabant voor recht verklaard dat de Marokkaanse echtscheidingsuitspraak van 12 maart 2020 in Nederland wordt erkend (rov. 2.5.9). De Marokkaanse beslissing dat de man aan de vrouw 2000 dirham per kind per maand aan alimentatie moet voldoen, is niet krachtens verdrag of wet in Nederland uitvoerbaar, zodat de vrouw op grond van art. 431 Rv geen verlof wordt verleend om de uitspraak in Nederland ten uitvoer te leggen. De vrouw heeft dan ook belang bij een oordeel van de Nederlandse rechter over de kinderalimentatie (rov. 2.8.4). De rechtbank is bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen en past daarop Nederlands recht toe (rov. 2.8.5). De rechtbank beslist dat de man aan de vrouw als kinderalimentatie € 557,79 per kind per maand moet voldoen (rov. 2.8.19) en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
1.8
De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het hof ’s-Hertogenbosch. De man heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, verzocht te beslissen dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om te oordelen over de kinderalimentatie.
1.9
Het incidenteel verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank is door het hof bij beschikking van 9 september 2021 afgewezen.2.
1.10
Bij beschikking van 3 februari 2022 heeft het hof, voor zover het de kinderalimentatie betreft, de beschikking van de rechtbank vernietigd en de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard kennis te nemen van het inleidende verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie. Het hof heeft daartoe, kort samengevat, het volgende overwogen.
(i) De rechtsmacht ten aanzien van de nevenvoorzieningen moet afzonderlijk worden beoordeeld. De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen, waarop Nederlands recht van toepassing is (rov. 5.1).
(ii) De man verzoekt te bepalen dat de Nederlandse rechter onbevoegd is ten aanzien van de alimentatieverzoeken omdat de rechtbank te Marrakesh hierover al, uitvoerbaar bij voorraad, heeft beslist bij de echtscheidingsbeschikking van 12 maart 2020 en de vrouw van die beschikking in hoger beroep is gegaan (rov. 5.2).
(iii) De litispendentieregeling van art. 12 Rv beoogt te voorkomen dat gelijktijdig twee procedures tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp worden gevoerd. Of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken van de vrouw is ervan afhankelijk of (i) de Marokkaanse beslissingen voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar zijn en (ii) de verzoeken van de vrouw hetzelfde onderwerp betreffen als waarover de Marokkaanse rechter reeds heeft beslist. Tussen Nederland en Marokko geldt geen verdrag of verordening waarin de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen is geregeld, zodat de erkenning van de Marokkaanse beslissingen in Nederland wordt beheerst door het Nederlandse commune internationaal privaatrecht, te weten art. 431 Rv (rov. 5.3).
(iv) De voorwaarden voor erkenning zijn door de Hoge Raad uiteengezet in zijn arrest van 26 september 2014 (Gazprombank) (rov. 5.4). Aan deze voorwaarden is voldaan (rov. 5.5), zodat de Marokkaanse beslissingen vatbaar zijn voor erkenning in Nederland en de vrouw een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv kan instellen om een in Nederland vatbare titel te verwerven. Toewijzing van deze vordering stuit niet af op het feit dat in Marokko hoger beroep is ingesteld, nu de Marokkaanse beslissingen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard. Omdat de waardering van de voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging ten aanzien van de beslissingen in hoger beroep niet anders zal zijn, zullen ook die beslissingen te zijner tijd in Nederland worden erkend en ten uitvoer gelegd door het voeren van een art. 431 lid 2 Rv-procedure (rov. 5.6).
(v) Tussen partijen is niet in geschil dat de Marokkaanse rechter een beslissing over de kinderalimentatie heeft genomen. Nu die Marokkaanse beslissing in Nederland kan worden erkend en tenuitvoergelegd, is de Nederlandse rechter onbevoegd kennis te nemen van het verzoek van de vrouw aangaande de kinderalimentatie (rov. 5.8).
1.11
De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De man heeft verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel valt, na een inleiding, uiteen in drie onderdelen.
2.2
2.3
Bij de bespreking van dit onderdeel stel ik het volgende voorop. De regels van internationaal bevoegdheidsrecht zijn van openbare orde en moeten ambtshalve worden toegepast.3.Op deze regels kan een uitzondering bestaan, indien zowel in Nederland als in een vreemde staat een procedure tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp aanhangig is. In het commune internationaal bevoegdheidsrecht is in art. 12 Rv een regeling getroffen voor litispendentie.4.Art. 12 Rv luidt als volgt:
‘Indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, kan de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. Indien het een zaak betreft die bij dagvaarding moet worden ingeleid, is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.’
2.4
Art. 12 Rv beoogt te voorkomen dat er gelijktijdig procedures tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp worden gevoerd, waardoor het gevaar van tegenstrijdige uitspraken ontstaat. Het artikel vertoont overeenkomsten met de litispendentiebepaling van (thans) art. 29 Verordening Brussel I-bis5.en art. 27 EVEX II6.(en de voorgangers van deze bepalingen).
2.5
Art. 12 Rv geeft aan de rechter een discretionaire bevoegdheid om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de beslissing van de buitenlandse rechter.7.De Nederlandse rechter kan de behandeling van de zaak aanhouden, maar is daartoe niet verplicht. Hierin ligt een belangrijk verschil met art. 29 Verordening Brussel I-bis en art. 27 EVEX II (en hun voorgangers), die bepalen dat de rechter in het geval van litispendentie de zaak moet aanhouden. Volgens de wetgever vloeit dit verschil voort uit het feit dat via de verordeningen en verdragen als het ware een gesloten stelsel van intern-regionale relatieve bevoegdheid is ingevoerd.8.
2.6
De exceptie van litispendentie wordt niet ambtshalve toegepast, maar moet worden ingeroepen. In het kader van de toepassing van art. 12 Rv moet het tijdstip van aanhangigheid worden bepaald volgens de lex fori.9.Naar Nederlands procesrecht (zie art. 69 lid 1, tweede volzin, en art. 125 lid 1 Rv) is een geding aanhangig vanaf de dag van de dagvaarding of indiening van het verzoekschrift. Naar Nederlands internationaal privaatrecht moet de rechtsmacht ten aanzien van de echtscheiding afzonderlijk worden bepaald, evenals de rechtsmacht voor de in het kader van het echtscheidingsverzoek ingediende verzoeken tot het treffen van voorlopige en nevenvoorzieningen.10.Dit betekent dat ook het peilmoment voor de beoordeling van litispendentie voor ieder verzoek afzonderlijk dient te worden bepaald.
2.7
In het geval dat de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv de behandeling van de zaak heeft aangehouden, duurt de aanhouding voort totdat de buitenlandse rechter heeft beslist. De tweede volzin van art. 12 Rv bepaalt dat indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart. De vraag rijst in welke gevallen moet worden aangenomen dat de buitenlandse beslissing voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar is. Hierover bestaan twee opvattingen, een enge en een ruime opvatting. In de enge opvatting verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd in het geval dat de buitenlandse beslissing uitsluitend op grond van een verdrag of een verordening in Nederland voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar is. In de ruime opvatting geldt dat de Nederlandse rechter zich ook bij gebreke van een verdrag of een verordening onbevoegd verklaart in het geval dat een partij op de voet van art. 431 lid 2 Rv bij de Nederlandse rechter een vordering instelt tot veroordeling van de wederpartij waartoe deze in de buitenlandse beslissing is veroordeeld. De Nederlandse rechter toetst of de buitenlandse beslissing voldoet aan de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het Gazprombank-arrest.11.Is dat het geval, dan wordt in het Nederlandse vonnis de wederpartij veroordeeld tot datgene waartoe zij in de buitenlandse beslissing was veroordeeld. In het Gazprombank-arrest heeft de Hoge Raad in rov. 3.6.4 overwogen dat in een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv tot uitgangspunt dient dat een buitenlandse beslissing wordt erkend
‘indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is’.
2.8
Op deze wijze kan in een summiere procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv een buitenlands vonnis bij gebreke van een verdrag of een verordening in Nederland alsnog worden erkend en wordt op grond van de beslissing van de Nederlandse rechter een executoriale titel verkregen.
2.9
De enge opvatting is terug te vinden in recente uitspraken van het hof Amsterdam12.en het hof Den Haag.13.Voor deze opvatting is steun te vinden in de MvT bij art. 12 Rv, waar het volgende is opgemerkt:
‘De erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen is voor een niet onbelangrijk gedeelte geregeld in internationale verdragen. Voor zover deze materie niet door verdragen geregeld is, bepaalt nationaal recht de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen. Naar huidig Nederlands recht kan erkenning volgen indien de buitenlandse rechter zijn bevoegdheid op internationaal aanvaarde regels heeft gebaseerd, hij behoorlijke regels van procesvoering heeft toegepast en de beslissing niet in strijd is met de openbare orde. Buitenlandse beslissingen kunnen alleen in Nederland ten uitvoer worden gelegd indien internationale verdragen dat meebrengen, zie art. 431 Rv. Is dat niet het geval, dan zal er dus geen sprake zijn van de in artikel 12 (…) bedoelde situatie van litispendentie, omdat de eerder in het buitenland gestarte procedure niet voor executie in Nederland in aanmerking komt’.14.
2.10
In de MvT wordt geen aandacht geschonken aan de vraag of een beslissing in de summiere procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv, kan leiden tot onbevoegdheid van de rechter in het kader van art. 12 Rv. Ten tijde van de invoering van art. 12 Rv kon reeds de weg van zo’n summiere procedure worden gevolgd.15.Het stilzwijgen van de MvT op dit punt is een argument ten gunste van de enge opvatting.
2.11
De enge opvatting sluit ook aan bij de uitleg van art. 10 Rv in samenhang met art. 767 Rv. Op grond van deze bepalingen is de Nederlandse rechter onder bepaalde voorwaarden bevoegd ten aanzien van het hoofdgeschil wanneer in Nederland vreemdelingenbeslag is gelegd (het forum arresti). In zijn arrest van 12 april 2019 heeft de Hoge Raad overwogen:
‘Art. 767 Rv biedt uitsluitend een grondslag voor internationale rechtsmacht indien “een andere weg om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen” ontbreekt. Deze zinsnede moet aldus worden verstaan dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet kan worden gebaseerd op art. 10 Rv in verbinding met art. 767 Rv indien (i) de Nederlandse rechter reeds rechtsmacht toekomt op een andere grondslag, zoals de art. 2-9 Rv, of (ii) de beslaglegger door middel van een procedure bij een buitenlandse overheidsrechter een uitspraak kan verkrijgen die op grond van een EU-verordening of een verdrag vatbaar is voor tenuitvoerlegging in Nederland (…)’.16.
2.12
2.13
In de zaak die in cassatie aan de orde is, is het hof uitgegaan van de ruime opvatting door na te gaan of de Marokkaanse beslissing in Nederland op grond van art. 431 lid 2 Rv voor erkenning en/of tenuitvoerlegging in aanmerking komt (rov. 5.2-5.8). De ruime opvatting wordt ook aangehangen in de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2022, waartegen cassatieberoep is ingesteld (aanhangig onder zaaknummer 22/01718)18.en waarin ik vandaag eveneens conclusie neem.
2.14
Voor de ruime opvatting pleit dat de Nederlandse rechter de zaak in meer gevallen kan aanhouden ten gunste van een procedure bij de buitenlandse rechter en zich ook in meer gevallen onbevoegd dient te verklaren. Verdedigd kan worden dat deze opvatting goed aansluit bij de doelstelling van art. 12 Rv om parallelle procedures te beperken en daarmee tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. Daarentegen lijkt de ruime opvatting op gespannen voet te staan met de tweede weg die art. 431 lid 2 Rv biedt, namelijk een nieuwe inhoudelijke behandeling van het geschil door de Nederlandse rechter. Het is de vraag of deze weg van inhoudelijke behandeling nog kan worden gevolgd wanneer de Nederlandse rechter zich op grond van art. 12 Rv onbevoegd heeft verklaard, omdat de buitenlandse beslissing in een summiere procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv voor erkenning in aanmerking komt en op basis daarvan een Nederlandse beslissing is gegeven.
2.15
Naar geldend recht slaat de afweging tussen de enge en de ruime opvatting naar mijn mening door ten gunste van de enge opvatting: de Nederlandse rechter dient zich op grond van art. 12 Rv uitsluitend onbevoegd te verklaren wanneer de buitenlandse beslissing voor erkenning en/of tenuitvoerlegging vatbaar is op grond van een verdrag of een verordening.
2.16
In deze zaak geldt dat tussen Nederland en Marokko geen verdrag van toepassing is voor de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van alimentatiebeslissingen.19.Evenmin is van toepassing de Alimentatieverordening20., omdat Marokko daaraan als niet-lidstaat niet is gebonden en de Alimentatieverordening niet voorziet in een bepaling die betrekking heeft op de situatie van litispendentie tussen een gerecht van een lidstaat en een gerecht van een derde staat.21.
2.17
Terugkerend naar het onderdeel meen ik dat, in het licht van hetgeen ik heb uiteengezet, de klacht terecht is voorgesteld. Het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv onbevoegd is omdat de Marokkaanse beslissingen ten uitvoer kunnen worden gelegd op grond van een procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het onderdeel slaagt.
2.18
Onderdeel 2 valt uiteen in vier subonderdelen en is gericht tegen de tweede alinea van rov. 5.3 van de bestreden beschikking, waarin het hof heeft geconcludeerd dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van het alimentatieverzoek van de vrouw ervan afhankelijk is (i) of de Marokkaanse beslissing voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar is, en (ii) of het kinderalimentatieverzoek hetzelfde onderwerp betreft als waarover de Marokkaanse rechter reeds beslist heeft.
2.19
Bij het slagen van onderdeel 1 behoeft onderdeel 2 geen bespreking, omdat daarbij geen belang meer bestaat.
2.20
Onderdeel 3 betreft een algemene voortbouwklacht. Deze klacht slaagt in het voetspoor van onderdeel 1.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 3 februari 2022 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑11‑2022
Zie rov. 3.1-3.4 van de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 3 februari 2022 (beschikking is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Hof ’s-Hertogenbosch 9 september 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2811.
Dit is vaste rechtspraak. Zie o.a. HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, NJ 2019/260, m.nt. L. Strikwerda, rov. 3.4.3; HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, NJ 2017/418, m.nt. L. Strikwerda, rov. 4.2.3; HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, NJ 2015/453, m.nt. L. Strikwerda, rov. 3.3.2.
Art. 12 Rv is ingevoerd op 1 januari 2002 bij Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580 (herziening procesrecht). Zie over art. 12 Rv: Strikwerda/Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019/93; P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 12 Rv, aant. 1; M. Zilinsky, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 12 Rv; F. Ibili e.a., (Echt)scheiding en internationaal privaatrecht, 2018, p. 47-48.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano 30 oktober 2007, PbEU 2009, L 147.
Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 119.
Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, t.a.p.
Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, t.a.p.
Vgl. HR 12 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:31, NJ 2018/58.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer.
Hof Amsterdam 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3248, JBPr 2022/37, m.nt. M.W.F. Bosters.
Hof Den Haag 15 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:700. Deze opvatting is ook terug te vinden in Rb. Gelderland 12 november 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7122; Rb. Limburg 24 juni 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:4574.
Parl. Gesch. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 120.
Zie onder 2.4-2.9 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:530) vóór HR 26 september 2014 (Gazprombank), reeds aangehaald.
Zie HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, NJ 2019/260, m.nt. L. Strikwerda, rov. 3.4.5.
Zie ook hof Den Haag 15 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:700, rov. 22.
Zie voor de ruime opvatting ook: Rb. Rotterdam 30 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9828; Rb. Amsterdam 21 februari 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA4506, JBPr 2007/71, m.nt. G.S.C.M. van Roeyen.
Marokko is geen partij bij het Haags Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden van 23 november 2007 en de voorgangers daarvan, resp. het Haags Verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen van 15 april 1958 en het Haags Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973. Daarentegen is Marokko sedert 25 mei 1957 wel partij bij het VN Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud van 20 juni 1956, maar dit verdrag is een rechtshulpverdrag dat de inning van onderhoudsbijdragen wil vergemakkelijken en speelt in deze zaak geen rol.
Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, PbEU 2009, L 7/1.
Zo’n situatie is wel geregeld in art. 33 Verordening Brussel I-bis (Verordening nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)). Art. 33 kent de rechter van de lidstaat een discretionaire bevoegdheid toe de uitspraak aan te houden ‘indien (a) wordt verwacht dat het gerecht van het derde land een beslissing zal geven die kan worden erkend en, in voorkomend geval, ten uitvoer kan worden gelegd in die lidstaat, en tevens (b) het gerecht van de lidstaat ervan overtuigd is dat aanhouding nodig is voor een goede rechtsbedeling’.
Beroepschrift 03‑05‑2022
Toevoeging verleend (kenmerk: 2GJ8512)
PROCESINLEIDING (VERZOEKZAAK) — ingediend op 3 mei 2022
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Verzoekster tot cassatie is [de vrouw] (hierna: de vrouw). Zij woont in [woonplaats] en kiest voor deze zaak woonplaats te Nijmegen (Molenveldlaan 162, 6523 RN), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. J.H.M. van Swaaij, die namens haar deze procesinleiding ondertekent en indient.
Verweerder in cassatie is [de man] (hierna: de man). Hij woont in [woonplaats] en heeft in de vorige instantie van deze zaak woonplaats gekozen te Rotterdam (Straatweg 124, 3051 BM), ten kantore van zijn advocaat mr. S.A. Ray.
De vrouw stelt hierbij cassatieberoep in tegen de beschikking die het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch (zaaknummer 200.295.190/01) op 3 februari 2022 gegeven heeft tussen de vrouw en de man.
De vrouw legt deze beschikking hierbij over en zal het daartoe leiden dat zo spoedig mogelijk het volledige procesdossier overgelegd wordt.
A. Inleiding1.
Dit geschil betreft thans, in cassatie, de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. In de bestreden beschikking is het hof tot het oordeel gekomen dat de Nederlandse rechter wegens litispendentie (art. 12, tweede volzin, Rv) onbevoegd zou zijn om kennis te nemen van het door de vrouw bij de rechtbank Oost-Brabant ingediende verzoek2. op 5 september 2019 om (kort gezegd) kinderalimentatie voor de drie kinderen die zij met de man heeft. Dit oordeel berust in essentie hierop, [1] dat de rechtbank te Marrekesh,3. Marokko, bij een beschikking van 12 maart 2020 reeds beslist heeft over deze kinderalimentatie (hierna: de Marokkaanse beslissing4.), [2] dat deze Marokkaanse beslissing, gezien art. 431 lid 2 Rv en het door Uw Raad gewezen Gazprombank-arrest,5. in beginsel door de Nederlandse rechter erkend kan worden, en [3] dat de Marokkaanse beslissing ‘dus’ in Nederland in de zin van art. 12 Rv vatbaar zou zijn voor tenuitvoerlegging.
Miskend echter heeft het hof met dit onbevoegdheidsoordeel — dit is de kern van onderdeel 1 — dat geen sprake is van litispendentie indien een buitenlandse rechterlijke beslissing, zoals de Marokkaanse beslissing, in de zin van art. 12 Rv niet ‘voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar’6. is. Zoals het hof7. en de rechtbank Oost-Brabant8. namelijk geoordeeld hebben, ontbreekt tussen Nederland en Marokko een verdrag of verordening waarin de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen geregeld is. Zonder zo'n verdrag of verordening, is een buitenlandse rechterlijke beslissing niet in de zin van art. 12 Rv vatbaar voor tenuitvoerlegging in Nederland (artt. 431 lid 1 jo. 985 Rv). Derhalve is van litispendentie in casu geen sprake. De Nederlandse rechter zal het geding, gezien art. 431 lid 2 Rv, opnieuw moeten behandelen en afdoen. Daarbij kan aan de orde komen of en in hoeverre een buitenlandse rechterlijke beslissing, zoals de Marokkaanse beslissing, vatbaar is voor erkenning, maar dat maakt niet dat deze beslissing als zodanig alsnog in Nederland ten uitvoer gelegd zou kunnen worden.
‘Er is een feitelijk novum in cassatie: het gerechtshof te Marrakesh heeft namelijk op 4 januari 2022 de Marokkaanse beslissing wat betreft de kinderalimentatie vernietigd, zodat de Marokkaanse beslissing sowieso al niet (meer) uitvoerbaar9. is, noch in Nederland, noch in Marokko. Het hierna geformuleerde middel is niet op dit novum gebaseerd.’
Bovendien heeft het hof ten onrechte nagelaten — dit is de kern van onderdeel 2 — om op de voet van art. 12 Rv te onderzoeken of de zaak wat betreft de kinderalimentatie later (art. 12 Rv: ‘nadien’) in Nederland aanhangig gemaakt zou zijn dan in Marokko. Althans, indien het hof wèl tot dat onderzoek overgegaan is, heeft het een onjuiste maatstaf gehanteerd, want het is kennelijk tot het oordeel gekomen dat de zaak wat betreft de kinderalimentatie in Marokko reeds aanhangig geweest zou zijn vanaf het moment dat de man zijn ‘verzoekschrift tot echtscheiding’10. — zonder nevenvoorzieningen — ingediend had.
Het belang van de vrouw bij dit cassatieberoep
De Marokkaanse beslissing houdt in dat de man per maand 2.000 dirham (omgerekend: circa € 200) per kind aan de vrouw moet voldoen. De rechtbank Oost-Brabant kende bij haar in eerste aanleg gegeven beschikking van 23 maart 2021 een bedrag toe van € 557,79 per kind per maand. De vrouw heeft er alle belang bij dat na cassatie en verwijzing het betreffende gerechtshof alsnog deze door deze rechtbank gegeven beschikking bekrachtigt of (zelfs), gezien de overige grieven van de vrouw, vernietigt met verhoging van het door deze rechtbank gegeven maandelijkse bedrag aan kinderalimentatie. Het belang van de vrouw bij dit cassatieberoep is derhalve drieërlei: [1] veiligstelling van de ingangsdatum van de kinderalimentatieverplichting (23 maart 2021), [2] (minimaal) bekrachtiging van het door de rechtbank Oost-Brabant toegewezen bedrag van € 557,79 per kind per maand, en [3] het voorkómen van een (succesvol) beroep van de man op onverschuldigde betaling wat betreft de in het verleden op basis van de in eerste aanleg gegeven beschikking betaalde kinderalimentatie.
B. Bestrijding van 's Hofs beschikking
Namens de vrouw wordt tegen deze beschikking het hiernavolgende middel van cassatie voorgesteld.
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van essentiële vormen doordat het hof geoordeeld en beslist heeft zoals vervat is in de beschikking van 3 februari 2022, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen:
1. De Marokkaanse beslissing is niet vatbaar voor tenuitvoerlegging in Nederland, zodat geen sprake is van litispendentie (rovv. 5.3 t/m 5.8)
Onjuist is 's hofs:
- i.
oordeel in rov. 5.6 dat ‘de Marokkaanse beslissingen’ (1e volzin) resp. ‘deze beslissingen te zijner tijd in Nederland {…} ten uitvoer gelegd’ zouden kunnen worden ‘door het voeren van een artikel 431 lid 2 Rv procedure’; en
- ii.
daarop mede voortbouwende (concluderende) oordeel in rov. 5.8 dat de ‘Marokkaanse beslissing’ in Nederland ten uitvoer gelegd zou kunnen worden.
Immers, weliswaar kunnen de door de Nederlandse rechter gedane uitspraken in de gedingen die volgens in het tweede lid van art. 431 Rv opnieuw bij de Nederlandse rechter behandeld en afgedaan worden in Nederland ten uitvoer gelegd worden, maar het hof miskent dat tenuitvoerlegging in Nederland van de in het eerste lid van dit art. 431 Rv vermelde, door vreemde rechters (eerder in deze gedingen) gegeven beslissingen als zodanig niet mogelijk is. Voor deze buitenlandse beslissingen blijft onverminderd de in dit eerste lid neergelegde hoofdregel gelden dat deze beslissingen ‘noch {…} binnen Nederland ten uitvoer gelegd’ kunnen worden. Wat betreft de Marokkaanse beslissing geldt in casu deze hoofdregel, omdat zij niet valt onder het ‘behoudens het bepaalde in artt. 985 t/m 994 Rv’ (ten uitvoerlegging is mogelijk op basis van een verdrag of wet).11. Alleen de uitspraken van de Nederlandse rechter in deze in art. 431 lid 2 Rv vermelde gedingen, waarin een volledige en zelfstandige beoordeling van het betreffende geschil door de Nederlandse rechter het uitgangspunt is,12. vormen in Nederland uitvoerbare executoriale titels13. en de door de vreemde rechters eerder in deze gedingen gegeven beslissingen als zodanig kunnen niet in Nederland ten uitvoer gelegd worden. Hieraan doet niet af het in rov. 3.6.4 van het Gazprombank-arrest14. vermelde en de bestreden beschikking van het hof onderkende uitgangspunt, want dit uitgangspunt is ‘slechts’ dat de betreffende buitenlandse beslissing in beginsel erkend wordt indien voldaan is aan de in deze rov. 3.6.4 bij (i) t/m (iv) bedoelde vereisten en brengt (echter) niet mee dat, indien de Nederlandse rechter die buitenlandse beslissing erkent in het door hem op de voet van art. 431 lid 2 Rv opnieuw behandelde geding, deze buitenlandse beslissing als zodanig ‘dus’ ook in Nederland ten uitvoer gelegd zou kunnen worden: alleen de door de Nederlandse rechter in dat geding gedane uitspraak is vatbaar voor tenuitvoerlegging in Nederland.
Daarom is onverenigbaar met genoemde hoofdregel van art. 431 lid 1 Rv en (de ratio van) art. 12 Rv dat in casu de Nederlandse rechter in dit (met het bij de rechtbank Oost-Brabant op 5 september 2019 ingediende kinderalimentatieverzoekschrift aanhangig gemaakte) geding en in soortgelijke gedingen een uitspraak doet die ertoe strekt dat hij zich op grond van art. 12, tweede volzin, Rv, onbevoegd verklaart: een grondslag immers voor tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing ontbreekt,15. zodat geen sprake kan zijn van litispendentie.16. Derhalve heeft het hof zich ten onrechte onbevoegd verklaard om te beslissen op het kinderalimentatieverzoek van de vrouw en dit ten onrechte gebaseerd op art. 12 Rv.
2. Miskenning van ‘nadien’ in art. 12 Rv (rov. 5.3)
2.1
Onjuist, want ontoelaatbaar onvolledig is 's hofs concluderende oordeel in rov. 5.3 (2de al.) dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van het kinderalimentatieverzoek van de vrouw ervan afhankelijk zou zijn … of de Marokkaanse beslissing voor erkenning en ten uitvoerlegging vatbaar is, en ii. of het kinderalimentatieverzoek hetzelfde onderwerp betreft als waarover de Marokkaanse rechter reeds beslist heeft.
Immers, het hof miskent dat de Nederlandse rechter zich volgens art. 12, tweede volzin, Rv slechts onbevoegd moet verklaren indien de in deze wetsbepaling vermelde buitenlandse beslissing gegeven is of kan worden gegeven in een geding dat reeds voor de rechter van de vreemde staat aanhangig is gemaakt voordat de zaak bij de Nederlandse rechter aangebracht is. Het hof heeft ten onrechte nagelaten om te onderzoeken of de zaak wat betreft de kinderalimentatie in de zin van art. 12 Rv ‘nadien’ bij de Nederlandse rechter aangebracht is.
2.2
Indien het hof tot het in subonderdeel 2.1 bedoelde onderzoek overgegaan is en (kennelijk) tot het oordeel gekomen is dat de zaak in Marokko aanhangig geweest zou zijn vanaf het moment waarop de man zijn verzoekschrift tot echtscheiding — zonder nevenvoorzieningen — indiende (19 augustus 2019), heeft het hof een onjuiste maatstaf gehanteerd. Zoals het hof namelijk in beginsel met juistheid vooropgesteld heeft in rov. 5.1,17. moet de rechter zijn rechtsmacht ten aanzien van nevenvoorzieningen afzonderlijk beoordelen.18. Derhalve is wat betreft de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het kinderalimentatieverzoek van de vrouw voor het in art. 12 Rv bedoelde tijdstip van aanhangigheid beslissend het moment waarop aan de rechter verzocht is om te beslissen over de kinderalimentati. (en niet over de echtscheiding).
2.3
Althans, zonder nadere motivering, die ontbreekt, is onbegrijpelijk het oordeel dat de zaak wat betreft de kinderalimentatie eerder aanhangig gemaakt zou zijn in Marokko dan in Nederland. De man heeft immers ‘zijn verzoekschrift tot echtscheiding’ - zonder nevenvoorzieningen — op 19 augustus 2019 ingediend bij de rechtbank te Marrakesh.19. De vrouw heeft haar echtscheidingsverzoek ‘met nevenvoorzieningen’ op 5 september 2019 ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant.20. De vrouw is later, op 15 januari 2020, bij de rechtbank te Marrakesh verschenen21. en heeft daar pas toen verzocht om toekenning van kinderalimentatie.22. Derhalve is onbegrijpelijk dat er naar 's hofs oordeel op 5 september 2019, ten tijde van de indiening van het kinderalimentatieverzoek van de vrouw, reeds sprake geweest zou zijn van een voor de rechter van een vreemde staat (Marokko) aanhangige zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, zoals bedoeld in art. 12 Rv.
2.4
Althans, 's hofs (kennelijke) oordeel dat de zaak wat betreft de kinderalimentatie eerder aanhangig gemaakt zou zijn in Marokko dan in Nederland is ontoereikend gemotiveerd, want het hof heeft niet gerespondeerd op de essentiële stellingen23. van de vrouw [1] dat de vrouw met haar op 5 september 2019 bij de rechtbank Oost-Brabant ingediende echtscheidingsverzoek ‘met nevenvoorzieningen’ eerder verzocht heeft om te beslissen over de kinderalimentatie dan de man, omdat de man in Marokko slechts verzocht heeft om de echtscheiding uit te spreken, [2] dat wat betreft de kinderalimentatie (dus) geen sprake was van een in de zin van art. 12 Rv reeds bij een vreemde rechter aanhangige zaak over hetzelfde onderwerp, en [3] dat de rechtbank Oost-Brabant daarom kan en moet beslissen over de kinderalimentatie.24.
Het hof heeft bovendien de positieve devolutieve werking van het hoger beroep miskend, want de vrouw heeft die essentiële stellingen in eerste aanleg betrokken en de rechtbank heeft deze stellingen niet behandeld, zodat het hof niet de beschikking van de rechtbank mocht vernietigen zonder eerst te responderen op deze stellingen resp. deze te behandelen.
3. Algemene voortbouwklacht
Hetgeen waarover een vorig onderdeel klaagt, vitieert alles waarmee het hof voortbouwt op hetgeen door dat onderdeel bestreden wordt.
C. Verzoek in cassatie
De vrouw wendt zich tot Uw Raad met het verzoek om 's hofs beschikking te vernietigen; kosten rechtens.
Nijmegen, 3 mei 2022
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑05‑2022
voor de feiten zij kortheidshalve verwezen naar rovv. 3.1 t/m 3.10 van de bestreden beschikking.
De vrouw heeft op 5 september 2019 haar verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant; zie rov. 3.7 van de bestreden beschikking.
De man heeft op 19 augustus 2019 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank te Marrakesh; zie rov. 3.6 van de bestreden beschikking.
De Nederlandse vertaling van de Marokkaanse beslissing is door de man als enige productie overgelegd bij brief van 7 mei 2020 aan de rechtbank Oost-Brabant.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, rov. 3.6.4.
Rov. 5.3 van de bestreden beschikking.
Rov. 2.8.4 van de op 23 maart 2021 gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant.
Zie over uitvoerbaarheid en art. 431 lid 2 Rv; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, rovv. 3.6.6 t/m 3.6.8.
Geciteerd is uit rov. 3.6 van de bestreden beschikking.
Zoals ook het hof (rov. 5.3 van de bestreden beschikking) en de rechtbank Oost-Brabant (rov. 2.8.4 van de op 23 maart 2021 gegeven beschikking) geoordeeld hebben.
A-G Vlas in zijn conclusie (§ 2.6) voor HR 26 september 2013, ECLI:NL:HR:2014:2838; en Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/575.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838.
A-G Strikwerda in zijn conclusie (§ 2.7) voor HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838: ‘Waar verdragen (en verordeningen) echter ontbreken, geldt echter het verbod van art. 431 lid 1 Rv: geen tenuitvoerlegging in Nederland van het vreemde vonnis.’
Kamerstukken II 1999-20, 26 855, nr. 3, blz. 45–46 (MvT): ‘Buitenlandse beslissingen kunnen alleen in Nederland ten uitvoer worden gelegd indien internationale verdragen dat meebrengen, zie artikel 431 Rv. Is dat niet het geval, dan zal er dus geen sprake zijn van de in artikel 1.1.11 bedoelde situatie van litispendentie, omdat de eerder in het buitenland gestarte procedure niet voor executie in Nederland in aanmerking komt.’
Zie ook rov. 2.5.8 van de door de rechtbank Oost-Brabant op 23 maart 2021 gegeven beschikking.
HR 12 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:31, rovv. 3.4.2 t/m 3.5.
Beschikking-rov. 3.6.
Beschikking-rov. 3.7.
Rov. 3.4 van de op 9 september 2021 gegeven beschikking in het schorsingsincident. Uit blz. 1–2 van de Marokkaanse beslissing volgt dat de vrouw in de Marokkaanse procedure voor het eerst verschenen is op 15 januari 2020; zie Brief 7 mei 2020-prod. 1.
Beide partijen hebben gesteld dat de vrouw — al dan niet bewust — in Marokko om toekenning van kinderalimentatie verzocht heeft; zie voor de stellingen van de man: Proces-verbaal van mondelinge behandeling van 26 januari 2021-blz. 4 (4de al.) en blz. 5 (3e al.), en Appèlpleitnota zijdens de man-§ 3, en de stelling van de vrouw: Akte uitlating 26 oktober 2020-§ 7. Dat de vrouw bij de rechtbank te Marrakesh het verzoek tot kinderalimentatie ingediend heeft, kan voorts afgeleid worden uit [1] blz. 2 van de Marokkaanse beslissing (Brief 7 mei 2020-prod. 1) en de verklaring van de beëdigd vertaler (Verzoek tot erkenning 26 augustus 2020-prod. 2), en [2] rov. 2.8.1 van de in eerste aanleg op 23 maart 2021 door de rechtbank Oost-Brabant gegeven beschikking.
Verweerschrift in het incident in eerste aanleg (10 december 2019)-§ 3 (blz. 2–3), Proces-verbaal van mondelinge behandeling van 13 mei 2020-blz. 1 (laatste al.) en blz. 2 (1e al.) en Proces-verbaal van mondelinge behandeling van 26 januari 2021-blz. 4 (5de al.)
Zo heeft de vrouw gesteld in Verweerschrift in het incident in eerste aanleg (10 december 2019)-§ 3 (blz. 2–3): ‘Zelfs indien ervan uitgegaan moet worden dat de man eerder is met betrekking tot het verzoek om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken — hetgeen betwist blijft — dan nog is de vrouw van mening dat de rechtbank de door de vrouw ingediende nevenvoorzieningen (en het aanvullend verzoek met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, dat nu tegelijkertijd met dit verweerschrift wordt ingediend) nu al kan en dient te behandelen. In dat geval zou hetzelfde onderwerp als bedoeld in artikel 12 Rv namelijk alleen het verzoek tot echtscheiding betreffen, maar niet de door de vrouw ingediende nevenvoorzieningen. {…} De vrouw verwijst wellicht ten overvloede ook naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 januari 2018, (ECLI:NL:HR:2018:31, waaruit volgt dat de in artikel 827 Rv vereiste samenhang tussen de nevenvoorzieningen en de echtscheiding niet inhoudt dat die bij dezelfde rechter aanhangig moeten zijn, maar dat aan het vereiste van samenhang ook is voldaan als in het buitenland een echtscheidingsprocedure aanhangig is. Nu de vrouw de nevenvoorzieningen eerder heeft ingediend dan de man, kan en dient de Nederlandse rechter deze verzoeken te behandelen omdat de man in Marokko alleen heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken.’ Het incident betrof (kort gezegd) het beroep van de man op art. 12 Rv.