NJB 2025/80
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Bereidheid zich te doen horen. Hoge Raad: Uit de vaststelling dat betrokkene niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wilde zijn, kan niet worden afgeleid dat de bereidheid van betrokkene om zich te doen horen ontbrak, bijvoorbeeld in zijn woon- of verblijfplaats.
HR 20-12-2024, ECLI:NL:HR:2024:1890
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20 december 2024
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, K. Teuben
- Zaaknummer
24/02547
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1890, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:1132, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑10‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑07‑2024
- Wetingang
(art. 6:1 lid 1 Wvggz)
Essentie
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Bereidheid zich te doen horen. Hoge Raad: Uit de vaststelling dat betrokkene niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wilde zijn, kan niet worden afgeleid dat de bereidheid van betrokkene om zich te doen horen ontbrak, bijvoorbeeld in zijn woon- of verblijfplaats.
Partij(en)
Betrokkene, adv. mr. D. Rijpma, vs. de officier van justitie, niet verschenen.
Uitspraak
Procesverloop
In deze zaak heeft de rechtbank op verzoek van de officier van justitie een zorgmachtiging verleend. Betrokkene is niet verschenen bij de mondelinge behandeling in het gerechtsgebouw. De advocaat heeft verklaard dat hij contact heeft gehad met ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.