HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1104, rov. 1.
HR, 20-12-2024, nr. 24/02547
ECLI:NL:HR:2024:1890
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-12-2024
- Zaaknummer
24/02547
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1890, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1132
ECLI:NL:PHR:2024:1132, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1890
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑07‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0007
JGz 2025/7
Uitspraak 20‑12‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/02547
Datum 20 december 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: D. Rijpma,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/13/748411 FA RK 24-20217 van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd en daarbij als bijlage onder meer een niet eerder in het geding gebrachte Wvggz-beschikking van de rechtbank Midden-Nederland met betrekking tot betrokkene gevoegd. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat bij de reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, geen plaats is voor aanvulling van de stukken van het geding. De Hoge Raad zal daarom geen acht slaan op de inhoud van deze bijlage.1.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze procedure heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden.
2.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 11 april 2024 in het gerechtsgebouw. Daarbij zijn de advocaat van betrokkene en de case manager gehoord. Betrokkene zelf is niet verschenen. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt onder meer:
“De advocaat deelt mee dat hij contact heeft gehad met betrokkene. Deze zal niet ter zitting verschijnen omdat hij er niet bij wil zijn.”
2.3
De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden.2.In rov. 1 van haar beschikking heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“De advocaat deelt mee dat betrokkene niet komt omdat hij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wil zijn. De advocaat heeft wel contact met betrokkene gehad en voelt zich gemachtigd om namens hem een standpunt in te nemen. De rechtbank zal de behandeling daarom buiten aanwezigheid van betrokkene voortzetten.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel keert zich tegen het hiervoor in 2.3 geciteerde oordeel van de rechtbank. Dit oordeel geeft volgens het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd nu de rechtbank niet (zelf) heeft vastgesteld dat betrokkene niet wenste te worden gehoord. De verklaring van de advocaat van betrokkene ter zitting maakt dat niet anders. Uit die verklaring valt immers niet af te leiden dat betrokkene niet wilde worden gehoord, maar alleen dat hij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wilde zijn, aldus het middel.
3.2
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.
Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz.3.
3.3
De rechtbank heeft het hiervoor in 3.2 overwogene miskend, nu zij in de bestreden beschikking niet heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Zij heeft weliswaar (in rov. 1) vastgesteld dat betrokkene niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wilde zijn, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de bereidheid van betrokkene om zich te doen horen, bijvoorbeeld in zijn woon- of verblijfplaats, ontbrak.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2024;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 20 december 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑12‑2024
Rechtbank Amsterdam 11 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4502.
Zie onder meer HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, rov. 3.1.2; HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547, rov. 3.2; HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1140, rov. 3.2; HR 22 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1721, rov. 3.2.
Conclusie 25‑10‑2024
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02547
Zitting 25 oktober 2024
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. D. Rijpma
tegen
de officier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam,verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen
1. Inleiding en samenvatting
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend zonder dat betrokkene is gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat verklaard dat hij contact heeft gehad met betrokkene en dat laatstgenoemde niet ter zitting zal verschijnen, omdat hij er niet bij wil zijn. De rechtbank heeft beslist de behandeling buiten aanwezigheid van betrokkene voort te zetten. De advocaat heeft tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijk verweer gevoerd namens betrokkene. In cassatie klaagt betrokkene dat de rechtbank niet (zelf) heeft vastgesteld dat betrokkene niet gehoord wenste te worden en dat een grotere inspanning van de rechter op dit punt verwacht mocht worden, gelet op het grote belang van betrokkene om gehoord te worden, althans dat de rechtbank haar oordeel op dit punt nader had moeten motiveren. Naar mijn oordeel slagen de klachten niet.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Bij verzoekschrift, ingekomen op 26 maart 2024 bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
2.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 april 2024. Daarbij zijn de advocaat van betrokkene en de case manager gehoord. Betrokkene zelf was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling.
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft de advocaat als volgt verklaard over de afwezigheid van betrokkene ter zitting:
“De advocaat deelt mee dat hij contact heeft gehad met betrokkene. Deze zal niet ter zitting verschijnen omdat hij er niet bij wil zijn.”
2.4
Voor zover in cassatie van belang, is blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling verder het volgende verklaard:
“De case manager zegt dat betrokkene bereid was om een referte te tekenen. Zij is verbaasd dat hij dit niet heeft gedaan. (…)
De advocaat concludeert dat het verzoek dient te worden afgewezen. Er is sprake van wilsbekwaam verzet. Wat betreft het levensgevaar en het aanzienlijk risico voor anderen wordt noch in het zorgplan noch in de medische verklaring duidelijk hoe de psychiater tot die conclusie komt. De feiten waarop dit ernstig nadeel is gebaseerd zijn niet onderbouwd. De overige ernstige nadelen kunnen een zorgmachtiging niet rechtvaardigen. Er zijn tevens geen politiemutaties.
(…)
De advocaat zegt (…) dat op de documentatie in het dossier wel wat veroordelingen staan maar de straffen van 40 uur rechtvaardigen het opgevoerde ernstig nadeel niet. Er is tevens geen noodzaak voor een zorgmachtiging. Betrokkene verzet zich niet. Dit wordt ook niet onderbouwd. In het zorgplan stemt hij overal mee in. Betrokkene wilde bijna een referte tekenen.
(…)”
2.5
Bij beschikking van 11 april 20241.(hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de verzochte duur van twaalf maanden tot en met uiterlijk 11 april 2025.
2.6
In de beschikking is in r.o. 1, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“De advocaat deelt mee dat betrokkene niet komt omdat hij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wil zijn. De advocaat heeft wel contact met betrokkene gehad en voelt zich gemachtigd om namens hem een standpunt in te nemen. De rechtbank zal de behandeling daarom buiten aanwezigheid van betrokkene voortzetten.”
2.7
Betrokkene heeft op 7 juli 2024 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel is gericht tegen het hiervoor onder 2.6 geciteerde oordeel van de rechtbank, dat blijk zou geven van een verkeerde rechtsopvatting en/of niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd zou zijn. Daartoe wordt geklaagd dat de rechtbank niet (zelf) heeft vastgesteld dat betrokkene niet gehoord wenste te worden en dat een grotere inspanning van de rechter op dit punt verwacht mocht worden, gelet op het grote belang om gehoord te worden op grond van artikel 6:1 lid 1 Wvggz, dan wel dat de rechtbank haar oordeel op dit punt nader had moeten motiveren. Het middel voert daartoe aan dat uit de verklaring van de advocaat ter zitting niet is af te leiden dat betrokkene niet gehoord wilde worden, maar dat uit die verklaring alleen blijkt dat betrokkene niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wilde zijn.
3.2
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop.
3.3
Artikel 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld. Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen2.om betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van artikel 6:1 lid 2 Wvggz.3.
3.4
Uit de parlementaire toelichting bij artikel 6:1 Wvggz blijkt dat de rechter zelf moet vaststellen dat betrokkene niet kan of wil worden gehoord:4.
“Met het eerste lid wordt duidelijker gesteld dat de rechter betrokkene moet horen tenzij deze dat niet wil of daartoe niet in staat is. De rechter moet zich er persoonlijk van vergewissen of betrokkene al dan niet gehoord wil worden. Het moet de rechter zelf zijn die vaststelt dat betrokkene niet kan of wil gehoord worden, desnoods ter plekke, maar niet tevoren op basis van de mededeling van iemand anders of een schriftelijke verklaring van betrokkene waarvan de rechter niet weet hoe die tot stand is gekomen.”
3.5
De rechter mag niet lichtvaardig vaststellen dat betrokkene niet bereid is gehoord te worden wanneer deze niet ter zitting verschenen is.5.Ook als sprake is van een behoorlijke oproeping en daadwerkelijke bekendheid van betrokkene met de mondelinge behandeling, mag uit zijn afwezigheid ter zitting niet zonder meer geconcludeerd worden dat betrokkene niet gehoord wil worden.6.
3.6
Er worden hoge motiveringseisen gesteld aan de vaststelling dat een betrokkene niet bereid is gehoord te worden door het niet-verschijnen op de zitting. In zaken waar niet aan die eisen was voldaan, woog de Hoge Raad mee dat de advocaat van betrokkene heeft verklaard dat betrokkene de rechter wilde spreken of dat betrokkene had aangegeven aanwezig te zullen zijn op de mondelinge behandeling.7.Dergelijke omstandigheden kunnen aanleiding vormen voor nader onderzoek alvorens de rechter tot het oordeel kan komen dat betrokkene niet bereid is te worden gehoord.8.
3.7
Wanneer de advocaat van een niet ter zitting verschenen betrokkene namens die betrokkene verklaart dat deze niet gehoord wil worden, mag de rechter er mijns inziens van uitgaan dat de advocaat hiermee de wens van die betrokkene weergeeft. De advocaat is immers bij uitstek de vertegenwoordiger in rechte van een betrokkene.9.Uit de vertrouwenspositie van de advocaat vloeit voort dat in het rechtsverkeer afgegaan moet kunnen worden op zijn verklaring. De advocaat moet dus op zijn woord geloofd worden als hij verklaart over feiten of omstandigheden waarvan hij uit de eerste hand kennis heeft.10.
3.8
Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechter niet nader onderzoek hoeft te doen naar de bereidheid van een betrokkene om gehoord te worden, indien zijn advocaat ter zitting heeft verklaard dat die bereidheid bij betrokkene ontbreekt.11.De rechter hoeft dan dus niet te proberen betrokkene alsnog zelf te spreken over zijn bereidheid gehoord te worden, behoudens bijzondere omstandigheden.12.Een andere opvatting zou tot gevolg kunnen hebben dat een betrokkene gedwongen zou worden de rechter te spreken over zijn wens de rechter niet te spreken, zoals Dijkers terecht opmerkt. Dat laatste zou niet stroken met het respect voor de autonomie van betrokkene.13.
3.9
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
3.10
In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank niet (zelf) heeft vastgesteld dat betrokkene niet gehoord wenste te worden en dat op dit punt een grotere inspanning van de rechtbank verwacht mocht worden, dan wel dat de rechtbank haar oordeel op dit punt nader had moeten motiveren. Daartoe wordt aangevoerd dat de rechtbank uit de verklaring van de advocaat niet had mogen afleiden dat betrokkene niet gehoord wilde worden, maar alleen dat hij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wilde zijn. Ik begrijp de rechtsklacht aldus dat de rechtbank heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de bereidheid van betrokkene om gehoord te worden.
3.11
Het is mij – mede door de plaatsing tussen haakjes van het woord “(zelf)” in het middel – niet duidelijk of ook beoogd wordt te klagen dat de rechtbank bij het vaststellen of betrokkene gehoord wilde worden, niet had mogen afgaan op de verklaring van de advocaat namens betrokkene, maar hiertoe zelf met betrokkene had moeten spreken. Volledigheidshalve zal ik ook op deze mogelijke klacht ingaan.
3.12
Naar mijn mening falen de klachten.
3.13
Ter onderbouwing van haar beslissing de behandeling buiten aanwezigheid van betrokkene voort te zetten heeft de rechtbank zich, anders dan het middel betoogt, niet alleen gebaseerd op 1) de verklaring van de advocaat dat betrokkene niet ter zitting zal verschijnen omdat hij er niet bij wil zijn, maar ook op 2) de verklaring van de advocaat dat hij contact met betrokkene heeft gehad en 3) de omstandigheid dat de advocaat zich gemachtigd voelt om namens betrokkene een standpunt in te nemen. De rechtbank concludeert immers na het noemen van deze drie omstandigheden dat zij daarom de behandeling buiten aanwezigheid van betrokkene zal voorzetten. Voor zover het middel ervan uitgaat dat de rechtbank zich alleen op de eerstgenoemde omstandigheid heeft gebaseerd, gaat het middel uit van een te beperkte lezing van de bestreden beschikking en faalt de klacht reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
3.14
Ook overigens is geen sprake van een onjuist dan wel onbegrijpelijk of niet voldoende gemotiveerd oordeel. Tegen de drie door de rechtbank genoemde omstandigheden op zich zijn geen klachten gericht, zodat van de juistheid daarvan in cassatie uitgegaan mag worden. Deze drie omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kunnen mijns inziens de beslissing van de rechtbank de behandeling buiten aanwezigheid van betrokkene voort te zetten, dragen. Uit deze omstandigheden volgt immers dat betrokkene op de hoogte was van de mondelinge behandeling, dat hij daarbij niet aanwezig wilde zijn en dat de advocaat in staat was namens betrokkene zijn standpunt te verwoorden. Onder deze omstandigheden had de rechtbank niet nog nader onderzoek hoeven doen naar de bereidheid van betrokkene gehoord te worden.
3.15
Ik wijs er overigens nog op dat, hoewel in het middel wordt geklaagd dat van de rechtbank op dit punt een grotere inspanning verwacht had mogen worden, uit het middel niet blijkt waaruit die inspanning dan had moeten bestaan. Ook blijkt niet dat de advocaat tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd dat de rechtbank nader onderzoek had moeten doen naar de bereidheid van betrokkene om gehoord te worden. Integendeel, de advocaat heeft namens betrokkene in eerste aanleg inhoudelijk verweer gevoerd, zoals blijkt uit de hiervoor onder 2.4 geciteerde passages uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
3.16
Voor zover geklaagd wordt dat de rechtbank, bij het vaststellen of betrokkene gehoord wilde worden, niet had mogen afgaan op de verklaring van de advocaat namens betrokkene, maar hiertoe zelf met betrokkene had moeten spreken, treft de klacht geen doel. Zoals hiervoor uiteengezet onder 3.7 en 3.8 mag de rechter afgaan op verklaringen van een advocaat namens betrokkene, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden blijkt niet uit de stukken van het geding, het proces-verbaal of de bestreden beschikking.
3.17
Tot besluit: wat enigszins wringt in deze zaak is dat noch de advocaat in eerste aanleg noch de rechtbank in haar bestreden beschikking met zoveel woorden heeft verklaard respectievelijk heeft overwogen dat betrokkene niet bereid is gehoord te worden. In zoverre schurkt de hiervoor onder 2.6 geciteerde overweging van de rechtbank aan tegen de grenzen van begrijpelijkheid. Ik ben echter van mening dat de motivering van de rechtbank de begrijpelijkheidstoets kan doorstaan. Het is mijns inziens voldoende duidelijk en begrijpelijk dat in de beslissing van de rechtbank de behandeling buiten aanwezigheid van betrokkene voor te zetten, het oordeel besloten ligt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen.
3.18
De slotsom is dat de klachten van het middel falen.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑10‑2024
Zie over de meerdere pogingen tot horen en de vuistregel van tweemaal oproepen mijn conclusie van 28 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:712, onder 3.13, voor HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1140, met de verwijzingen aldaar naar de conclusies van A-G Lückers van 19 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:607, onder 2.8, voor HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1220 en die van 9 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:135, onder 3.9, voor HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547, onder verwijzing naar de wenk in RFR 2021/41 bij HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, NJ 2021/96, m.nt. J. Legemaate.
Aldus recent HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1140, r.o. 3.2, onder verwijzing naar onder meer HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547, r.o. 3.2 en HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, NJ 2022/30, r.o. 3.1.2.
Kamerstukken II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 168. Zie hierover ook W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. 4.2.1 (publicatiedatum: 9 september 2024).
Zie hierover A-G Lückers in haar conclusie van 29 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:485, onder 2.10, voor HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:895. Zie ook haar conclusie van 19 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:607, onder 2.8, voor HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1220.
Zie hierover ook C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg. Wet verplichte ggz & Wet forensische zorg(Praktijkwijzer Strafrecht nr. 12), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 2.1 (m.n. p. 87 e.v.).
Zie HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:895, JGz 2022/34 m.nt. R.B.M. Keurentjes, r.o. 3.2; HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:188, JVggz 2015/10 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 3.3.3. Vgl. conclusies van A-G Lückers van 19 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:607, onder 2.8, voor HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1220 en die van 9 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:135, onder 3.9, voor HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547.
Vgl. HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1220, r.o. 3.3.
Aldus R. Verkijk, De advocaat in het burgerlijk proces, (diss. Maastricht), Den Haag: BJu 2010, 591-592, met verdere verwijzingen. Zie ook W.J.A.M. Dijkers, Sdu commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. 4.5.3, onder e en i (publicatiedatum: 9 september 2024) en W.J.A.M. Dijkers, Doen en laten in de Bopz-machtigingsprocedure (diss. Groningen), Reeks Gezondheidsrecht nr. 21, Den Haag: Koninklijke Vermande 2003, p. 302-303.
Zie bijvoorbeeld in deze lijn: rb. Amsterdam 15 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:866, r.o.1, rb. Amsterdam 31 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4096, r.o.1, rb. Den Haag 21 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:4770, rb. Amsterdam 3 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1590, r.o.1, rb. Rotterdam 8 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:12938, r.o. 1.4 en rb. Amsterdam 26 mei 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2834, r.o. 1.4.
Van bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de stukken van het geding of verklaringen van anderen reden geven om te twijfelen aan de verklaring van de advocaat dat betrokkene niet gehoord wil worden.
Beroepschrift 07‑07‑2024
PROCESINLEIDING
VERZOEKPROCEDURE IN CASSATIE (art. 426a Rv)
Verzoeker
[betrokkene], wonende te [woonplaats], te dezer zake woonplaats kiezende te Den Haag aan het Prinses Margrietplantsoen 33 (WTC The Hague Business Center) ten kantore van Rijpma Cassatie & Litigation, van wie de advocaat bij de Hoge Raad mr. D. Rijpma als zodanig voor verzoeker van cassatie optreedt en namens hem deze procesinleiding ondertekent en indient.
Cassatieberoep
Verzoeker stelt bij dezen beroep in cassatie in tegen de beschikking van 11 april 2024 in de zaak met zaaknummer C/13/748411 / FA RK 24-20217, gegeven door de Rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie op 26 maart 2024 ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging aansluitend op een zorgmachtiging.
Bevoegde rechter
De Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd te (2511 EK) Den Haag aan het Korte Voorhout 8, is de bevoegde rechter die kennisneemt van het cassatieberoep.
Middel van cassatie
Schending van het recht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat de rechtbank heeft overwogen en beslist als vermeld in de beschikking waarvan beroep, ten onrechte, om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen.
Inleiding
In rov. 1 van haar beschikking overweegt de rechtbank — voor zover hier van belang — als volgt:
‘De advocaat deelt mee dat betrokkene niet komt omdat hij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wil zijn. De advocaat heeft wel contact met betrokkene gehad en voelt zich gemachtigd om namens hem een standpunt in te nemen. De rechtbank zal de behandeling daarom buiten aanwezigheid van betrokkene voortzetten.’
Klacht
Op grond van art. 6:1 lid 1 Wvggz moet de rechter zich er persoonlijk van vergewissen of betrokkene al dan niet gehoord wil worden. Het moet de rechter zelf zijn die vaststelt dat betrokkene niet kan of wil worden gehoord. Stelt de rechter vast dat betrokkene niet kan of wil worden gehoord, dan moet hij motiveren op welke gronden hij tot die conclusie is gekomen.1. Het hiervoor weergegeven oordeel geeft dan ook blijk van een verkeerde rechtsopvatting en/of is niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd nu de rechtbank niet (zelf) heeft vastgesteld dat betrokkene niet wenste te worden gehoord. De verklaring van de advocaat van betrokkene ter zitting maakt dat niet anders. Uit die verklaring valt immers niet af te leiden dat betrokkene niet wilde worden gehoord, maar alleen dat hij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wilde zijn. Gelet op het grote belang dat gemoeid is met het horen van personen als betrokkene op grond van art. 6:1 lid 1 Wvggz mocht van de rechtbank op dit punt een grotere inspanning worden verwacht. Althans had de rechtbank haar beschikking op dit punt van een nadere motivering moeten voorzien.
Verzoek
Verzoeker verzoekt de Hoge Raad de beschikking waartegen bovenstaand middel van cassatie is gericht, te vernietigen, met zodanige verdere uitspraak als de Hoge Raad zal vermenen te behoren.
Den Haag, 7 juli 2024
Advocaat bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 07‑07‑2024
Zie HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471; en HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:188.