Zie onder meer HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547, rov. 3.2; HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, rov. 3.1.2.
HR, 06-09-2024, nr. 24/01489
ECLI:NL:HR:2024:1140
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-09-2024
- Zaaknummer
24/01489
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1140, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑09‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:712
ECLI:NL:PHR:2024:712, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1140
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑03‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2024-0073
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0073
GZR-Updates.nl 2024-0297
JGz 2025/1
Uitspraak 06‑09‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/01489
Datum 6 september 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: F.W.E. Eijsvogels,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT NOORD HOLLAND,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/15/347512/FA RK 23-6227 van de rechtbank Noord-Holland van 17 januari 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 17 januari 2024 en terugwijzing van de zaak.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze procedure heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden.
2.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 12 januari 2024. Betrokkene is niet ter zitting verschenen. Het proces-verbaal van die behandeling vermeldt onder meer:
“De advocaat van betrokkene is het, ondanks diverse telefonische pogingen en een thuisbezoek, niet gelukt om met betrokkene in contact te komen. Ook de casemanager heeft al lange periode geen contact met betrokkene. De mentor beschikt over het meest recente telefoonnummer van betrokkene (…) en heeft dit telefoonnummer ter zitting kenbaar gemaakt aan de advocaat.
(…)
De rechter overweegt als volgt:
Hoewel het vermoeden bestaat dat betrokkene zich bewust uit zorg onttrekt, kan op dit moment niet worden vastgesteld dat betrokkene op de hoogte is van de zitting en niet gehoord wenst te worden. Zo is ter zitting gebleken dat de advocaat over een verouderd telefoonnummer van betrokkene beschikt en blijkt de woning van betrokkene recent door de politie te zijn geforceerd en door de woningbouwvereniging te zijn afgesloten. Dit maakt dat betrokkene de oproepbrief mogelijk niet ontvangen heeft. Alleen de mentor heeft contact met betrokkene gehad, maar niet de zittingsdatum of het verzoek met haar besproken.
Voorgaande maakt dat de rechter de behandeling van het verzoek aanhoudt tot de zitting van 17 januari 2024 te 14.15 uur op de locatie van FACT [locatie]. Met de advocaat is afgesproken dat hij betrokkene probeert te berichten op het door de mentor gegeven telefoonnummer van betrokkene en dat hij in elk geval de zittingsdatum per voicemail of sms aan betrokkene doorgeeft. Met de mentor is afgesproken dat zij opnieuw − al dan niet via de bewindvoerder − in contact probeert te komen met betrokkene om haar de zittingsdatum mee te delen. De rechtbank zal betrokkene zowel op het bij de rechtbank bekende adres als op het mogelijke verblijfadres (…) oproepen.”
2.3
De mondelinge behandeling is op 17 januari 2024 voortgezet, in het gebouw van het FACT-team [locatie]. Betrokkene was ook bij die voortgezette mondelinge behandeling niet aanwezig. Het proces-verbaal vermeldt onder meer:
“[advocaat]
In de aanloop naar deze zitting heb ik gebeld naar veel verschillende nummers, in de hoop [betrokkene] te kunnen bereiken, maar dat is niet gelukt. Eerder heeft zij heel duidelijk aangegeven geen zorgmachtiging te willen. Haar wens is haar eigen leven te leiden, vrijheid te hebben en om met haar vrienden stoned te worden. Zij wil géén GGZ bemoeienis (…) Ik zit hier voor haar belangen en kan niet anders dan vragen om afwijzing van het verzoek.
(…)
[sociaal-psychiatrisch verpleegkundige]
We proberen in contact te komen met betrokkene, die sinds september 2023 uit beeld is. Het adres dat we van haar hebben, is vaak door ons bezocht, maar de deur werd nooit open gedaan. We vermoeden dat ze daar niet meer verblijft, maar weten wel dat ze ergens in de regio is. (…)”
2.4
De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend voor een periode van twaalf maanden. Over de afwezigheid van betrokkene tijdens de mondelinge behandeling en de voortzetting van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank overwogen:
“1.3. Uit artikel 6:1, eerste lid, Wvggz volgt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene daartoe niet in staat of bereid is. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Ter zitting van 12 januari 2024 was betrokkene niet aanwezig, waarop de behandeling van het verzoek is aangehouden tot de zitting van 17 januari 2024. Ter zitting van 17 januari 2024 is betrokkene wederom niet verschenen. Er is geen duidelijkheid over haar verblijfplaats. De advocaat heeft op verschillende manieren geprobeerd met haar in contact te komen, zonder resultaat, en zich niet verzet tegen voortzetting van de behandeling van het verzoek bij afwezigheid van betrokkene.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1.i van het middel bevat de klacht dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank betrokkene deugdelijk heeft opgeroepen. Onderdeel 1.ii klaagt dat de rechtbank niet of onvoldoende heeft onderzocht of betrokkene wist van het desbetreffende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging of van de mondelinge behandeling, zodat haar oordeel dat betrokkene niet bereid was te worden gehoord, onvoldoende gemotiveerd is. Onderdeel 1.iii betoogt dat de omstandigheid dat de advocaat van betrokkene zich niet heeft verzet tegen voortzetting van de voortgezette mondelinge behandeling, niet kan bijdragen aan het oordeel dat betrokkene niet bereid was te worden gehoord, nu de advocaat niet heeft verklaard dat betrokkene hem heeft laten weten ermee in te stemmen dat de mondelinge behandeling werd voortgezet zonder dat zij door de rechter zou worden gehoord. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.2
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld. Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz.1.
3.3
De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verblijfplaats van betrokkene onduidelijk is, dat betrokkene onbereikbaar is voor haar advocaat en dat haar advocaat zich niet heeft verzet tegen voortzetting van de behandeling van het verzoek bij afwezigheid van betrokkene. Deze overwegingen kunnen dat oordeel niet dragen. Daaruit blijkt immers niet of betrokkene behoorlijk is opgeroepen2.voor de voortgezette mondelinge behandeling en evenmin of betrokkene daadwerkelijk bekend was met de tijd en de plaats van de mondelinge behandeling. Een en ander blijkt ook niet uit de verdere inhoud van de bestreden beschikking, noch uit de overige stukken van het geding. Bij die stand van zaken kan de omstandigheid dat de advocaat van betrokkene zich niet heeft verzet tegen voortzetting van de mondelinge behandeling het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, evenmin dragen. Het middel klaagt dan ook terecht dat de rechtbank nader onderzoek had moeten doen (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.21-3.22).
De hiervoor in 3.1 vermelde klachten slagen dus.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 17 januari 2024;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 september 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑09‑2024
Vgl. HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316, rov. 3.3.2-3.3.3.
Conclusie 28‑06‑2024
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01489
Zitting 28-06-2024
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. F.W.E. Eijsvogels,
tegen
de officier van Justitie in het arrondissement Noord-Holland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.
1. Inleiding
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend zonder dat betrokkene is gehoord. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, nadat zij na aanhouding van de mondelinge behandeling weer niet is verschenen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verblijfplaats van betrokkene onduidelijk is, dat zij onbereikbaar is voor haar advocaat en dat haar advocaat zich niet heeft verzet tegen voortzetting van de behandeling van het verzoek bij afwezigheid van betrokkene.
Tegen dit oordeel van de rechtbank keert zich het middel.
2. Feiten en procesverloop
2.1
De officier van justitie heeft de rechtbank Noord-Holland verzocht een zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden.
2.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft eerst plaatsgevonden op 12 januari 2024. Bij deze mondelinge behandeling zijn verschenen: de advocaat van betrokkene, de mentor van betrokkene en een vervangend casemanager. Betrokkene zelf is niet ter zitting verschenen.
2.3
In het door mij ambtshalve opgevraagde proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 januari 2024 staat onder meer:
“Betrokkene is niet ter zitting verschenen. De advocaat van betrokkene is het, ondanks diverse telefonische pogingen en een thuisbezoek, niet gelukt om met betrokkene in contact te komen. Ook de casemanager heeft al lange periode geen contact met betrokkene. De mentor beschikt over het meest recente telefoonnummer van betrokkene (…) en heeft dit telefoonnummer ter zitting kenbaar gemaakt aan de advocaat.
(…)
De rechter overweegt als volgt:
Hoewel het vermoeden bestaat dat betrokkene zich bewust uit zorg onttrekt, kan op dit moment niet worden vastgesteld dat betrokkene op de hoogte is van de zitting en niet gehoord wenst te worden. Zo is ter zitting gebleken dat de advocaat over een verouderd telefoonnummer van betrokkene beschikt en blijkt de woning van betrokkene recent door de politie te zijn geforceerd en door de woningbouwvereniging te zijn afgesloten. Dit maakt dat betrokkene de oproepbrief mogelijk niet ontvangen heeft. Alleen de mentor heeft contact met betrokkene gehad, maar niet de zittingsdatum of het verzoek met haar besproken.
Voorgaande maakt dat de rechter de behandeling van het verzoek aanhoudt tot de zitting van 17 januari 2024 te 14.15 uur op de locatie van FACT [locatie] . Met de advocaat is afgesproken dat hij betrokkene probeert te berichten op het door de mentor gegeven telefoonnummer van betrokkene en dat hij in elk geval de zittingsdatum per voicemail of sms aan betrokkene doorgeeft. Met de mentor is afgesproken dat zij opnieuw − al dan niet via de bewindvoerder − in contact probeert te komen met betrokkene om haar de zittingsdatum mee te delen. De rechtbank zal betrokkene zowel op het bij de rechtbank bekende adres als op het mogelijke verblijfadres (…) oproepen.”
2.4
De mondelinge behandeling van het verzoek is op 17 januari 2024 voortgezet, in het gebouw van het FACT-team [locatie] . Betrokkene was ook daarbij niet aanwezig. Wel verschenen zijn de advocaat van betrokkene en een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige.1.
2.5
Uit het proces-verbaal van de voortgezette mondelinge behandeling van 17 januari 2024 blijkt onder meer het volgende:
“[advocaat]
In de aanloop naar deze zitting heb ik gebeld naar veel verschillende nummers, in de hoop [betrokkene] te kunnen bereiken, maar dat is niet gelukt. Eerder heeft zij heel duidelijk aangegeven geen zorgmachtiging te willen. Haar wens is haar eigen leven te leiden, vrijheid te hebben en om met haar vrienden stoned te worden. Zij wil géén GGZ bemoeienis (…) Ik zit hier voor haar belangen en kan niet anders dan vragen om afwijzing van het verzoek.
(…)
[sociaal-psychiatrisch verpleegkundige]
We proberen in contact te komen met betrokkene, die sinds september 2023 uit beeld is. Het adres dat we van haar hebben, is vaak door ons bezocht, maar de deur werd nooit open gedaan. We vermoeden dat ze daar niet meer verblijft, maar weten wel dat ze ergens in de regio is. (…)”
2.6
De rechtbank heeft in haar op 17 januari 2024 gegeven beschikking,2.voor zover in cassatie van belang, overwogen:
“1.3. Uit artikel 6:1, eerste lid, Wvggz volgt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene daartoe niet in staat of bereid is.
De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.
Ter zitting van 12 januari 2024 was betrokkene niet aanwezig, waarop de behandeling van het verzoek is aangehouden tot de zitting van 17 januari 2024.
Ter zitting van 17 januari 2024 is betrokkene wederom niet verschenen. Er is geen duidelijkheid over haar verblijfplaats. De advocaat heeft op verschillende manieren geprobeerd met haar in contact te komen, zonder resultaat, en zich niet verzet tegen voortzetting van de behandeling van het verzoek bij afwezigheid van betrokkene.”
2.7
Bij de beschikking van 17 januari 2024 heeft de rechtbank de zorgmachtiging verleend voor de verzochte periode van twaalf maanden.
2.8
Betrokkene heeft tegen deze beschikking tijdig beroep in cassatie ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Om de onder i, ii en iii in onderdeel 1 genoemde redenen is dit oordeel in strijd met artikel 6:1 lid 1 Wvggz dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aldus het onderdeel. Onderdeel 2 bevat slechts een voortbouwklacht.
3.2
Onderdeel 1.i klaagt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank betrokkene deugdelijk heeft opgeroepen, zodat het in cassatie ervoor kan en moet worden gehouden dat de oproeping van betrokkene voor de mondelinge behandeling van 12 en 17 januari 2024 niet heeft plaatsgevonden.
3.3
Onderdeel 1.ii klaagt in de kern dat niet is gebleken dat betrokkene kennis had van het verzoek betreffende de zorgmachtiging en/of van de mondelinge behandeling. De rechtbank had daarom nader onderzoek moeten doen naar de bereidheid van betrokkene zich te doen horen dan wel is haar (kennelijke) oordeel dat betrokkene van de zitting kon afweten en desondanks niet is verschenen en daarom niet bereid was zich te doen horen, onvoldoende gemotiveerd.
3.4
Onderdeel 1.iii klaagt dat het (kennelijke) oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet bereid was om te worden gehoord onbegrijpelijk is, omdat de advocaat van betrokkene zich niet heeft verzet tegen voortzetting van de behandeling van het verzoek bij afwezigheid van betrokkene. De advocaat heeft immers niet verklaard dat betrokkene hem heeft laten weten ermee in te stemmen dat de mondelinge behandeling werd voortgezet zonder dat zij door de rechter zou worden gehoord, aldus de klacht.
3.5
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.
3.6
De in artikel 6:1 Wvggz besloten liggende oproep-, hoor- en onderzoeksplicht zijn al vaker in cassatie aan de orde geweest.3.Voor een uitgebreide weergave van het juridische kader van deze plichten verwijs ik naar eerdere conclusies.4.Ik zal het voor deze zaak relevante juridische kader bespreken, alvorens ik tot de behandeling van de klachten overga.
3.7
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. In de parlementaire toelichting op deze bepaling is benadrukt dat de rechter betrokkene moet horen, tenzij deze dat niet wil of daartoe niet in staat is en dat de rechter zelf moet vaststellen dat betrokkene niet kan of wil worden gehoord.5.
3.8
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet zijn vrijheid kan worden ontnomen zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.6.
3.9
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de rechter die van oordeel is dat de bereidheid van betrokkene om te worden gehoord ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en de gronden waarop dat oordeel berust, moet vermelden.7.
3.10
Bij het vaststellen van het ontbreken van de bereidheid om gehoord te worden, zal de rechter in de eerste plaats moeten nagaan of betrokkene behoorlijk is opgeroepen overeenkomstig de wettelijke eisen van artikel 6:1 lid 10 Wvggz in verbinding met de artikelen 272 e.v. Rv. In de beschikking moeten de betreffende overwegingen van de rechter worden opgenomen, opdat deze controleerbaar zijn. Als daaromtrent in de beschikking niets is overwogen, is door de Hoge Raad geoordeeld dat er in cassatie vanuit moet worden gegaan dat deze behoorlijke oproeping niet heeft plaatsgevonden.8.
3.11
Voor het oordeel dat betrokkene behoorlijk is opgeroepen, behoeft de rechter echter niet te onderzoeken of de oproeping de betrokkene ook daadwerkelijk heeft bereikt.9.Als de betrokkene niet ter zitting verschijnt, kan de oproeping dus rechtsgeldig zijn geschied, maar kan daaruit nog niet direct de conclusie worden getrokken dat betrokkene niet in staat of niet bereid is zich te doen horen.
3.12
Voor het vaststellen van het ontbreken van bereidheid om gehoord te worden is verder vereist dat betrokkene geacht moet worden bekend te zijn met datum, tijdstip en plaats van de mondelinge behandeling of dat op grond van de verklaring van anderen blijkt dat betrokkene wist van datum, tijdstip en plaats van de mondelinge behandeling.10.In het kader van deze in artikel 6:1 Wvggz neergelegde onderzoeksplicht zal de rechter dus wel moeten nagaan of de oproeping betrokkene heeft bereikt, althans redelijkerwijs moet hebben bereikt, dan wel dat anderszins blijkt dat betrokkene op de hoogte was van de mondelinge behandeling.11.
3.13
Als de rechter niet kan vaststellen dat betrokkene daadwerkelijk bekend was met de datum, tijd en plaats van de mondelinge behandeling dan wel geacht moet worden daarmee bekend te zijn, zal de rechter de mondelinge behandeling van de zaak moeten aanhouden en betrokkene opnieuw moeten oproepen.12.Daarbij is uit vaste rechtspraak de vuistregel afgeleid dat de rechter twee pogingen moet doen om betrokkene op te roepen. Mocht de betrokkene twee keer niet thuis hebben gegeven, kan de rechter in redelijkheid vaststellen dat hij niet gehoord wil worden.13.
3.14
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
3.15
Het draait in deze zaak in de kern om de vraag hoever de onderzoeksplicht van de rechtbank strekt wanneer betrokkene na aanhouding van de mondelinge behandeling een tweede keer niet ter zitting is verschenen.
3.16
Uit de stukken van het dossier in cassatie blijkt dat betrokkene al maanden niet bereikbaar is voor haar behandelaars. Ook haar advocaat kan haar niet bereiken. Omdat de rechtbank op 12 januari 2024 niet kon vaststellen dat betrokkene op de hoogte was van de mondelinge behandeling is deze aangehouden tot 17 januari 2024. Daarbij heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling van 12 januari 2024 afspraken met de advocaat en de mentor van betrokkene gemaakt over pogingen van hen om betrokkene op de hoogte te stellen van deze nieuwe datum. Ook zou de rechtbank betrokkene oproepen op zowel het bij de rechtbank bekende adres als het mogelijke verblijfadres van betrokkene.14.
3.17
Tot zover heeft de rechtbank mijns inziens voldaan aan haar onderzoeksplicht naar de bereidheid van betrokkene zich te doen horen. Daarbij heeft de rechtbank oog gehad voor het vergroten van de kans dat betrokkene op de hoogte raakt van de voortgezette mondelinge behandeling.15.
3.18
De rechtbank heeft na de voortgezette mondeling behandeling van 17 januari 2024, waar betrokkene weer niet was verschenen, vervolgens geoordeeld dat betrokkene niet bereid is gehoord te worden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verblijfplaats van betrokkene onduidelijk is, dat ze onbereikbaar is voor haar advocaat en dat haar advocaat zich niet heeft verzet tegen voortzetting van de behandeling van het verzoek bij afwezigheid van betrokkene. Ik verwijs hiervoor naar r.o. 1.3 van de bestreden beschikking.16.
3.19
De klachten richten zich tegen dit oordeel van de rechtbank.
3.20
In het licht van de hoge eisen die worden gesteld aan de onderzoeksplicht van artikel 6:1 lid 1 Wvggz kunnen mijns inziens de door de rechtbank in r.o. 1.3 genoemde omstandigheden het oordeel dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, niet dragen.
3.21
Gelet op de op haar rustende onderzoeksplicht, had de rechtbank ten eerste kenbaar moeten onderzoeken of betrokkene behoorlijk was opgeroepen voor de voortgezette mondelinge behandeling.
3.22
Ook had de rechtbank moeten onderzoeken of betrokkene daadwerkelijk bekend was, dan wel geacht moest worden bekend te zijn, met de nieuwe datum, tijd en plaats van de mondelinge behandeling. Daarbij had de rechtbank navraag bij de mentor kunnen doen of deze – al dan niet via de bewindvoerder − de nieuwe zittingsdatum aan betrokkene heeft kunnen meedelen, zoals tijdens de mondelinge behandeling van 12 januari 2024 was besproken. De mentor had immers nog wel recent contact met betrokkene gehad. Verder had het voor de hand gelegen om ter zitting in ieder geval een poging te doen om betrokkene alsnog ter plekke telefonisch te bereiken, nu sinds de mondelinge behandeling van 12 januari het meest recente telefoonnummer van betrokkene bekend was.17.
3.23
Nu noch uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 januari 2024 noch uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht 1) of betrokkene behoorlijk is opgeroepen en 2) of betrokkene daadwerkelijk bekend was, dan wel geacht moest worden bekend te zijn, met de nieuwe datum, tijd en plaats van de mondelinge behandeling, slagen de klachten van onderdelen 1.i en 1.ii. De hiervoor onder 3.13 genoemde vuistregel van twee keer oproepen ontsloeg de rechtbank niet van de verplichting om genoemd nader onderzoek te doen toen betrokkene de tweede keer weer niet was verschenen.
3.24
Ook de klacht van onderdeel 1.iii slaagt. Dat de advocaat zich niet heeft verzet tegen voorzetting van de behandeling van het verzoek bij afwezigheid van betrokkene, ontsloeg de rechtbank evenmin van haar nadere onderzoeksplicht. Niet gebleken is immers dat betrokkene jegens de advocaat heeft verklaard ermee in te stemmen dat de mondelinge behandeling van het verzoek wordt voorgezet zonder dat zij door de rechtbank wordt gehoord. Dat de advocaat blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 januari 2024 kennelijk wel op de hoogte was van het standpunt van betrokkene dat zij geen zorgmachtiging wil, welk standpunt de advocaat ook ter zitting naar voren heeft kunnen brengen, maakt dit niet anders.18.Dit standpunt zou voor betrokkene immers mogelijk juist reden kunnen zijn om wel gehoord te willen worden over het verzoek.
3.25
De slotsom is dan ook dat de klachten van onderdeel 1, elk voor zich en in onderlinge samenhang in aanmerking genomen, slagen. De in onderdeel 2 geformuleerde voortbouwklacht, inhoudende dat gegrondbevinding van het eerste onderdeel doorwerkt in de overige onderdelen van de bestreden beschikking en daarom meebrengt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, slaagt daarmee ook en behoeft geen verdere bespreking.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 17 januari 2024 en terugwijzing van de zaak.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑06‑2024
Geen ‘socialist’ psychiatrisch verpleegkundige, zoals, naar ik aanneem, per abuis in de bestreden beschikking staat.
Recent nog in HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547. Zie verder o.m. HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022: 18, NJ 2022/30; HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1336; HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316, NJ 2023/187, m.nt. J. Legemaate; HR 9 juni 2023, ECLI:NL:2023:876; HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1220; HR 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1383, JGz 2023/65 m.nt. W.J.A.M. Dijkers.
Zie de conclusies voor de in de vorige voetnoot genoemde uitspraken, waarbij ik in het bijzonder wijs op de conclusies van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2021:1043, onder 2.9-2.13) voor HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, NJ 2022/30, (ECLI:NL:PHR:2022:704, onder 2.5-2.13) voor HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1336, (ECLI:NL:PHR:2023:262, onder 3.5-3.17) voor HR 9 juni 2023, ECLI:NL:2023:876 en (ECLI:NL:PHR:2024:135, onder 3.4-3.11) voor HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547.
Tweede Nota van wijziging, Kamerstukken II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 168. Zie ook W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. 4.2.1. (bijgewerkt t/m 6 maart 2023).
Zie de in voetnoot 3 genoemde uitspraken.
Zie recent HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547, r.o. 3.2, zie ook o.m. HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, NJ 2022/30, r.o. 3.1.2.
HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316, NJ 2023/187 m.nt. J. Legemaate, r.o. 3.3.3. Vgl. ook HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9666, NJ 2008/29, r.o. 3.3.1 en HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1616, NJ 2019/410, r.o. 3.3.
Zie o.a. de conclusie van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2023:262, onder 3.7 en 3.13) voor HR 9 juni 2023, ECLI:NL:2023:876, onder verwijzing naar verdere bronnen.
Zie de conclusie van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2022:704, onder 2.11) voor HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1336 onder verwijzing naar verdere bronnen.
Zie de conclusie van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2023:262, onder 3.13) voor HR 9 juni 2023, ECLI:NL:2023:876 onder verwijzing naar verdere bronnen.
Zie o.m. HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, NJ 2021/96 m.nt. J. Legemaate, r.o. 3.3 en HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:880, r.o. 3.3. Vgl. ook HR 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1383, JGz 2023/65 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 3.3. Zie ook W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, par. 4.5.3. (bijgewerkt t/m 6 maart 2023).
Zie de conclusies van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2023:607, onder 2.8) voor HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1220 en (ECLI:NL:PHR:2024:135, onder 3.9) voor HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547, onder verwijzing naar de wenk in RFR 2021/41 bij HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, NJ 2021/96 m.nt. J. Legemaate.
Zie het hiervoor onder 2.3 geciteerde proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 januari 2024.
In lijn met de nuancering van de onder 3.13 genoemde vuistregel door A-G Lückers in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:485, onder 2.13) voor Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:895, JGz 2022/34 m.nt. R.B.M. Keurentjes. Vgl. ook HR 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1383, JGz 2023/65 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 3.3.
Hiervoor geciteerd onder 2.6.
Zie het onder 2.3 geciteerde proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 januari 2024.
Zie het onder 2.5 geciteerde proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 januari 2024.
Beroepschrift 02‑03‑2024
Toevoeging aangevraagd
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Procesinleiding in cassatie in verzoekprocedure
Verzoekster
Verzoekster in cassatie is mevrouw [verzoekster] (hierna ook aangeduid als ‘verzoekster’ of ‘betrokkene’), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Filipijnen). Verzoekster kiest in deze zaak woonplaats aan het Amstelplein 1, 1096 HA te Amsterdam op het kantoor van mr. F.W.E. Eijsvogels (HOYNG ROKH MONEGIER B.V.). Verzoekster stelt in deze zaak mr. F.W.E. Eijsvogels als advocaat bij de Hoge Raad.
Verweerder
Verweerder in cassatie is: de officier van justitie in het arrondissement Noord-Holland, Gebouw ‘De Appelaar’, Simon de Vrieshof 1, 2019 HA Haarlem (hierna ook aangeduid als ‘de OvJ’).
Bestreden uitspraak
Verzoekster stelt hierbij beroep in cassatie in tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 17 januari 2024, met zaaknummer / rekestnummer: C/15/347512 / FA RK 23-6227 tussen verzoekster als betrokkene en verweerder als verzoeker (hierna ook: ‘de bestreden beschikking’).
Het procesdossier van de feitelijke instantie, inclusief het proces-verbaal van de mondelinge behandeling die op 17 januari 2024 heeft plaatsgevonden, wordt overgelegd.
Tegen de bestreden beschikking voert verzoekster aan het volgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat de rechtbank heeft overwogen en beslist als in de bestreden beschikking is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
Inleiding en procesverloop
1.
Bij verzoekschrift van 27 december 2023 heeft de OvJ verzocht om afgifte van een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene voor een periode van 12 maanden.
2.
In 1.2 van de bestreden beschikking is vermeld dat de mondelinge behandeling van het verzoek op 17 januari 2024 heeft plaatsgevonden in het gebouw van het FACT-team Waterland te Purmerend, waarbij zijn gehoord de advocaat van betrokkene en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige.
3.
In 1.3 van de bestreden beschikking is vermeld dat de rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. 1.3 van de bestreden beschikking luidt als volgt:
‘Uit artikel 6:1, eerste lid, Wvggz volgt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene daartoe niet in staat of bereid is.
De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.
Ter zitting van 12 januari 2024 was betrokkene niet aanwezig, waarop de behandeling van het verzoek is aangehouden tot de zitting van 17 januari 2024.
Ter zitting van 17 januari 2024 is betrokkene wederom niet verschenen. Er is geen duidelijkheid over haar verblijfplaats. De advocaat heeft op verschillende manieren geprobeerd met haar in contact te komen, zonder resultaat, en zich niet verzet tegen voortzetting van de behandeling van het verzoek bij afwezigheid van betrokkene.’
4.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en 1.3 van de bestreden beschikking blijkt dat betrokkene ten tijde van de mondelinge behandeling op 12 en 17 januari 2024 al een aantal maanden vermist was. De sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft het volgende verklaard (zie blad 1 van het proces-verbaal):
‘We proberen in contact te komen met betrokkene, die sinds september 2023 uit beeld is. Het adres dat we van haar hebben, is vaak door ons bezocht, maar de deur werd nooit open gedaan. We vermoeden dat ze daar niet meer verblijft, maar weten wel dat ze ergens in de regio is. De politie is ook op zoek en wil haar dan hier brengen. We hebben er vertrouwen in dat ze weer in beeld zal komen. Vorige week zijn we samen met de politie aan de deur geweest, omdat er meldingen waren dat zij met meerdere mensen in haar huis middelen gebruikte. De deur is geforceerd, maar ze was al weg.’
5.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend, met de vormen van verplichte zorg zoals vermeld onder 2.4 van de bestreden beschikking, alles voor de volledige duur van de zorgmachtiging. De zorgmachtiging geldt tot en met 17 januari 2025.
Middelonderdelen
1.
De beslissing dat betrokkene niet bereid is te worden gehoord is in strijd met art. 6:1 Wvggz, dan wel is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, om een of meer van de navolgende redenen (mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen):
- i.
uit de bestreden beschikking blijkt niet dat de rechtbank betrokkene overeenkomstig het bepaalde in art. 261 in verbinding met de art. 272 e.v. Rv deugdelijk heeft oproepen, zodat het in cassatie ervoor kan en moet worden gehouden dat de oproeping van betrokkene voor de zitting van 12 en 17 januari 2024 niet heeft plaatsgevonden1.;
- ii.
uit de bestreden beschikking, en uit het proces-verbaal van de zitting, blijkt dat betrokkene al een aantal maanden voorafgaand aan en tijdens de mondelinge behandeling vermist was en dat haar advocaat voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 17 januari 2024 op verschillende manieren vergeefs geprobeerd heeft met haar in contact te komen. Kortom, daaruit blijkt niet dat betrokkene kennis had van het verzoek voor het verlenen van een zorgmachtiging ten aanzien van haar en/of van het tijdstip van de mondelinge behandeling van het verzoek. De rechtbank heeft daarom miskend dat zij nader onderzoek had dienen te verrichten om met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Indien wordt aangenomen dat de rechtbank (kennelijk) van oordeel was dat betrokkene van de zitting af kon weten en desondanks niet is verschenen en daarom niet bereid was zich te doen horen, is dit oordeel tegen deze achtergrond onvoldoende gemotiveerd2.;
- iii.
het (kennelijke) oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet bereid was om te worden gehoord omdat de advocaat van betrokkene zich niet heeft verzet tegen voortzetting van de behandeling van het verzoek bij afwezigheid van betrokkene is onbegrijpelijk. Dat de advocaat van betrokkene zich niet heeft verzet tegen voortzetting van de behandeling van het verzoek bij afwezigheid van betrokkene kan dit oordeel niet dragen. De advocaat van betrokkene heeft immers niet verklaard dat betrokkene jegens hem heeft verklaard ermee in te stemmen dat de mondelinge behandeling van het verzoek wordt voortgezet zonder dat zij door de rechter wordt gehoord en heeft hetgeen de advocaat tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard niet aldus kunnen opvatten.
2.
Gegrondbevinding van onderdeel 1 werkt door in de overige onderdelen van de bestreden beschikking en brengt daarom met zich dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
Conclusie
Dat Uw Raad de bestreden beschikking vernietigt, en verder beslist zoals hij passend acht. Kosten rechtens.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑03‑2024
Zie HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316, NJ 2023/187, m.nt. J. Legemaate, zie r.ov. 3.3.3
Vgl. HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, NJ 2022/30