Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal van verhoor getuige van 29 augustus 2018 van de raadsheer-commissaris van het hof. Daaruit kan worden afgeleid dat getuige [medeverdachte 2] op 29 augustus 2018 is gehoord in de zaak van de verdachte alsmede in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3] . Bij dit verhoor was de raadsman noch de verdachte aanwezig.
HR, 15-11-2022, nr. 20/02943
ECLI:NL:HR:2022:1647
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-11-2022
- Zaaknummer
20/02943
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1647, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑11‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1063
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2020:4207
ECLI:NL:PHR:2022:1063, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑07‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1647
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑01‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0229
NJ 2023/250 met annotatie van H.D. Wolswijk
Uitspraak 15‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Medeplegen van in uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk telen van grote hoeveelheid hennep in meerdere panden (art. 3.B jo. 11.3 en 11.5 Opiumwet), afleveren hennep (art. 3.B Opiumwet), deelname aan criminele organisatie (art. 11b.1 Opiumwet), medeplegen diefstal elektriciteit (art. 311.1.4 Sr), medeplegen gewoontewitwassen van panden, personenauto’s en geld (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr), (medeplegen van) oplichting (art. 326.1 Sr), gebruik maken van vervalst geschrift (art. 225.2 Sr) en voorhanden hebben van jammer (art. 161sexies.1 (oud) Sr). 1. Had hof beslissing moeten nemen over opnieuw oproepen van niet bij Rh-C verschenen getuige, nu verdediging geen nieuw verzoek maar ook geen afstand heeft gedaan? 2. Gebruik van verklaring van niet-verschenen getuige voor bewijs. 3. Oogmerk om misdrijf a.b.i. art. 161sexies.1 (oud) Sr te plegen bij voorhanden hebben jammer. 4. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Kon hof duur van gijzeling op 365 dagen bepalen? Ad 1. Ttz. in hoger beroep gedaan verzoek tot horen van getuige A is verzoek a.b.i. art. 414 Sv. Door zaak voor nader onderzoek naar Rh-C te verwijzen, met opdracht A als getuige te horen, is aan verzoek uitvoering gegeven. Verdediging had, als zij het wenselijk vond dat getuige A alsnog zou worden gehoord, die wens voorafgaand aan nadere tz. aan AG of tijdens inhoudelijke behandeling aan hof kenbaar moeten maken door daartoe strekkend, gemotiveerd verzoek te doen. Dat is niet gedaan. Daarom hoefde hof niet (ook niet ambtshalve) beslissing te nemen over oproepen van getuige A. Daarbij neemt HR in aanmerking dat enkele mededeling dat verdediging “geen afstand” doet van getuige niet als zo’n verzoek kan worden aangemerkt. Veronderstelling dat hof n.a.v. omstandigheid dat ttz. bleek dat getuige A niet was gehoord, had moeten beslissen zoals voorzien in art. 287.3 Sv dan wel art. 288.1 Sv, is onjuist (vgl. HR:2012:BX0863). Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 m.b.t. beoordeling ‘overall fairness’ van procedure. Uit procesverloop blijkt dat getuige A in e.a. als getuige is gehoord bij RC in aanwezigheid van raadsman van verdachte en vervolgens op tz. van Rb in aanwezigheid van verdachte en diens raadsman. In cassatie is niet aangevoerd dat deze ondervragingsmogelijkheid niet behoorlijk of effectief was. Daarom doet zich niet het geval voor waarin verdediging niet in enig stadium van geding een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft gehad, zodat het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces zich niet verzet tegen gebruik van verklaringen van deze getuige voor bewijs. Ad 3. Hof heeft vastgesteld dat verdachte gedurende 3 tot 4 jaar een jammer in zijn woning heeft gehad en zich daarvan bewust is geweest, terwijl hij voor gebruik en bezit geen vergunning had. Daarnaast heeft hof overwogen dat het voornaamste gebruik van jammers bestaat uit onbruikbaar maken dan wel verstoren van telecommunicatie en dat verdachte geen alternatief gebruik heeft aangegeven. ‘s Hofs daarop gebaseerde oordeel dat verdachte bewezenverklaard oogmerk had, kennelijk omdat verdachte besefte of moet hebben beseft dat een en ander dergelijk gebruik als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht of zou kunnen brengen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Ad 4. Hof heeft verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 11, 33, 54, 33, 162, 18 en 54 (in totaal 365) dagen gijzeling. O.g.v. art. 36f.5 Sr bepaalt rechter bij oplegging van maatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. Duur van gijzeling beloopt (ook in gevallen van samenloop als bedoeld in art. 57 en 58 Sr) ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:498). HR vernietigt ’s hofs uitspraak en vermindert zelf duur van gijzeling in die zin dat is voldaan aan wettelijk bepaald maximum van 1 jaar. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 11, 32, 53, 32, 161, 18 en 53 dagen kan worden toegepast. Samenhang met 20/02942 en 20/03014.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02943
Datum 15 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 september 2020, nummer 20-001469-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Een aanvulling op de schriftuur is pas bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen nadat de daartoe in de wet gestelde termijn was verlopen. De Hoge Raad zal daarom op deze aanvulling geen acht slaan.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen inzake de duur van de gijzeling en de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige, waarbij de Hoge Raad de opgelegde straf kan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf en de duur van de gijzeling inzake de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen die ten hoogste kan worden gevorderd kan bepalen op 360 dagen.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof (kort gezegd) geen beslissing heeft genomen over het al dan niet opnieuw oproepen van de niet bij de raadsheer-commissaris verschenen getuige [medeverdachte 2].
2.2.1
De procesgang in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 8 tot en met 17. De procesgang houdt – kort samengevat – in dat:- de raadsman op de regiezitting in hoger beroep van 29 september 2017 het verzoek heeft gedaan [medeverdachte 2] ter terechtzitting in hoger beroep te horen zodat het hof zelf waarnemingen zou kunnen doen over de betrouwbaarheid van de getuige;- het hof dat verzoek heeft toegewezen in die zin dat het de stukken in handen heeft gesteld van de raadsheer-commissaris met de opdracht [medeverdachte 2] als getuige te horen;- de raadsheer-commissaris meermalen heeft gepoogd een verhoor van de getuige te organiseren, maar dat het uiteindelijk niet mogelijk bleek de getuige te laten verschijnen.
2.2.2
Het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 4 maart 2019, dat zich bij de stukken bevindt, houdt onder meer het volgende in:
“[Het is] niet mogelijk gebleken om de getuige [medeverdachte 2] te bereiken. (...)
Op 4 maart 2019 heeft de griffier van het Kabinet raadsheer-commissaris bericht ontvangen van mr. Szymkowiak waarin wordt aangeven dat gelet op de omstandigheden dat het niet mogelijk is om getuige [medeverdachte 2] in het kabinet van de rechter-commissaris te laten verschijnen, de verdediging zich genoodzaakt ziet, zich bij deze stand van zaken te moeten neerleggen. Formeel wordt door de raadsman geen afstand gedaan van het horen van getuige [medeverdachte 2]. De raadsman heeft aangegeven dat het Gerechtshof hieromtrent te zijner tijd een beslissing als bedoeld in art. 288 jo. 415 Sv zal moeten nemen.”
2.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 augustus 2020 houdt onder meer het volgende in:
"De voorzitter deelt mede: De zaak is eerder aan de orde geweest ter terechtzitting van het hof op 29 september 2017. Toen is het verzoek van de verdediging tot het horen van [medeverdachte 2] als getuige toegewezen. Daartoe is de zaak aangehouden en verwezen naar de raadsheer-commissaris. Vervolgens is het onderzoek hervat ter terechtzitting van 16 maart 2018 waarbij is vastgesteld dat de getuige [medeverdachte 2] nog niet door de raadsheer-commissaris was gehoord. Reden daarvoor was dat de getuige zich op een geheim adres bevond en daarom niet bereikbaar was voor oproepingen om als getuige bij de raadsheer-commissaris te verschijnen. Vervolgens is de zaak wederom aangehouden teneinde nogmaals de medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige te doen horen.
De voorzitter deelt mede dat aan het dossier de navolgende nieuwe stukken zijn toegevoegd:
(...)
-een proces-verbaal bevindingen van 4 maart 2019 van de raadsheer-commissaris van dit hof betreffende het getuigenverhoor van [medeverdachte 2];
(...)
De raadsman deelt mede: (...) Ten aanzien van [medeverdachte 2] merk ik nog op dat het verhoor van deze getuige door de verdediging is verzocht, indertijd door het hof is toegewezen maar door omstandigheden nog niet gehoord is kunnen worden. Ik benadruk dat door de verdediging geen afstand is of zal worden gedaan van deze getuige.
(...)
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter nogmaals uitdrukkelijk mede dat in het middagdeel de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] met parketnummer 20- 001640-16 door het hof zal worden behandeld middels een SKYPE-verbinding. De verdachte, de raadsman en de advocaat-generaal delen mede dat de stukken voldoende zijn voorgehouden.”
2.2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 augustus 2020 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Hierbij wordt nog opgemerkt dat [medeverdachte 2] in de zaak van cliënt in de fase van het hoger beroep niet kon worden gehoord als getuige. Hoewel het verzoek daartoe door de verdediging door het Hof is toegewezen en dezerzijds geen afstand is gedaan van het horen van deze getuige, heeft [medeverdachte 2] zichzelf onvindbaar gemaakt. Hiermee maakt [medeverdachte 2] het - wederom! - onmogelijk om zijn betrouwbaarheid te laten toetsen. Ik kan mij zo voorstellen dat niet alleen de verdediging, maar ook uw Hof die betrouwbaarheidstoets ook graag zelf had willen uitvoeren.”
2.3.1
Het ter terechtzitting van 29 september 2017 gedane verzoek tot het horen van [medeverdachte 2] als getuige moet worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Door de zaak voor nader onderzoek naar de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken te verwijzen, met de opdracht [medeverdachte 2] als getuige te horen, is aan het verzoek uitvoering gegeven.
2.3.2
De verdediging had, als zij het wenselijk vond dat de getuige alsnog zou worden gehoord, die wens voorafgaand aan de nadere terechtzitting aan de advocaat-generaal of tijdens de inhoudelijke behandeling aan het hof kenbaar moeten maken door een daartoe strekkend, gemotiveerd verzoek te doen. Zo’n verzoek is niet gedaan. Het hof hoefde daarom niet - ook niet ambtshalve - een beslissing te nemen over het als getuige oproepen van [medeverdachte 2]. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de enkele mededeling dat de verdediging “geen afstand” doet van de getuige niet als zo’n verzoek kan worden aangemerkt.
2.3.3.
Voor zover het cassatiemiddel berust op de veronderstelling dat het hof naar aanleiding van de omstandigheid dat ter terechtzitting van 6 augustus 2020 bleek dat [medeverdachte 2] niet als getuige was gehoord, had moeten beslissen zoals voorzien in artikel 287 lid 3 Sv dan wel artikel 288 lid 1 Sv berust het, zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, op een onjuiste rechtsopvatting. (Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0863.)
2.3.4
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
2.3.5
Het cassatiemiddel klaagt verder dat het hof de verklaringen van de getuige [medeverdachte 2] voor het bewijs heeft gebruikt, terwijl het gaat om belastende verklaringen waarop de bewezenverklaringen in beslissende mate steunen en de getuige, ondanks het door het hof toegewezen verzoek daartoe, in hoger beroep niet is gehoord en het hof ook niet is nagegaan of het proces in zijn geheel (nog) fair is.
2.3.6
In zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“Beoordeling van de ‘overall fairness’ van de procedure
2.12.1
De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het onder 2.2 genoemde arrest van 4 juli 2017 is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.”
2.3.7
Uit het door de advocaat-generaal onder 9 en 10 beschreven procesverloop blijkt dat in de eerste aanleg [medeverdachte 2] als getuige is gehoord bij de rechter-commissaris op 20 februari 2014 in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte en vervolgens op de terechtzitting van de rechtbank op 2 maart 2016 in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman. In cassatie is niet aangevoerd dat deze ondervragingsmogelijkheid niet behoorlijk of effectief was. Daarom doet zich niet het geval voor waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding een behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gehad om het ondervragingsrecht met betrekking tot deze getuige uit te oefenen, zodat het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces zich niet verzet tegen het gebruik van de verklaringen van deze getuige voor het bewijs. Ook in zoverre faalt het cassatiemiddel.
3. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ontoereikend gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de verdachte ‘het oogmerk’ had om met de jammer een misdrijf als bedoeld in artikel 161sexies lid 1 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) te plegen.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 04/850427-12 onder 12 bewezenverklaard dat:
“hij op 8 november 2011 in de gemeente [plaats 1] met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in art. 161sexies lid 1 van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een technisch hulpmiddel, te weten een zwart draagbaar radiozendapparaat, als bedoeld in art. 1.1 onder kk van de Telecommunicatiewet (zogenaamde jammer voor de mobiele communicatie) welke niet was voorzien van enig merk, type en/of serienummer, dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, voorhanden heeft gehad.”
3.2.2
Het hof heeft over deze bewezenverklaring het volgende overwogen:
“Onder feit 12 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij een zogenaamde jammer voorhanden heeft gehad.
De verdediging heeft betoogd dat verdachte weliswaar heeft verklaard te weten wat een jammer is maar tegelijkertijd de in zijn woning aangetroffen jammer niet als zodanig heeft herkend. Volgens de verdediging ontbreekt het opzet op het voorhanden hebben van een jammer alsmede het oogmerk om daarmee een van de handelingen te verrichten als opgenomen in het eerste lid van artikel 161sexies Sr (oud). Hieruit volgt dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt onder meer – zakelijk weergegeven – het navolgende.
Op 8 november 2011 is in de woning van verdachte een jammer aangetroffen. Het gebruik en bezit ervan is aan vergunning gebonden en verdachte heeft deze vergunning niet. Een jammer is een technisch hulpmiddel waarmee het mogelijk is om enig werk voor telecommunicatie onbruikbaar te maken dan wel ernstig te verstoren.
Verdachte heeft verklaard het aangetroffen voorwerp al zo’n drie tot vier jaar in zijn woning te hebben. Hij heeft voorts verklaard dat hij niet wist dat het een jammer was. Ook heeft hij verklaard wel te weten wat een jammer is.
Met de rechtbank hecht het hof geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij jarenlang een jammer in huis heeft gehad zonder te weten dat het een jammer betrof. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte wist dat hij de jammer voorhanden had en dat – gelet op het voornaamste gebruik van jammers te weten het onbruikbaar maken dan wel verstoren van telecommunicatie – daarmee het oogmerk is gegeven als bedoeld in artikel 161sexies van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof betrekt bij dit oordeel dat het een algemene ervaringsregel is dat een jammer zoals in de woning van verdachte aangetroffen door criminelen wordt gebruikt om telecommunicatie onbruikbaar te maken dan wel ernstig te verstoren. Verdachte heeft geen alternatief gebruik voor die jammer aangegeven.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.”
3.3
Artikel 161sexies (oud) Sr luidt voor zover van belang:
“1. Hij die opzettelijk enig geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft: (...)
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft hij die, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in het eerste lid wordt gepleegd:
a. een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, vervaardigt, verkoopt, verwerft, invoert, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft, of (...)”
3.4
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte gedurende drie tot vier jaar een jammer in zijn woning heeft gehad en dat hij zich daarvan bewust is geweest, terwijl de verdachte geen vergunning had voor het gebruik en bezit van een jammer. Daarnaast heeft het hof overwogen dat het voornaamste gebruik van jammers bestaat uit het onbruikbaar maken dan wel verstoren van telecommunicatie, en dat de verdachte geen alternatief gebruik voor zijn jammer heeft aangegeven. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte het bewezenverklaarde oogmerk had, kennelijk omdat de verdachte besefte of moet hebben beseft dat een en ander dergelijk gebruik als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht of zou kunnen brengen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.5
Het cassatiemiddel faalt.
4. Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat met betrekking tot de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de duur van de gijzeling is bepaald op in totaal meer dan 360 dagen.
4.2
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6] en Aegon Schadeverzekeringen de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 11, 33, 54, 33, 162, 18 en 54 dagen gijzeling.
4.3
Op grond van artikel 36f lid 5 Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop zoals bedoeld in artikel 57 en 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).
4.4
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.
5. Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
5.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.
6. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze vijf jaren en negen maanden bedraagt;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] gijzeling voor de duur van 11 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] gijzeling voor de duur van 32 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] gijzeling voor de duur van 53 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] gijzeling voor de duur van 32 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 5] gijzeling voor de duur van 161 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 6] gijzeling voor de duur van 18 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het slachtoffer Aegon Schadeverzekeringen gijzeling voor de duur van 53 dagen kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2022.
Conclusie 05‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verschillende opiumwetdelicten, waaronder o.m. medeplegen van hennepteelt in verschillende panden, afleveren van hennep, deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van diefstal van elektriciteit en voorhanden hebben van een jammer. Middelen, o.m. over 1. het gebruik van verklaringen van een medeverdachte, 2. bewezenverklaring afleveren hennep, 3. bewezenverklaring deelneming aan criminele organisatie a.b.i. art. 11a Opiumwet, 4. bewezenverklaring medeplegen diefstal elektriciteit, 5. bewezenverklaring voorhanden hebben 'jammer' en 6. aan svm verbonden gijzeling. Volgens de AG falen de middelen 1 t/m 5 en kunnen de middelen 1 t/m 4 met de aan art. 81.1 RO ontleende motivering worden afgedaan. Middel 6 slaagt. De conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen inzake de duur van de gijzeling en de opgelegde straf (ivm overschrijding van de inzendtermijn). Samenhang met 20/02942 en 20/03014.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/02943
Zitting 5 juli 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 17 september 2020 de verdachte in de zaak met parketnummer 04/850427-12 vrijgesproken van het onder 1 en 5 ten laste gelegde. Tevens heeft het hof de verdachte in de zaak met parketnummer 04/800080-11 wegens:
(i) onder feit 1: medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd;
(ii) onder feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
(iii) onder feit 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11a, derde en vijfde lid van de Opiumwet;
(iv) onder feit 4 primair: medeplegen van gewoontewitwassen;
(v) onder feit 5: medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
en in de zaak met parketnummer 04/850427-12 wegens:
(i) onder feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen;
(ii) onder feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen;
(iii) onder feit 6: diefstal door twee of meer verenigde personen;
(iv) onder feit 8: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
(v) onder feit 10: opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;
(vi) onder feit 11: oplichting;
(vii) onder feit 12: het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel geschikt gemaakt of ontworpen tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in het eerste lid van artikel 161sexies van het Wetboek van Strafrecht met het oogmerk om daarmee een misdrijf te plegen als bedoeld in genoemd artikel,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Op 17 september 2020 heeft het hof een herstelarrest gewezen waarbij het hof een kennelijke misslag in het dictum heeft hersteld.
3. Er bestaat samenhang met de zaken 20/02942 en 20/03014. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben zeven middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
5. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte is door het hof veroordeeld voor verschillende opiumwetdelicten, waaronder het medeplegen van hennepteelt in verschillende panden en het afleveren van hennep. Ook heeft het hof de verdachte veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met opiumwetdelicten. Volgens het hof was de verdachte bij al deze activiteiten betrokken als leider en stonden andere betrokkenen in dienst van de verdachte. Tevens heeft het hof geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerijen, het medeplegen van gewoontewitwassen van verschillende panden, auto’s, een horloge en een hoeveelheid geld, (het medeplegen van) oplichting, valsheid in geschrift en het voorhanden hebben van een jammer.
6. De bewezenverklaringen steunen onder meer op de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] en enkele andere betrokkenen, zendmastgegevens, de inhoud van tapgesprekken en sms-berichten, en uitgevoerde observaties.
Het eerste middel
7. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 04/800080-11 onder 1, 2, 3, 4 primair en in de zaak met parketnummer 04/850427-12 onder 2, 4, 6, 8, 10 en 11 bewezen verklaarde feiten ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van [medeverdachte 2] , terwijl de verdediging deze getuige in hoger beroep niet heeft kunnen ondervragen en uit het proces-verbaal van de terechtzitting noch uit het arrest volgt dat er ‘a good reason’ was voor het feit dat deze getuige niet door de verdediging kon worden ondervraagd. Evenmin heeft het hof bij een met redenen omklede beslissing geoordeeld dat van het opnieuw horen van de getuige moet worden afgezien nu een van de gronden als bedoeld in artikel 288 Sv zich voordoet. Daarnaast is niet gebleken dat het hof is nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, aldus de stellers van het middel.
Het verloop van de procedure in eerste aanleg
8. Op 24 april 2013 heeft in eerste aanleg een regiezitting plaatsgevonden. Tijdens die zitting heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, het verzoek van de verdediging om (onder meer) [medeverdachte 2] als getuige te horen toegewezen en daartoe de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris.
9. Op 20 februari 2014 is [medeverdachte 2] in aanwezigheid van onder meer de raadsman van de verdachte als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Het proces-verbaal van getuigenverhoor houdt onder meer het volgende in:
“De getuige verklaart als volgt:
(…)
Op vragen van mr. Szymkowiak:
U vraagt mij wat mijn status is in het strafproces. Ik wil daar op dit moment niets over zeggen. U vraagt mij waarom ik met de politie hier ben gekomen. Ik wil daar niets over zeggen. U vraagt mij waarom ik verklaard heb op 25 oktober 2013. Omdat ik ben bedreigd en afgeperst door [verdachte] . Het bedreigen is begonnen in 2012. Hij was toen pas uit detentie. Het juli/augustus 2012. U vraagt welke bedreigingen het waren. Ik wil daar niets over zeggen. Ik heb dat bij de politie ook al verklaard.
U vraagt mij of ik na augustus 2012 nog bedreigd ben door [verdachte] . Ja, de meest recente bedreiging was in september 2013.
U vraagt mij of ik ook door andere mensen uit deze zaak ben bedreigd. Daar wil ik niet op antwoorden. Ik wil niet vertellen of ik bescherming krijg. Ik wil niet vertellen of ik voor het afleggen van de verklaringen in 2013 bescherming kreeg. Ik wil niet vertellen of er door de politie of justitie toezeggingen zijn gedaan of afspraken zijn gemaakt ten aanzien van de ontnemingsvordering.
U vraagt mij of ik een boksbal heb gehuurd. Ja, die heb ik gehuurd bij een verhuurbedrijf in opdracht van [verdachte] . Die is contant betaald en die heeft [verdachte] naar zijn huis gebracht.
U vraagt mij of ik met politie en/of justitie in oktober 2013 nog gesproken heb over mijn vermogen in Turkije. Ik had een woning in Turkije. Die heb ik verkocht. Ik heb daar nu geen vermogen meer. Van de opbrengst van de woning (60.000,-- Turkse Lira) is 3.500,-- euro overgemaakt per Western Union. Dit geld is betaald aan [betrokkene 9] . Het overige geld is overgedragen aan [verdachte] en [betrokkene 10] .
U vraagt mij of ik mijn eigen dossier ken. Ja.
Opmerking rechter-commissaris:
De rechter-commissaris staat toe dat de getuige de vragen van mr. Szymkowiak, zoals hierboven vermeld, niet beantwoordt. Tevens heeft de rechter-commissaris toegestaan dat de door mr. Hameleers gestelde vragen niet werden beantwoord door de getuige. Verder sluit mr. Hameleers aan bij de vragen die door mr. Szymkowiak zijn gesteld over eventuele toezeggingen aan de getuige. De rechter-commissaris heeft de getuige toegestaan daar niet op te antwoorden.
(…)
Op vragen van mr. Szymkowiak:
U vraagt mij of ik de zakelijke kant ken van [L] BV. Ik deed de zakelijk kant daarvan.
U vraagt mij of [betrokkene 11] daar iets mee te maken had. Hij was financieel directeur en aandeelhouder. De bedrijfsvoering deed ik. [betrokkene 11] had er ook mee te maken. Hij runde het bedrijf zoals een directeur doet. Wat de balans betreft, daar was hij niet bij betrokken. Dat deed de boekhouder. De personeelszaken was vooral de verantwoordelijkheid van [betrokkene 12] . De activiteiten zijn overgedragen aan [C] BV.
(…)
Op vragen van mr. Szymkowiak:
U vraagt mij naar de reden van wetenschap over [A] . Die informatie heb ik van [medeverdachte 3] . Ik had gesprekken daarover met hem. Er is gesproken over import van olijven naar Nederland. [medeverdachte 3] was mijn bron van informatie. Ik heb er ook wel met [verdachte] over gesproken.”
10. Op de terechtzittingen van 2, 3, 9, 10 en 11 maart 2016 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van die zittingen kan worden afgeleid dat [medeverdachte 2] op 2 maart 2016 ter terechtzitting als getuige is gehoord. De raadsman heeft bij die gelegenheid de verdachte vragen gesteld. Het proces-verbaal van de terechtzittingen van 2, 3, 9, 10 en 11 maart 2016 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter doet de getuige [medeverdachte 2] voor de rechtbank verschijnen. De voorzitter stelt de identiteit van de getuige vast en vraagt de getuige naar zijn beroep en of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte. De voorzitter wijst de getuige op het verschoningsrecht. De getuige legt op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte af dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
(…) De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld de getuige te ondervragen. De raadsman stelt de volgende vragen aan de getuige:
1. Wat is uw status in het strafproces?
2. Waarom heeft u in 2014 bij de rechter-commissaris vragen niet willen beantwoorden?
3. Heeft u bij de rechter-commissaris de waarheid verklaard?
4. Heeft u bij de rechter-commissaris de waarheid verklaard toen u zei dat de bedreiging door [verdachte] begon in juli/augustus 2012?
5. Heeft u bij uw aangifte bij de politie op 22 oktober 2013 de waarheid gesproken?
6. Heeft u bij uw aangifte bij de politie op 22 oktober 2013 de waarheid gesproken toen u sprak over 14 of 19 locaties?
7. Op 22 oktober 2013 spreekt u met de politie als aangever en op 25 oktober 2013 weer als verdachte. Hoe is dat gegaan?
8. Op 25 oktober 2013 deelt de politie u mede dat zij u eerder de cautie hebben medegedeeld. Wanneer en in welke setting heeft de politie u die eerder medegedeeld?
9. Heeft u vóór 25 oktober 2013 een gesprek met de politie gehad en zo ja, waarom?
10. Tijdens het verhoor van 25 oktober 2013, pagina 6 daarvan, spreekt u met de politie over diverse panden. Had u of de politie de tenlastelegging toen bij de hand of werd daarover gesproken?
11. U heeft op een groot aantal vragen van de politie geantwoord dat u daar op dat moment geen antwoord op gaf. Wilt u dat nu wel?
12. Over de hennepdrogerij in [plaats 2] verklaarde u dat de 90 kilogram aangeleverde wiet van [verdachte] was, omdat u zou weten waar die geknipt was. Waar is die geknipt en hoe weet u dat?
13. Heeft u op 26 en 27 november 2013 de waarheid gesproken als verdachte?
14. Op 25 oktober 2013 (11.40 uur) verklaarde u onder andere dat u niet onder druk bent gezet om te verklaren. Heeft u deze verklaringen afgelegd in de hoop een deal te krijgen met justitie en/of heeft u deze verklaringen afgelegd omdat u er belang bij had dat [verdachte] meer problemen kreeg met justitie en mogelijk gedetineerd raakte? Met andere woorden: wat was uw reden, doel, belang om deze verklaringen af te leggen in oktober 2013?
15. Hoe weet u dat er geen kluisverklaringen zijn waar u een aandeel in had?
De getuige verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
Ik heb geen deal gesloten in de strafzaak, ook niet in de ontnemingszaak. Er zijn geen kluisverklaringen (vraag 1.). Ik weet niet of er andere verklaringen zijn afgelegd; voor zover ik weet zijn er geen andere verklaringen van mij die niet in het dossier terecht zijn gekomen (vraag 15.). Voor het overige beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.
Op verzoek van de raadsman van de getuige onderbreekt de rechtbank het onderzoek ter zitting voor overleg tussen de getuige en zijn raadsman.
Na hervatting stelt de voorzitter de hiervoor van 2. tot en met 14. genummerde vragen opnieuw aan de getuige, waarop de getuige - zakelijk weergegeven - als volgt verklaart:
2. Waarom heeft u in 2014 bij de rechter-commissaris vragen niet willen beantwoorden?
Dat weet ik niet
3. Heeft u bij de rechter-commissaris de waarheid verklaard? Ik heb toen de waarheid gesproken. Ik kon pas aangifte doen als ik inhoudelijk over de zaak zou verklaren.
4. Heeft u bij de rechter-commissaris de waarheid verklaard toen u zei dat de bedreigingen door [verdachte] begon in juli/augustus 2012? De bedreigingen kloppen, maar ik weet niet meer precies wanneer ze begonnen zijn.
5. Heeft u bij uw aangifte bij de politie op 22 oktober 2013 de waarheid gesproken? Ja.
6. Heeft u bij uw aangifte bij de politie op 22 oktober 2013 de waarheid gesproken toen u
sprak over 14 of 19 locaties? Ja.
7. Op 22 oktober 2013 spreekt u met de politie als aangever en op 25 oktober 2013 weer als verdachte. Hoe is dat gegaan? Ik kon aangifte doen als ik over de zaak verklaarde. Mijn aangifte op 22 oktober 2013 was alleen pro-forma, deze was nog niet afgerond, want ik moest eerst openheid van zaken geven. Ze hebben niet gezegd dat mijn aangifte vernietigd zou worden als ik nadien geen openheid gaf. Ik ben toen wel ergens anders ondergebracht, maar ze konden mij niet dwingen te verklaren. Er is mij niet gezegd wat er zou gebeuren als ik nadien niet nader zou verklaren. Mij is enkel gezegd dat ik aangifte kon doen als ik ook verklaarde over deze zaak. Ik heb die dag geen afspraak gemaakt, maar ze hebben mij ondergebracht. Op 25 oktober 2013 werd ik toen weer opgehaald; ik wist dat niet van te voren. Ik weet niet meer of ik van te voren al wist of ik als aangever of verdachte gehoord zou worden. Ik heb ook niet zelf contact met de politie opgenomen tussen deze twee verklaringen.
8. Op 25 oktober 2013 deelt de politie u mede dat zij u eerder de cautie hebben medegedeeld. Wanneer en in welke setting heeft de politie u die eerder medegedeeld?
Tijdens de aangifte hebben ze gezegd dat ik geen antwoord hoefde te geven.
9. Heeft u vóór 25 oktober 2013 een gesprek met de politie gehad en zo ja, waarom? Dat kan ik mij niet herinneren. Ik werd opgehaald en ben naar het politiebureau, naar een verhoorkamer, gebracht. Ik kan mij niet herinneren of we daarvoor al een gesprekje of iets dergelijks hebben gehad. Ik weet niet meer wat er verder voor dat verhoor is gebeurd. De mensen die mij hebben opgehaald, hebben mij ook verhoord. Of wij tijdens de rit hebben gesproken, kan ik mij niet herinneren. Ik ging mee, omdat ik ook per se aangifte wilde doen en daarom moest ik mijn verhaal doen.
10. Tijdens het verhoor van 25 oktober 2013, pagina 6 daarvan, spreekt u met de politie over diverse panden. Had u of de politie de tenlastelegging toen bij de hand of werd daarover gesproken? Nee.
11. U heeft op een groot aantal vragen van de politie geantwoord dat u daar op dat moment geen antwoord op gaf. Wilt u dat nu wel? Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.
12. Over de hennepdrogerij in [plaats 2] verklaarde u dat de 90 kilogram aangeleverde wiet van [verdachte] was, omdat u zou weten waar die geknipt was. Waar is die geknipt en hoe weet u dat? Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.
13. Heeft u op 26 en 27 november 2013 de waarheid gesproken als verdachte? Ja.
14. Op 25 oktober 2013 (11.40 uur) verklaarde u onder andere dat u niet onder druk bent gezet om te verklaren. Heeft u deze verklaringen afgelegd in de hoop een deal te krijgen met justitie en/of heeft u deze verklaringen afgelegd omdat u er belang bij had dat [verdachte] meer problemen kreeg met justitie en mogelijk gedetineerd raakte? Met andere woorden: wat was uw reden, doel, belang om deze verklaringen af te leggen in oktober 2013? Ik wilde aangifte doen, maar daarvoor moest ik eerst verklaren. Ik had toen niet de bedoeling om een deal te sluiten. Ik heb ook geen deal gesloten. Er is wel gesproken over een deal. Ik weet niet meer precies wanneer dat was. Dat was na het verhoor van 25 oktober 2013. Voor wat betreft de vraag wat daarbij verder is besproken, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. Er is niet over gesproken dat ik niet vervolgd zou worden. Er is mij niks aangeboden en ik heb niks gevraagd, maar er is wel over gesproken en er is geen deal gesloten. Ik weet niet of dat met mij of de andere partij te maken had.
De officier van justitie merkt op dat getuige zich naar haar mening op zijn verschoningsrecht mocht beroepen bij die vragen waar hij dat heeft gedaan.
De raadsman van verdachte vraagt of de getuige blijft bij zijn ontkenning van betrokkenheid bij de zaak Maasbree. De raadsman van de getuige merkt op deze vraag aldus te begrijpen dat indien getuige geen betrokkenheid heeft bij die zaak, hem ook geen verschoningsrecht zou toekomen. Dat is echter onjuist. Die zaak staat bij de getuige op de tenlastelegging, hij werd daarover gehoord, heeft een verklaring afgelegd, wil het daar bij houden en beroept zich daarom op het verschoningsrecht.
De raadsman van verdachte vraagt voorts wat de proceshouding van verdachte is geweest ter zitting van zijn eigen strafzaak.
De getuige deelt mede daarover niets te willen zeggen.
Na beraad in raadkamer deelt de rechtbank bij monde van haar voorzitter mede van oordeel te zijn dat de getuige verschoningsrecht toekomt daar waar hij zich daarop heeft beroepen.”
Het verloop van de procedure in hoger beroep
11. Bij brief van 22 september 2017, gericht aan de advocaat-generaal van het hof, heeft de raadsman van de verdachte een verzoek ingediend tot het (andermaal) horen van de getuige [medeverdachte 2] . Ter onderbouwing van dat verzoek heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] door de rechtbank voor het bewijs zijn gebruikt, terwijl in eerste aanleg door de verdediging uitvoerig is betoogd dat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn. De verdediging wilde graag dat het hof zelf waarnemingen zou kunnen doen ten aanzien van de betrouwbaarheid van deze getuige en achtte het derhalve noodzakelijk dat de getuige ter terechtzitting door het hof, of door de raadsheer-commissaris zou worden gehoord.
12. Op 29 september 2017 heeft in hoger beroep een regiezitting plaatsgevonden. Het hof heeft op die zitting het verzoek om [medeverdachte 2] als getuige te horen toegewezen en daartoe de stukken in handen gesteld van de raadsheer-commissaris van het hof.
13. Het proces-verbaal van de voortgezette regiezitting in hoger beroep van 16 maart 2018 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat op de terechtzitting van 29 september 2017 het verzoek tot het horen van de medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige is toegewezen. De stukken zijn daartoe in handen gesteld van de raadsheer-commissaris. Door omstandigheden is de getuige nog niet gehoord. In overleg met de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte 2] zal worden getracht dat getuigenverhoor alsnog te laten plaatsvinden.
De oudste raadsheer voegt daaraan toe dat namens de medeverdachte [medeverdachte 2] kenbaar is gemaakt dat hij niet op het kabinet van de raadsheer-commissaris wenst te verschijnen in verband met de risico’s voor zijn veiligheid en die van zijn gezin. Naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting in de strafzaak tegen [medeverdachte 2] merkt de oudste raadsheer op dat, nu [medeverdachte 2] zich op een geheim adres bevindt, hij niet bereikbaar is voor oproepingen om als getuige bij de raadsheer-commissaris te verschijnen. Om die reden rijst de vraag of het aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal verschijnen.”
Het hof heeft vervolgens de stukken opnieuw in handen van de rechter-commissaris gesteld teneinde verder uitvoering te geven aan het verhoor van [medeverdachte 2] als getuige.
14. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2019 van de raadsheer-commissaris van het hof. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
“Naar aanleiding van het proces-verbaal getuigenverhoor d.d. 29 augustus 2018 van getuige [medeverdachte 2] ,1.geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , heeft mr P.W. Szymkowiak (raadsman van verdachte [verdachte] ) de griffier van het Kabinet raadsheer-commissaris laten weten getuige [medeverdachte 2] opnieuw te willen horen.
De griffier van het Kabinet raadsheer-commissaris heeft het getuigenverhoor opnieuw ingepland voor 31 oktober 2018. Op 9 oktober 2018 heeft de griffier van het Kabinet raadsheer-commissaris van de raadsman van getuige [medeverdachte 2] , mr. J.P.A. van Schaik, bericht ontvangen dat getuige [medeverdachte 2] niet zal verschijnen voor het getuigenverhoor op 31 oktober 2018. Tevens heeft de raadsman van getuige aangegeven dat getuige [medeverdachte 2] zich bij een volgend verhoor opnieuw zal beroepen op zijn verschoningsrecht. Daarnaast heeft de raadsman van de getuige de raadsheer-commissaris verzocht, indien de advocaten van de verdachten nog steeds van mening zijn dat ondanks dat de getuige zich zal beroepen op zijn verschoningsrecht, om getuige [medeverdachte 2] op 15 november 2018 bij de rechter-commissaris bij de Rechtbank te Roermond te doen horen in de tevens nog lopende ontnemingsprocedure. De raadsheer-commissaris, de advocaten en advocaat-generaal zijn met deze te maken afspraak akkoord gegaan.
Het verhoor van de getuige [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris te Roermond heeft op 15 november 2018 echter niet plaatsgevonden, omdat de beveiliging dienaangaande niet op orde was. Door de rechter-commissaris is vervolgens besloten dat getuige [medeverdachte 2] opnieuw zou worden gehoord.
Ter afstemming van dit te plannen verhoor heeft de griffier van het Kabinet rechter-commissaris in de periode na 15 november 2018 diverse malen contact gehad met de officier van justitie in verband met het kunnen bereiken van de getuige [medeverdachte 2] . De officier van justitie heeft de getuige [medeverdachte 2] echter niet kunnen bereiken.
Op 25 januari 2019 heeft de griffier van het Kabinet raadsheer-commissaris een e-mail van de griffier van het Kabinet rechter-commissaris te Roermond ontvangen, gericht aan het kantoor van de advocaten van de verdachten, waarin aan hen werd verzocht om het verstrekken van de verblijfgegevens van getuige [medeverdachte 2] . Raadsman Szymkowiak heeft op 30 januari 2019 de e-mails beantwoord.
Desondanks is het niet mogelijk gebleken om de getuige [medeverdachte 2] te bereiken. De griffier van het Kabinet van de rechter-commissaris te Roermond heeft de griffier van het Kabinet raadsheer-commissaris op 13 februari 2019 bericht dat zij mr. Szymkowiak per e-mail hebben laten weten dat de zij de zaak bij het Kabinet van de rechter-commissaris zullen sluiten, nu het niet mogelijk is gebleken om getuige [medeverdachte 2] middels een bevel medebrenging op de rechtbank te krijgen.
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de griffier van het Kabinet raadsheer- commissaris in overleg met de raadsheer-commissaris op 21 februari 2019 raadsman mr. Szymkowiak en mr. Maessen per e-mail laten weten dat het Kabinet raadsheer-commissaris het dossier ter zake van het horen van getuige [medeverdachte 2] zal sluiten. De griffier van het Kabinet raadsheer-commissaris heeft gevraagd uiterlijk 26 februari jongstleden te reageren op de e- mail. Na geen reactie te hebben ontvangen heeft op 4 maart jl. de griffier van het Kabinet raadsheer-commissaris een rappelmail gestuurd aan beide raadslieden met de mededeling, dat indien zij niet vóór 6 maart 2019 reageren, de griffier van het Kabinet raadsheer- commissaris ervan uitgaat dat zij akkoord zijn dat de zaken gesloten worden bij het Kabinet raadsheer-commissaris.
Op 4 maart 2019 heeft de griffier van het Kabinet raadsheer-commissaris bericht ontvangen van mr. Szymkowiak waarin wordt aangeven dat gelet op de omstandigheden dat het niet mogelijk is om getuige [medeverdachte 2] in het kabinet van de rechter-commissaris te laten verschijnen, de verdediging zich genoodzaakt ziet, zich bij deze stand van zaken te moeten neerleggen. Formeel wordt door de raadsman geen afstand gedaan van het horen van getuige [medeverdachte 2] . De raadsman heeft aangegeven dat het Gerechtshof hieromtrent te zijner tijd een beslissing als bedoeld in art. 288 jo. 415 Sv zal moeten nemen.”
15. Op 6 augustus 2020 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvonden. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter deelt mede:
De zaak is eerder aan de orde geweest ter terechtzitting van het hof op 29 september 2017. Toen is het verzoek van de verdediging tot het horen van [medeverdachte 2] als getuige toegewezen. Daartoe is de zaak aangehouden en verwezen naar de raadsheer-commissaris.
Vervolgens is het onderzoek hervat ter terechtzitting van 16 maart 201 8 waarbij is vastgesteld dat de getuige [medeverdachte 2] nog niet door de raadsheer-commissaris was gehoord. Reden daarvoor was dat de getuige zich op een geheim adres bevond en daarom niet bereikbaar was voor oproepingen om als getuige bij de raadsheer-commissaris te verschijnen. Vervolgens is de zaak wederom aangehouden teneinde nogmaals de medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige te doen horen.
De voorzitter deelt mede dat aan het dossier de navolgende nieuwe stukken zijn toegevoegd:
(…)
-een proces-verbaal bevindingen van 4 maart 2019 van de raadsheer-commissaris van dit hof betreffende het getuigenverhoor van [medeverdachte 2] ; (…)
De voorzitter deelt vervolgens de korte inhoud mede van de stukken van de zaak. (…)
De verdachte verklaart
(…)
Ik begrijp niet dat de rechtbank [medeverdachte 2] in zijn afgelegde belastende verklaringen is gevolgd. Deze man is een fantast. Hij heeft eerst kennisgenomen van het hele strafdossier om daarna zijn verklaringen daarop af te stemmen en zodanig te draaien dat hij mij alle schuld in de schoenen kon schuiven. [medeverdachte 2] was drugsverslaafd en loog alles bij elkaar. Er komen steeds meer mensen naar Roermond die naar hem op zoek zijn omdat hij hen ten onrechte heeft belast.
Op vragen van de advocaat-generaal:
Mij wordt voorgehouden dat ik nu pas ter terechtzitting op onderdelen van de tenlastelegging een nadere verklaring afleg. Mij wordt gevraagd waarom ik dat niet veel eerder in de procedure heb gedaan.
Op verzoek van mijn advocaat heb ik indertijd gezwegen.
Mij wordt voorgehouden dat ik zojuist heb verklaard dat de verklaringen van [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn omdat hij deze verklaringen na lezing van het dossier zodanig heeft aangepast dat hij daardoor de schuld in mijn schoenen heeft geschoven. Mij wordt voorgehouden dat het er sterk op lijkt dat ik me nu van dezelfde tactiek bedien: ik heb kennisgenomen van het vonnis van de rechtbank en met die wetenschap leg ik op bepaalde onderdelen van de tenlastelegging een nadere verklaring af.
De raadsman deelt mede:
Ten aanzien van het witwassen heeft mijn cliënt ter zitting in eerste aanleg reeds de bronnen van de legale inkomsten benoemd. Na het vonnis van de rechtbank is mijn cliënt hiermee nog verder aan de slag gegaan en heeft hij in zijn administratie de ordners gevonden met daarin de bankafschriften waaruit van deze inkomsten blijkt.
Ten aanzien van [medeverdachte 2] merk ik nog op dat het verhoor van deze getuige door de verdediging is verzocht, indertijd door het hof is toegewezen maar door omstandigheden nog niet gehoord is kunnen worden. Ik benadruk dat door de verdediging geen afstand is of zal worden gedaan van deze getuige.”
16. Tevens kan uit het proces-verbaal van de terechtzittingen van 6 augustus 2020 en 3 september 2020 worden afgeleid dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota. Deze houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“ [medeverdachte 2]
(…)
Resumerend: De door de Rechtbank in het vonnis aangedragen argumenten, op basis waarvan wordt geconcludeerd dat [medeverdachte 2] en zijn verklaringen betrouwbaar zijn te achten, zijn gedeeltelijk lacunair te achten en hebben de verdediging niet kunnen overtuigen. Evenals in eerste aanleg, wordt daarom ook in hoger beroep verzocht om de verklaringen van [medeverdachte 2] , die hij in de maanden oktober en november 2013 bij de politie heeft afgelegd, niet tot het bewijs te gebruiken. De verklaringen zijn, gelet op de daarin voorkomende inconsistenties en het zwaarwegende motieven om cliënt te belasten, te onbetrouwbaar te achten.
Hierbij wordt nog opgemerkt dat [medeverdachte 2] in de zaak van cliënt in de fase van het hoger beroep niet kon worden gehoord als getuige. Hoewel het verzoek daartoe door de verdediging door het Hof is toegewezen en dezerzijds geen afstand is gedaan van het horen van deze getuige, heeft [medeverdachte 2] zichzelf onvindbaar gemaakt. Hiermee maakt [medeverdachte 2] het - wederom! - onmogelijk om zijn betrouwbaarheid te laten toetsen. Ik kan mij zo voorstellen dat niet alleen de verdediging, maar ook uw Hof die betrouwbaarheidstoets ook graag zelf had willen uitvoeren.
Bij de bespreking van de tenlastegelegde feiten zal de verdediging dan ook primair uitgaan van de situatie dat de verklaringen van [medeverdachte 2] niet als bewijsmiddel zullen worden gebruikt. Waar nodig zal, subsidiair, worden aangegeven dat, zelfs wanneer de verklaringen van [medeverdachte 2] wel bij de bewijsvoering zouden worden betrokken, dit niet tot een bewezenverklaring zou moeten leiden.”
17. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van het verweer van de verdediging om de verklaring van [medeverdachte 2] niet tot het bewijs te bezigen het volgende in:
“ [medeverdachte 2] heeft zich aanvankelijk bij de politieverhoren (verhoren van 8 november 2011, p. 487 tot en met 6 februari 2012, p. 653) beroepen op zijn zwijgrecht. Vervolgens is [medeverdachte 2] vanaf 25 oktober 2013 gaan verklaren over zijn eigen rol en ook over die van verdachte en anderen.
Als eerste stelt het hof vast dat voor zover het hof de verklaringen van [medeverdachte 2] tot bewijs zal bezigen, deze niet op zich staan maar steun vinden in andere bewijsmiddelen. Zonder uitputtend te willen zijn wijst het hof op de kwekerij te Haelen, waar de verklaring van [medeverdachte 2] steun vindt in mastgegevens. Bij de kwekerij te Sint Odiliënberg vinden de verklaringen van [medeverdachte 2] steun in de inhoud van tapgesprekken en sms-berichten. Voor wat betreft de criminele organisatie wordt naast tapgesprekken ook een verklaring van medeverdachte [betrokkene 13] gebezigd. Bij de aflevering van hennep te Roermond vindt de verklaring van [medeverdachte 2] steun in bevindingen gebaseerd op uitgevoerde observaties.
De verdediging stelt hiertegenover slechts in algemeenheden geschetste scenario’s die de verklaringen van [medeverdachte 2] in een voor verdachte ongunstige zin zouden kunnen hebben beïnvloed. Nergens wordt het echter concreet of anderszins onderbouwd. Evenmin wordt door de verdediging uit een met de uit de bewijsmiddelen blijkende gegevens rijmend alternatief scenario gegeven. Verder overweegt het hof dat [medeverdachte 2] in zijn verklaringen vanaf 25 oktober 2013 consistent heeft verklaard, voor zover deze verklaringen op onderdelen niet geheel eensluidend zijn, betreft het onderdelen van ondergeschikte aard die aan de betrouwbaarheid van diens verklaringen als geheel niet afdoen. Gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 2] vanaf 25 oktober 2013 betrouwbaar zijn en er geen grond is deze verklaringen van het bewijs uit te sluiten. Dat verdachte zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht heeft beroepen doet hieraan niet af.”
Het juridisch kader en de beoordeling van het eerste middel
18. Het verzoek van de verdediging om [medeverdachte 2] als getuige te horen kan worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 414 Sv. Door de zaak op de voet van artikel 316 in verbinding met artikel 415 Sv naar de raadsheer-commissaris te verwijzen met het bevel [medeverdachte 2] als getuige te horen, is aan het verzoek uitvoering gegeven.
19. De inhoud van het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 4 maart 2019, is voor de verdediging geen reden geweest om met toepassing van artikel 315 Sv in verbinding met artikel 328 Sv (opnieuw) de oproeping van de getuige ter terechtzitting te verzoeken. De enkele mededeling van de raadsman dat geen afstand van de getuige wordt gedaan, kan niet als een dergelijk verzoek worden aangemerkt. Nu de verdediging niet opnieuw het verzoek tot het horen van de getuige heeft gedaan, was het hof niet gehouden een beslissing te nemen als bedoeld in artikel 287 lid 3 Sv, dan wel artikel 288 lid 1 Sv.2.Voor zover het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het.
20. De Hoge Raad is in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. Reijntjes (post-Keskin), ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter, in de situatie dat zo’n verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. In dat verband heeft de Hoge Raad onder meer aandacht besteed aan de eisen die worden gesteld aan het gebruik voor het bewijs van dergelijke verklaringen en de wijze waarop de rechter dient na te gaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Daarover heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“2.12.1. De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het onder 2.2 genoemde arrest van 4 juli 2017 is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
2.12.2. Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
2.12.3. De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd.”
21. In zijn arrest van 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, NJ 2021/368 m.nt. Jörg, heeft de Hoge Raad daarnaast nog het volgende overwogen:
“2.4.2. Hierbij is nog het volgende van belang. In het door het hof aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016 heeft de Hoge Raad overwogen dat “de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid een getuige te ondervragen, niet eraan in de weg [staat] dat een door die getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel ‑ indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.” De Hoge Raad ziet mede in verband met de onder 2.4.1 bedoelde rechtspraak van het EHRM aanleiding deze rechtspraak als volgt te verduidelijken. Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie nog altijd een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te worden beschouwd (vgl. rechtsoverweging 2.12.2 van het onder 2.4.1 geciteerde arrest).”
Voor zover het middel uitgaat van de opvatting dat zich in deze zaak de situatie voordoet dat het hof gebruik heeft gemaakt van de verklaring van een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen en het hof derhalve, voordat hij einduitspraak deed, had moeten nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, mist het feitelijke grondslag. De verdediging heeft immers bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 maart 2016 de gelegenheid gehad de getuige te ondervragen, van welke mogelijkheid de verdediging ook gebruik heeft gemaakt. Daarmee heeft de verdediging in enig stadium van het geding een mogelijkheid gehad om de getuige te ondervragen, terwijl de behoorlijkheid en effectiviteit daarvan (in cassatie) niet ter discussie is gesteld. De enkele omstandigheid dat de verdediging de getuige in hoger beroep niet opnieuw heeft kunnen ondervragen, doet daaraan niet af.
23. Het eerste middel faalt.
23. Het tweede middel
24. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 04/800080-11 onder 2 ten laste gelegde feit (het opzettelijk afleveren van hennep) onvoldoende met redenen is omkleed. Het middel valt uiteen in twee deelklachten.
24. Het bestreden arrest
25. Ten laste van de verdachte heeft het hof in de zaak met parketnummer 04/800080-11 onder 2 bewezen verklaard dat:
“hij op of omstreeks 27 april 2011 in de gemeente Roermond, opzettelijk heeft afgeleverd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
26. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (p. 23-29 van de aanvulling bewijsmiddelen):
“1. Proces-verbaal van bevindingen, p. 2071 e.v., voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op woensdag 27 april 2011, te 21:05 uur, traden wij verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 7] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 1] , [verbalisant 10] , [verbalisant 11] , [verbalisant 12] en [verbalisant 13] binnen in het pand [d-straat 1] te [plaats 2] .
Op genoemde dag en datum, omstreeks 23:05 uur, bevond ik mij, [verbalisant 13] , in de tuin van genoemde woning. Ik, [verbalisant 13] , had kort daarvoor, samen met de speurhond, de garage behorende bij de woning doorzocht. Ik, [verbalisant 13] , zag vanuit de tuin van de woning dat de lengte van de garage langer was dan dat deze van binnen oogde. Ik, [verbalisant 13] , zag dat rechts naast de garage, gezien vanuit de voorzijde van de garage, er een houten gevlochten schutting aanwezig was. Ik trok vervolgens het vlechtwerk van de schutting uit elkaar en zag vervolgens dat er een buis zichtbaar werd waaruit voelbaar warme lucht werd geblazen. Ik, [verbalisant 13] , zag verder dat er elektriciteitskabels langs de rechtergevel van de garage aangebracht waren. Ik, [verbalisant 13] , zag dat de genoemde elektriciteitskabels de garage binnen gingen. Ik, [verbalisant 13] , hoorde een "zoemend" geluid vanuit de garage komen. Ik, [verbalisant 13] , had de indruk dat het zoemende geluid afkomstig was van een afzuiginstallatie in de garage.
Wij, [verbalisant 6] en [verbalisant 13] , zagen dat de achterwand van de garage bekleed was met rode stoffering. Wij, [verbalisant 13] en [verbalisant 6] , klopten vervolgens op de achterwand van de garage en hoorden een hol geluid. Wij, [verbalisant 6] en [verbalisant 13] , hadden hierdoor sterk het vermoeden dat er achter deze wand zich een verborgen ruimte bevond.
In de genoemde verborgen ruimte werd door ons, [verbalisant 1] , [verbalisant 9] , [verbalisant 11] en [verbalisant 7] , een onderzoek ingesteld.
Wij zagen dat er 3 grote zwarte sporttassen en een bigshopper met het opschrift Lidl stonden. In deze tassen en bigshopper werden gedroogde henneptoppen aangetroffen
Verder zagen wij dat links in de ruimte (gezien vanuit toegangsdeur) 8 droogbedden waren gemonteerd tegen de wand. Wij zagen dat hierop halfgedroogde henneptoppen lagen.
Wij, [verbalisant 1] , [verbalisant 9] , [verbalisant 11] en [verbalisant 7] zagen dat de ruimte was ingericht als een hennepdrogerij. Wij zagen dat de navolgende materialen werden aangetroffen, welke gebruikt werden bij het drogen van de henneptoppen:
- 1 zwenkventilator
- 1 tafelventilator
- 3 elektrische kachels
- 1 koolstoffilter
- 1 afzuiginstallatie
- 8 droogbedden
In totaal werd er 104,32 kg henneptoppen in beslag genomen.
2. Proces-verbaal van observatie, p. 1947 e.v., betreffende [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , voorzover inhoudende zakelijk weergegeven:
Op woensdag 27 april 2011 werden (hof: in het proces-verbaal is abusievelijk vermeld: 27 april 2010) de navolgende waarnemingen gedaan:
Omstreeks 13:07 uur zagen wij, 135 en 138, dat op de parkeerplaats, behorende bij [M] , gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats 1] , de ons ambtshalve bekende personenauto geparkeerd stond, merk BMW, type M3 cabriolet, voorzien van het Duitse kenteken [kenteken 1] .
Omstreeks 14:34 uur zag ik, 108, dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -1983 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [verdachte] , over de parkeerplaats van [M] liep. Ik zag dat [verdachte] vervolgens in de eerder genoemde BMW M3 stapte en als enige inzittende in dit voertuig vertrok.
Omstreeks 14:48 uur zag ik, 139, dat de BMW M3 geparkeerd stond op de [e-straat] te [plaats 1] ter hoogte van [e-straat 1] . Ik zag dat [verdachte] richting [e-straat 1] liep.
Omstreeks 14:49 uur zagen wij, 135 en 138, dat [verdachte] uit de garage kwam, behorende bij perceel [e-straat 1] . Wij zagen vervolgens dat [verdachte] diverse malen op en neer liep vanuit genoemde garage naar de doorgaande weg
Omstreeks 15:08 uur zagen wij, 135 en 138, dat 3 auto's parkeerden nabij perceel [e-straat 1] te [plaats 1] . In alle drie de auto's zat alleen de bestuurder.
Het betrof een groene Citroen, type Berlingo, voorzien van het kenteken: [kenteken 2] , de bestuurder was circa 25 jaar oud, had een Noord-Afrikaans uiterlijk, sportief tot stevig postuur, was ongeschoren en had kort geknipt donker haar. Deze man, hierna te noemen NN1, was gekleed in een licht kleurige trui en had een zwart petje op.
Een blauwe Ford Ka, voorzien van het kenteken [kenteken 3] , waarvan de bestuurder hierna te noemen NN2, niet goed gezien is geworden.
Een zwarte Audi A3, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , de bestuurder, hierna te noemen NN3, had een licht getinte huidskleur, was circa 25 a 30 jaar oud, had een volle bos krullend haar tot op de schouders en was gekleed in een wit Nike trainingsjasje, voorzien van een blauwe horizontale band over de borst.
Omstreeks 15:09 uur zagen wij, 135 en 138, dat NN2 en NN3 uit de voertuigen waren gestapt en beiden via de voordeur perceel [e-straat 1] naar binnen liepen. Wij zagen dat NN1 in de Citroen Berlingo bleef zitten en dat de garagepoort van [e-straat 1] open ging, waarna NN1 de Citroen Berlingo achteruit deze garage inreed, waarna de garagepoort weer gesloten werd.
Omstreeks 15:26 uur zagen wij, 135 en 138, dat de garagepoort van [e-straat 1] geopend werd en dat de Citroen Berlingo uit deze garage kwam. Wij zagen dat NN1 de bestuurder was en de Citroen parkeerde in de onmiddellijke nabijheid van perceel [e-straat 1] . Voorts zagen wij dat [verdachte] in de tussentijd de voordeur van perceel [e-straat 1] had geopend en dat NN1 via deze deur de woning weer naar binnen ging.
Omstreeks 15:27 uur zagen wij, 135 en 138, dat twee personenauto's, een grijze Volkswagen Polo, gekentekend [kenteken 5] en een grijze Honda Concerto, gekentekend [kenteken 6] , stopten voor perceel [e-straat 1] . De bestuurder van de Honda, hierna te noemen NN4, had een blank uiterlijk was gekleed in een zwart trainingspak, voorzien van witte strepen op de mouwen en pijpen van de broek. Deze man had een normaal tot smal postuur en had kort donker haar.
De bijrijder van de Honda, hierna te noemen NN5 had een Noord-Afrikaans uiterlijk, een sportief tot stevig postuur, zeer kort geknipt zwart haar en een baard. NN5 was gekleed in een witte trainingsjas, waarvan de bovenzijde zwart was, voorzien van een capuchon.
De bestuurder van de Volkswagen Polo, hierna te noemen NN6, was een negroïde man, zeer stevig van postuur en had kort geknipt zwart haar in de vorm van een zogenaamde hanekam.
Omstreeks 15:28 uur zagen wij, 135 en 138 dat NN5 en NN6 waren uitgestapt en dat de Honda achteruit de oprit opreed van perceel [e-straat 1] . Hierna stapte ook NN4 uit de Honda, waarna NN4 evenals NN5 en NN6 via de voordeur perceel [e-straat 1] naar binnen gingen.
Omstreeks 15:32 uur zagen wij, 135 en 138, dat NN4 uit de garage kwam van [e-straat 1] en
in de Honda Concerto stapte. Wij zagen vervolgens dat de Honda Concerto achteruit de garage
van [e-straat 1] inreed, waarna de garagepoort werd gesloten.
Omstreeks 15:44 uur zagen wij, 135 en 138, dat de poort van de garage van [e-straat 1] geopend werd. Tevens zagen wij dat NN5 richting de Volkswagen Polo liep en in dit voertuig stapte als bestuurder.
In de tussentijd reed de Honda Concerto uit de garage en werd de voordeur van perceel [e-straat 1] geopend. In deze geopende deur zagen wij [verdachte] staan samen met NN3 en NN6. Wij zagen dat NN6 afscheid nam van [verdachte] en NN3 en als bijrijder in de Volkswagen Polo stapte, waarna de Volkswagen Polo vertrok.
Kort hierna zagen wij dat ook de Honda Concerto vertrok.
Omstreeks 15:45 uur zag ik, 115, dat de Volkswagen Polo op de [e-straat] bleef staan totdat de Honda Concerto met NN4 als enige inzittende in dit voertuig, naast de Volkswagen Polo kwam staan. Ik zag dat NN4 kort contact had met NN5, waarna beide voertuigen achter elkaar vertrokken.
Omstreeks 16:15 uur zag ik, 139, dat de Honda Concerto en de Volkswagen Polo achter elkaar via de [f-straat] de [d-straat] te [plaats 2] inreden.
Omstreeks 16:20 uur zag ik, 135, dat de Honda Concerto achteruit op de oprit stond van perceel [d-straat 1] te [plaats 2] . De Honda was helemaal achter door op de oprit geplaatst en ik zag dat het linker-voorportier openstond evenals de achterklep. Voorts zag ik dat, twee, door mij niet herkenbare, mannen achter de Honda Concerto doende waren met kennelijk goederen vanuit de Honda te dragen richting de woning.
Omstreeks 16:26 uur zag ik, 115, dat de Honda Concerto, met alleen NN4 als bestuurder erin, wegreed vanaf de [d-straat] te [plaats 2] .
Omstreeks 16:50 uur zag ik, 139, dat de Honda Concerto het woonwagenkamp opreed, gelegen aan de [g-straat] te [plaats 1] .
Omstreeks 16:56 uur zag ik, 108, dat eerder genoemde Honda Concerto over de N276 reed, richting [plaats 2] . Ik zag dat enkel de bestuurder in de Honda zat en dat deze man een donker petje droeg.
Omstreeks 17:11 uur zagen wij, 115 en 135, dat de Honda Concerto de oprit van perceel [d-straat 1] te [plaats 2] opreed.
Omstreeks 19:20 uur, zag ik, 144, dat de grijze Honda Concerto, voorzien van het kenteken [kenteken 6] , vertrok vanaf de [d-straat 1] te [plaats 2] .
3. Proces-verbaal relaas, p. 1907 e.v., voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 27 april 2011 mstreeks 15.21 uur belt [verdachte] naar [betrokkene 14] . [betrokkene 14] zegt dat hij om de
hoek is. (…)
4. Proces-verbaal van bevindingen, p. 2210 , voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 17 januari 2012, omstreeks 15:50 uur, sprak ik met de brigadier van politie [verbalisant 14] in diens hoedanigheid als wijkagent woonwagenkampen van de gemeente Maasgouw.
Ik toonde [verbalisant 14] beelden, gemaakt door leden van het observatieteam, op 27 april 2011 op de [e-straat] te [plaats 1] .
Ik vroeg aan [verbalisant 14] om de beelden te bekijken en om te reageren als hij personen op de beelden zou herkennen. Ik hoorde dat [verbalisant 14] zei: "Dat is [betrokkene 14] , die herken ik voor honderd procent. Ik herken hem aan zijn baardje, aan zijn postuur en aan de manier van lopen."
Tijdens genoemd fragment is te zien dat een man naar de voordeur van het perceel [e-straat 1] loopt. Deze man heeft een flink postuur en draagt een wit trainingspak met een donkerkleurige capuchon. Tijdens dit fragment kijkt voornoemde man even over zijn schouder, waardoor de zijkant van zijn gezicht te zien is. [verbalisant 14] verklaarde tegen mij dat deze man op de beelden [betrokkene 14] betrof.
5. Proces-verbaal relaas, p. 1905 e.v., voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
26 april 2011
Op 26 april 2011 te 16.27 uur wordt vanuit het telefoontoestel 06- [telefoonnummer 1] in gebruik bij NN man een sms bericht verzonden naar het telefoontoestel in gebruik bij [verdachte] , inhoudende Mijn goede vriend [betrokkene 14] is gekomen bel mij ff. Om 16.59 uur belt [verdachte] NN man terug. [verdachte] vraagt of die jongen gegaan is en of hij zijn nummer heeft achtergelaten. [verdachte] vraagt dit nummer door de sms'en waarna het telefoonnummer [telefoonnummer 2] wordt ge-sms't.
(…)
Opmerking verbalisant: Mogelijk wordt met [betrokkene 14] de persoon bedoeld die hieronder met [betrokkene 14] wordt aangeduid. Mogelijk is dit [betrokkene 14] , geboren op [geboortedatum] 1985, wonende [g-straat 1] [plaats 1] .
Vervolgens belt [verdachte] naar dit telefoonnummer en spreekt met een man die hij [betrokkene 14] (fon) noemt. [verdachte] zegt dat [betrokkene 14] even terug moet komen naar de zaak waar hij net was. "in het Veld". [betrokkene 14] zegt er over een kwartiertje te zijn.
(…)
Vanaf 18.06 uur worden tussen de telefoontoestellen in gebruik bij [verdachte] en in gebruik bij [betrokkene 14] meerdere sms berichten over en weer verstuurd:
[verdachte] : Weetje al iets pik anders moet ik nu gaan rijden
[betrokkene 14] : Kijk als kan 780 pik
[verdachte] : Ik ga kijken hoe het daar achter zit en anders pak jij de auto maar. Is gwn kut wil niet gaan janken nu bij hem om van de prijs af te doen.. Laat je zo weten
[verdachte] : 785 is goed want ik krijg die mensen niet te pakken nu... Kost me voor niks geld nu maarja...
[betrokkene 14] : Ok laat maar weten hoe laat
[verdachte] : Ok is wel zeker he. dan schrijven we em morgen over bij postkantoor
[betrokkene 14] : Ja is goed (…)
27 april 2011
Tapgesprekken
Op 27 april 2011 vanaf 11.54 uur worden tussen de telefoontoestellen in gebruik bij [verdachte] en in gebruik bij [betrokkene 14] meerdere sms berichten over en weer verstuurd:
Schriftelijke bescheiden inhoudende weergave sms-berichten/telefoonberichten:
27-04-2011 te 11:54 uur
[betrokkene 14] : tussen 1 en 2 word het pik
27-04-2011 te 12:43 uur
[verdachte] wordt gebeld gebeld door NN man. Man zegt "is goed jongen, dan ben ik tussen 1 en 2... of ja zeg maar rond half 2 bij jou, is goed?"
27-04-2011 te 13:22 uur
SMS
[verdachte] Word iets later als 2 uur pik, ik sms je half uur ervoor
27-04-2011 te 13:22 uur
[betrokkene 14] : Is goed pik
27-04-2011 te 14:19 uur
[verdachte] : om 3 uur daar waar ik zei pik
27-04-2011 te 14:21 uur
[betrokkene 14] : heb wel wat papieren te kort maar dat regelen we iets later kon er nu even niet bij
27-04-2011 te 14:22 uur
[verdachte] : OK
(…)
7. Een los proces-verbaal opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 2] , proces-verbaalnummer PL2365-2011105816-234, inhoudende een verhoor van 25 oktober 2013 te 11:40 uur van [medeverdachte 2] en voorzover inhoudende als zijn verklaring, zakelijk weergegeven:
V: Dat brengt ons dan nu toch bij Echt.
A: Ja, echt wat ik heb gelezen zijn daar 104 kilo henneptoppen aangetroffen. Het betrof een drogerij. Zelf weet ik het niet. Met Echt heb ik helemaal niks te maken en voorheen heb ik ook nooit gehoord dat daar een drogerij was. Wat ik wel weet is dat de drogerij eigendom was van [betrokkene 14] en zijn zwager, ene [betrokkene 15] , waar ik de achternaam niet van weet.
V: Van wie heb je dat gehoord?
A: Ik weet dat [verdachte] bepaalde wiet heeft geleverd aan hun. Ik heb dat gehoord toen [verdachte] met hun daarover praatte.
V: Was jij bij die gesprekken aanwezig dan?
A: Ik was bij twee gesprekken aanwezig, maar niet bij de drogerij. Ik ken de hele drogerij niet. De mensen van de drogerij die kennen mij ook niet, en ik weet ook niet hoe de drogerij er uit ziet of waar ze precies ligt in Echt. Ik weet dat zij van [verdachte] , 80, 90 of 100 kilo natte wiet hadden gekocht. Zij hadden [verdachte] nog niet daarvoor betaald. Daarna zijn zij naar de [h-straat] gekomen bij [betrokkene 16] . Daarvan weet ik het. Daarna hebben ze een gedeelte betaald en een ander gedeelte zouden ze nog betalen.
V: Waar kwam die wiet vanaf dan?
A: Dat weet ik niet waar die wiet vanaf kwam. Hij heeft geleverd aan [betrokkene 14] en [betrokkene 15] en zij hebben toendertijd niet betaald. Ze hebben de helft eerst betaald. Het is geleverd en het is daarna eigenlijk direct opgerold. Of na een paar uurtjes. De afspraak met hen is normaal dat zij dan wat later het geld komen brengen.
V: Maar is die tweede termijn dan niet betaald?
A: Jawel, zij hebben alles betaald”
27. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“Onder feit 2 van parketnummer 04/800080-11 is door de rechtbank bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk heeft afgeleverd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit omdat niet vaststaat dat de op 27 april 2011 in een verborgen ruimte in de schuur bij het pand [d-straat 1] te [plaats 2] door de politie aangetroffen hennep afkomstig is uit de garage bij de woning van verdachte te Roermond. In het kader van dit verweer heeft de verdediging tevens aangevoerd dat de omstandigheden niet van dien aard waren dat van verdachte een aannemelijke, redengevende en ontzenuwende verklaring mocht worden verlangd, zoals de rechtbank heeft overwogen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt onder meer – zakelijk weergegeven – het navolgende.
Naar aanleiding van tapgesprekken en SMS-verkeer op 26 en 27 april 2011 ontstaat het vermoeden dat verdachte een afspraak heeft met [betrokkene 14] .
Het observatieteam ziet op 27 april 2011 verdachte uit de garage behorende bij het perceel [e-straat 1] te [plaats 1] komen en ziet dat verdachte diverse malen op en neer loopt vanuit genoemde garage naar de doorgaande weg. Op enig moment wordt gezien dat 3 auto’s parkeren nabij het perceel [e-straat 1] te [plaats 1] . In alle drie de auto’s zit alleen een bestuurder. Een van de drie auto’s wordt voor korte duur de garage ingereden. Nadat de auto weer uit de garage kwam gereden, wordt gezien dat door verdachte de voordeur van de woning aan de [e-straat 1] wordt geopend en dat de bestuurder van die auto de woning binnengaat.
Terwijl dit gaande is, belt verdachte naar [betrokkene 14] , die zegt dat hij om de hoek staat.
Vervolgens verschijnen er twee auto’s. Een van de auto’s verdwijnt voor korte tijd in de garage. Gezien wordt wederom dat verdachte de voordeur van de woning opendoet. De auto rijdt naar de [d-straat] en wordt daar uitgeladen.
Op 27 april 2011 wordt bij een doorzoeking in de garage van het pand aan de [d-straat] – naast een drogerij – tevens een hoeveelheid hennep aangetroffen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de aangetroffen drogerij van [betrokkene 14] was, dat hij de drogerij zelf niet kent maar dat hij wel twee gesprekken heeft gehoord waaruit hij heeft afgeleid dat verdachte twee keer wiet aan [betrokkene 14] heeft geleverd. Ze hadden 80, 90 of 100 kilo natte wiet van verdachte gekocht. De drogerij zou niets met verdachte te maken hebben maar verdachte had wel het grootste deel hennep geleverd.
Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte 2] omtrent de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. [medeverdachte 2] verklaring vindt steun in de tot bewijs gebezigde tapgesprekken en in het SMS-verkeer, waarbij in versluierde taal werd gecommuniceerd, in de observaties voor de woning van verdachte en tenslotte in het aantreffen van hennep in de garage aan de [d-straat] .
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de bevindingen uit de observatie bij de woning aan de [e-straat 1] , in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen, redengevend zijn voor het bewijs en dat van verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring mocht worden verlangd, welke – zo heeft het hof met de rechtbank vastgesteld – is uitgebleven.
Het andersluidende standpunt van de verdediging verworpen.”
De eerste deelklacht van het tweede middel
28. De eerste deelklacht luidt dat bewezen is verklaard dat de verdachte hennep heeft afgeleverd in de gemeente [plaats 1] , terwijl uit de bewijsmiddelen slechts kan volgen dat de hennep is afgeleverd in [plaats 2] , welke plaats valt onder de gemeente [plaats 2] . Volgens de stellers van het middel kan niet gezegd worden dat het plaatsen van hennep in een auto (te [plaats 1] ) met een bestemming om deze af te leveren te [plaats 2] , reeds afleveren als bedoeld in de Opiumwet oplevert.
28. Het juridisch kader
29. Artikel 2 onder B Opiumwet stelt – kort gezegd – het verkopen, afleveren en verstrekken van een middel van lijst II (hennepproducten) strafbaar. Met de begrippen ‘verkopen’, ‘afleveren’ en ‘verstrekken’ worden de handelsactiviteiten strafbaar gesteld die niet vallen onder wetenschappelijke of geneeskundige activiteiten.3.De betekenis van deze begrippen moet in de spraakgebruikelijke zin worden verstaan.4.De Van Dale omschrijft ‘afleveren’ als: met betrekking tot zaken die iemand in zijn bezit heeft of die aan hem zijn toevertrouwd aan een ander overgeven en met betrekking tot verkochte waren of besteld naar de koper brengen of aan hem afgeven. De Hoge Raad overwoog reeds in een arrest uit 1929 ten aanzien van de term ‘afleveren’ dat onder ‘afleveren’ in de zin van de Opiumwet niet slechts wordt verstaan ‘het overgeven van een zaak aan een ander krachtens een daartoe dwingende verplichting’. Volgens de Hoge Raad komt aan het woord ‘afleveren’ een ruimere betekenis toe, namelijk “het brengen eener zaak in de macht van een ander, in of buiten verband met eenigen daartoe verplichtenden titel”.5.Uit HR 12 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC2714, NJ 1987/512, kan worden afgeleid dat er geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen ‘afleveren’ en ‘verstrekken’, waaronder volgens de Hoge Raad wordt verstaan ‘elk feitelijk ter beschikking stellen’.
De beoordeling van de eerste deelklacht
30. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte op 27 april 2011 in de garage bij het perceel/in de woning gelegen aan de [e-straat 1] te [plaats 1] hennep heeft afgeleverd aan [betrokkene 14] door de hennep op dat moment feitelijk ter beschikking te stellen aan [betrokkene 14] dan wel aan de persoon die de hennep namens hem in ontvangst heeft genomen. Dat de hennep vervolgens door [betrokkene 14] dan wel degene die de hennep in ontvangst heeft genomen is vervoerd naar de hennepdrogerij in [plaats 2] , doet daaraan niet af. De eerste deelklacht is evident kansloos.
De tweede deelklacht van het tweede middel
31. De tweede deelklacht luidt dat het hof ten onrechte (een deel van) de verklaring van getuige [medeverdachte 2] voor het bewijs heeft gebruikt, nu deze verklaring een gissing dan wel veronderstelling van de van de getuige bevat.
32. Ter toelichting wijzen de stellers van het middel op de volgende passage uit de bewijsoverwegingen van het hof:
“ [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de aangetroffen drogerij van [betrokkene 14] was, dat hij de drogerij zelf niet kent maar dat hij wel twee gesprekken heeft gehoord waaruit hij heeft afgeleid dat verdachte twee keer wiet aan [betrokkene 14] heeft geleverd.”
33. Uit de bewijsmiddelen (bewijsmiddel 7) kan worden afgeleid dat de getuige heeft verklaard dat hij weet dat de verdachte hennep heeft geleverd aan hen ( [betrokkene 14] en zijn zwager). Hij heeft dit gehoord toen de verdachte met hen daarover praatte. De getuige was bij twee gesprekken aanwezig. Het betreft hier derhalve een eigen waarneming van de getuige en geen gissing of een veronderstelling. Het hof kon de verklaring van de getuige dan ook voor het bewijs gebruiken. De tweede deelklacht faalt eveneens.
34. Het tweede middel faalt.
34. Het derde middel
35. Het derde middel keert zich tegen de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 04/800080-11 onder 3 ten laste gelegde feit (deelneming aan een criminele organisatie). In het bijzonder keert het middel zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een duurzaam karakter op de grond dat de organisatie zich langere tijd, in ieder geval van 19 april 2011 tot 20 juli 2011 met Opiumwetdelicten heeft beziggehouden. Nu het gaat om een periode van slechts drie maanden (dus ongeveer één kweekcyclus van tien weken) is dit oordeel volgens de stellers van het middel onjuist, althans onbegrijpelijk.
35. Het bestreden arrest
36. Ten laste van de verdachte heeft het hof in de zaak met parketnummer 04/800080-11 onder 3 bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 13 augustus 2010 tot en met 8 november 2011 in de gemeente [plaats 1] en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [medeverdachte 2] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11, derde en vijfde lid, namelijk het meermalen telkens bewerken, telen, verwerken en afleveren van een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
37. De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgesomd in de aanvulling op het bestreden arrest (p. 36-44). Gelet op de omvang van de aanvulling volsta ik hier met een verwijzing daarnaar.
38. Het hof heeft in het bestreden arrest daarnaast het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“Onder feit 3 van parketnummer 04/800080-11 is aan verdachte ten laste gelegd artikel 11a (oud) Opiumwet in welke wetsartikel het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid Opiumwet is strafbaar gesteld.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat dit feit ziet op de onder feit 1 ten laste gelegde hennepkwekerijen, te Horn, Haelen, Sint Odiliënberg en Roermond en niet ook op de onder feit 5 ten laste gelegde kwekerij te Maasbree. Nu het hof verdachte van zijn betrokkenheid ten aanzien van de kwekerijen te Horn en Roermond heeft vrijgesproken worden deze bij de beoordeling van dit feit niet betrokken.
Daarnaast merkt het hof op dat onder dit feit tevens dient te worden begrepen de – kort gezegd – levering van hennep als onder feit 2 is ten laste gelegd.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor zover er al sprake is van een samenwerkingsverband tussen verdachte en anderen, deze niet een duurzaam, gestructureerd en bestendig karakter heeft gehad als vereist in artikel 11a (oud) Opiumwet en dat verdachte op die grond moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 11a Opiumwet (oud), een zekere duurzaamheid en structuur vereist tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt onder meer, zakelijk weergegeven, het navolgende.
[medeverdachte 2] heeft over de criminele organisatie onder meer verklaard dat verdachte alles aanstuurde en dat de activiteiten bestonden uit het telen van hennep. In de kweekprocedures had verdachte [betrokkene 17] nodig. [medeverdachte 2] zelf faciliteerde verdachte. Hij bemiddelde ook in de panden voor de hennepteelt. [medeverdachte 3] was niet betrokken bij de hennepteelt maar wel bij het wegzetten van het geld. Iedereen had zijn taak en kende zijn taak, daarom hoefde er maar weinig gecommuniceerd te worden. Ook [betrokkene 13] heeft verklaard dat [verdachte] de leider was en opdrachten aan [medeverdachte 2] gaf. Ook heeft zij verklaard dat de naam van verdachte niet bij de politie mocht worden genoemd en dat verdachte de boete van de energieleverancier (het hof begrijpt: de boete vanwege de diefstal van stroom die plaatsvond bij de hennepkwekerij te Haelen) heeft betaald.
Uit de zich in het dossier bevindende tapgesprekken blijkt van een hiërarchie. Verdachte stuurde alles aan. [medeverdachte 2] koppelde de ontwikkelingen met betrekking tot de hennepkwekerijen terug aan verdachte. Verdachte gaf aanwijzingen of opdrachten aan [medeverdachte 2] . Met name tijdens de vakantie van verdachte in Turkije werd er door [medeverdachte 2] regelmatig telefonisch contact gezocht met verdachte en werd hij op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen met betrekking tot de kwekerij in Sint Odiliënberg. In tapgesprekken werd daarnaast veelvuldig gebruik gemaakt van versluierde en gecodeerde taal. In gesprekken werd onder meer gesproken over velgen, auto’s en aankoopbedragen van auto’s. Uit de tapgesprekken bleek duidelijk dat hiermee kilo’s hennep, hennepkwekerijen, henneppanden en bedragen voor kilo’s hennep dan wel bedragen voor huur van panden werd bedoeld. Kennelijk werd op deze wijze gepoogd te voorkomen dat de politie bij het afluisteren van de gesprekken te weten zouden komen waarover deze gesprekken gingen.
Verder volgt uit de tapgesprekken dat [medeverdachte 2] binnen de organisatie de persoon was die vermoedelijk zorg droeg voor het regelen van de panden.
Het hof heeft geen reden te twijfelen aan [medeverdachte 2] verklaring omtrent het bestaan van een criminele organisatie met betrekking tot de hennepteelt. Zijn verklaring vindt bevestiging in de verklaring van [betrokkene 13] , de grote hoeveelheid tapgesprekken, waarbij gebruik werd gemaakt van versluierd en gecodeerde taal en waaruit ook van een zekere hiërarchie en taakverdeling blijkt.
De organisatie heeft zich gedurende een langere tijd – in ieder geval van 19 april 2011 tot 20 juli 2011 – met Opiumwetdelicten beziggehouden.
Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het samenwerkingsverband een duurzaam, gestructureerd en bestendig karakter had waardoor sprake was van een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet.
Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.”
Het juridisch kader
39. Bij de bespreking van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Artikel 11a (oud) Opiumwet is een species van artikel 140 Sr.6.Dat betekent dat voor de betekenis van de bestanddelen van artikel 11a (oud) Opiumwet aansluiting kan worden gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 140 Sr.
40. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een veroordeling ter zake van artikel 140 Sr vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband dat zich kenmerkt door een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.7.Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, is niet vereist dat komt vast te staan dat een persoon heeft samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.8.Daarnaast is het niet noodzakelijk dat de deelnemer op de hoogte is van de concrete strafbare feiten die door de organisatie worden gepleegd; het is voldoende dat vaststaat dat hij algemene wetenschap had dat het oogmerk van de organisatie het plegen van misdrijven is.9.Als de deelnemer in de context van de organisatie zelf misdrijven pleegt, wordt aan dat opzetvereiste doorgaans voldaan.10.
41. Met het vereiste van duurzaamheid wordt bedoeld een onderscheid te maken tussen een samenwerkingsverband voor enige tijd en een incidentele samenwerking, zonder dat daarmee een minimale tijdsperiode wordt bedoeld.11.Ook mijn ambtgenoot Keulen merkt in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1278) voorafgaand aan HR 24 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1278 (art. 81 lid 1 RO), op dat reeds uit de formulering door de Hoge Raad (‘een zekere’ duurzaamheid) volgt dat aan de duur(zaamheid) van het samenwerkingsverband niet al te hoge eisen moeten worden gesteld. Dit leidt hij ook af uit enkele arresten van de Hoge Raad en de daaraan voorafgaande conclusies, waaronder HR 16 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1248, NJ 1991/442 m.nt. Corstens (Mariënburcht).
De beoordeling van het derde middel
42. Uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte gedurende een zekere periode, in ieder geval van 19 april 2011 tot 20 juli 2011, deel heeft uitgemaakt van een organisatie die zich bezighield met hennepteelt. De organisatie exploiteerde verschillende hennepkwekerijen en hield zich daarnaast bezig met de handel in hennep. Het ging derhalve niet om een incidentele samenwerking maar om een samenwerkingsverband van enige tijd. Daarnaast heeft het hof vaststellingen gedaan waaruit kan worden afgeleid dat sprake was van een structuur binnen de organisatie. Volgens de vaststellingen van het hof stuurde de verdachte de organisatie aan en hadden ook de overige deelnemers ieder een eigen taak. [medeverdachte 2] faciliteerde de verdachte en bemiddelde in de panden voor de hennepteelt, [betrokkene 17] was betrokken bij de kweekprocedures en [medeverdachte 3] was betrokken bij het wegzetten van het geld. Tevens heeft het hof vastgesteld dat ieder zijn taak kende zodat weinig gecommuniceerd hoefde te worden. Het oordeel van het hof dat de verdachte heeft deelgenomen aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
43. Het derde middel faalt.
43. Het vierde middel
44. Het vierde middel klaagt, in het licht van een door de verdediging gevoerd verweer, over het in de zaak met parketnummer 04/850427-12 onder 4 en 6 bewezen verklaarde medeplegen (van diefstal van elektriciteit).
44. Het bestreden arrest
45. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 04/850427-12 onder 4 en 6 bewezen verklaard dat:
“4. hij in de periode van 18 mei 2011 tot en met 20 juli 2011 te Sint Odiliënberg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), toebehorende aan Enexis B.V.;
6. hij de periode van 5 maart 2010 tot en met 13 augustus 2010 te Maasbree, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom) toebehorende aan Enexis B.V.”
46. De bewezenverklaringen van de feiten 2 en 6 steunen op de bewijsmiddelen die zijn opgesomd in de aanvulling op het bestreden arrest (feit 2: p. 9-22 en feit 6: p. 30-36). Gelet op de omvang van de aanvulling volsta ik hier met een verwijzing daarnaar.
47. Het hof heeft in het bestreden arrest daarnaast het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“Feiten 2, 4 en 512.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de diefstal van stroom ten behoeve van de hennepkwekerijen te Haelen, Sint Odiliënberg en te Maasbree (pleitnota p. 42 e.v.) nu verdachte of niet bij die kwekerij betrokken is geweest (kwekerij te Haelen) dan wel geen wetenschap heeft gehad van de diefstal van stroom (kwekerijen te Sint Odiliënberg en Maasbree).
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt onder meer – zakelijk weergegeven – het navolgende.
Ten aanzien van de kwekerijen te Haelen, St. Odiliënberg en Maasbree is vastgesteld dat elektriciteit illegaal is weggenomen.
Het hof stelt voorop dat niet vastgesteld kan worden dat het verdachte zelf is geweest die handelingen heeft verricht waardoor de elektriciteit werd weggenomen. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte desalniettemin als medepleger van de diefstal van die elektriciteit kan worden aangemerkt.
Het hof stelt bij de beantwoording van die vraag voorop dat voor het bewijs van het plegen of het medeplegen van diefstal van elektriciteit bij hennepteelt niet zonder meer voldoende is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte betrokken is geweest bij hennepteelt (vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6922, HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:508 en HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3218). Als sprake is van medeplegen, behoeft niet bewezen te worden dat de verdachte zelf een wegnemingshandeling heeft verricht. Wel is nodig dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking met degene die dat wel heeft verricht. Vereist is dan dat de verdachte wist dat de hennepkwekerij op illegale stroom draaide en dat de verdachte een bijdrage aan de hennepteelt heeft geleverd die van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken.
Het hof stelt voorop dat indien bewezen kan worden dat de verdachte bij het telen van de hennep zo nauw met de andere betrokkenen heeft samengewerkt dat van het medeplegen van telen kan worden gesproken en tevens blijkt dat de verdachte weet had van de illegale stroomvoorziening, daaruit in de regel afgeleid kan worden dat de diefstal van de elektriciteit onderdeel vormde van de nauwe samenwerking en dat de verdachte die diefstal derhalve heeft medegepleegd.
Het hof heeft ten aanzien van de hennepkwekerijen te Haelen, St. Odiliënberg [en] Maasbree geoordeeld dat verdachte bij de hennepteelt zo nauw met anderen heeft samengewerkt dat van medeplegen sprake is. Tevens is bewezen dat verdachte deelnemer was van een criminele organisatie die zich bezighield met opiumwetdelicten.
Uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen volgt dat er bij de opiumwetdelicten sprake was vaan een zekere taakverdeling. Deze taakverdeling kwam ongeveer erop neer dat verdachte iedereen aanstuurde en alles financierde. Verdachte was de hoofdman. Anderen hielpen verdachte. Zo regelde [medeverdachte 2] de panden waarin de kwekerijen werden gevestigd en nam hij verdachte waar bij diens afwezigheid. Daarnaast waren er anderen die de kwekerijen opbouwden en de stroomvoorziening verzorgden en bewaakten. (…) Ten aanzien van de kwekerij te Maasbree heeft de getuige [betrokkene 15] niet alleen verklaard dat verdachte de grote baas was, maar ook dat deze hem iedere keer geld voor de huur maar ook voor de Essent (hof: elektriciteitsleverancier). Verdachte betaalde alles.
Gelet op de rol die verdachte vervulde als medepleger bij de hennepteelt en als deelnemer in de criminele organisatie – te weten als de grote man die alles aanstuurde en regelde – kan het niet anders zijn dan dat hij wetenschap had van de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de kwekerijen. Dat is expliciet gebleken ten aanzien van de hennepkwekerij te Haelen en het ligt voor de hand dat dit – gelet op de rol die verdachte telkens vervulde – ook gold voor de andere kwekerijen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de diefstal van de elektriciteit onderdeel vormde van de nauwe samenwerking en dat de verdachte die diefstal derhalve heeft medegepleegd.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.”
Een nadere omschrijving van het middel
48. In de toelichting betogen de stellers van het middel dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de kwekerijen te Sint Odiliënberg en Maasbree heeft bepleit dat de verdachte niet op de hoogte was van de diefstal van elektriciteit en ook geen substantiële bijdrage heeft geleverd aan die diefstal. Tevens hebben de stellers van het middel betoogd dat uit de bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de diefstal van stroom. De omstandigheid dat de verdachte iedereen aanstuurde en alles financierde is daartoe onvoldoende, aldus de stellers van het middel.
48. Het juridisch kader
49. In cassatie staat niet ter discussie dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte als medepleger van de hennepteelt kan worden aangemerkt. Voor het bewijs van het plegen of medeplegen van diefstal van elektriciteit ten behoeve van een hennepkwekerij is onvoldoende dat uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte betrokken is geweest bij de hennepteelt.13.Ook de omstandigheid dat de hennepkwekerij zich bevindt in de woning van de verdachte of in een door de verdachte gehuurde ruimte, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal van elektriciteit te komen.14.
50. In het geval van medeplegen hoeft niet bewezen te worden dat de verdachte zelf een wegnemingshandeling heeft verricht als hiervoor bedoeld, maar wel is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met degene die de wegnemingshandeling heeft verricht. Mijn voormalige ambtgenoot Knigge merkt in zijn conclusie voorafgaand aan HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390, op dat indien bewezen kan worden dat de verdachte bij het telen van de hennep zo nauw met de andere betrokkenen heeft samengewerkt dat van het medeplegen van telen kan worden gesproken en tevens blijkt dat de verdachte weet had van de illegale stroomvoorziening, daaruit in de regel kan worden afgeleid dat de diefstal van de elektriciteit onderdeel vormde van de nauwe samenwerking en dat de verdachte die diefstal derhalve heeft medegepleegd.15.
De beoordeling van het vierde middel
51. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerijen buiten de elektriciteitsmeter om werd afgetapt. Tevens kan uit de bewijsvoering worden afgeleid dat de verdachte de eigenaar was van de kwekerijen, de kwekerijen financierde en iedereen aanstuurde. In dat verband zijn de gesprekken tussen [medeverdachte 2] en de verdachte, die als bewijsmiddel 6 zijn opgenomen, illustratief. Op het moment dat er problemen ontstonden bij de kwekerij te Sint Odiliënberg, bepaalde de verdachte wat er moest gebeuren. Hij gaf daartoe instructies aan [medeverdachte 2] die deze vervolgens moest uitvoeren. Ten aanzien van de hennepkwekerij die is aangetroffen in het pand aan de [i-straat 1] te Maasbree blijkt bovendien uit de bewijsmiddelen dat de getuige [betrokkene 18] heeft verklaard dat zij de verdachte bij de kwekerij heeft gezien en dat de verdachte erbij was toen deze werd aangelegd (bewijsmiddel 7). Het hof heeft mijns inziens uit de bewijsmiddelen dan ook niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte moet hebben geweten dat de elektriciteit ten behoeve van de kwekerijen illegaal werd afgetapt. Het oordeel van het hof dat de diefstal van de elektriciteit onderdeel vormde van de nauwe samenwerking en dat de verdachte die diefstal derhalve heeft medegepleegd, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
52. Het vierde middel faalt.
52. Het vijfde middel
53. Het vijfde middel klaagt, in het licht van een door de verdediging gevoerd verweer, over het in de zaak met parketnummer 04/850427-12 onder 12 bewezen verklaarde feit (het voorhanden hebben van een zogenaamde jammer).
53. Het bestreden arrest
54. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 04/850427-12 onder 12 bewezen verklaard dat:
“hij op 8 november 2011 in de gemeente Roermond met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in art. 161sexies lid 1 van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een technisch hulpmiddel, te weten een zwart draagbaar radiozendapparaat, als bedoeld in art. 1.1 onder kk van de Telecommunicatiewet (zogenaamde jammer voor de mobiele communicatie) welke niet was voorzien van enig merk, type en/of serienummer, dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, voorhanden heeft gehad.”
55. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (p. 70-71 van de aanvulling bewijsmiddelen):
“1. Proces-verbaal van relaas, p. 5656 e.v., voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 8 november 2011 werd tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] , [e-straat 1] in [plaats 1] een zogenaamde jammer aangetroffen. Deze jammer werd in beslag genomen. Met dit technisch hulpmiddel is het mogelijk om enig werk voor telecommunicatie onbruikbaar te maken dan wel ernstig te verstoren.
2. Schriftelijk bescheid, p. 5659 e.v., zijnde een rapport bevindingen technisch onderzoek van het Agentschap Telecom, Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 8 november 2011 werd (...).een radioapparaat inbeslaggenomen:
gegevens verdachte
Achternaam [verdachte]
Voornamen (voluit) [verdachte]
Geboortedatum [geboortedatum] 1983
Geboorteplaats. [geboorteplaats]
Adres: [e-straat 1]
Postcode [postcode]
Het betreft hier:
Een zwart draagbaar radiozendapparaat, als bedoeld in artikel 1.1 onder kk van de Tw (zogenaamde jammer voor de mobiele communicatie) welke niet was voorzien van enig merk, type en/of serienummer. Het genoemde apparaat is niet voorzien CE-markering of enig ander keurmerk.
Ik zag dat bij het inschakelen van het onderzochte apparaat stoorsignalen werden uitgezonden op de 900 Megahertz GSM-band, de 1500 MHz GPS-band, de 1800 Megahertz GSM2-band en de 2100 Megahertz UMTS band.
Het aanleggen, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben of gebruik van radiozendapparaten is slechts toegestaan indien voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten op grond van artikel 3.3, eerste lid van de Telecommunicatie wet een vergunning is verleend voor het gebruik van frequentieruimte, dan wel vrijstelling is verleend in gevolge artikel 10.9, tweede lid van dezelfde wet.
Controle:
Na raadpleging van het vergunningenbestand bij Agentschap Telecom stelde ik vast dat er aan verdachte voornoemd niet de, krachtens de Tw, vereiste vergunning is verleend voor het gebruik van voornoemde frequentieruimten. De vrijstelling in gevolge artikel 10.9, tweede lid en het bepaalde in artikel 10.10, eerste lid, van de Tw is niet van toepassing.
3. Proces-verbaal van verhoor, p. 5662 e.v., voorzover inhoudende als verklaring van verdachte zakelijk weergegeven:
V: Er is tevens een jammer bij jouw thuis in beslag genomen. Weet je wat een jammer is?
A: Ja.
V: Dit in beslag genomen apparaat verstoort het radioverkeer. Waarom heb jij dit radioapparaat in je bezit?
A: Je kan dat ding gewoon aanzetten. Ik heb dat ding al drie of vier jaar,
V: Heb jij een vergunning voor dit radioapparaat?
A: Nee.”
56. Het hof heeft in het bestreden arrest daarnaast het volgende overwogen:
“Onder feit 12 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij een zogenaamde jammer voorhanden
heeft gehad.
De verdediging heeft betoogd dat verdachte weliswaar heeft verklaard te weten wat een jammer is maar tegelijkertijd de in zijn woning aangetroffen jammer niet als zodanig heeft herkend. Volgens de verdediging ontbreekt het opzet op het voorhanden hebben van een jammer alsmede het oogmerk om daarmee een van de handelingen te verrichten als opgenomen in het eerste lid van artikel 161sexies Sr (oud). Hieruit volgt dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt onder meer – zakelijk weergegeven – het navolgende.
Op 8 november 2011 is in de woning van verdachte een jammer aangetroffen. Het gebruik en bezit ervan is aan vergunning gebonden en verdachte heeft deze vergunning niet. Een jammer is een technisch hulpmiddel waarmee het mogelijk is om enig werk voor telecommunicatie onbruikbaar te maken dan wel ernstig te verstoren.
Verdachte heeft verklaard het aangetroffen voorwerp al zo’n drie tot vier jaar in zijn woning te hebben. Hij heeft voorts verklaard dat hij niet wist dat het een jammer was. Ook heeft hij verklaard wel te weten wat een jammer is.
Met de rechtbank hecht het hof geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij jarenlang een jammer in huis heeft gehad zonder te weten dat het een jammer betrof. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte wist dat hij de jammer voorhanden had en dat – gelet op het voornaamste gebruik van jammers te weten het onbruikbaar maken dan wel verstoren van telecommunicatie – daarmee het oogmerk is gegeven als bedoeld in artikel 161sexies van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof betrekt bij dit oordeel dat het een algemene ervaringsregel is dat een jammer zoals in de woning van verdachte aangetroffen door criminelen wordt gebruikt om telecommunicatie onbruikbaar te maken dan wel ernstig te verstoren. Verdachte heeft geen alternatief gebruik voor die jammer aangegeven.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.”
Een nadere omschrijving van het middel
57. In de toelichting betogen de stellers van het middel dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep onder meer heeft aangevoerd dat bij de verdachte het oogmerk ontbrak om met de jammer het telecommunicatienetwerk te verstoren. Nu uit het enkele voorhanden hebben van een jammer niet reeds (ook) het oogmerk volgt dat de verdachte de jammer voorhanden heeft gehad om deze te gebruiken ter verstoring van het telecommunicatienetwerk en het oogmerk ook niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, is de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
57. Het juridisch kader
58. Artikel 161sexies (oud) Sr luidt, voor zover hier relevant:
“1. Hij die opzettelijk enig geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft: (…)
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft hij die, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in het eerste lid wordt gepleegd:
a. een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, vervaardigt, verkoopt, verwerft, invoert, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft, of (…)”
59. Het tweede lid van artikel 161sexies (inmiddels: oud) Sr werd bij de tweede nota van wijziging in het voorstel tot – kort gezegd – de Wet computercriminaliteit II16.ingevoegd. Hierbij werd ook de voorbereiding van de in lid 1 genoemde strafbare feiten in het voorstel tot artikel 161sexies Sr opgenomen. Door ook voorbereidingshandelingen strafbaar te stellen, werd uitvoering gegeven aan de in artikel 6 lid 1 van het Cybercrimeverdrag17.neergelegde verplichting om – kort gezegd – “misbruik van technische hulpmiddelen strafbaar te stellen”.18.
60. De toelichting op de tweede nota van wijziging houdt onder meer het volgende in:
“De verdragspartijen moeten strafbaar stellen het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen, verkopen, verwerven, invoeren, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen of voorhanden hebben van (i) een technisch hulpmiddel (daaronder begrepen een computerprogramma) dat hoofdzakelijk ontworpen is c.q. hoofdzakelijk geschikt gemaakt is tot het plegen van een van de strafbare feiten van de artikelen 2 t/m 5 van het Verdrag of van (ii) een computerwachtwoord, toegangscode of soortgelijk gegeven waardoor een computersysteem of deel daarvan kan worden binnengedrongen. Voor het element «hoofdzakelijk» verwijs ik naar de memorie van toelichting bij het voorstel voor de goedkeuringswet van het Verdrag (Kamerstukken II 2004/05, ..). Eis voor strafbaarheid is volgens artikel 6, dat een en ander plaatsvindt «met de bedoeling» dat het desbetreffende object of gegeven wordt gebruikt met het doel om een strafbaar feit te plegen als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5 van het Verdrag.
(…)
Het tweede lid van artikel 6 Verdrag bepaalt uitdrukkelijk dat artikel 6 niet zodanig mag worden geïnterpreteerd dat strafbaar moet worden gesteld het gedrag waarbij niet de bedoeling voorzit om een strafbaar feit te plegen. Dit is naar Nederlands recht afgedekt door in de delictsbepaling het «oogmerk» op te nemen. Indien iemand een technisch hulpmiddel voorhanden heeft dat hoofdzakelijk ontworpen is tot het plegen van computervredebreuk (138a Sr) maar hij dit hulpmiddel alleen gebruikt om de beveiliging van z’n eigen computer te testen, heeft hij niet het oogmerk om het misdrijf computervredebreuk te plegen. Hij valt dan dus niet in de termen van de strafbepaling.”
61. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het bestanddeel ‘oogmerk’ in artikel 161sexies lid 2 (oud) Sr is opgenomen om daarmee tot uitdrukking te brengen dat slechts het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel strafbaar is indien degene die dit voorwerp voorhanden heeft ook de bedoeling heeft om met dit technisch hulpmiddel een strafbaar feit te plegen als bedoeld in artikel 161sexies lid 1 (oud) Sr. Gedrag waarbij niet de bedoeling voorzit om een strafbaar feit te plegen, valt niet onder de reikwijdte van deze bepaling.
61. De beoordeling van het vijfde middel
62. Het hof heeft vastgesteld dat in de woning van de verdachte een jammer is aangetroffen alsmede dat de verdachte geen vergunning had voor het gebruik en bezit van deze jammer. Het hof heeft tevens geoordeeld dat de verdachte wist dat hij een jammer voorhanden had. Dit oordeel staat in cassatie niet ter discussie.
63. Ten aanzien van het oogmerk heeft het hof overwogen dat het voornaamste gebruik van een jammer het onbruikbaar maken van telecommunicatievoorzieningen dan wel het verstoren van telecommunicatie is,19.dat het een algemene ervaringsregel is dat een jammer zoals in de woning van de verdachte aangetroffen door criminelen wordt gebruikt om telecommunicatievoorzieningen onbruikbaar te maken dan wel de telecommunicatie ernstig te verstoren en dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven over alternatief gebruik van die jammer door hem. Het hierin besloten liggende oordeel van het hof dat de verdachte de jammer voorhanden had met (uitsluitend) de bedoeling om telecommunicatievoorzieningen onbruikbaar te maken dan wel de telecommunicatie ernstig te verstoren acht ik niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
64. Het vijfde middel faalt.
64. Het zesde middel
65. Het zesde middel klaagt dat het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de (totale) duur van de gijzeling ten onrechte op meer dan 360 dagen heeft bepaald.
66. Het hof heeft in het bestreden arrest de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de staat ten behoeve van de in het arrest genoemde benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en Aegon Schadeverzekeringen de in het arrest genoemde bedragen van respectievelijk € 1.700,-, € 5.088,37, € 8.200,38, € 5.000,-, € 24.778,80, € 2.768,11 en € 8.410,11 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 27, 60, 76, 60, 158, 37 en 77 dagen gijzeling.
67. Het hof heeft vervolgens op 17 september 2020 een herstelarrest gewezen waarbij het hof een kennelijke misslag in het dictum heeft hersteld. Het herstelarrest houdt onder meer het volgende in:
“Overweging betreffende het herstel van een verschrijving
Het hof heeft na het wijzen van bovengenoemd arrest geconstateerd dat het dictum een kennelijke misslag bevat.
Per 1 januari 2020 is de Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stb. 2017, 82) in werking getreden. Op grond van het thans geldende artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast. Bij het bepalen van de duur wordt voor elke volle € 25,- van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste één jaar.
In het dictum van het arrest beloopt de totale duur van de gijzeling echter meer dan één jaar. Het hof herstelt deze kennelijke misslag in dit herstelarrest, door de maximaal toegestane duur van de gijzeling, te weten één jaar, zijnde 365 dagen, naar rato te verdelen over de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof hierna het verbeterde dictum in zijn geheel opnieuw opnemen.
BESLISSING
Het hof herstelt de uitspraak in zijn arrest van 17 september 2020 onder voormeld parketnummer, in die zin dat het dictum komt te luiden:
Het hof:
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
(…)
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 11 (elf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
(…)
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die
gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het
slachtoffer niet op.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
(…)
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
(…)
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
(…)
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 162 (honderdtweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
(…)
Vordering van de benadeelde partij Aegon schadeverzekeringen
(…)
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.”
Het juridisch kader
68. Bij de inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020 is in artikel 36f lid 5 Sr de vervangende hechtenis vervangen door het dwangmiddel gijzeling. Gelet op die bepaling beloopt de duur waarvoor met toepassing van artikel 6:4:20 Sv bij niet-betaling van de schadevergoedingsmaatregel gijzeling kan worden aangewend ten hoogste één jaar. Ingevolge artikel 60a Sr kan ook in het geval van samenloop van misdrijven als bedoeld in artikel 57 en 58 Sr de duur van de gijzelingen gezamenlijk worden vastgesteld op ten hoogste één jaar.20.De vraag die voorligt is of het hof bij het bepalen van de (maximale) duur van de gijzelingen van één jaar in totaal, al dan niet terecht de (reguliere) duur van een kalenderjaar (365 dagen)21.tot uitgangspunt heeft genomen.
69. Bij inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020 is ook artikel 88 Sr gewijzigd. Artikel 88 Sr luidde vanaf 1 januari 2020 (onderstreping mijnerzijds):
“Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”
70. Als gevolg van deze wijziging bevatte het Wetboek van Strafrecht met ingang van 1 januari 2020, anders dan voorheen, een nadere omschrijving van het begrip ‘jaar’. De periode van ‘een jaar’ behelsde in dat wetboek niet langer naar goed gebruik22.een kalenderjaar van 365 dagen, maar een jaar van twaalf maanden van elk dertig dagen (= 360 dagen). Dit gevolg werd door de wetgever echter (op dat moment) onwenselijk geacht omdat het Wetboek van Strafvordering nog niet was gewijzigd.23.Uit het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering vloeiden hierdoor uiteenlopende connotaties van het begrip ‘jaar’ voort.24.
71. In artikel I, onder G, Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen25.is deze wijziging ongedaan gemaakt. Met ingang van 25 juli 2020 luidt artikel 88 Sr weer zoals vóór 1 januari 2020:
“Onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”
72. Dit heeft tot gevolg dat vanaf 25 juli 2020 in het Wetboek van Strafrecht een jaar weer een kalenderjaar van 365 dagen is.
73. Mijn voormalige ambtgenoot Bleichrodt is in zijn conclusie voorafgaand aan HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, nader ingegaan op de betekenis van de onder randnummer 69 genoemde wetswijziging (en het terugdraaien daarvan). Bleichrodt merkt in zijn conclusie het volgende op (met weglating van voetnoten):
“22. Ingevolge art. 1, tweede lid, Sr worden bij veranderingen in wetgeving die in werking treden na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast. Dit voorschrift beperkt zich tot lopende vervolgingen. Ook als een verandering van wetgeving in werking treedt nadat de in cassatie bestreden beslissing werd gewezen, kan ten aanzien van die verandering in cassatie nog met vrucht een beroep op art. 1, tweede lid, Sr worden gedaan. De Hoge Raad zal in voorkomende gevallen de gevolgen van een wetswijziging die na de bestreden uitspraak in werking is getreden ambtshalve verdisconteren in de sanctionering.
23. Voor regels van sanctierecht geldt een ander regime dan voor andere veranderingen in bijvoorbeeld een delictsomschrijving. Daaraan hebben internationale ontwikkelingen ten aanzien van de uitleg van het legaliteitsbeginsel, zoals dat is vervat in onder meer art. 7 EVRM, art. 15, eerste lid, IVBPR en art. 49, eerste lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, ten grondslag gelegen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor regels van sanctierecht geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt. Daarbij hoeft dus geen toetsing plaats te vinden aan de maatstaf of sprake is van een gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten, zoals bij andersoortige wijzigingen. Eventuele bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen art. 7 EVRM, art. 15, eerste lid, IVBPR en – voor zover van toepassing – art. 49, eerste lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
24. De hier bedoelde sanctieregels waarvoor de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de wetgever niet geldt, kunnen zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels ten aanzien van de sanctieoplegging betreffen. Daarvan is geen sprake indien de veranderde regeling louter betrekking heeft op de executie van een eerder opgelegde sanctie en als zodanig geen wijziging brengt in de aard en maximale duur van die sanctie, of wanneer de wetswijziging in algemene zin naast strafrechtelijke afdoening óók een bestuursrechtelijke afdoening mogelijk maakt. Ook veranderingen die de voorwaarden voor het opleggen van bepaalde sancties in algemene zin beperken of verruimen, en/of die niet rechtstreeks betrekking hebben op de sanctieoplegging maar in de zaak van de verdachte wel bepalend zijn voor de aard en/of maximale duur van de op te leggen sanctie, kunnen worden aangemerkt als sanctieregels in de hier bedoelde zin.
25. In de zaak Scoppola tegen Italië waren regels van sanctierecht na het begaan van het feit ten gunste van verdachten gewijzigd. Die wijziging was echter in de loop van de procedure teruggedraaid, waarna de nationale rechter de nieuwe bepalingen toepaste. De Grote Kamer van het EHRM oordeelde dat art. 7 EVRM van toepassing was, omdat het ging om “a provision of substantive criminal law concerning the length of the sentence to be imposed in the event of conviction (…)”. Het EHRM kwam tot het oordeel dat art. 7 EVRM was geschonden. Het overwoog daartoe onder meer dat:
“the applicant was given a heavier sentence than the one prescribed by the law which, of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment, was most favourable to him.”
26. Uit HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409 volgt dat een wijziging van de aard van de sanctie die bij niet-betaling is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel een verandering van regels van sanctierecht oplevert. Aangezien de wijziging van art. 88 Sr per 1 januari 2020 in de onderhavige zaak mede bepalend is voor de toepasselijke maximale duur van deze aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden sanctie, moet deze wijziging eveneens worden aangemerkt als een verandering van regels van sanctierecht. De nieuwe regel, die met ingang van 1 januari 2020 gold, is voor de verdachte gunstiger. Dat betekent dat de wijziging van art. 88 Sr per 1 januari 2020 in de onderhavige zaak met onmiddellijke ingang moet worden toegepast.
27. Het voorafgaande brengt mee dat de gijzeling die aan de schadevergoedingsmaatregel is verbonden maximaal 360 dagen beloopt. Hieraan doet niet af dat na de inwerkingtreding van de spoedreparatiewet op 25 juli 2020 de maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden gijzeling thans weer 365 dagen is. In de onderhavige zaak blijft art. 88 Sr, zoals dat van 1 januari 2020 tot en met 24 juli 2020 van kracht is geweest, van toepassing, omdat deze bepaling voor de verdachte “of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment” de meest gunstige is. Ook in dit verband verwijs ik naar het hiervoor genoemde arrest van het EHRM in de zaak Scoppola.”
74. De Hoge Raad volgde deze conclusie en overwoog dat op grond van de redenen die staan vermeld in de conclusie de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast moet worden bepaald op een jaar en dat in dit verband onder ‘een jaar’ 360 dagen moet worden verstaan.
74. De beoordeling van het zesde middel
75. Nu de wijziging van artikel 88 Sr per 1 januari 2020 bepalend is voor de maximale duur van de gijzeling die kan worden verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel en er dus sprake is van een verandering van regels van sanctierecht, dient de wijziging van artikel 88 Sr per 1 januari 2020 op de onderhavige zaak te worden toegepast. Dit betreft immers de bepaling die voor de verdachte “of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment” de meest gunstige is. Een en ander betekent dat de totale duur van de gijzelingen gezamenlijk ook in de onderhavige zaak maximaal 360 dagen mag bedragen.
76. Het zesde middel slaagt.
77. Naar mijn mening kan de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen en de totale duur van de gijzelingen gezamenlijk die ten hoogste kan worden gevorderd op 360 dagen bepalen.
Het zevende middel
78. Het zevende middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
79. Namens de verdachte is op 23 september 2020 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 27 oktober 2021 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Dit zal moeten leiden tot strafvermindering.
80. Het zevende middel is terecht voorgesteld.
80. Slotsom
81. De eerste vijf middelen falen. De eerste vier middelen kunnen met een aan artikel 81 lid 1 RO te ontlenen motivering worden afgedaan. Het zesde en zevende middel slagen
82. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
83. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen inzake de duur van de gijzeling en de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad kan de opgelegde straf verminderen naar de gebruikelijke maatstaf en kan de duur van de gijzeling inzake de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen die ten hoogste kan worden gevorderd bepalen op 360 dagen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑07‑2022
Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0863, NJ 2013/144 m.nt. Reijntjes. Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 742-743.
T. Blom, Opiumwetgeving en drugsbeleid, Deventer: Kluwer 2008, p. 120.
H.G.M. Krabbe (red.), De Opiumwet: een strafrechtelijk commentaar, Alphen aan den Rijn: Samson H.D. Tjeenk Willink 1989, p. 107.
HR 14 januari 1929, ECLI:NL:HR:1929:349, NJ 1929, p.497.
Vgl. Kamerstukken II 2005/2006, 30 339, nr. 3, p. 8.
HR 16 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1248, NJ 1991/442 m.nt. Corstens (Mariënburcht); HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974, NJ 1994/161; HR 22 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134; HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2631.
Vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134.
HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225 m.nt. De Hullu; HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, NJ 2003/64; HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122, NJ 2007/336 m.nt. Schalken; HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814. Zie ook A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie. Een onderzoek naar de strafbaarstellingen in artikel 140 Sr., Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 55.
A.N. Kesteloo, ‘Het bijzondere opzetvereiste bij deelneming aan een criminele organisatie: wetenschap (in de zin van onvoorwaardelijk opzet)’, TPWS 2016/38.
Vgl A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie. Een onderzoek naar de strafbaarstellingen in artikel 140 Sr., Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 42.
Het hof heeft de verdachte in de zaak met parketnummer 04/850427-12 vrijgesproken van feit 5 (diefstal stroom gepleegd te Roermond). Ik ga er dan ook van uit dat in de bewijsoverwegingen sprake is van een kennelijke verschrijving en de bewijsoverwegingen van het hof zien op de feiten 2, 4 en 6.
HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:3218; HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390, en HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511.
HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0431; HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6448; HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:42.
AG Knigge d.d. 9 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:8. Steun voor dit standpunt kan mijns inziens worden gevonden in HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1900. Ook in die zaak was – kort gezegd - ten laste van de verdachte bewezen verklaard het medeplegen van opzettelijk telen van hennep en het medeplegen van diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij. Alhoewel ik in die zaak anders concludeerde en meende dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen wel had kunnen afleiden dat tussen de verdachte en anderen een bewuste en nauwe samenwerking had bestaan die was gericht op het telen van hennep, lag dit wat mij betreft anders ten aanzien van het medeplegen van de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij. De Hoge Raad verwierp echter het cassatieberoep, inclusief het middel dat was gericht tegen het bewezen verklaarde medeplegen van diefstal van elektriciteit.
Volledig: Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Telecommunicatiewet in verband met nieuwe ontwikkelingen in de informatietechnologie, Stb. 2006, 300, i.w.tr. 1 september 2006, Stb. 2006, 301.
Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, Boedapest, 23 november 2001, Trb. 2002, 18, Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 2004, 290. Zie hierover o.m. B.J. Koops, ‘Het Cyber-crimeverdrag, de Nederlandse strafwetgeving en de (computer)criminalisering van de maatschappij’, Computerrecht 2003, afl. 2, p. 115-123.
Kamerstukken II 2004/05, 26 671, nr. 7, p. 14 en p. 35-36.
Louter ter toelichting (uit openbare bronnen) op de werking van een jammer, verwijs ik naar een brochure van het agentschap Telecom van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, toegankelijk op:https://www.agentschaptelecom.nl/documenten/brochures/2021/03/18/jammers-informatie-voor-opsporingsdiensten.
Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 116. Er is verzuimd om art. 60a Sr hieraan aan te passen. Niettemin kan het artikel niet anders worden geïnterpreteerd dan dat bij de bedoelde vormen van samenloop gijzeling kan worden bepaald tot ten hoogste één jaar in totaal, aldus C.M. Pelser in Tekst & commentaar Strafrecht, commentaar op art. 60a Sr, aant. 1, elektronische versie (bijgewerkt tot en met 19 april 2022).
Schrikkeljaren blijven in dit verband buiten beschouwing.
Voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet USB was het begrip ‘jaar’ in het Wetboek van Strafrecht en in het Wetboek van Strafvordering niet wettelijk gedefinieerd. Met het oog op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties die in jaren zijn uitgedrukt werd in de executiepraktijk voor ieder kalenderjaar een periode van 365 dagen aangehouden (dus ook voor schrikkeljaren). Een gevangenisstraf voor de duur van een jaar (365 dagen) stond dus niet gelijk aan een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden (360 dagen).
Een gelijke definitie van het begrip ‘jaar’ (“twaalf maanden”) was in het Wetboek van Strafvordering voorzien met een aanpassing van art. 136 Sv, maar die wetswijziging is niet tegelijkertijd met de hier bedoelde wijziging van art. 88 Sr in werking getreden. Een ‘strafvorderlijk jaar’ behelst dus onverminderd 365 dagen.
Stb. 2020, 225.
Beroepschrift 07‑01‑2022
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 20/02934
Betekening aanzegging: 11 november 2021
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker
dossiernummer: D20200391
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch d.d. 17 september 2020, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. Het hof heeft tevens een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen.
Omwille van de leesbaarheid van de schriftuur zal de tenlastelegging hieronder worden opgenomen. Vervolgens zal per middel aangegeven worden tegen welk ten laste gelegd feit het middel zich richt.
Tenlastelegging:
‘Ter zake parketnummer 04-800080-11:
- 1.
hij in of omstreeks de periode van 9 maart 2011 tot en met 29 augustus 2011, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
- —
te Hom, in elk geval in de gemeente Leudal, (in een pand gelegen aan de [a-straat 01]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1285, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of,
- —
te [e-plaats], in elk geval in de gemeente Leudal, (in een pand gelegen aan de [b-straat 02]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 781, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of
- —
te [f-plaats], in elk geval in de gemeente Roerdalen, (in een pand gelegen aan de [c-straat 03]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1050, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of
- —
in de gemeente Roermond, (in een pand gelegen aan de [d-straat 04]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1110, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan,
in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;
- 2.
hij op of omstreeks 27 april 2011 in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt of vervoerd een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 104,32 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
- 3.
hij in of omstreeks de periode van 13 augustus 2010 tot en met 8 november 2011 in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid, namelijk het (meermalen) (telkens) bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het aanwezig hebben van middelen of een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
- 4.
hij in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 8 november 2011, in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers
heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders) (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten
- —
een pand gelegen aan de [e-straat 05] te [c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [f-straat 06 te d-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [g-straat 07 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [h-straat 08 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [i-straat 09 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [j-straat 10 te c-plaats] en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type X5) en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type M3) en/of
- —
(een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld,
althans heeft hij (telkens) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten
- —
een pand gelegen aan de [e-straat 05] te [c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [k-straat 11 te d-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [g-straat 07 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [h-straat 08 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [i-straat 09 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [j-straat 10 te c-plaats] en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type X5) en/of — een personenauto (merk BMW, type M3) en/of — (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen),
was,
en/of
heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten
- —
een pand gelegen aan de [e-straat 05] te [c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [k-straat 11 te d-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [g-straat 07 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [h-straat 08 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [i-straat 09 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [j-straat 10 te c-plaats] en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type X5) en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type M3) en/of
- —
een horloge (merk Audemars Piguet) en/of
- —
(een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,
althans van (een) voorwerp(en), te weten
- —
een pand gelegen aan de [e-straat 05] te [c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [k-straat 11 te d-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [g-straat 07 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [h-straat 08 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [i-straat 09 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [j-straat 10 te c-plaats] en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type X5) en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type M3) en/of
- —
een horloge (merk Audemars Piguet)
- —
en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), gebruik gemaakt,
terwijl hij en/of zijn mededaders) (telkens) wist(en) dat dat/die pand(en) en/of die personenauto('s) en/of dat horloge en/of dat geld — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
althans indien ter zake het vorenstaande onder 4 geen veroordeling zou volgen:
hij in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 8 november 2011, in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) van (een) voorwerp(en), te weten
- —
een pand gelegen aan de [e-straat 05] te [c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [f-straat 06 te d-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [g-straat 07 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [h-straat 08 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [i-straat 09 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [j-straat 10 te c-plaats] en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type X5) en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type M3) en/of
- —
(een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld,
althans (telkens) heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten
- —
een pand gelegen aan de [e-straat 05] te [c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [k-straat 11 te d-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [g-straat 07 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [h-straat 08 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [i-straat 09 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [j-straat 10 te c-plaats] en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type X5) en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type M3) en/of
- —
(een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), was,
en/of
(telkens) (een) voorwerp(en), te weten
- —
een pand gelegen aan de [e-straat 05] te [c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [f-straat 06 te d-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [g-straat 07 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [h-straat 08 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [i-straat 09 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [j-straat 10 te c-plaats] en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type X5) en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type M3) en/of
- —
een horloge (merk Audemars Piquet) en/of
- —
(een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet,
althans van (een) voorwerp(en), te weten
- —
een pand gelegen aan de [e-straat 05] te [c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [f-straat 06 te d-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [g-straat 07 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [h-straat 08 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [i-straat 09 te c-plaats] en/of
- —
een pand gelegen aan de [j-straat 10 te c-plaats] en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type X5) en/of
- —
een personenauto (merk BMW, type M3) en/of
- —
een horloge (merk Audemars Piquet) en/of
- —
(een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die pand(en) en/of die personenauto('s) en/of dat horloge en/of dat geld — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
- 5.
hij in de periode van I januari 2010 tot en met 13 augustus 2010 in de uitoefening van een beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, te [h-plaats], in elk geval in de gemeente Peel en Maas, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan de [l-straat 12]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1185, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
Ter zake parketnummer 04-850427-12:
- 1.
hij in of omstreeks de periode van 15 februari 2011 tot en met 19 april 2011 te Hom, in elk geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);
- 2.
hij in of omstreeks de periode van 2 maart 2011 tot en met 9 maart 2011 te [e-plaats], in elk geval in de. gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);
- 4.
hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2011 tot en met 20 juli 2011 te[f-plaats], in elk geval in de gemeente Roerdalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);
- 5.
hij in of omstreeks de periode van 25 april 2011 tot en met 29 augustus 2011 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);
- 6.
hij in of omstreeks de periode van 05 maart 2010 tot en met 13 augustus 2010 te [h-plaats], in elk geval in de gemeente Peel en Maas, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders);
- 8.
hij in of omstreeks de periode van I september 2011 tot en met 8 november 2011 te [d-plaats], in elk geval in de gemeente Leudal, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of(een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels
- —
[A] heeft/hebben bewogen tot het verlenen van (een) dienst(en), te weten bestratingswerkzaamheden en/of,
- —
[B] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van goederen, te weten lichtbakken, en/of het verlenen van (een) dienst(en), te weten het ontwerpen en afhangen van lichtbakken en/of,
- —
[C] VOF heeft/hebben bewogen tot de afgifte van goederen, te weten dakbevestigingsmaterialen en/of het verlenen van (een) dienst(en), te weten dakbedekkingswerkzaamheden en/of,
- —
[D] heeft/hebben bewogen tot het verlenen van (een) dienst(en), te weten het aanleggen van een gazon en/of bekiezeling en/of
- —
[E] heeft/hebben bewogen tot het verlenen van (een) dienst(en), te weten het leggen van waterleiding en gasleiding, elektro werkzaamheden en/of het aansluiten van een heater en/of,
- —
[F] heeft/hebben bewogen tot het verlenen van (een) dienst(en), te weten het aanleggen van een gazon met beregeningsinstallatie en/of het aanleggen van een grindvlakte,
hebbende verdachte en/of zijn mededaders) toen aldaar (telkens) met voren omschreven oogmerk — zakelijk weergegeven — valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide koper(s) en/of opdrachtgever(s), waardoor voornoemde — [A] en/of,
- —
[B] en/of,
- —
[C] VOF en/of,
- —
[D] en/of,
- —
[E] en/of,
- —
[F],
(telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of het bovenomschreven verlenen van (een) dienst(en);
- 10.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 8 november 2011 in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)
- —
Europees schadeformulier en/of
- —
werkgeversverklaring(en) en/of salarisspecificatie(s) van [G] en/of [h] B.V., althans enig(e) documenten) — (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen — als ware die/dat geschrift(en) (telkens) [e-plaats] en onvervalst,
bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, — voornoemd Europees schadeformulier heeft verstrekt en/of getoond aan [J], althans aan (een) derde(n) en/of — voornoemde werkgeversverklaring(en) en/of salarisspecificatie(s) verstrekt althans getoond aan (een) derde(n) ten behoeve van het aanvragen van (een) hypothe(e)k(en),
en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat
- —
voornoemd Europees schadeformulier niet is ondertekend door [medeverdachte 2] en/of de op voornoemd Europees schadeformulier vermelde aanrijding niet heeft plaatsgevonden
- —
voornoemde werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie van [G] niet is ondertekend door [betrokkene 1] en/of in strijd met de waarheid op voornoemde werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie van [G] is vermeld dat hij, verdachte, werknemer was,
- —
voornoemde werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie van [h] B.V. niet is ondertekend door [betrokkene 2] en/of in strijd met de waarheid op voornoemde werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie van [h] B.V. is vermeld dat hij, verdachte, werknemer was;
- —
voornoemde werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie van [h] B.V. niet is ondertekend door [betrokkene 2] en/of in strijd met de waarheid op voornoemde werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie van [h] B.V. is vermeld dat hij, verdachte, werknemer was
- 11.
hij in of omstreeks de periode van 14 januari 2011 tot en met 8 november 2011 in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of(een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Aegon Schadeverzekering N.V. heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk — zakelijk weergegeven — valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een Europees schadeformulier opgemaakt en/of ondertekend en/of verstrekt en/of getoond aan [I] en/of [J], althans aan (een) derde(n), waardoor Aegon Schadeverzekering N..V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
- 12.
hij op of omstreeks 8 november 2011 in de gemeente Roermond met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 161sexies lid 1 van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een technisch hulpmiddel, te weten een zwart draagbaar radiozendapparaat, als bedoeld in artikel 1.1 onder kk van de Telecommunicatiewet (zogenaamde jammer voor de mobiele communicatie) welke niet was voorzien van enig merk, type en/of serienummer, dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, voorhanden heeft gehad.’
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
In eerste aanleg zijn een aantal feiten bewezen verklaard. Ten aanzien van een aantal bewezenverklaarde feiten, te weten de zaak met parketnummer 04/800080-11 onder feit 1 (verkort zakelijk weergegeven) in vereniging met anderen telen van hennep); feit 2 (verkort zakelijk weergegeven: afleveren van hennep); feit 3 (verkort zakelijk weergegeven: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in art 11 Opiumwet); feit 4 (verkort zakelijk weergegeven: gewoontewitwassen); en in de zaak met parketnummer 04/850427-12 onder de feiten 2, 4 en 6 (verkort zakelijk weergegeven: in vereniging met anderen plegen van diefstal van stroom); feit 8 (verkort zakelijk weergegeven: in vereniging met een ander plegen van oplichtingen); feit 10 (verkort zakelijk weergegeven: opzettelijk gebruik maken van vervalste geschriften) en feit 11 (verkort zakelijk weergegeven: oplichting) berust het bewijs uitsluitend, althans in beslissende de mate, op de door de medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie afgelegde verklaringen.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging verzocht [medeverdachte 1], die eerder in eerste aanleg bij de rechter-commissaris is gehoord, als getuige te horen.
Het verzoek is door het hof toegewezen. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de getuige niet is gehoord omdat de getuige niet is verschenen.
Het hof heeft vervolgens een aantal ten laste gelegde feiten bewezen verklaard en daartoe de verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs gebezigd.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting noch uit het arrest volgt dat het hof heeft vastgesteld dat er ‘a good reason’ was voor het feit dat de getuige niet ter terechtzitting door de verdediging ondervraagd kon worden en/of bij een met redenen omklede beslissing geoordeeld heeft dat moet worden afgezien van het opnieuw oproepen van de getuige op de grond hetzij dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen, hetzij dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheidstoestand van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting ernstig in gevaar zou worden gebracht, hetzij dat door het achterwege blijven van de oproeping redelijkerwijs (noch het openbaar ministerie in de vervolging) noch de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad.
Gelet hierop zijn het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest nietig.
Voorts heeft het hof de verklaringen van [medeverdachte 1] ten onrechte voor het bewijs gebezigd, nu de getuige, ondanks het toegewezen verzoek daartoe, niet is gehoord in hoger beroep terwijl zijn verklaringen belastend zijn en zowel door de rechtbanken als het hof voor het bewijs zijn gebezigd, terwijl de bewezenverklaring ten aanzien van hetgeen het hof in de zaak met parketnummer 04/800080-11 onder feit 1 (verkort zakelijk weergegeven) in vereniging met anderen telen van hennep); feit 2 (verkort zakelijk weergegeven: afleveren van hennep); feit 3 (verkort zakelijk weergegeven: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in art 11 Opiumwet); feit 4 (verkort zakelijk weergegeven: gewoontewitwassen); en in de zaak met parketnummer 04/850427-12 onder de feiten 2, 4 en 6 (verkort zakelijk weergegeven: in vereniging met anderen plegen van diefstal van stroom); feit 8 (verkort zakelijk weergegeven: in vereniging met een ander plegen van oplichtingen); feit 10 (verkort zakelijk weergegeven: opzettelijk gebruik maken van vervalste geschriften) en feit 11 (verkort zakelijk weergegeven: oplichting) in beslissende mate steunt op die verklaring(en). Daarbij komt dat het hof evenmin overwogen heeft of het proces in zijn geheel (nog) fair is. Dit klemt te meer nu uit het verhandelde ter terechtzitting ook volgt dat het hof kennelijk in de met de zaak van verdachte gelijktijdige behandelde zaak van de getuige/medeverdachte de betreffende getuige/medeverdachte door middel van een skypeverbinding zal gaan horen, zodat de medeverdachte/getuige kennelijk wel door het hof/openbaar ministerie te traceren is geweest en door middel van de skypeverbinding zou kunnen worden gehoord.
Het arrest, althans de bewezenverklaringen is/zijn derhalve onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Dit middel betreft de gang van zaken met betrekking tot de getuige [medeverdachte 1].
1.2
Op 18 mei 2016 heeft de rechtbank Limburg de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. De rechtbank heeft de bewezenverklaringen in beslissende mate gebaseerd op de belastende getuigenverklaringen van [medeverdachte 1]. In het vonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen:
‘De officier van justitie acht de feiten 1 (met uitzondering van de hennepdrogerij te [e-plaats]), 2, 3, 4 primair (met uitzondering van de panden [g-straat 07] en [i-straat 09 te c-plaats] en het horloge) en 5 van 04/800080-11 en de feiten 1, 2, 4, 5, 6,7, 8, 10 (met uitzondering van het Europees Schadeformulier), 11 en 12 van 04/850427-12 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van feit 3 van 04/800080-11 en feit 9 van 04/850427-12. In het bijzonder heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.
Betrouwbaarheid verklaringen medeverdachte [medeverdachte 1].
De officier van justitie heeft de bewezenverklaring (grotendeels) gebaseerd op de door medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen. Zij acht deze verklaringen -in tegenstelling tot de verdediging — wel bruikbaar voor het bewijs. ()
()
De organisatie
De rechtbank constateert allereerst dat er een organisatie was waarvan, in elk geval, verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] deel uitmaakten. Zulks blijkt alleen al uit de op 27 november 2013 afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]4, die onder meer inhoudt: ’()
()
De hennepplantage aan de [a-straat 01] te [d-plaats]
()
Medeverdachte [medeverdachte 1]9 verklaart onder meer als volgt ()
()
De hennepplantage aan de [b-straat 02] te [e-plaats]
()
Medeverdachte [medeverdachte 1]13 verklaart onder meer als volgt:
()
De hennepplantage aan de [c-straat 03] te[f-plaats]
()
Medeverdachte [medeverdachte 1]16 verklaart op 25 oktober 2013 onder meer als volgt: ()
()
Op 26 november 2013 verklaart medeverdachte [medeverdachte 1]17 als volgt: ‘[medeverdachte 3] heeft de kwekerij opgebouwd en verzorgd. [verdachte] heeft gefinancierd. Ik heb bemiddeld bij het huren van het pand. De eerste oogst is gelijk opgerold. Er is geen opbrengst geweest. Wiet is verdriet.’
Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart op 10 november 2011 dat hij ‘Bayram Getin’ meestal ‘Kiro’ noemt.18
De rechtbank leidt de betrokkenheid van verdachte bij deze hennepkwekerij verder af uit de inhoud van de hieronder aangehaalde tapgesprekken en sms-berichten.
()
De hennepplantage aan de Mauritsstraat te Roermond
()
Op 25 oktober 2013 verklaart medeverdachte [medeverdachte 1]32 als volgt: ‘De Mauritsstraat had ik via Vaessen geregeld. Dit pand is gehuurd op naam van Rudy Peters. Hij is door de politie aangehouden in het pand, toen de inval plaatsvond. Hij zat daar destijds binnen met zijn hond. De huren van de panden werden door [verdachte] betaald. Het pand aan de Mauritsstraat werd via Rudy Peters betaald.’
Op 26 november 2013 verklaart medeverdachte [medeverdachte 1]33 onder meer als volgt: ‘Rudy Peeters verzorgde de planten en woonde daar. Hij kreeg een aandeel van 15%. We hebben het over een periode van een jaar. Daarbij waren betrokken [verdachte], Rudy Peeters, Marcel en ik voor de bemiddeling. Er stonden 1.100 planten. De opbrengst was iets van 270.000,00 euro. Er komt een oogst uit en dat wordt nat verkocht. Voor elke partij die er uit de kwekerij kwam, kwam een opkoper. [verdachte] regelde de verkoop.’
De rechtbank constateert dat sprake was van vier hennepplantages waarbij verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] betrokken waren. Daaruit blijkt naar het oordeel dan ook direct van het oogmerk van hun organisatie, namelijk de hennepteelt.
De samenstelling van en de rollen in de organisatie
De rechtbank ziet zich vervolgens ook nog voor de vraag gesteld hoe de samenstelling van de organisatie was, de rollen van de leden en de (onderlinge) verhoudingen daarbij. Hierbij slaat de rechtbank acht op het volgende.
Op 25 oktober 2013 verklaart medeverdachte [medeverdachte 1]34 als volgt ()
()
Op 27 november 2013 verklaart medeverdachte [medeverdachte 1]35 als volgt:
()
Diefstal van stroom (feiten 1 t/m 6 van 04/850427-12)
()
Op 27 november 2013 verklaarde medeverdachte [medeverdachte 1]78 als volgt: ‘Van de organisatie maakten deel uit: Taner Taner, Marcel van Moorse) en ik. Dat was de top. Taner stuurde alles aan. De activiteiten bestonden uit het telen van hennep en alles wat daarbij komt kijken. Ik faciliteerde hem om bepaalde dingen af te dekken en ben betrokken geweest bij onder andere het verkrijgen van de panden voor de hennepteelt. Taner had het voor het zeggen. Hij had de zeggenschap. Het team was zo goed, dat er eigenlijk niets gezegd hoefde te worden. [medeverdachte 3] deed de stroom, de verzorging en het opzetten. Iedereen had zijn taak en kende zijn taak.’
()
De rechtbank overweegt in het bijzonder ten aanzien van de [d-straat 04] te Roermond met betrekking tot de ten laste gelegde periode dat medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat er in het pand drie keer is gekweekt.81 De rechtbank gaat dan ook in de bewezenverklaring uit van de periode 25 april 2011 tot en met 29 augustus 2011.
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de onder 1,2, 4, 5 en 6 (van 04/850427-12) aan verdachte verweten feiten.
()
Witwassen (feit 4 van 04/800080-11)
()
Aankoop BMW X5
()
[medeverdachte 1]97 heeft op 27 november 2013 verklaard: ‘Die X5 stond op naam van Kenan Taner. [verdachte] maakte gebruik van de auto. [verdachte] betaalde de maandelijkse kosten van deze auto via de bank of via de BMW garage in Heinsberg in contanten. Via de bank waren het altijd kasstoringen van 1.500,00 euro. [verdachte] stortte dit geld op de rekening van zijn vader in Heinsberg, de Sparkasse.
()
Aanschaf [j-straat 10 te c-plaats]
()
In het dossier bevindt zich een werkgeversverklaring die — zakelijk weergegeven — vermeldt dat [verdachte] sinds 17 juni 2009 in dienst is als sales manager bij [h] BV met een jaarsalaris van 58.085,66 euro. Deze werkgeversverklaring is gedateerd op 31 augustus 2009 en ondertekend door [betrokkene 2], directeur.
()
Mustafa [medeverdachte 1] verklaarde: ‘Ik heb [h] int. B.V. samen met [medeverdachte 1] opgezet. Het idee om dat bedrijf op te richten kwam van [medeverdachte 1]. Faruk zei dat hij schulden had en daarom zelf geen zaak kon beginnen. Hij wilde daarom dat ik het bedrijf op mijn naam zou zetten samen met hem. De handtekening op de werkgeversverklaring van [h] B.v., waarbij [verdachte] als werknemer, sales manager, staat vermeld, is niet mijn handtekening.’107
[medeverdachte 1] verklaarde op 25 oktober 2013: ‘In 2009 had ik een bedrijf: [h]. [verdachte] beeft een maand of twee a drie op de loonlijst van dit bedrijf gestaan. Hij kwam zelf bij mij met de vraag om hem op de loonlijst te zetten. Ik heb hem toen wel gevraagd waarom hij op de loonlijst wilde. Hij heeft de premies zelf betaald en ook het salaris heeft hij zelf betaald. Daarna heeft hij een pand op de [j-straat] gekocht.
Nee, hij heeft geen werkzaamheden voor [h] verricht. Hij kwam tekort voor zijn hypotheek. Ik heb [h] overgenomen samen met mijn ex-zwager [naam 1]. Mijn zwager [naam 1] heeft het overgenomen. Ik stond bij Stichting Administratiekantoor [h]. De reden van deze constructie was dat ik in 2007 failliet verklaard was.’108
Op 27 november 2013 verklaarde [medeverdachte 1]: ‘Ik zette hem ([verdachte], de Rb) op de loonlijst. De premies en de salarissen werden netjes op papier overgemaakt. [verdachte] kon hierdoor zijn pand kopen aan de [j-straat]. Ik heb een melding bij de belastingdienst gedaan, salarisstroken, arbeidscontract. Ik heb opdracht gegeven bij het loonhuis, volgens mij in Brussel, om die documenten op te maken. Je weet dat het huis 260.000,00 euro is, dan heb je een bruto bedrag van 4.500,00 euro nodig. [verdachte] zei dat hij een huis wilde kopen voor dat bedrag en daarop heb ik een inschatting gemaakt van het benodigde salaris. [verdachte] betaalde mij gewoon het precieze bedrag van 4.500,00 euro. Ik betaalde netjes de premies en maakt hem het geld over. Ik kreeg die bedragen elke maand in contanten, briefjes van 20,00 en 50,00 euro.’109
De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte niet heeft gewerkt voor [h] en dat hij gebruik heeft gemaakt van onder meer een valse werkgeversverklaring om een hypotheek te krijgen voor de aanschaf van het pand [j-straat 10 te c-plaats].
()
Aankoop BMWM3 (2010)
()
[naam 2] verklaarde op 29 maart 2012 dat verdachte graag een auto wilde kopen in Duitsland. Hij vervolgde met: ‘Hij wilde echter geen BTW betalen en hij vroeg aan mij of ik een bedrijf/iemand wist, op wiens naam hij die auto kan kopen in Duitsland. Ik bracht [verdachte] toen in contact met [naam 3] en er werd afgesproken dat [verdachte] op naam van het bedrijf van [naam 3] de auto zou bestellen. Dit is toen ook zo gebeurd.
Afgesproken werd dat de niet te betalen BTW gedeeld zou worden. Eenmaal in Nederland werd er voor de levering van de auto aan [verdachte] een nieuwe factuur gemaakt door DBS. Op deze factuur staat een heel ander bedrag vermeld. Ik heb die factuur gemaakt.’ Aan [naam 2] wordt een rekening (nr. 10177) getoond (zie p. 7865) en hij verklaart: ‘Ik herken deze rekening en ik heb deze opgemaakt. Op die rekening staat dat de auto is geleverd aan [verdachte] voor 35.000,00 euro. Verder staat dat de auto is geleverd tegen een gereduceerde prijs in verband motorschade/defect. Dit is gebeurd op verzoek van [verdachte]. De hele constructie is opgezet om de BTW zoveel mogelijk te kunnen ontlopen.’116
[medeverdachte 1] verklaart over de gang van zaken — zakelijk weergegeven — dat het een constructie was om de btw afte trekken. ‘De rekening van [naam 3] is per fax binnengekomen. [naam 2] werkte toen nog. Dit was eigenlijk een fake rekening. Wat betreft de motorschade, dat is in onderling overleg gegaan. Dan leek het alsof [verdachte] een kapotte auto kocht voor een lager bedrag, terwijl hij in werkelijkheid een goede auto kocht voor een hoger bedrag. Dat is dus ook een fake rekening.’117
De rechtbank leidt uit deze bewijsmiddelen afdat niet DBS Business Solutions & Construction services, maar verdachte de BMW-M3 heeft gekocht van de firma Pauch&Greilich in Duitsland voor 54.600,00 euro.
()
Nu geen aannemelijke verklaring is gegeven voor de herkomst van de geldbedragen gaat de rechtbank ervan uit dat deze afkomstig zijn uit de teelt en handel in hennep. Deze conclusie vindt steun in de verklaring van [medeverdachte 1] die tijdens zijn verhoor op 25 oktober 2013 verklaarde dat hij verdachte in 2009 heeft leren kennen en met hem bevriend is geraakt. Deze stelde hem voor dat hij -[medeverdachte 1]- panden voor hem zou regelen voor de hennepteelt. Dat heeft [medeverdachte 1] gedaan. Verdachte betaalde de huur en in de panden werden kwekerijen geplaatst. Toen [medeverdachte 1] verdachte leerde kennen wist hij dat deze zich bezig hield met het kweken van hennep, want dat had verdachte aan hem verteld.137 Verdachte is de hoofdpersoon van hun criminele organisatie, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zelf zijn er ook bij betrokken. Verdachte stuurde alles aan. De activiteiten bestonden uit het telen van hennep en alles wat daarbij komt kijken. In de periode van zijn tijd is denkt hij vijf of zes ton aan euro's weggegaan. In de periode van de vijfjaar voordat hij meedeed denkt hij dat er 1,5 of 2 miljoen euro aan geld is weggesluisd. Hij weet dat uit informatie die hij heeft gekregen en die hij 100% betrouwbaar acht. Hij denkt dat verdachte al sedert 2003 in de hennephandel zit.138
[medeverdachte 1] geeft weliswaar aan te vermoeden wat de opbrengsten zijn geweest en hoe lang verdachte zich al bezig houdt met de hennephandel, maar gelet op de nauwe samenwerking tussen hem en verdachte, de kennis die [medeverdachte 1] heeft over de organisatie en de rol die [medeverdachte 1] heeft in de organisatie, zoals dat blijkt uit het dossier, bezigt de rechtbank dit deel van de verklaring van [medeverdachte 1] toch voor het bewijs, nu [medeverdachte 1] met deze verklaring wel blijk geeft van algemene kennis over het crimineel verdiende geld.
()
Oplichtingen (feit 8 van 04/850427-12)
()
[betrokkene 3] deed namens [A]139 aangifte van oplichting en verklaarde onder meer als volgt: ‘Op 8 september 2011 ben ik aangevangen met bestratingswerkzaamheden in opdracht van [K] BV, gevestigd op de [vestigingsplaats]. Dit duurde ongeveer 14 dagen. De heer [medeverdachte 1] was mijn contactpersoon aldaar.
()
[betrokkene 4] deed namens [B]140 aangifte van oplichting en verklaarde onder meer als volgt: ‘Op 13 september 2011 heb ik in opdracht van [medeverdachte 1] een offerte aan hem verzonden, naar het e-mailadres [K]@live.nl. Na telefonisch contact heb ik de offerte aangepast tot een bedrag van 6.599,00 euro met betaling bij levering. Kort daarna ontving ik een fax waarop ik zag dat [medeverdachte 1] de offerte ondertekend had voor akkoord.
()
[betrokkene 5] deed namens [C] VOF142 aangifte van oplichting en verklaarde onder meer als volgt: ‘Ik heb met een man, die zich bekend maakte als [medeverdachte 1], gesproken en gecommuniceerd.
()
R.P.M. Beckers deed namens [D]144 aangifte van oplichting en verklaarde onder meer als volgt: ‘Midden augustus (2011, Rb) werd ik benaderd door een man genaamd [medeverdachte 1], die aangaf dat hij een gazon aangelegd wilde hebben op de [k-straat 11 te d-plaats].
()
[betrokkene 6] deed namens [E]145 aangifte van oplichting en verklaarde onder meer als volgt: ‘Eind augustus 2011 werd ik telefonisch benaderd door [medeverdachte 1]. Hij gaf aan dat er een gas- en waterleiding aangelegd moest worden in het pand aan de [k-straat 11 te d-plaats].
()
[betrokkene 7] deed namens [F]146 aangifte van oplichting en verklaarde onder meer als volgt: ‘Eind september 2011 werd ik gebeld door een man die zich meldde met de naam [K] of [medeverdachte 1]. Later is gebleken dat deze persoon [medeverdachte 1] heet.
()
[medeverdachte 1]150 verklaarde onder meer als volgt: ‘In 2011 ben ik als bestuurder van [K] B.V. aangetreden. Er hebben indertijd een aantal renovaties plaatsgevonden aan het pand aan de [k-straat], zoals (onder meer, Rb) het aanleggen van gazon, het vernieuwen van het dak, reclameborden en installatie. [K] is puur en alleen opgericht voor de renovatie van de Sportparklaan. Op papier was ik alleen bevoegd. Uiteindelijk was dit samen met [verdachte]. Ik heb niet zelf bedacht Iroe dat pand gerenoveerd moest worden; hij zei tegen mij dat het dak vernieuwd moest worden. Ik kreeg mijn opdrachten van [verdachte]. Ik was inderdaad de tussenschakel tussen [verdachte] en de uitvoerders van de werkzaamheden en ik gaf dus namens [verdachte] opdrachten aan anderen.
()
De rechtbank overweegt als volgt. Vanaf september 2011 tot en met de dag van aanhouding van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben diverse renovatiewerkzaamheden plaatsgevonden aan en rondom het pand aan de [k-straat 11 te d-plaats]. De betreffende uitvoerende bedrijven zijn, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, telkens niet betaald voor hun werkzaamheden. [medeverdachte 1], die geen eigenaar is van het pand en derhalve feitelijk ook geen direct voordeel heeft in de zin van waardevermeerdering van zijn eigendom, heeft zich telkens niet alleen als bonafide opdrachtgever voorgedaan, maar is daartoe ook aangetreden als bestuurder van [K] BV, enkel en alleen met het oog op die renovatiewerkzaamheden, terwijl het een vooropgezet plan en van meet af aan duidelijk was dat geen betalingen zouden worden verricht. [medeverdachte 1] hield diverse bedrijven telkens aan het lijntje met de toezegging dat de betalingen voor de leveringen en diensten nog zouden plaatsvinden. Dit ging zo ver dat [medeverdachte 1] in het bijzijn van [betrokkene 4] heeft doen voorkomen dat hij de verschuldigde factuur via internetbankieren voldeed. De verklaring van [betrokkene 4] hierover wordt bevestigd door de door hem overgelegde schermafdruk. Uiteindelijk bleek echter nog steeds geen betaling verricht te zijn. Met deze listige kunstgrepen en samenweefsels van verdichtsels acht de rechtbank oplichting in deze wettig en overtuigend bewezen, waarbij verdachte is aan te merken als medepleger. Uit enerzijds de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat verdachte de daadwerkelijke opdrachtgever was, terwijl anderzijds uit de diverse tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] verdachte op de hoogte hield van de voortgang medio september 2011 én dat verdachte zei dat hij aan het verbouwen is en de hele plaats aan de voorkant nieuw heeft laten beklinkeren.
Bovendien heeft verdachte diverse bedrijven te woord gestaan, waarbij hij onder andere als aanspreekpunt fungeerde en mededeelde wat diende te gebeuren. Met deze betrokkenheid heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan al deze oplichtingen. De rechtbank acht het dan ook onaannemelijk dat het de bedoeling zou zijn dat medeverdachte [medeverdachte 1] voornemens was om betreffend pand te kopen en daartoe reeds op voorhand allerlei renovatiewerkzaamheden zou verrichten, zonder dat verdachte daarbij enige betrokkenheid had.
()’
1.3
Op 18 mei 2016 heeft de raadsman van de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
1.4
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 september 2017 is onder meer gerelateerd:
‘()
De voorzitter deelt vervolgens mede dat deze zaak vandaag niet inhoudelijk zal worden behandeld en dat het een regiezitting betreft waarop de onderzoekswensen zullen worden besproken. De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De advocaat-generaal deelt vervolgens mede:
Het openbaar ministerie heeft, geen onderzoekswensen. Het heeft schriftelijk gereageerd op de onderzoekswensen van de verdediging.
De raadsman geeft te kennen:
De verdediging beschikt nog steeds niet over de uitgewerkte processtukken uit de eerste aanleg.
De jongste raadsheer deelt mede:
Het hof beschikt daar wel over.
De oudste raadsheer deelt mede:
De griffie van het hof zal er voor zorgdragen dat de verdediging alsnog de beschikking krijgt over de uitgewerkte processtukken, uit de eerste aanleg.
De raadsman geeft te kennen:
Namens cliënt is verzocht dat de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige zal worden gehoord. In zijn schriftelijke reactie heeft de advocaat-generaal terecht opgemerkt dat op het verzoek van de verdediging het noodzaakcriterium van toepassing is. Volgens de advocaat-generaal is die noodzaak er niet. De rechtbank heeft zijn verklaring voor het bewijs gebruikt. De verdediging stelt zich op het standpunt dat [medeverdachte 1] als getuige dermate onbetrouwbaar is, dat het noodzakelijk is dat hij andermaal wordt gehoord zodat het hof zelf kan zien dat hij onbetrouwbaar is.
De verdediging vraagt het hof de getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting te horen dan wel dat hij bij de raadsheer-commissaris zal worden gehoord, waarbij een van de raadsheren die deel zal uitmaken van de zittingscombinatie tijdens de inhoudelijke behandeling zal optreden als raadsheer-commissaris.
Daarop onderbreekt de voorzitter het onderzoek voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof het navolgende mede:
Het hof wijst de verzoeken van de verdediging toe. Het hof bepaalt dat [medeverdachte 1] als getuige zal worden gehoord bij de raadsheer-commissaris. De zaak zal thans worden aangehouden tot de regiezitting van het hof van 16 maart 2018.
Het hof, gehoord de advocaat-generaal en de raadsman:
- —
schorst het onderzoek tot de terechtzitting van het hof van 16 maart 2018 te 9.00 uur (geplande eindtijd 9.30 uur, MK 4);
()
- —
beveelt dat de raadsheer-commissaris als getuige zal horen:
[medeverdachte 1]. geboren te [geboorteplaats op geboortedatum] 1984, die voor deze zaak woonplaats heeft gekozen op het kantooradres van zijn raadsman, te weten: 3905 JH Veenendaal, Stationsstraat 51H.’
1.5
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2018 is onder meer gerelateerd:
‘()
De voorzitter deelt mede dat de strafzaak tegen verdachte heden gelijktijdig, doch niet gevoegd, zal worden behandeld met de eveneens ter terechtzitting van heden aangebrachte strafzaken onder parketnummer 20-001482-16 tegen [naam 7], parketnummer 20-001641-16 tegen [naam 6] en parketnummer 20-001640-16 tegen [medeverdachte 1].
Het hof hervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 29 september 2017.
De voorzitter deelt vervolgens mede dat deze zaak vandaag niet inhoudelijk zal worden behandeld en dat het een voortgezette regiezitting betreft waarop de stand van zaken met betrekking tot de onderzoekswensen zal worden besproken.
De raadsman deelt desgevraagd mede dat de verdediging de uitgewerkte processtukken uit de eerste aanleg inmiddels heeft ontvangen.
De voorzitter deelt mede dat op de terechtzitting van 29 september 2017 het verzoek tot het horen van de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige is toegewezen. De stukken zijn daartoe in handen gesteld van de raadsheer-commissaris. Door omstandigheden is de getuige nog niet gehoord. In overleg met de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte 1] zal worden getracht dat getuigenverhoor alsnog te laten plaatsvinden.
De oudste raadsheer voegt daaraan toe dat namens de medeverdachte [medeverdachte 1] kenbaar is gemaakt dat hij niet op het kabinet van de raadsheer-commissaris wenst te verschijnen in verband met de risico's voor zijn veiligheid en die van zijn gezin. Naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] merkt de oudste raadsheer op dat, nu [medeverdachte 1] zich op een geheim adres bevindt, hij niet bereikbaar is voor oproepingen om als getuige bij de raadsheer-commissaris te verschijnen. Om die reden rijst de vraag of het aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal verschijnen.
De voorzitter deelt mede dat eerst nog zou kunnen worden gekeken of door het kabinet raadsheer-commissaris tot een oplossing kan worden gekomen zodat het verhoor alsnog kan plaatsvinden.
Het hof:
()
- —
stelt de stukken opnieuw in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, teneinde verder uitvoering te geven aan het verhoor van [medeverdachte 1] als getuige.’
1.6
In het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 6 augustus 2020 en 3 september 2020 is gerelateerd:
‘()
De voorzitter deelt mede dat in het middaggedeelte de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met parketnummer 20-001640-16 door het hof zal worden behandeld.
()
De voorzitter deelt mede:
De zaak is eerder aan de orde geweest ter terechtzitting van het hof op 29 september 2017. Toen is het verzoek van de verdediging tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige toegewezen. Daartoe is de zaak aangehouden en verwezen naar de raadsheer-commissaris.
Vervolgens is het onderzoek hervat ter terechtzitting van 16 maart 2018 waarbij is vastgesteld dat de getuige [medeverdachte 1] nog niet door de raadsheer-commissaris was gehoord. Reden daarvoor was dat de getuige zich op een geheim adres bevond en daarom niet bereikbaar was voor oproepingen om als getuige bij de raadsheer-commissaris te verschijnen. Vervolgens is de zaak wederom aangehouden teneinde nogmaals de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige te doen horen.
De voorzitter deelt mede dat aan het dossier de navolgende nieuwe stukken zijn toegevoegd:
- —
proces-verbaal van de terechtzitting van 16 maart 2018;
- —
een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 februari 2020;
- —
een proces-verbaal bevindingen van 4 maart 2019 van de raadsheer-commissaris van dit hof betreffende het getuigenverhoor van [medeverdachte 1];
- —
een proces-verbaal van verhoor getuige middels videoconference van 13 november 2019 van de raadsheer-commissaris van dit hof betreffende het verhoor van de getuige [getuige 1];
- —
een proces-verbaal van verhoor getuige middels videoconference van 7 februari 2019 van de raadsheer-commissaris van dit hof betreffende het verhoor van de getuige [getuige 2];
- —
een proces-verbaal van verhoor getuige middels videoconference van 7 februari 2019 van de raadsheer-commissaris van dit hof betreffende het verhoor van [getuige 3];
()
De verdachte verklaart
()
Voor wat betreft de overige ten laste gelegde feiten ontken ik iedere betrokkenheid. Ik begrijp niet dat de rechtbank [medeverdachte 1] in zijn afgelegde belastende verklaringen is gevolgd. Deze man is een fantast.
()
De raadsman deelt mede:
Ten aanzien van het witwassen heeft mijn cliënt ter zitting in eerste aanleg reeds de bronnen van de legale inkomsten benoemd. Na het vonnis van de rechtbank is mijn cliënt hiermee nog verder aan de slag gegaan en heeft hij in zijn administratie de ordners gevonden met daarin de bankafschriften waaruit van deze inkomsten blijkt.
Ten aanzien van [medeverdachte 1] merk ik nog op dat het verhoor van deze getuige door de verdediging is verzocht, indertijd door het hof is toegewezen maar door omstandigheden nog niet gehoord is kunnen worden. Ik benadruk dat door de verdediging geen afstand is of zal worden gedaan van deze getuige.
()
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter nogmaals uitdrukkelijk mede dat in het middagdeel de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met parketnummer 20-001640-16 door het hof zal worden behandeld middels een SKYPE-verbinding. De verdachte, de raadsman en de advocaat-generaal delen mede dat de stukken voldoende zijn voorgehouden.
De advocaat-generaal spreekt het reguisitoir uit en deelt mede:
Centraal staan de verklaringen van [medeverdachte 1]. Hij heeft uiterst belastend jegens verdachte verklaard. De rechtbank heeft deze verklaringen betrouwbaar geoordeeld en voor het bewijs tegen verdachte gebruikt.
De dragende overweging is neergelegd op pagina 8 van het vonnis. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat de verklaringen van [medeverdachte 1] in grote lijnen consistent met elkaar zijn en ondersteuning vinden in overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de telefoontaps die naadloos aansluiten bij hetgeen [medeverdachte 1] heeft verklaard. Ik voeg daaraan toe dat er ook nog bevestiging voor die verklaring kan worden gevonden in uitgevoerde observaties en de aanstraling van zendmasten. Verder is van belang dat [medeverdachte 1] door zijn verklaringen ook zichzelf heeft belast.
Ik sluit me aan bij de overwegingen van de rechtbank omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en stel me op het standpunt dat deze tot het bewijs kunnen worden gebezigd.’
1.7
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 augustus 2020 is onder meer gerelateerd dat mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. In deze pleitaantekeningen is onder meer vermeld:
‘[medeverdachte 1]
Nu de grenzen van het geding in hoger beroep zijn afgekaderd, kunnen we inhoudelijk naar de tenlastegelegde (en door de Rechtbank bewezen verklaarde) feiten gaan kijken.
Allereerst verdient bespreking de kwestie rondom [medeverdachte 1]. In eerste aanleg speelde die een hoofdrol en ook nu in de fase van het hoger beroep ontkomt de verdediging er niet aan om er de broodnodige aandacht aan te besteden. De bewezenverklaring van veel van de tenlastegelegde feiten staat of valt immers met het (niet] gebruiken van de vier verklaringen die [medeverdachte 1] in de maanden oktober en november 2013 bij de politie heeft afgelegd.
Allereerst enkele opmerkingen over het oordeel dat de Rechtbank in het vonnis heeft gegeven over de betrouwbaarheid van [medeverdachte 1] en zijn verklaringen. Daarover is de Rechtbank kort: zij achtte de verklaringen betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs (vonnis, p. 8], Waar de verdediging er achttien pagina's pleitnota aan wijdde om uiteen te zetten dat en waarom [medeverdachte 1] en zijn verklaringen uitermate onbetrouwbaar zijn te achten, en dus niet bruikbaar als bewijsmiddel, heeft de Rechtbank er nog geen pagina in het vonnis voor nodig om tot haar conclusie te komen dat de verklaringen van [medeverdachte 1] geloofwaardig, betrouwbaar en dus bruikbaar als bewijsmiddel zijn.
Daarvoor worden door de Rechtbank drie argumenten aangedragen:
- i.
Er is geen sprake van een ‘deal’ tussen [medeverdachte 1] en het Openbaar Ministerie.
- ii.
De verklaringen van [medeverdachte 1] zijn op grote lijnen consistent en vinden op diverse punten ondersteuning in andere bewijsmiddelen, zoals telefoontaps.
- iii.
[medeverdachte 1] heeft ook zichzelf in zijn verklaringen belast.
Op elk van deze drie argumenten zal de verdediging nader ingaan.
Ad i. (Geen ‘deal’)
Het ontgaat de verdediging ten enenmale hoe bij de Rechtbank kennelijk het' idee heeft postgevat dat de verdediging zou hebben bepleit dat er wel sprake is geweest van een ‘deal’ tussen [medeverdachte 1] en het Openbaar Ministerie. Dat heeft de verdediging namelijk op geen enkel moment betoogd. Zie bijvoorbeeld p. 12 onderaan van de aan de Rechtbank overgelegde pleitnota. Daar wordt onomwonden gesteld dat er juist geen ‘deal’ is gekomen. Zie ook p. 17, achtste regel van onderen: er is geen ‘deal’ tot stand gekomen. De Rechtbank verwerpt hier dus een verweer dat niet eens is gevoerd!
De verdediging heeft wel betoogd dat het er alle schijn van heeft dat [medeverdachte 1] de verklaringen uit eind 2013 heeft af gelegd in de hoop dat hij een ‘deal’ met justitie zou kunnen sluiten. Dat is toch [e-plaats] iets anders dan hetgeen de Rechtbank in het vonnis benoemt. Dat [medeverdachte 1] hoopte op een ‘deal’ met Justitie is alleszins aannemelijk te achten. Hij verklaarde op 02 maart 2016 ter terechtzitting van de Rechtbank (p-v zitting, p. 6) dat hij er met de politie over heeft gesproken. En wat te denken over de veertien, door de politie nog niet achterhaalde hennepkwekerijen waarover [medeverdachte 1] ook nog zou kunnen verklaren, maar waarover hij vooralsnog niet wilde verklaren? Waarom zou hij dat nog niet willen doen? De verdediging kan die bal wel inkoppen: omdat [medeverdachte 1] dacht dat hij er later nog zijn voordeel mee zou kunnen doen in de aanloop naar de totstandkoming van een eventuele ‘deal’ met Justitie. Zo vreemd is de gedachtegang van de verdediging niet.
De verdediging herhaalt dan ook de in eerste aanleg al ingenomen stelling dat in de hoop van [medeverdachte 1] op het kunnen sluiten van een ‘deal’ met Justitie een levensgroot motief voor hem is gelegen om zo belastend mogelijk over cliënt te verklaren.
Ad ii. (Consistente verklaringen)
Over de vraag of [medeverdachte 1] al dan niet consistent heeft verklaard blijven de meningen van de Rechtbank en de verdediging uiteenlopen. De verdediging heeft in eerste aanleg op de pagina's 2 tot en met 12 van de aan de Rechtbank overgelegde pleitnota aan de hand van concrete voorbeelden beargumenteerd dat [medeverdachte 1] juist niet consistent heeft verklaard. De Rechtbank overweegt daarentegen dat [medeverdachte 1] 's verklaringen op grote lijnen wel consistent zijn te achten en ondersteuning vinden in andere bewijsmiddelen. Maar dat laatste ligt juist geheel in de lijn van verwachting. [medeverdachte 1] had zijn dossier al gelezen vóórdat hij eind 2013 het viertal verklaringen aflegde bij de politie. Dat heeft hij zelf ook bevestigd tijdens zijn verklaring bij de Rechter-Commissaris op 20 februari 2014 (p. 7). [medeverdachte 1] wist toen dus al van de hoed en de rand en — nog belangrijker — wist ook wat hij redelijk veilig aan informatie kon aanreiken aan de politie. Hij hoefde eigenlijk maar een vrij eenvoudige invuloefening te doen. Logisch dus dat [medeverdachte 1] op hoofdlijnen conform de — hem reeds bekende — inhoud van het dossier heeft verklaard.
Hoe vaak zien we niet in vonnissen en arresten terug dat de Rechter een verdachte juist niet gelooft omdat die verdachte zijn verklaring heeft kunnen afstemmen op de inhoud van een dossier? (Ook Uw Hof, zie bijvoorbeeld het arrest d.d. 27 mei 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2002). De Rechtbank doet in essentie precies het tegenovergestelde: Vaststaat dat [medeverdachte 1] zijn dossier heeft bestudeerd en pas daarna de verklaringen heeft afgelegd. Omdat hij zijn verklaringen in extenso op de inhoud van het dossier heeft kunnen afstemmen, komen die met elkaar overeen. Het gaat de verdediging echter te ver om vervolgens, zoals de Rechtbank doet, te concluderen dat [medeverdachte 1]'s verklaringen daarom betrouwbaar en geloofwaardig zijn te achten. Voor het oordeel ‘betrouwbaarheid’ is meer nodig. Bijvoorbeeld de omstandigheid dat [medeverdachte 1] nog niet uit het dossier bekende informatie aandraagt, waarvan is onderzocht en gebleken dat die informatie juist is.
Als we nu eens kijken naar wat voor nieuwe informatie [medeverdachte 1] in zijn verklaringen van eind 2013 aan de politie heeft aangeleverd, nieuwe informatie die bovendien op betrouwbaarheid getoetst had kunnen worden, dan is de slotsom heel simpel en duidelijk. [medeverdachte 1] heeft helemaal geen — nul — nieuwe én verifieerbare informatie verstrekt tijdens die verhoren. Bij wijze van enkel voorbeeld kan worden gewezen op de kwekerij in de locatie [d-straat 04] te [c-plaats]. [medeverdachte 1] verklaarde dat daar in totaal drie keer zou zijn geoogst, dat de opbrengst ongeveer 130 kilo weed zou zijn geweest en dat er € 270.000,00 zou zijn verdiend. Het is leuk en aardig wat [medeverdachte 1] hierover verklaarde, maar het is allemaal op generlei wijze te controleren.
En zo gaat het vrijwel telkens als [medeverdachte 1] weer iets ‘nieuws’ meedeelde aan de politie. Totaal niet te verifiëren informatie. En als [medeverdachte 1] dan eens bij wijze van uitzondering [e-plaats] met iets nieuws en controleerbaars op de proppen kwam — bijvoorbeeld de veertien onontdekte hennepkwekerijen van cliënt -, dan deed hij direct er het zwijgen toe. Hij was zich natuurlijk bewust van het afbreukrisico als hij inhoudelijk over zulke zaken zou gaan verklaren. Vandaar dat dan de dooddoener volgde dat hij er ‘nog niks over wilde zeggen’. Neen, de verdediging is volstrekt niet onder de indruk van [medeverdachte 1] als getuige.
De slotsom is en blijft dat [medeverdachte 1] zijn verklaringen van eind 2013 op de inhoud'van het dossier heeft kunnen afstemmen en dat uit niets blijkt dat de ‘aanvullende informatie’ die hij heeft verstrekt betrouwbaar is te achten. Terwijl daarin — nieuwe, verifieerbare informatie — toch [e-plaats] de lakmoesproef was gelegen om te kunnen beoordelen of [medeverdachte 1] deugt als getuige. Maar dat wist [medeverdachte 1] natuurlijk ook. Vandaar dat hij zulke informatie gewoon maar niet heeft gegeven.
Ad iii. ([medeverdachte 1] belast zichzelf)
[medeverdachte 1] heeft, volgens de Rechtbank, ook zichzelf tijdens de verhoren in oktober en november 2013 belast. Tja, zo zou je het kunnen noemen. De verdediging acht het correcter om het als volgt te formuleren: Tijdens deze verhoren heeft [medeverdachte 1] getracht om zijn eigen rol bij de tenlastegelegde feiten tot in het onwerkelijke c.q. ridicule te bagatelliseren.
Zo verklaarde [medeverdachte 1] tijdens zijn eerste verhoor eind 2013 dat hij voor zijn bemoeienissen met de familie [verdachte] (u gelooft het niet; ik ook niet) helemaal geen geld heeft ontvangen. Niets! Dan verklaarde hij weer dat hem 15% van de opbrengst van een hennepkwekerij in het vooruitzicht was gesteld (€ 2.750,00 per oogst), die hij — uiteraard — nimmer heeft mogen ontvangen. Om uiteindelijk, schoorvoetend, te erkennen dat hij in totaal (!) toch wel — maximaal ingeschat — € 4.000,00 heeft gekregen voor al zijn werkzaamheden, waaronder voor zijn betrokkenheid bij negentien hennepkwekerijen. Dat gelooft toch helemaal niemand?! Nou ja, niemand… de Rechtbank helaas kennelijk wel.
Ook op materieel niveau probeert [medeverdachte 1] zichzelf hopeloos neer te zetten als onbeduidend knechtje van de grote baas [verdachte]. Hij zou alleen hebben bemiddeld bij het vinden van panden waarin door anderen hennepkwekerijen werden geïnstalleerd. Hennep en weed interesseren hem helemaal niet, bij het telen, oogsten en knippen van hennep is hij nooit betrokken geweest, zo luidde [medeverdachte 1]'s verklaring. We hebben de zaaksdossiers met betrekking tot de kwekerijen in[f-plaats], [d-plaats], [e-plaats] en [h-plaats] gelezen. Uit deze zaaksdossiers volgt toch wel een ander beeld van [medeverdachte 1]'s bemoeienissen bij deze kwekerijen. Zie hierover ook de pagina's 7 en 8 van de in eerste aanleg overgelegde pleitnota. Bij deze kwekerijen was de rol van [medeverdachte 1] beduidend groter dan het enkel huren van de panden.
Een belangrijk punt waaraan de Rechtbank compleet voorbij is gegaan, is dat de verdediging nog meer omstandigheden heeft benoemd op basis waarvan moet worden aangenomen dat [medeverdachte 1] cliënt zoveel mogelijk heeft willen belasten. Dat werd veroorzaakt door de geldschuld die [medeverdachte 1] bij cliënt en ook bij anderen had openstaan, en die maar niet door hem werd ingelost. Door het doen van aangifte tegen cliënt ter zake van zogenaamd afpersing en het afleggen van de verklaringen eind 2013 bewerkstelligde [medeverdachte 1] op eenvoudige wijze dat cliënt werd aangehouden en dat hij, [medeverdachte 1], bescherming kreeg van de politie. Het is teleurstellend dat de Rechtbank deze omstandigheden niet in de beoordeling heeft betrokken. Zij raken immers direct aan de betrouwbaarheid van de verklaringen die [medeverdachte 1] in 2013 heeft afgelegd.
In dit verband merkt de verdediging nog maar eens nadrukkelijk op dat de aangifte van [medeverdachte 1] tegen cliënt ter zake afpersing en het daaraan gekoppelde opsporingsonderzoek nog steeds niets belastends in de richting van cliënt heeft opgeleverd. Er mag inmiddels wel worden geconcludeerd dat die aangifte van [medeverdachte 1] een fabeltje was. En dus ook dat zijn vrijwel simultaan afgelegde verklaringen in 2013 uit louter verdichtsels hebben bestaan.
Resumerend: De door de Rechtbank in het vonnis aangedragen argumenten, op basis waarvan wordt geconcludeerd dat [medeverdachte 1] en zijn verklaringen betrouwbaar zijn te achten, zijn gedeeltelijk lacunair te achten en hebben de verdediging niet kunnen overtuigen. Evenals in eerste aanleg, wordt daarom ook in hoger beroep verzocht om de verklaringen van [medeverdachte 1], die hij in de maanden oktober en november 2013 bij de politie heeft afgelegd, niet tot het bewijs te gebruiken. De verklaringen zijn, gelet op de daarin voorkomende inconsistenties en het zwaarwegende motieven om cliënt te belasten, te onbetrouwbaar te achten.
Hierbij wordt nog opgemerkt dat [medeverdachte 1] in de zaak van cliënt in de fase van het hoger beroep niet kon worden gehoord als getuige. Hoewel het verzoek daartoe door de verdediging door het Hof is toegewezen en dezerzijds geen afstand is gedaan van het horen van deze getuige, heeft [medeverdachte 1] zichzelf onvindbaar gemaakt. Hiermee maakt [medeverdachte 1] het — wederom! — onmogelijk om zijn betrouwbaarheid te laten toetsen. Ik kan mij zo voorstellen dat niet alleen de verdediging, maar ook uw Hof die betrouwbaarheidstoets ook graag zelf had willen uitvoeren.
Bij de bespreking van de tenlastegelegde feiten zal de verdediging dan ook primair uitgaan van de situatie dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet als bewijsmiddel zullen worden gebruikt. Waar nodig zal, subsidiair, worden aangegeven dat, zelfs wanneer de verklaringen van [medeverdachte 1]wel bij de bewijsvoering zouden worden betrokken, dit niet tot een bewezenverklaring zou moeten leiden.’
1.8
In het arrest heeft het hof overwogen:
‘Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
()
Bewijsoverwegingen
()
Verweer: bewijsuitsluiting verklaring [medeverdachte 1]
De rechtbank heeft de bewezenverklaring van een groot aantal feiten opgehangen aan de verklaringen die door de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn afgelegd bij de politie in de maanden oktober en november 2013.
De verdediging heeft het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat deze verklaringen — kort gezegd — onbetrouwbaar zijn en derhalve van het bewijs moeten worden uitgesloten. Ter onderbouwing heeft de verdediging op een drietal aspecten gewezen (p.6 pleitnota verdediging).
In de eerste plaats zou [medeverdachte 1] belastend jegens verdachte hebben verklaard in de hoop daarmee een ‘deal’ met justitie te kunnen sluiten (p. 4 van de pleitnota).
In de tweede plaats heeft [medeverdachte 1] zijn verklaringen van eind 2013 op de inhoud van het dossier afgestemd. Zijn verklaringen bevatten reeds wat uit het dossier kenbaar was en [medeverdachte 1] heeft daar niets nieuws aan toegevoegd wat betrouwbaar is te achten (p. 7 pleitnota). In de derde plaats heeft [medeverdachte 1] door te verklaren weliswaar zichzelf belast maar heeft daarbij tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om zijn eigen rol te minimaliseren (p. 7 pleitnota).
In de vierde plaats zou [medeverdachte 1] geldschulden bij verdachte hebben uitstaan en door belastend te verklaren zou [medeverdachte 1] hebben bewerkstelligd dat verdachte vast werd gezet en hij bescherming kreeg van de politie.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
[medeverdachte 1] heeft zich aanvankelijk bij de politieverhoren (verhoren van 8 november 2011, p. 487 tot en met 6 februari 2012, p. 653) beroepen op zijn zwijgrecht. Vervolgens is [medeverdachte 1] vanaf 25 oktober 2013 gaan verklaren over zijn eigen rol en ook over die van verdachte en anderen.
Als eerste stelt het hof vast dat voor zover het hof de verklaringen van [medeverdachte 1] tot bewijs zal bezigen, deze niet op zich staan maar steun vinden in andere bewijsmiddelen. Zonder uitputtend te willen zijn wijst het hof op de kwekerij te [e-plaats], waar de verklaring van [medeverdachte 1] steun vindt in mastgegevens. Bij de kwekerij te[f-plaats] vinden de verklaringen van [medeverdachte 1] steun in de inhoud van tapgesprekken en sms-berichten. Voor wat betreft de criminele organisatie wordt naast tapgesprekken ook een verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] gebezigd. Bij de aflevering van hennep te Roermond vindt de verklaring van [medeverdachte 1] steun in bevindingen gebaseerd op uitgevoerde observaties.
De verdediging stelt hiertegenover slechts in algemeenheden geschetste scenario's die de verklaringen van [medeverdachte 1] in een voor verdachte ongunstige zin zouden kunnen hebben beïnvloed. Nergens wordt het echter concreet of anderszins onderbouwd. Evenmin wordt door de verdediging uit een met de uit de bewijsmiddelen blijkende gegevens rijmend alternatiefscenario gegeven. Verder overweegt het hof dat [medeverdachte 1] in zijn verklaringen vanaf 25 oktober 2013 consistent heeft verklaard, voor zover deze verklaringen op onderdelen niet geheel eensluidend zijn, betreft het onderdelen van ondergeschikte aard die aan de betrouwbaarheid van diens verklaringen als geheel niet afdoen.
Gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] vanaf 25 oktober 2013 betrouwbaar zijn en er geen grond is deze verklaringen van het bewijs uit te sluiten. Dat verdachte zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht heeft beroepen doet hieraan niet af.’
1.9
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 augustus 2020 en 9 september 2020 blijkt niet dat het hof (opnieuw) de oproeping heeft gelast van de opgeroepen maar niet verschenen getuige [medeverdachte 1]. Uit het proces-verbaal noch uit het arrest volgt waarom het hof van die oproeping heeft afgezien.
1.10
In het arrest heeft het hof een aantal feiten bewezen verklaard. Zo heeft het hof bewezen verklaard, dat verdachte:
‘parketnummer: 04-800080-11
in de periode van 9 maart 2011 tot en met 29 augustus 2011, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met anderen,
- —
te [e-plaats], (in een pand gelegen aan de [b-straat 02]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 781 hennepplanten,
- —
te[f-plaats] (in een pand gelegen aan de [c-straat 03]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1050 hennepplanten,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft geteeld;
- 2,
hij op of omstreeks 27 april 2011 in de gemeente Roermond, opzettelijk heeft afgeleverd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
- 3.
hij in de periode van 13 augustus 2010 tot en met 8 november 2011 in de gemeente Roermond en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [medeverdachte 1] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11, derde en vijfde lid, namelijk het meermalen telkens bewerken, telen, verwerken en afleveren van een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
- 4.
hij in de periode van 1 december 2005 tot en met 8 november 2011, in de gemeente Roermond en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders van een voorwerp, te weten:
- —
een personenauto (merk BMW, type X5),
de rechthebbende verhuld
en
voorwerpen, te weten:
- —
een pand gelegen aan de [e-straat 05] te [c-plaats] en
- —
een pand gelegen aan de [h-straat 08 te c-plaats] en
- —
een pand gelegen aan de [j-straat 10 te c-plaats] en
- —
een personenauto (merk BMW, type M3) en
- —
een personenauto (merk BMW, type X 5)
verworven,
en
- —
geld omgezet,
terwijl hij en zijn mededaders (telkens) wisten dat die panden die personenauto's en dat geld
- —
onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf;
()
parketnummer: 04/850427-12
- 2.
hij in de periode van 2 maart 2011 tot en met 9 maart 2011 te [e-plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom) toebehorende aan Enexis B.V.;
- 4.
hij in de periode van 18 mei 2011 tot en met 20 juli 2011 te[f-plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), toebehorende aan Enexis B.V.;
- 6.
hij de periode van 5 maart 2010 tot en met 13 augustus 2010 te [h-plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom) toebehorende aan Enexis B.V.
- 8.
hij in de periode van 1 september 2011 tot en met 8 november 2011 te Hom, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
- —
[A] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten bestratingswerkzaamheden en,
- —
[B] heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten lichtbakken en het verlenen van diensten, te weten het ontwerpen en afhangen van lichtbakken en,
- —
[C] VOF heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten
dakbevestigingsmaterialen en het verlenen van diensten, te weten
dakbedekkingswerkzaamheden en,
- —
[D] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten het aanleggen van een gazon en bekiezeling en,
- —
[E] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten het leggen
van waterleiding en gasleiding, elektro werkzaamheden en het aansluiten van een heater en,
- —
[F] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten
het aanleggen van een gazon met beregeningsinstallatie en het aanleggen van een grindvlakte,
hebbende verdachte en zijn mededader toen aldaar telkens met voren omschreven oogmerk
- —
zakelijk weergegeven — valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide koper(s) en opdrachtgever(s), waardoor voornoemde
- —
[A] en,
- —
[B] en,
- —
[C] VOF en,
- —
[D] en,
- —
[E] en,
- —
[F],
werden bewogen tot bovenomschreven afgifte en het bovenomschreven verlenen van diensten.
- 10.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 8 november 2011 in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland meermalen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst(e)
- —
Europees schadeformulier en
- —
werkgeversverklaringen van [G] en/of [h] B.V.,
elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware die geschriften [e-plaats] en onvervalst,
bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte,
- —
voornoemd Europees schadeformulier heeft verstrekt aan een derde en
- —
voornoemde werkgeversverklaringen verstrekt althans getoond aan derden ten behoeve van het aanvragen van hypotheken,
en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat
- —
voornoemd Europees schadeformulier niet is ondertekend door [medeverdachte 2] en de op voornoemd Europees schadeformulier vermelde aanrijding niet heeft plaatsgevonden;
- —
voornoemde werkgeversverklaring van [G] niet is ondertekend door [betrokkene 1] en in strijd met de waarheid op voornoemde werkgeversverklaring van [G] is vermeld dat hij, verdachte, werknemer was;
- —
voornoemde werkgeversverklaring van [h] B.V. niet is ondertekend door [betrokkene 2] en in strijd met de waarheid op voornoemde werkgeversverklaring van [h] B.V. is vermeld dat hij, verdachte, werknemer was;
- 11.
hij in de periode van 14 januari 2011 tot en met 8 november 2011 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, Aegon Schadeverzekering N.V. heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk -zakelijk weergegeven — valselijk een Europees schadeformulier verstrekt aan een derde waardoor Aegon Schadeverzekering N.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;’
1.11
Met betrekking tot de bewezenverklaringen heeft het hof in het arrest onder meer overwogen:
‘Parketnummer 04/800080-11, feit 1
[b-straat 02] te [e-plaats]
De verdediging heeft ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de kwekerij aangetroffen aan het [b-straat 02] te [e-plaats] vrijspraak bepleit.
()
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het procesdossier blijkt, zakelijk weergegeven, het navolgende.
[medeverdachte 1] heeft verklaard1 dat hij — [medeverdachte 1] — het pand aan de [b-straat 02] te [e-plaats] heeft gehuurd voor zijn zus (het hof begrijpt: [betrokkene 5]). Samen met [verdachte] en zijn zus heeft er overleg plaatsgevonden om in die woning een kwekerij in te richten. [medeverdachte 1] heeft bemiddeld bij dit pand, [verdachte] verzorgde de plantjes en [medeverdachte 1] en zijn zus zouden samen 15% van de opbrengst krijgen. [verdachte] was de investeerder in en de eigenaar van de kwekerij.
()
Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte 1] omtrent de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Zijn verklaring vindt steun in de tot het bewijs gebezigde verklaring van [medeverdachte 2], in de observaties en in zendmastgegevens. Uit deze verklaringen komt naar voren dat verdachte een leidende en sturende rol had op grond waarvan zijn handelen naar het oordeel van het hof is aan te merken als die van medepleger.
()
[c-straat 03] te [f-plaats]
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het feit met betrekking tot de aangetroffen kwekerij aan de [c-straat 03] te[f-plaats] dient te worden vrijgesproken.
()
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt onder meer, zakelijk weergegeven, het navolgende.
Ten tijde van deze kwekerij verbleef verdachte in Turkije.
[medeverdachte 1] heeft over de betrokkenheid van verdachte bij deze kwekerij onder meer verklaard op verzoek van verdachte dit pand te hebben gehuurd.
()
Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte 1] omtrent de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. [medeverdachte 1] verklaring vindt steun in de tot bewijs gebezigde tapgesprekken. Daaruit blijkt van een grotere rol van verdachte dan het enkele leveren van kweekmaterialen. Uit deze verklaring van [medeverdachte 1] en de overige bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte een leidende en sturende rol had en zijn handelen is aan te merken als die van medepleger.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.
Parketnummer 04/800080-11 feit 2
Onder feit 2 van parketnummer 04/800080-11 is door de rechtbank bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk heeft afgeleverd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit omdat niet vaststaat dat de op 27 april 2011 in een verborgen ruimte in de schuur bij het pand [m-straat 13 te e-plaats] door de politie aangetroffen hennep afkomstig is uit de garage bij de woning van verdachte te Roermond.
()
Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte 1] omtrent de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. [medeverdachte 1]s verklaring vindt steun in de tot bewijs gebezigde tapgesprekken en in het SMS-verkeer, waarbij in versluierde taal werd gecommuniceerd, in de observaties voor de woning van verdachte en tenslotte in het aantreffen van hennep in de garage aan de [m-straat] .
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de bevindingen uit de observatie bij de woning aan de [e-straat 05], in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen, redengevend zijn voor het bewijs en dat van verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring mocht worden verlangd, welke — zo heeft het hof met de rechtbank vastgesteld — is uitgebleven.
Het andersluidende standpunt van de verdediging verworpen.
Parketnummer 04/800080-11 feit 3
Onder feit 3 van parketnummer 04/800080-11 is aan verdachte ten laste gelegd artikel 11a (oud) Opiumwet in welke wetsartikel het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid Opiumwet is strafbaar gesteld.
()
[medeverdachte 1] heeft over de criminele organisatie onder meer verklaard dat verdachte alles aanstuurde en dat de activiteiten bestonden uit het telen van hennep.()
()
Het hof heeft geen reden te twijfelen aan [medeverdachte 1]s verklaring omtrent het bestaan van een criminele organisatie met betrekking tot de hennepteelt. Zijn verklaring vindt bevestiging in de verklaring van [medeverdachte 2], de grote hoeveelheid tapgesprekken, waarbij gebruik werd gemaakt van versluierd en gecodeerde taal en waaruit ook van een zekere hiërarchie en taakverdeling blijkt.
()
Parketnummer 04/800080-11, feit 4 en parketnummer 04/850427, feit 10
()
Witwassen panden en valsheid in geschrift
Resteert het witwassen van de panden gelegen aan:
- —
de [e-straat 05] te [c-plaats];
- —
de [h-straat 08 te c-plaats];
- —
de [j-straat 10 te c-plaats].
()
Witwassen pand [j-straat 10 te c-plaats] en werkgeversverklaring van [h] International BV
()
Op 9 oktober 2009 heeft verdachte een pand aan de [j-straat 10 te c-plaats] gekocht waarop een hypotheek werd gevestigd. De hypotheek is verkregen op basis van een werkgeversverklaring op naam van [betrokkene 2] en bijbehorende salarisspecificatie, afgegeven voor verdachte in verband met zijn dienstverband bij [h] BV.29
[betrokkene 2] heeft nadat hem de werkgeversverklaring en de salarisspecificatie werden getoond verklaard dat hij deze niet kent, dat het niet zijn handtekening is op de verklaring en dat dit het handschrift van [medeverdachte 1] is. Ook denkt hij dat [h] BV een functie als salesmanager zoals verdachte op de loonstrook wordt genoemd niet nodig heeft omdat het bedrijf nooit activiteiten heeft verricht.30
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij verdachte op diens verzoek een of twee maanden op de loonlijst van [h] BV heeft gezet en dat verdachte zelf de premies en het salaris heeft betaald, dat verdachte daarna het pand aan de [j-straat] heeft gekocht.
Verdachte heeft nooit werkzaamheden voor [h] BV verricht maar had de werkgeversverklaring en salarisspecificatie nodig ter verkrijging van een hypotheek.31
Het hof heeft geen reden te twijfelen aan hetgeen [medeverdachte 1] heeft verklaard, nu zijn verklaring steun vindt in de verklaring van zijn broer [betrokkene 6]. Nu [medeverdachte 1]verdachte op diens verzoek op de loonlijst had gezet en de werkgeversverklaring en salarisspecificatie nodig had ter verkrijging van een hypotheek volgt daaruit reeds de wetenschap van verdachte omtrent de valsheid van die geschriften.
Nu de werkgeversverklaring ten name van [h] B.V. vals was volgt daaruit tevens dat de salarisspecificatie vals was en dat verdachte daarvan gebruik heeft gemaakt, zodat dit eveneens bewezen is.
Het hof verwerpt het andersluidende standpunt van de verdediging.
In verband met het witwassen van het pand oordeelt het hof als volgt.
Verdachte heeft door middel van het gebruik van een valse geschriften, te weten een valse werkgeversverklaring en salarisspecificatie, een hypothecaire lening afgesloten waarna verdachte de uit deze hypothecaire lening verkregen gelden heeft aangewend voor de aankoop van het pand aan de [j-straat 10 te c-plaats]. Dit pand is derhalve door verdachte verworven terwijl hij wist dat dit middellijk uit misdrijf afkomstig was, te weten door gebruik van vals geschriften.
()
Ten aanzien van parketnummer 04/850427-12
Feiten 2, 4 en 5
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de diefstal van stroom ten behoeve van de hennepkwekerijen te [e-plaats],[f-plaats] en te [h-plaats] (pleitnota p. 42 e.v.) nu verdachte of niet bij die kwekerij betrokken is geweest (kwekerij te [e-plaats]) dan wel geen wetenschap heeft gehad van de diefstal van stroom (kwekerijen te[f-plaats] en [h-plaats]).
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
()
Uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen volgt dat er bij de opiumwetdelicten sprake was van een zekere taakverdeling. Deze taakverdeling kwam ongeveer erop neer dat verdachte iedereen aanstuurde en alles financierde. Verdachte was de hoofdman. Anderen hielpen verdachte. Zo regelde [medeverdachte 1]de panden waarin de kwekerijen werden gevestigd en nam hij verdachte waar bij diens afwezigheid. Daarnaast waren er anderen die de kwekerijen opbouwden en de stroomvoorziening verzorgden en bewaakten. Ten aanzien van de kwekerij te [e-plaats] heeft [betrokkene 5] verklaard dat de boete die ze had gekregen (het hof begrijpt: de afname van elektriciteit) aan [medeverdachte 1] had gegeven en dat deze op zijn beurt het weer doorgaf aan verdachte die tot betaling ervan overging. Ten aanzien van de kwekerij te [h-plaats] heeft de getuige [getuige 4] niet alleen verklaard dat verdachte de grote baas was, maar ook dat deze hem iedere keer geld voor de huur maar ook voor de Essent (hof: elektriciteitsleverancier). Verdachte betaalde alles.
Gelet op de rol die verdachte vervulde als medepleger bij de hennepteelt en als deelnemer in de criminele organisatie -te weten als de grote man die alles aanstuurde en regelde — kan het niet anders zijn dan dat hij wetenschap had van de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de kwekerijen. Dat is expliciet gebleken ten aanzien van de hennepkwekerij te [e-plaats] en het ligt voor de hand dat dit- gelet op de rol die verdachte telkens vervulde — ook gold voor de andere kwekerijen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de diefstal van de elektriciteit onderdeel vormde van de nauwe samenwerking en dat de verdachte die diefstal derhalve heeft medegepleegd.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.
Feit 8
De aanleiding voor dit feit zit in tapgesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1]over de aankoop van spullen ten behoeve van de [k-straat 11 te d-plaats], het pand van Besutan Ltd waar meerderde bedrijven zijn gevestigd van de familie [verdachte]. De bestellingen zijn gedaan door [K] BV, dat op naam staat van [medeverdachte 1], waarbij de goederen zijn geleverd maar de rekeningen niet zijn betaald.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van feit 8 dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet wist dat [medeverdachte 1] de door hem bestelde en geleverde diensten en/of goederen niet zou gaan betalen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
()
In de aangiften van [A] en [B] wordt verdachte benoemd als opdrachtgever. Als de persoon die zij zien als de baas.39 Ook'in de aangiften van [D] en [E] volgt dat verdachte zich inhoudelijk met de bestelling bemoeide.40
Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat verdachte feitelijk degene was die voordeel had van de geleverde goederen en die een initiërende rol had in deze opzet. ()
()
Het hof heeft geen redenen te twijfelen aan hetgeen [medeverdachte 1] heeft verklaard over de rol die verdachte bij deze oplichtingen heeft gespeeld. Verdachte was de initiator en bepaalde wat er moest gebeuren. De verklaringen van [medeverdachte 1] vinden bevestiging in meerdere tapgesprekken waaruit onder meer volgt dat [medeverdachte 1]verantwoording aan verdachte moest afleggen. Ook uit de aangiften volgt dat verdachte als aanspreekpunt fungeerde en mededeelde wat er diende te gebeuren.
Het hof acht het hoogst onaannemelijk dat verdachte — gelet op zijn leidende en actieve rol in het geheel — geen wetenschap had van de omstandigheid dat de rekeningen niet betaald zouden worden. Het hof betrekt bij dit oordeel dat verdachte er belang bij had dat het pand aan de [k-straat 11 ]werd opgeknapt omdat daarin ook een groot deel van de bedrijven van de familie [verdachte] was gehuisvest.
Naar het oordeel van het hof heeft verdachte een dusdanige wezenlijke bijdrage aan de oplichtingen geleverd dat er sprake is van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] en zijn handelen derhalve als die van medepleger dienen te worden gekwalificeerd.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.
Feiten 10 en 11 en het Europees schadeformulier
De feiten 10 en 11 hangen met elkaar samen voor wat betreft het gebruik van een vervalst schadeformulier. Verdachte wordt verweten dat hij een schadeformulier als [e-plaats] en onvervalst heeft gebruikt (feit 10) en dat hij op die manier de verzekeringsmaatschappij
Aegon Verzekeringen N.V. heeft bewogen tot de afgifte van enig goed (feit 11).
()
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat er geen aanrijding is geweest. Dat dit allemaal een idee van verdachte was en dat er wel vaker een ongeval in scene werd gezet om geld te vangen.
[medeverdachte 1] geeft aan dat hij dit formulier niet heeft ingevuld. Wie dat dan wel heeft gedaan, weet hij niet, wel weet hij zeker dat de aanrijding niet heeft plaatsgevonden.53
()
Het hof heeft geen redenen te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte 1] dat er geen aanrijding heeft plaatsgevonden en dat dit door verdachte in scene was gezet om geld te vangen. Zoals wel vaker gebeurde. Zijn verklaring vindt steun in die van [betrokkene 5]. De getuige [getuige 5] verklaart weliswaar over een aanrijding, maar niet de onderhavige.
Het hof is van oordeel dat geen aanrijding heeft plaatsgevonden, dat het daarvan opgemaakte schadeformulier valselijk is opgemaakt en door verdachte is gebruikt ter verkrijging van een schade-uitkering van Aegon Schadeverzekeringen N.V.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.
()’
1.12
Ingeval dat de op verzoek van de verdediging opgeroepen en door de rechter toegewezen getuige niet ter zitting verschijnt, heeft de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring.
1.13
Het uitgangspunt was en is dat:1.
‘Article 6 § 3 (d) enshrines the principle that, before an accused can be convicted, all evidence against him must normally be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument.’
1.14
Dat het uitgangspunt dus is dat een (belastende) getuige ter zitting door de rechter zelf zal moeten worden gehoord blijkt ook uit de uitspraak in de zaak Blokhin2. van 23 maart 2016 en is ook nog eens onderstreept in de zaak Cafagna3.:
‘The Court observed that C.C. had been questioned by the carabinieri but had never appeared before the trial court. Therefore, neither the latter nor the applicant had been able to observe him during questioning in order to assess his credibility and the reliability of his statements.
The Court also noted that the domestic courts had based their decisions not just on C.C.'s statements but also on the testimony of the carabiniere L.R. It observed that the Court of Appeal had examined C.C. 's credibility with care before concluding that his statements were sufficiently reliable.
Nevertheless, the Court considered that the examination by the domestic courts of the evidence of the applicant's guilt had not been sufficient, by itself to compensate for the fact that the witness had not been questioned by the defence. However thorough the examination conducted by the trial court, it was not capable of providing the information that could be gleaned from a confrontation at a public hearing between the accused and his or her accuser, and hence of testing the reliability of the evidence. The Court therefore concluded that Mr Cafagna's defence rights had been restricted in a manner incompatible with the requirements of a fair trial, and found a violation of his right to a fair trial.’ (Press Release).
1.15
Het uitgangspunt dat de getuige ter terechtzitting ten overstaan van de rechter die uiteindelijk over de zaak beslist moet worden gehoord is voorts nog eens herhaald en tot uitdrukking gebracht in de zaak Chernika4.:
‘(ii) The principle of immediacy
- 47.
The Court has held that an important element of fair criminal proceedings is the possibility for the accused to be confronted with a witness in the presence of the judge who will ultimately decide the case. This principle of immediacy is an important guarantee in criminal proceedings in which the observations made by the court about the demeanour and credibility of a witness may have important consequences for the accused. Therefore, a change in the composition of the trial court after the hearing of an important witness should normally lead to the rehearing of that witness (see P.K. v. Finland (dec.), no. 37442/97, 9 July 2002).’
1.16
Bij de beantwoording van de vraag of nog sprake is van een ‘eerlijk proces’ hanteert het EHRM een drietrapsraket.5. De eerste vraag die het EHRM in zaken als de onderhavige pleegt te onderzoeken, is of er ‘a good reason’ was voor (1) het feit dat de getuige niet ter terechtzitting door de verdediging ondervraagd kon worden en voor (2) het feit dat diens verklaring desondanks voor het bewijs werd gebruikt. Het accent bij deze twee deelvragen ligt op de eerste deelvraag. In deze fase van de driestappentoets gaat het EHRM na of en zo ja in hoeverre de justitiële en rechterlijke autoriteiten enig verwijt treft voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van de getuige. Het EHRM legt de lat hoog. Van de autoriteiten wordt het nodige verwacht teneinde te bewerkstelligen dat de getuige in het strafproces behoorlijk en effectief kan worden ondervraagd.6. Als er een goede reden is voor de onmogelijkheid van ondervraging (de getuige is bijvoorbeeld overleden), dan brengt ‘the interest of justice’ (waarachter de positieve verplichting schuil gaat om te voorzien in een effectieve strafvervolging) doorgaans mee dat het gebruik van de verklaring gerechtvaardigd is.7. Bij die eerste deelvraag gaat het om het ondervragingsrecht ter terechtzitting. Dat wordt fraai geïllustreerd door de zaak Aigner tegen Oostenrijk. Klager werd vervolgd wegens poging tot verkrachting. Het slachtoffer werd in het vooronderzoek gehoord door de rechter-commissaris in het bijzijn van de verdediging die haar kon ondervragen. De gevolgde procedure bracht mee dat het slachtoffer naar Oostenrijks recht ontheven was van de verplichting om ter terechtzitting te getuigen. Het EHRM onderzocht eerst of er voor de niet-verschijning van het slachtoffer ter zitting een goede reden was en accepteerde dat die reden gevonden kon worden in de bescherming van het slachtoffer tegen secundaire victimisatie. Het feit dat er gelegenheid tot ondervraging was geweest bij de rechter-commissaris merkte het EHRM vervolgens aan als een ‘counterbalancing factor’.8.
1.17
Eerder heeft de Hoge Raad wel geoordeeld dat indien een door de rechter opgeroepen getuige niet ter terechtzitting verschijnt en het proces-verbaal van de terechtzitting niet vermeldt dat de advocaat-generaal bij het hof en de verdediging op de voet van art. 288, derde lid, Sv uitdrukkelijk hebben ingestemd met het afzien van de hernieuwde oproeping van de daar niet verschenen getuige de rechter op grond van het ook in hoger beroep toepasselijke voorschrift van art. 287, derde lid, Sv de hernieuwde oproeping van die getuige moet bevelen. Daarvan kon (o.g.v. art. 288 lid 3 Sv) slechts bij een met redenen omklede beslissing worden afgezien op de grond hetzij dat het onaannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen, hetzij dat het gegronde vermoeden bestond dat de gezondheidstoestand van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting ernstig in gevaar zou worden gebracht, hetzij dat door het achterwege blijven van de oproeping redelijkerwijs noch het openbaar ministerie in de vervolging noch de verdachte in zijn verdediging werd geschaad. Indien zo'n beslissing ontbrak leidde het ontbreken tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gewezen einduitspraak.9. Nadien heeft de Hoge Raad de verantwoordelijkheid voor het nakomen van de uit art. 6 EVRM voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de waarborging van een eerlijk proces in de schoenen van de verdediging geschoven. Indien een getuige bijvoorbeeld eerder onvindbaar zou zijn en de verdediging ter terechtzitting niet zou hebben gepersisteerd bij het verzoek de getuige te horen behoefde de rechter geen uitdrukkelijke beslissing op het verzoek te nemen.10. Dit is evenwel in strijd met de uit art. 6 EVRM voortvloeiende eisen.11.
1.18
Ook ten aanzien van het horen van (belastende) getuigen stelde de Hoge Raad in het verleden eisen aan de verdediging. Zo diende het verzoek door de verdediging te worden onderbouwd omdat van de verdediging mocht worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing.12.
1.19
In de zaak Keskin tegen Nederland13. heeft het EHRM evenwel de in Nederland gangbare praktijk als niet juist bestempeld. In deze uitspraak heeft het EHRM (onder meer en andermaal) benadrukt dat de driestappentoets onverkort geldt. Voorts heeft het EHRM aangegeven dat het ondervragingsrecht niet afhankelijk mag worden gesteld van de omstandigheid dat een verdachte geen beroep heeft gedaan op zijn zwijgrecht en dat het verdedigingsbelang moet worden verondersteld bij het verzoek van de verdediging om een belastende getuige te ondervragen.
1.20
In het zogenaamde Post-Keskin arrest14. van de Hoge Raad heeft de Hoge Raad de eerdere jurisprudentie bijgesteld. De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft volgens de Hoge Raad tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al — in het vooronderzoek of anderszins — een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen. Wel kan (nog steeds) een verzoek worden afgewezen. Zo'n verzoek kan worden afgewezen op de — in artikel 288 lid 1 Sv genoemde, maar ook voor de toepassing van artikel 315 Sv van belang zijnde — gronden dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, of dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. Verder verzet artikel 6 EVRM zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (‘manifestly irrelevant or redundant’) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. De Hoge Raad stelt voorts dat de rechter, voordat hij einduitspraak doet, moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het — wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt — des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht. Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij het oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. In die gevallen zal indringender dan voorheen de vraag onder ogen moeten worden gezien of een ondervragingsgelegenheid kan en moet worden gerealiseerd. Daarnaast onderstreept de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin het belang dat de rechter, alvorens de bewezenverklaring wordt aangenomen mede op grond van de verklaring van een niet-ondervraagde getuige, nagaat of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
1.21
Nadien heeft de Hoge Raad onder meer gesteld dat voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie nog altijd een belangrijke beoordelingsfactor is. Dat doet er volgens de Hoge Raad echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te worden beschouwd.15. Voorts heeft de Hoge Raad aangegeven dat de verdediging ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg of in hoger beroep verzoeken kan doen tot het (opnieuw) oproepen en horen van getuigen. Zo'n verzoek kan worden afgewezen indien (bijvoorbeeld) de rechter tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Voor het oordeel dat zich een dergelijke situatie voordoet, zijn onder meer van belang de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde ter terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging.16. Bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen, kan de omstandigheid dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad vragen te stellen aan een getuige voorts tot op zekere hoogte compensatie bieden voor het niet ten volle realiseren van de uitoefening van het ondervragingsrecht.17.
1.22
In de onderhavige zaak heeft het hof het belang van de getuige [medeverdachte 1] onderkend en ook besloten dat de getuige moest worden gehoord, ondanks de omstandigheid dat (uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat) de getuige eerder in eerste aanleg door de rechter-commissaris in het bijzijn van de verdediging is gehoord. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de getuige niet is verschenen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting noch uit het arrest volgt dat het hof heeft vastgesteld dat er ‘a good reason’ was voor het feit dat de getuige niet ter terechtzitting door de verdediging ondervraagd kon worden en bij een met redenen omklede beslissing heeft geoordeeld dat moet worden afgezien van het opnieuw oproepen van de getuige op de grond hetzij dat het onaannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen, hetzij dat het gegronde vermoeden bestond dat de gezondheidstoestand van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting ernstig in gevaar zou worden gebracht, hetzij dat door het achterwege blijven van de oproeping redelijkerwijs (noch het openbaar ministerie in de vervolging) noch de verdachte in zijn verdediging werd geschaad. Gelet hierop zijn het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest nietig.
1.23
Voorts heeft het hof de verklaringen van [medeverdachte 1] ten onrechte voor het bewijs gebezigd, nu de getuige ondanks het toegewezen verzoek daartoe niet is gehoord in hoger beroep, terwijl zijn verklaringen belastend zijn en door de rechtbank en het hof voor het bewijs zijn gebezigd, terwijl ook gezegd kan worden de bewezenverklaringen ten aanzien van de hierboven in 1.10 genoemde feiten in beslissende mate op die verklaring(en) steunt. Voorts blijkt niet dat het hof, alvorens de bewezenverklaring wordt aangenomen mede op grond van de verklaring van een niet-ondervraagde getuige, is nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. De omstandigheid dat de getuige in eerste aanleg in het bijzijn van de verdediging bij de rechter-commissaris is gehoord doet daar niet aan af, nu het hof het belang van het opnieuw horen van de getuige in hoger beroep heeft onderkend, zodat in cassatie het belang bij het oproepen en horen van de getuige moet worden voorondersteld. Dit klemt te meer nu uit het verhandelde ter terechtzitting ook volgt dat het hof kennelijk in de met de zaak van verdachte gelijktijdige behandelde zaak van de getuige/medeverdachte de betreffende getuige/ medeverdachte [medeverdachte 1] door middel van een skypeverbinding zou gaan horen, zodat de medeverdachte/getuige kennelijk wel door het hof/openbaar ministerie te traceren is geweest en door middel van de skypeverbinding zou kunnen worden gehoord. Het arrest, althans de bewezenverklaringen is/zijn derhalve onvoldoende met redenen omkleed.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 2B Opiumwet alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Onder feit 2 in de zaak met parketnummer 04/800080-11 is tenlastegelegd dat verdachte (verkort zakelijk weergegeven) op of omstreeks 27 april 2011 in de gemeente Roermond, opzettelijk heeft afgeleverd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep.
Door de verdediging is aangevoerd dat onvoldoende bewijs tegen verdachte voorhanden is, zodat hij moet worden vrijgesproken.
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte op of omstreeks 27 april 2011 in de gemeente Roermond hennep heeft afgeleverd.
Het hof heeft daartoe onder meer overwogen/geoordeeld verdachte op 27 april 2011 uit de garage behorende bij het perceel [e-straat 05] te [c-plaats] komt; er 3 auto's parkeren nabij het perceel [e-straat 05] te [c-plaats]; dat een van de drie auto's voor korte duur de garage ingereden wordt; dat nadat de auto uit de garage is gekomen, verdachte de voordeur open doet en dat de bestuurder van de auto de woning in gaat. Voorts heeft het hof overwogen/geoordeeld dat verdachte naar medeverdachte [betrokkene 6] belt, die zegt dat hij om de hoek staat; er twee auto's verschijnen; een van die auto's voor korte tijd in de garage verschijnt; de auto naar de [m-straat te e-plaats] rijdt en daar wordt uitgeladen. Het hof heeft voorts overwogen dat op 27 april 2011 op de [m-straat te e-plaats] een drogerij en hennep is aangetroffen en dat verdachte volgens getuige/medeverdachte [medeverdachte 1] hennep heeft geleverd.
Nu het hof bewezen heeft verklaard dat verdachte hennep heeft afgeleverd in de gemeente Roermond, terwijl uit de bewijsmiddelen slechts kan volgen dat hennep is afgeleverd in [e-plaats], welke plaats valt onder de gemeente [e-plaats], is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Voor zover het oordeel van het hof zo moet worden gelezen dat de drugs in Roermond — in het pand aan de [e-straat] — zijn afgeleverd wordt opgemerkt dat dat niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kan volgen, zodat de bewezenverklaring (ook in dat geval) onvoldoende met redenen is omkleed.
Toelichting
2.1
Dit middel keert zich tegen de bewezenverklaring van feit 2 en bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Aan verdachte is ten laste gelegd, dat:
- ‘2.
hij op of omstreeks 27 april 2011 in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of vertrekt of vervoerd een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 104,32 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.’
2.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is onder meer gerelateerd dat mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. In deze pleitaantekeningen is onder meer vermeld:
‘Feit 2 ([e-straat 05] te [c-plaats])
De Rechtbank heeft cliënt vrijgesproken van betrokkenheid bij de hennepdrogerij in de schuur die behoort tot het pand aan de [m-straat 13 te e-plaats], omdat de Rechtbank er vanuit gaat dat het cliënt is geweest die een deel van de aldaar door de politie aangetroffen hennep eerder op 27 april 2011 heeft geleverd aan [betrokkene 6] (vonnis, p. 27). Bij de aanvang van dit pleidooi is betoogd dat zulks een beschermde vrijspraak betreft in de zin van art. 404 leden 1 en 5 Sv. Maar dit impliceert, naar de mening van de verdediging, niet dat de bewezenverklaring door de Rechtbank van het tweede feit op de inleidende dagvaarding met eerstelijns parketnummer 04/800080-11 terecht zou zijn.
De bewezenverklaring van dit feit door de Rechtbank steunt zwaar op de waarnemingen van de politie tijdens een observatie van cliënt's woning op 27 april 2011. Er is gezien dat een Honda Concerto kortstondig in de garage wordt geparkeerd die behoort tot de woning van cliënt. De politie volgt deze Honda vervolgens tijdens de rit naar de [m-straat 13 te e-plaats]. De Honda wordt met de achterzijde van de auto naar de woning geparkeerd en de politie ziet dat er kennelijk goederen vanuit de Honda worden gedragen in de richting van de woning (p. 1958).
Omdat vervolgens in een verborgen ruimte in de schuur bij het pand [m-straat 13] door de politie hennep wordt aangetroffen, gaat de Rechtbank er vanuit dat er hennep is overgedragen in de garage die behoort tot client's woning aan de [e-straat 05] te [c-plaats]. Die gevolgtrekking is, wat de verdediging betreft, te kort door de bocht genomen.
Er is namelijk veel wat we niet weten. Is er wel iets overgedragen in de garage die behoort bij client's woning aan de [e-straat 05] te [c-plaats]? Dat is onbekend gebleven. Zijn er feitelijk wel goederen vanuit de Honda in de woning aan de [m-straat 13 te e-plaats] gedragen? Ook dat staat feitelijk niet vast; er is immers slechts geobserveerd dat er ‘kennelijk’ goederen ‘in de richting van de woning’ worden gedragen. En zijn die ‘kennelijk’ ‘in de richting van de woning gedragen’ goederen ook in de verborgen ruimte in de schuur terecht gekomen? Dat weten we ook al niet. De overweging van de Rechtbank in het vonnis (p. 27), dat in het hok niets anders dan hennep en toebehoren voor de drogerij is aangetroffen, voegt mijns inziens dan ook niet zo heel veel toe. Het staat simpelweg niet vast dat die hennep afkomstig is uit de garage die bij client's woning te [c-plaats] behoort.
De Rechtbank heeft nog bij haar oordeelsvorming betrokken dat cliënt geen verklaring heeft afgelegd, terwijl de omstandigheden in het dossier van dien aard zijn dat deze om een verklaring vragen. Hiermee doelt de Rechtbank op de jurisprudentie van de Hoge Raad, die er op neerkomt dat de Rechter bij zijn bewijsoordeel in aanmerking mag hemen dat een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf beschouwd of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (o.a. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97).
Het komt mij voor dat, vóórdat het niet afleggen van een verklaring door de verdachte bij het bewijsoordeel wordt betrokken, de inhoud van de bewijsmiddelen an sich wel behoorlijk sluitend moet zijn. Zie in dit verband hetgeen in Het Nederlands strafprocesrecht wordt opgemerkt, onder verwijzing naar jurisprudentie van liet EHRM (2018, paragraaf XVI.12):
‘Het EHRM onderstreept daarbij dat, alvorens er gevolgen aan het zwijgen mogen worden verbonden, er sprake moet zijn van ‘a prima facie case’ of ‘a formidable case’, hetgeen wil zeggen dat er al dusdanig belastend bewijsmateriaal aanwezig is dat de constatering dat een toelichting van de zijde van de verdachte is uitgebleven, niet meer is dan de laatste schakel in de bewijsredenering. Het uitblijven van die toelichting is dus vooral een relevant gegeven omdat het bijdraagt aan de overtuigingskracht van het reeds beschikbare bewijsmateriaal.’
Welnu, van zo'n situatie is in het onderhavig zaaksdossier geen sprake. Teveel is onduidelijk gebleven, zo blijkt uit het voorgaande. De bewijsmiddelen zijn allerminst sluitend te noemen, als de verklaring van de bewoonster van de woning aan de [m-straat 13 te e-plaats] in ogenschouw wordt genomen. Zij verklaarde bij de politie, dat haar partner, [betrokkene 7], aan haar heeft verteld dat er al eerder dan 27 april 2011 hennep lag te drogen in de verborgen ruimte in de schuur (p. 2036–2037 en p. 2041).
Het mag duidelijk zijn: de feiten en omstandigheden in dit zaaksdossier zijn niet zodanig dat zij als het ware schreeuwen om een verklaring c.q. een uitleg van cliënt (vgl. o.a. Rechtbank Midden-Nederland 14 juni 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2823). Het Hof wordt om deze redenen verzocht om cliënt vrij te spreken van het tweede feit op de dagvaarding met eerstelijns parketnummer 04/800080-11.’
2.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
- ‘2.
hij op of omstreeks 27 april 2011 in de gemeente Roermond, opzettelijk heeft afgeleverd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.’
2.4
In het arrest heeft hof overwogen:
‘Parketnummer 04/800080-11 feit 2
Onder feit 2 van parketnummer 04/800080-11 is door de rechtbank bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk heeft afgeleverd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit omdat niet vaststaat dat de op 27 april 2011 in een verborgen ruimte in de schuur bij het pand [m-straat 13 te e-plaats] door de politie aangetroffen hennep afkomstig is uit de garage bij de woning van verdachte te Roermond. In het kader van dit verweer heeft de verdediging tevens aangevoerd dat de omstandigheden niet van dien aard waren dat van verdachte een aannemelijke, redengevende en ontzenuwende verklaring mocht worden verlangd, zoals de rechtbank heeft overwogen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt onder meer — zakelijk weergegeven — het navolgende.
Naar aanleiding van tapgesprekken en SMS-verkeer op 26 en 27 april 2011 ontstaat het vermoeden dat verdachte een afspraak heeft met [betrokkene 6].
Het observatieteam ziet op 27 april 2011 verdachte uit de garage behorende bij het perceel [e-straat 05] te [c-plaats] komen en ziet dat verdachte diverse malen op en neer loopt vanuit genoemde garage naar de doorgaande weg. Op enig moment wordt gezien dat 3 auto's parkeren nabij het perceel [e-straat 05] te [c-plaats]. In alle drie de auto's zit alleen een bestuurder. Een van de drie auto's wordt voor korte duur de garage ingereden. Nadat de auto weer uit de garage kwam gereden, wordt gezien dat door verdachte de voordeur van de woning aan de [e-straat 05] wordt geopend en dat de bestuurder van die auto de woning binnengaat. Terwijl dit gaande is, belt verdachte naar [betrokkene 6], die zegt dat hij om de hoek staat. Vervolgens verschijnen er twee auto's. Een van de auto's verdwijnt voor korte tijd in de garage. Gezien wordt wederom dat verdachte de voordeur van de woning opendoet. De auto rijdt naar de [m-straat] en wordt daar uitgeladen.
Op 27 april 2011 wordt bij een doorzoeking in de garage van het pand aan de [m-straat] naast een drogerij -tevens een hoeveelheid hennep aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de aangetroffen drogerij van [betrokkene 6] was, dat hij de drogerij zelf niet kent maar dat hij wel twee gesprekken heeft gehoord waaruit hij heeft afgeleid dat verdachte twee keer wiet aan [betrokkene 6] heeft geleverd. Ze hadden 80, 90 of 100 kilo natte wiet van verdachte gekocht. De drogerij zou niets met verdachte te maken hebben maar verdachte had wel het grootste deel hennep geleverd.
Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte 1] omtrent de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. [medeverdachte 1] verklaring vindt steun in de tot bewijs gebezigde tapgesprekken en in het SMS-verkeer, waarbij in versluierde taal werd gecommuniceerd, in de observaties voor de woning van verdachte en tenslotte in het aantreffen van hennep in de garage aan de [m-straat].
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de bevindingen uit de observatie bij de woning aan de [e-straat 05], in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen, redengevend zijn voor het bewijs en dat van verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring mocht worden verlangd, welke — zo heeft het hof met de rechtbank vastgesteld — is uitgebleven.
Het andersluidende standpunt van de verdediging verworpen.’
2.5
Als bewijsmiddelen heeft het hof gebruikt:
- ‘1.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 2071 e.v., voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op woensdag 27 april 2011 te 21:05 uur, traden wij verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5], [verbalisant 6], [verbalisant 7], [verbalisant 8] en [verbalisant 9] binnen in het pand [m-straat 13 te e-plaats].
()
Wij zagen dat er 3 grote zwarte sporttassen en een bigshopper met het opschrift Lidl stonden. In deze tassen en bigshopper werden gedroogde henneptoppen aangetroffen.
Verder zagen wij dat links in de ruimte (gezien vanuit toegangsdeur) 8 droogbedden waren gemonteerd tegen de wand. Wij zagen dat hierop halfgedroogde henneptoppen lagen.
()
- 2.
Proces-verbaal van observatie, p. 1947 e.v., betreffende [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats], voorzover inhoudende zakelijk weergegeven:
Op woensdag 27 april 201 I werden (hof: in het proces-verbaal is abusievelijk vermeld: 27 april 2010) de navolgende waarnemingen gedaan:
()
Omstreeks 16:15 uur zag ik, 139, dat de Honda Concerto en de Volkswagen Polo achter elkaar via de Munsterweg de [m-straat 13 te e-plaats] inreden.
Omstreeks 16:20 uur zag ik, 135, dat de Honda Concerto achteruit op de oprit stond van perceel [m-straat 13 te e-plaats]. De Honda was helemaal achterdoor op de oprit geplaatst en ik zag dat het linker-voorportier openstond evenals de achterklep. Voorts zag ik dat, twee, door mij niet herkenbare, mannen achter de Honda Concerto doende waren met kennelijk góederen vanuit de Honda te dragen richting de woning.
Omstreeks 16:26 uur zag ik, 115, dat de Honda Concerto, met alleen NN4 als bestuurder erin, wegreed vanaf de [m-straat] te [e-plaats].
Omstreeks 16:50 uur zag ik, 139, dat de Honda Concerto het woonwagenkamp opreed, gelegen aan de Heuvelstraat te Maasbracht.
Omstreeks 16:56 uur zag ik, 108, dat eerder genoemde Honda Concerto over de N276 reed, richting Susteren. Ik zag dat enkel de bestuurder in de Honda zat en dat deze man een donker petje droeg.
Omstreeks 17:11 uur zagen wij, 115 en 135, dat de Honda Concerto de oprit van perceel [m-straat 13 te e-plaats] opreed.
Omstreeks 19:20 uur, zag ik, 144, dat de grijze Honda Concerto, voorzien van het kenteken [AA-00-BB], vertrok vanaf de [m-straat 13 te e-plaats].
()
- 7.
Een los proces-verbaal opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 8], proces-verbaalnummer PL2365-20I 1 105816-234, inhoudende een verhoor van 25 oktober 2013 te 11:40 uur van [medeverdachte 1] en voorzover inhoudende als zijn verklaring, zakelijk weergegeven:
V: Dat brengt ons dan nu toch bij [e-plaats].
A: Ja, [e-plaats] wat ik heb gelezen zijn daar 104 kilo henneptoppen aangetroffen. Het betrof een drogerij. Zelf weet ik het niet. Met [e-plaats] heb ik helemaal niks te maken en voorheen heb ik ook nooit gehoord dat daar een drogerij was. Wat ik wel weet is dat de drogerij eigendom was van [betrokkene 6] en zijn zwager, ene [naam 4], waar ik de achternaam niet van weet.
V: Van wie heb je dat gehoord?
A: Ik weet dat [verdachte] bepaalde wiet heeft geleverd aan hun. Ik heb dat gehoord toen [verdachte] met hun daarover praatte.
V: Was jij bij die gesprekken aanwezig dan?
A: Ik was bij twee gesprekken aanwezig, maar niet bij de drogerij. Ik ken de hele drogerij niet. De mensen van de drogerij die kennen mij ook niet, en ik weet ook niet hoe de drogerij er uit ziet of waar ze precies ligt in [e-plaats]. Ik weet dat zij van [verdachte], 80, 90 of 100 kilo natte wiet hadden gekocht. Zij hadden [verdachte] nog niet daarvoor betaald. Daarna zijn zij naar de Nassaustraat gekomen bij [naam 5]. Daarvan weet ik liet. Daarna hebben ze een gedeelte betaald en een ander gedeelte zouden ze nog betalen.
V: Waar kwam die wiet vanaf dan ?
A: Dat weet ik niet waar die wiet vanaf kwam. Hij heeft geleverd aan [betrokkene 6] en [naam 4] en zij hebben toendertijd niet betaald. Ze hebben de helft eerst betaald. Het is geleverd en het is daarna eigenlijk direct opgerold. Of na een paar uurtjes. De afspraak met hen is normaal dat zij dan wat later het geld komen brengen.
V: Maar is die tweede termijn dan niet betaald?
A: Jawel, zij hebben alles betaald.’
2.6
De verklaring van een getuige kan ingevolge het bepaalde in artikel 342, eerste lid, Sv uitsluitend voor het bewijs worden gebruikt wanneer deze betrekking heeft op feiten en omstandigheden die de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden. Voorts moet de getuige zo veel mogelijk zijn redenen van wetenschap opgeven. Het element dat het moet gaan om ‘feiten en omstandigheden’ brengt met zich mee dat een getuigenverklaring geen gissing, veronderstelling, vermoedens of andere onzekere factoren mag bevatten. Een bewezenverklaring moet steunen op ‘harde feiten’ en niet op onzekerheden. Gissingen worden echter — indien ze kunnen worden gekoppeld aan een echte waarneming — nogal eens door de Hoge Raad toegelaten. Indien een dergelijke gissing echter niet aan een waarneming kan worden gekoppeld, wordt deze ontoelaatbaar geacht. Getuigenverklaringen mogen voorts geen conclusies behelzen. Daarmee zou een getuige zijn taak te buiten gaan. Het is immers de taak van de rechter uit het bewijsmateriaal conclusies te trekken.18.
2.7
Ten laste is gelegd is dat de verdachte op of omstreeks 27 april 2011 in de gemeente Roermond hennep heeft afgeleverd. Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. Het hof heeft het tenlastegelegde bewezen verklaard en daartoe overwogen dat op 27 april 2011 verdachte uit de garage behorende bij het perceel [e-straat 05] te [c-plaats] komt; er 3 auto's parkeren nabij het perceel [e-straat 05] te [c-plaats]; dat een van de drie auto's voor korte duur de garage ingereden wordt; dat nadat de auto uit de garage is gekomen, verdachte de voordeur open doet en dat de bestuurder van de auto de woning in gaat. Voorts heeft het hof overwogen dat verdachte naar [betrokkene 6] belt, die zegt dat hij om de hoek staat; er twee auto's verschijnen; een van die auto's voor korte tijd in de garage verschijnt; de auto naar de Houtzagerstraat rijdt en daar wordt uitgeladen. Het hof heeft voorts overwogen dat op 27 april 2011 op de [m-straat] een drogerij en hennep is aangetroffen en dat verdachte volgens [medeverdachte 1] heeft geleverd. Bewezenverklaard is echter dat verdachte hennep heeft afgeleverd in de gemeente Roermond, terwijl dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken, nu —indien aangenomen kan worden dat hennep is geleverd— de hennep is afgeleverd in [e-plaats], welke plaats valt onder de gemeente [e-plaats]. Niet kan worden gezegd dat het plaatsen van hennep in een auto met een bestemming om deze hennep elders af te leveren reeds afleveren als bedoeld in de Opiumwet oplevert. De Van Dale hanteert immers van afleveren de definitie ‘het op de afgesproken plaats bezorgen’.
2.7
Voor zover het oordeel van het hof zo moet worden gelezen dat de drugs in Roermond — in het pand aan de [e-straat] — zijn afgeleverd kan dit niet, althans niet zonder meer, uit de bewijsmiddelen volgen, nu het hof daarbij ten onrechte een door de getuige [medeverdachte 1] getrokken conclusie, te weten dat deze getuige de drogerij zelf niet kent maar dat hij wel twee gesprekken heeft gehoord waaruit hij heeft afgeleid dat verdachte twee keer wiet aan [betrokkene 6] heeft geleverd, als redengevend bewijsmiddel heeft gebruikt. Dit is in feite een gissing, een veronderstelling en niet iets wat de getuige heeft waargenomen, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
Middel III
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 11a (oud) Opiumwet alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Aan verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 13 augustus 2010 tot en met 8 november 2011 in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid, Opiumwet namelijk het (meermalen) (telkens) bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het aanwezig hebben van middelen of een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Door de verdediging is het verweer gevierd dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is onder meer aangevoerd dat niet is gebleken van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en van een gestructureerde en bestendige samenwerking.
Het hof heeft het verweer verworpen en het tenlastegelegde bewezen verklaard. Ten aanzien van het verweer heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld dat de organisatie zich gedurende een langere tijd — in ieder geval van 19 april 2011 tot 20 juli 2011 — met Opiumwetdelicten heeft beziggehouden en dat het hof-gelet op het vorenstaande- van oordeel is dat het samenwerkingsverband een duurzaam, gestructureerd en bestendig karakter had waardoor sprake was van een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet.
Het oordeel/de overweging van het hof, dat (reeds) sprake is van een duurzaam samenwerkingsverband nu het samenwerkingsverband gedurende ‘langere tijd’, te weten van 19 april 2011 tot 20 juli 2011, derhalve (slechts) ongeveer 3 maanden (dus iets meer dan één kweekcyclus van 10 weken) is onjuist, althans onbegrijpelijk.
Gelet hierop is de verwerping van het verweer/de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting:
3.1
Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 04/800080-11, feit 3 ten laste gelegd dat:
‘hij in of omstreeks de periode van 13 augustus 2010 tot en met 8 november 2011 in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid, namelijk het (meermalen) (telkens) bewerken, verwerken, verkopen, af leveren, verstrekken, vervoeren en/of het aanwezig hebben van middelen of een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II’
3.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is onder meer gerelateerd dat mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. In deze pleitaantekeningen is onder meer vermeld:
‘() Kan dan worden gesteld dat er sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en van een gestructureerde en bestendige samenwerking? De verdediging meent van niet (vgl. o.a. Rechtbank Amsterdam 20 december 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:9583 en Gerechtshof Amsterdam 16 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2326). Zou men eenmalige samenwerking wel beschouwen als deelneming aan een criminele organisatie dan zou er voor het ‘eenvoudig’ medeplegen van drugsgeralateerde feiten welhaast geen ruimte meer bestaan. Dat lijkt mij niet de bedoeling van de wetgever te zijn geweest met de invoering van art. 11a Opiumwet (oud).
Het Hof wordt daarom verzocht om cliënt vrij te spreken van het derde feit op de dagvaarding met eerstelijns parketnummer 04/800080-11.’
3.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘hij in de periode van 13 augustus 2010 tot en met 8 november 2011 in de gemeente Roermond en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [medeverdachte 1] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11, derde en vijfde lid, namelijk het meermalen telkens bewerken, telen, verwerken en afleveren van een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II’
3.4
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen:
‘De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor zover er al sprake is van een samenwerkingsverband tussen verdachte en anderen, deze niet een duurzaam, gestructureerd en bestendig karakter heeft gehad als vereist in artikel 11a (oud) Opiumwet en dat verdachte op die grond moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 la Opiumwet (oud), een zekere duurzaamheid en structuur vereist tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
()
De organisatie heeft zich gedurende een langere tijd — in ieder geval van 19 april 2011 tot 20 juli 2011 — met Opiumwetdelicten beziggehouden.
Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het samenwerkingsverband een duurzaam, gestructureerd en bestendig karakter had waardoor sprake was van een organisatie als bedoeld in artikel 1 la (oud) Opiumwet.
Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.’
3.5
Deelname aan een criminele organisatie betreft het deelnemen in feitelijke zin aan een gestructureerd samenwerkingsverband, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Om van deelnemen in de zin van deze bepaling te spreken worden twee algemene voorwaarden gesteld: (i) men moet behoren tot de organisatie; en (ii) de deelnemer moet een aandeel hebben in dan wel ondersteunen gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.19. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie20. of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.21. Daarnaast is het niet noodzakelijk dat de deelnemer op de hoogte is van de concrete strafbare feiten die door de organisatie worden gepleegd; het is voldoende dat vaststaat dat hij algemene wetenschap had dat het oogmerk van de organisatie het plegen van misdrijven is.22. Voorts geldt dat een bewezenverklaring van een bepaalde periode niet betekent dat de verdachte de hem verweten gedragingen gedurende de gehele periode heeft verricht.23. Als door de deelnemer in de context van de organisatie zelf misdrijven worden gepleegd, wordt aan dat opzetvereiste doorgaans voldaan.24. Onder een in art. 140 Sr en 11a Opiumwet bedoelde organisatie wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur.25. Voor duurzaamheid of bestendigheid is een zeker tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing. Daarvan was bijvoorbeeld nog geen sprake in het geval waarin gedurende de periode van 29 juni 2013 tot en met 28 juli 2013 chatsessies hadden plaatsgevonden over het binnen het grondgebied van Sint Maarten brengen van verdovende middelen.26.
3.6
Het oordeel/de overweging van het hof, dat (reeds) sprake is van een duurzaam samenwerkingsverband nu het samenwerkingsverband gedurende ‘langere tijd’, te weten van 19 april 2011 tot 20 juli 2011, derhalve (slechts) ongeveer 3 maanden (dus ongeveer één kweekcyclus van 10 weken27.) is onjuist, althans onbegrijpelijk. De omstandigheid dat in de bewezenverklaring een ruimere periode genoemd is doet daar overigens niet aan af nu het hof in het arrest immers uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat slechts in een periode van 3 maanden sprake is geweest van het samenwerkingsverband. Gelet hierop is de verwerping van het verweer/de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Middel IV
Aan de verdachte is onder de feiten de feiten 4 en 6 (in de zaak met parketnummer 04-850427-12) tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (verkort zakelijk weergegeven) het medeplegen van diefstal van elektriciteit.
Namens verdachte is door zijn raadsman vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet betrokken is geweest bij de hennepkwekerijen in de panden [a-straat 01] te [d-plaats], [b-straat 02] te [e-plaats] en de [d-straat 04] te [c-plaats]. Ten aanzien van het pand aan de [c-straat 03] te[f-plaats] en aan de [n-straat 14 te g-plaats] heeft de verdediging bepleit dat de verdachte geen substantiële bijdrage heeft geleverd en dat hij — ondanks de wetenschap van de kwekerijen — niet op de hoogte was van de diefstal van stroom en hij geen aandeel van voldoende omvang heeft gehad om van medeplegen te kunnen spreken. Door de verdediging is aangevoerd dat [medeverdachte 3] de man was die de kwekerijen aanlegde. Ook is aangevoerd met betrekking tot het pand [n-straat 14] te [h-plaats] dat niet kan volgen of verdachte heeft gezien of erbij was toen de zegels van de hoofdaansluitingskast werden verbroken.
Het hof heeft in het arrest overwogen/geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat het verdachte zelf is geweest die handelingen heeft verricht waardoor de elektriciteit werd weggenomen. Het hof heeft vervolgens vooropgesteld dat indien bewezen kan worden dat de verdachte bij het telen van de hennep zo nauw met de andere betrokkenen heeft samengewerkt dat van het medeplegen van telen kan worden gesproken en tevens blijkt dat de verdachte weet had van de illegale stroomvoorziening, daaruit in de regel kan worden afgeleid dat de diefstal van de elektriciteit onderdeel vormde van de nauwe samenwerking en dat de verdachte die diefstal derhalve heeft medegepleegd.
Het hof heeft ten aanzien van de hennepkwekerijen te [e-plaats] en [f-plaats] te [h-plaats] overwogen dat verdachte bij de hennepteelt zo nauw met anderen heeft samengewerkt dat van medeplegen sprake is en dat verdachte deelnemer was van een criminele organisatie die zich bezighield met opiumwetdelicten. Het hof heeft voorts overwogen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er bij de opiumwetdelicten sprake was van een zekere taakverdeling en deze taakverdeling erop neer kwam dat verdachte iedereen aanstuurde en alles financierde. Het hof heeft ook overwogen dat anderen de kwekerijen opbouwden en de stroomvoorziening verzorgden. In het arrest heeft het hof vervolgens geoordeeld/overwogen dat gelet op de rol die verdachte vervulde als medepleger bij de hennepteelt en als deelnemer in de criminele organisatie -te weten als de grote man die alles aanstuurde en regelde — het niet anders zijn dan dat hij wetenschap had van de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de kwekerijen, zodat de verdachte de diefstal van stroom heeft medegepleegd.
Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan evenwel niet, althans niet zonder meer, volgen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de diefstal van stroom en dat verdachte de feiten heeft medegepleegd, zodat de verwerping van het verweer/de bewezenverklaringen onvoldoende met redenen is/zijn omkleed.
Toelichting
4.1
Dit middel keert zich tegen de bewezenverklaringen van feiten 4 en 6 in de zaak met parketnummer 04-850427-12. Aan verdachte is ten laste gelegd, dat:
‘4.
hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2011 tot en met 20 juli 2011 te [f-plaats], in elk geval in de gemeente Roerdalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);
6.
hij in of omstreeks de periode van 05 maart 2010 tot en met 13 augustus 2010 te [h-plaats], in elk geval in de gemeente Peel en Maas, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders);’
4.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 augustus 2020 blijkt dat mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities, inhoudende onder meer:
‘Parketnummer 04/850427-12
Feiten 1 tot en met 6 (Stroomdiefstal)
Ik kom toe aan de bespreking van de feiten op de tweede in eerste aanleg uitgebrachte dagvaarding, die met parketnummer 04/850427-12. Daarop zijn onder de feiten één tot en ‘met zes telkens gevallen van diefstal van elektriciteit tenlastegelegd. Het derde feit behoeft geen bespreking. Dit betreft de stroomdiefstal in het kader van de hennepdrogerij in het pand [m-straat 13] Van dit feit is cliënt door de Rechtbank vrijgesproken, zodat het nu niet meer aan de orde is.
In het voorgaande is dezerzijds betoogd, dat cliënt zou dienen te worden vrijgesproken ter zake van betrokkenheid bij de hennepkwekerijen in de panden [a-straat 01] te [d-plaats], [b-straat 02] te [e-plaats] en de [d-straat 04] te Roermond. Dat houdt automatisch in dat ook wordt verzocht om cliënt vrij te spreken van de hieraan gekoppelde gevallen van diefstal van elektriciteit. Het betreft dan de feiten één, twee en vijf op deze dagvaarding.
Hoe zit het dan met de resterende gevallen van stroomdiefstal? Ik tel er nog twee, die samenhangen met de hennepkwekerijen in het pand aan de [c-straat 03] te[f-plaats] en aan de [n-straat 14 te g-plaats]
Ten aanzien van deze twee gevallen van stroomdiefstal heeft de verdediging er problemen mee dat door de Rechtbank bewezen is verklaard dat cliënt elektriciteit als medepleger heeft gestolen. De verdediging ontwaart niet waaruit de substantiële bijdrage van cliënt zou hebben bestaan bij de stroomdiefstal.
Uit de omstandigheid dat cliënt er van op de hoogte was dat er in deze panden hennep werd geteeld en cliënt daarbij mogelijkerwijs betrokken was, kan nog niet worden afgeleid dat hij (i) op de hoogte was van illegale stroomafname en (ii) dat hij in die stroomdiefstal een aandeel van afdoende omvang heeft gehad om te kunnen spreken van het medeplegen van die diefstal.
Bij dit alles moet overigens voorop worden gesteld dat betrokkenheid bij hennepteelt niet zonder meer betrokkenheid bij de met die hennepteelt gepaard gaande stroomdiefstal. De overweging van het Hof Amsterdam, die luidde:
‘Naar de ervaring leert gaat het illegaal telen van hennepplanten gepaard met het illegaal aftappen van electriciteit. Door het medeplegen van het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten heeft de verdachte, die ervaring had met het telen van hennepplanten, naar het oordeel van het hof, dan ook willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zich schuldig zou maken aan het medeplegen van diefstal van electriciteit, hetgeen ook is geschied.’
hield bij de Hoge Raad geen stand (HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0095).
Recenter merkte de Advocaat-Generaal Knigge op (ECLI:NL:PHR:2018:1223 sub 5.4):
‘De Hoge Raad toont zich streng als het gaat om het bewijs van het plegen of het medeplegen van diefstal van elektriciteit bij hennepteelt. Onvoldoende is dat uit de door de feitenrechter gebezigde bewijsmiddelen blijkt van betrokkenheid van de verdachte bij de hennepteelt. Daarmee is nog niet bewezen dat de verdachte ook betrokken was (al dan niet in de vorm van medeplegen) bij de diefstal van elektriciteit.’
Uit de bewijsmiddelen zal dus moeten blijken dat de verdachte wetenschap had van de illegale stroomafname en dat hij hierin een substantieel aandeel heeft gehad. Van het één noch het ander is in de zaak van cliënt gebleken.
Ten aanzien van de hennepkwekerij in het pand [c-straat 03] te -[f-plaats] blijkt, naar de mening van de verdediging, in het geheel niet dat cliënt wetenschap zou dragen van illegale stroomafname. Die wetenschap kan niet worden afgeleid uit de door de Rechtbank gememoreerde ‘vaste werkwijze’, waaruit volgt dat [medeverdachte 3] de man was die de kwekerijen aanlegde. Dat er door iemand een kwekerij wordt aangelegd, impliceert niet dat de stroomafname dus illegaal plaatsvindt. In eerste aanleg heeft de verdediging al gewezen op hetgeen de Advocaat-Generaal Aben stelde (ECLI:NL:PHR:2015:2203):
‘Uit geen van de bewijsmiddelen blijkt van daadwerkelijke bemoeienis van de verdachte met de diefstal van elektriciteit. Evenmin blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen, gericht op een dergelijke diefstal. De omstandigheid dat het hof kon aannemen dat verdachte tezamen en in vereniging — kort gezegd — hennep heeft geteeld, neemt niet weg dat de verdachte in de veronderstelling kan zijn geweest dat het elektriciteitsgebruik, ten behoeve van de kwekerij, op legale wijze plaats vond. Nu de bewezenverklaring, voor zover deze ziet op de diefstal met braak van elektriciteit, tezamen en in vereniging met een ander gepleegd, niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, is het arrest in zoverre onvoldoende met redenen omkleed.’
Die overweging zou ook in de zaak van cliënt opgeld moeten doen.
Ten aanzien van de hennepkwekerij in het pand [0-straat 15] te [h-plaats] heeft de Rechtbank voor het bewijs ook de verklaring van mevrouw [naam 8] gebruikt, waaruit blijkt dat cliënt erbij was geweest toen de kwekerij werd aangelegd (vonnis, p. 29], Uit de verklaring van [naam 8] volgt echter niet dat cliënt heeft gezien of erbij was toen de zegels van de hoofdaansluitkast werden verbroken. [naam 8] heeft alleen maar gezien dat cliënt buizen en een soort box voor de luchtslangen op aan te sluiten heeft gebracht (p. 3761 p-v politie). Dat heeft klaarblijkelijk niets met de stroomtoevoer te maken, maar eerder met de luchtafvoer. Dus ook ten aanzien van deze hennepkwekerij is niet wettig en overtuigend bewezen te achten dat cliënt wist van de stroomdiefstal danwel dat hij daarbij een wezenlijke rol heeft gespeeld zodat van medeplegen zou kunnen worden gesproken.
Het verzoek aan het Hof is derhalve om cliënt ook vrij te spreken van de feiten vier en zes op deze dagvaarding.’
4.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘4.
hij in de periode van 18 mei 2011 tot en met 20 juli 2011 te[f-plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), toebehorende aan Enexis B.V.
6.
hij de periode van 5 maart 2010 tot en met 13 augustus 2010 te [h-plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom) toebehorende aan Enexis B.V.’
4.4
In het arrest heeft het hof overwogen:
‘Ten aanzien van parketnummer 04/850427-12
Feiten 2, 4 en 5
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de diefstal van stroom ten behoeve van de hennepkwekerijen te [e-plaats],[f-plaats] en te [h-plaats] (pleitnota p. 42 e.v.) nu verdachte of niet bij die kwekerij betrokken is geweest (kwekerij te [e-plaats]) dan wel geen wetenschap heeft gehad van de diefstal van stroom (kwekerijen te [f-plaats] en [h-plaats]).
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt onder meer — zakelijk weergegeven — het navolgende.
Ten aanzien van de kwekerijen te [e-plaats], [f-plaats] en [h-plaats] is vastgesteld dat elektriciteit illegaal is weggenomen.
Het hof stelt voorop dat niet vastgesteld kan worden dat het verdachte zelf is geweest die handelingen heeft verricht waardoor de elektriciteit werd weggenomen. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte desalniettemin als medepleger van de diefstal van die elektriciteit kan worden aangemerkt.
Het hof stelt bij de beantwoording van die vraag voorop dat voor het bewijs van het plegen of het medeplegen van diefstal van elektriciteit bij hennepteelt niet zonder meer voldoende is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte betrokken is geweest bij hennepteelt (vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6922, HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:508 en HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3218). Als sprake is van medeplegen, behoeft niet bewezen te worden dat de verdachte zelf een wegnemingshandeling heeft verricht. Wel is nodig dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking met degene die dat wel heeft verricht. Vereist is dan dat de verdachte wist dat de hennepkwekerij op illegale stroom draaide en dat de verdachte een bijdrage aan de hennepteelt heeft geleverd die van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken.
Het hof stelt voorop dat indien bewezen kan worden dat de verdachte bij het telen van de hennep zo nauw met de andere betrokkenen heeft samengewerkt dat van het medeplegen van telen kan worden gesproken en tevens blijkt dat de verdachte weet had van de illegale stroomvoorziening, daaruit in de regel afgeleid kan worden dat de diefstal van de elektriciteit onderdeel vormde van de nauwe samenwerking en dat de verdachte die diefstal derhalve heeft medegepleegd.
Het hof heeft ten aanzien van de hennepkwekerijen te [e-plaats] en [f-plaats] te [h-plaats] geoordeeld dat verdachte bij de hennepteelt zo nauw met anderen heeft samengewerkt dat van medeplegen sprake is. Tevens is bewezen dat verdachte deelnemer was van een criminele organisatie die zich bezighield met opiumwetdelicten.
Uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen volgt dat er bij de opiumwetdelicten sprake was vaan een zekere taakverdeling. Deze taakverdeling kwam ongeveer erop neer dat verdachte iedereen aanstuurde en alles financierde. Verdachte was de hoofdman. Anderen hielpen verdachte. Zo regelde [medeverdachte 1] de panden waarin de kwekerijen werden gevestigd en nam hij verdachte waar bij diens afwezigheid. Daarnaast waren er anderen die de kwekerijen opbouwden en de stroomvoorziening verzorgden en bewaakten. Ten aanzien van de kwekerij te [e-plaats] heeft [betrokkene 5] verklaard dat de boete die ze had gekregen (het hof begrijpt: de afname van elektriciteit) aan [medeverdachte 1] had gegeven en dat deze op zijn beurt het weer doorgaf aan verdachte die tot betaling ervan overging. Ten aanzien van de kwekerij te [h-plaats] heeft de getuige [getuige 4] niet alleen verklaard dat verdachte de grote baas was, maar ook dat deze hem iedere keer geld voor de huur maar ook voor de Essent (hof: elektriciteitsleverancier). Verdachte betaalde alles.
Gelet op de rol die verdachte vervulde als medepleger bij de hennepteelt en als deelnemer in de criminele organisatie -te weten als de grote man die alles aanstuurde en regelde — kan het niet anders zijn dan dat hij wetenschap had van de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de kwekerijen. Dat is expliciet gebleken ten aanzien van de hennepkwekerij te [e-plaats] en het ligt voor de hand dat dit- gelet op de rol die verdachte telkens vervulde — ook gold voor de andere kwekerijen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de diefstal van de elektriciteit onderdeel vormde van de nauwe samenwerking en dat de verdachte die diefstal derhalve heeft medegepleegd.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.’
4.5
Als bewijsmiddelen heeft het hof gebruikt:
‘Feit 4:
— Diefstal Stroom te [f-plaats], map 6
()
- 3.
Een los proces-verbaal opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8], proces-verbaalnummer PL236F-201 I 105816-234, inhoudende een verhoor van 26 november 2013 te 11:10 uur van [medeverdachte 1] en voorzover inhoudende als zijn verklaring, zakelijk weergegeven;
[c-straat 03] in [f-plaats]
V: Wat kun je ons daarover verklaren?
A: [medeverdachte 3] heeft de kwekerij opgebouwd en verzorgd. [verdachte] heeft gefinancierd. Ik heb bemiddeld bij het huren van het pand. De eerste oogst is gelijk opgerold. Er is geen opbrengst geweest. Wiet is verdriet zeggen ze. De elektriciteit is door niemand betaald. Er is een regeling getroffen door Cetin.
()
Feit 6:
— zaak diefstal stroom [h-plaats], map 7
()
- 6.
Proces-verbaal van verhoor, p. 3618, voorzover inhoudende als verklaring van [getuige 4], zakelijk weergegeven:
V: Wie was de absolute baas van de kwekerij?
A: Voor mijn gevoel was [verdachte] de grote baas. Hij was de eigenaar van de growshop, hij betaalde bijna overal voor. Hij regelde alles en was het aanspreekpunt voor iedereen. Hij kwam de zaak opmeten en regelde vervolgens dat de kwekerij werd opgebouwd en geïnstalleerd.
- 7.
Proces-verbaal van verhoor, p. 3692 e.v., voorzover inhoudende als verklaring van Chatiera [naam 8], zakelijk weergegeven:
()
V : Was u op de hoogte dat er zich in dit pand, [n-straat 14 te g-plaats], een hennepkwekerij bevond?
A : Ik heb het in het begin vermoed: Er kwamen verschillende personen over de vloer en die waren boven aan het boren en sleepten van alles de woning in. Later ben ik wel eens boven geweest en heb ik zelf de hennepkwekerij in werking gezien.
()
Feit 3:
— zaak criminele organisatie, map 8
- 1.
Een los proces-verbaal opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8], proces-verbaalnummer PL236F-201 1 105816-237, inhoudende een verhoor van 27 november 2013 te 10:04 uur van [medeverdachte 1] en voorzover inhoudende als zijn verklaring, zakelijk weergegeven:
()
A: Ze werkten met te veel mensen. Nu de laatste periode werkten we met drie man. Kijk Marcel deed de stroom, de verzorging en het opzetten.’
4.6
Met betrekking tot het (bewijs van) medeplegen van misdrijven is het volgende van belang. De Hoge Raad heeft onder meer in zijn arrest van 16 december 2014 enige overwegingen besteed aan de vraag wanneer er sprake is van medeplegen.28. De kwalificatie medeplegen is immers slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde — intellectuele en/of materiële — bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dit is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit, waarbij medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum kent. Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict, is het kernverwijt bij medeplichtigheid ‘het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan delict’. Een en ander brengt mee dat indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering — dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging — dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan onder meer rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, het belang van de rol van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit.
4.7
In 2016 heeft de Hoge Raad eveneens nog enige algemene overwegingen aan het medeplegen gewijd. Daarbij is aangegeven dat het een belangrijke en moeilijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Dat vergt dat de bewezen verklaarde — intellectuele en/of materiële — bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval, zoals ook in bovengenoemde arresten is benadrukt. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten zoals in bovengenoemde arresten is gebeurd alsook door het beslissen in concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering. Het beslissingskader zoals dat is neergelegd in de hierboven bedoelde arresten kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen.29. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen.30. De enkele omstandigheid dat een verdachte geen verklaring wenst af te leggen, kan op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen. Indien de verdachte betreffende een omstandigheid die redengevend kan zijn voor het tenlastegelegde geen aannemelijke verklaring kan afleggen, kan de rechter dit echter wel bij zijn bewijsoverweging betrekken, evenals de omstandigheid van het ‘zenuwachtige’ gedrag van verdachte en diens medeverdachten na het geven van een stopteken.
4.8
In gevallen waarin het aantreffen van een hennepkwekerij gepaard gaat met het aantreffen van aanwijzingen dat de elektriciteit die wordt gebruikt voor die kwekerij, kort gezegd, ‘buiten de meter om’ wordt afgenomen, en de verdachte op die grond (ook) de diefstal van elektriciteit wordt verweten, verdient die diefstal volgens de Hoge Raad zelfstandige aandacht in de bewijsvoering. De betrokkenheid van de verdachte bij de teelt van hennep brengt immers op zichzelf nog niet mee dat hij zich ook schuldig maakt aan het opzettelijk wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit.31.
4.9
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal van elektriciteit. Namens verdachte is door zijn raadsman vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet betrokken geweest bij de hennepkwekerijen in de panden [a-straat 01] te [d-plaats], [b-straat 02] te [e-plaats] en de [d-straat 04] te Roermond. Ten aanzien van het pand aan de [c-straat 03] te[f-plaats] en aan de [n-straat 14 te g-plaats] heeft de verdediging bepleit dat de verdachte geen substantiële bijdrage heeft geleverd en hij — ondanks de wetenschap van de kwekerijen — niet op de hoogte was van de diefstal van stroom en hij geen aandeel van voldoende omvang heeft gehad bij de stroomdiefstal van medeplegen te kunnen spreken. Door de verdediging is aangevoerd dat [medeverdachte 3] de man was die de kwekerijen aanlegde. Ook is aangevoerd met betrekking tot het pand [0-straat 15] te [h-plaats] dat niet kan volgen of verdacyte heeft gezien of erbij was toen de zegels van de hoofdaansluitingskast werden verbroken. Het hof heeft in het arrest overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat het verdachte zelf is geweest die handelingen heeft verricht waardoor de elektriciteit werd weggenomen. Het hof heeft vervolgens vooropgesteld dat indien bewezen kan worden dat de verdachte bij het telen van de hennep zo nauw met de andere betrokkenen heeft samengewerkt dat van het medeplegen van telen kan worden gesproken en tevens blijkt dat de verdachte weet had van de illegale stroomvoorziening, daaruit in de regel kan worden afgeleid dat de diefstal van de elektriciteit onderdeel vormde van de nauwe samenwerking en dat de verdachte die diefstal derhalve heeft medegepleegd. Het hof heeft voorts ten aanzien van de hennepkwekerijen te [e-plaats] en [f-plaats] te [h-plaats] overwogen dat verdachte bij de hennepteelt zo nauw met anderen heeft samengewerkt dat van medeplegen sprake is en dat verdachte deelnemer was van een criminele organisatie die zich bezighield met opiumwetdelicten. Het hof heeft ook overwogen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er bij de opiumwetdelicten sprake was van een zekere taakverdeling en deze taakverdeling erop neer kwam dat verdachte iedereen aanstuurde en alles financierde en anderen de kwekerijen opbouwden en de stroomvoorziening verzorgden. Het hof heeft vervolgens overwogen/geoordeeld dat gelet op de rol die verdachte heeft vervuld als medepleger bij de hennepteelt en als deelnemer in de criminele organisatie -te weten als de grote man die alles aanstuurde en regelde — het niet anders zijn dan dat hij wetenschap had van de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de kwekerijen, zodat de verdachte de diefstal van stroom heeft medegepleegd. In de bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat [medeverdachte 3] de kwekerijen heeft opgebouwd en Marcel de stroom deed.
4.10
Uit de bewijsmiddelen kan niet, althans niet zonder meer, volgen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de diefstal van stroom. Daarbij kan niet blijken van medeplegen van de diefstal van stroom, indien aangenomen moet worden dat de verdachte wel wetenschap heeft gehad van de diefstal van stroom. De omstandigheid dat verdachte ‘iedereen aanstuurde’ en ‘alles financierde’ is daartoe onvoldoende. Gelet hierop is/zijn de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaringen onvoldoende met redenen omkleed.
Middel V
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 161sexies (oud) Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Aan de verdachte is onder feit 12 van parketnummer 04-850427-12 tenlastegelegd dat hij op 8 november 2011 in de gemeente Roermond met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in art. 161sexies lid 1 van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een technisch hulpmiddel, te weten een zwart draagbaar radiozendapparaat, als bedoeld in art. 1.1 onder kk van de Telecommunicatiewet (zogenaamde jammer voor de mobiele communicatie) welke niet was voorzien van enig merk, type en/of serienummer, dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, voorhanden heeft gehad.
Namens de verdachte is onder meer aangevoerd dat verdachte geen oogmerk heeft gehad om met de ‘jammer’ het telecommunicatienetwerk te verstoren.
Het hof heeft in het arrest overwogen dat in de woning van de verdachte een jammer is aangetroffen; dat verdachte geen vergunning hiervoor heeft; dat een jammer een technisch hulpmiddel waarmee het mogelijk is om enig werk voor telecommunicatie onbruikbaar te maken dan wel ernstig te verstoren en dat verdachte eerst verklaarde dat hij niet wist wat een jammer was en later wel. Het hof heeft vervolgens overwogen/geoordeeld dat het hof geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat hij een jammer voorhanden heeft gehad.
Het hof heeft vervolgens overwogen/geoordeeld dat nu het voornaamste gebruik van jammers bestaat uit het onbruikbaar maken dan wel verstoren van telecommunicatie het oogmerk is gegeven als bedoeld in artikel 161 sexies Sr. Het hof heeft hierbij betrokken dat het een algemene ervaringsregel is dat een jammer zoals in de woning van verdachte aangetroffen door criminelen wordt gebruikt om telecommunicatie onbruikbaar te maken dan wel ernstig te verstoren en dat verdachte geen alternatief gebruik voor die jammer heeft aangegeven. Nu uit het enkele voorhanden hebben van een jammer niet reeds (ook) het oogmerk volgt dat verdachte de jammer voorhanden heeft gehad om deze te gebruiken ter verstoring van het telecommunicatienetwerk en het oogmerk ook niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, is de verwerping van het verweer en/of bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
5.1
Dit middel keert zich tegen feit 12, kort gezegd het voorhanden hebben van een ‘jammer’. Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:
‘12.
hij op of omstreeks 8 november 2011 in de gemeente Roermond met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in art. 161sexies lid 1 van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een technisch hulpmiddel, te weten een zwart draagbaar radiozendapparaat, als bedoeld in art. 1.1 onder kk van de Telecommunicatiewet (zogenaamde jammer voorde mobiele communicatie) welke niet was voorzien van enig merk, type en/of serienummer, dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, voorhanden heeft gehad.’
5.2
Namens de verdachte heeft zijn raadsman, mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, op de terechtzitting van 6 augustus 2020 onder meer als volgt aangevoerd:
‘Feit 12 (Voorhanden hebben ‘jammer’)
Ik kom toe aan het bespreken van het laatste tenlastegelegde feit, het voorhanden hebben van een ‘jammer’ (art. 161sexies lid 2 Sr — oud). De Rechtbank overweegt in het vonnis (p. 53) dat cliënt bij de politie heeft verklaard dat hij wist wat een ‘jammer’ is (p. 5789)'en dat eigenlijk daarom cliënt ook het oogmerk had tot het, kort gezegd, verstoren van het telecommunicatienetwerk. Dat cliënt heeft verklaard dat hij wist wat een ‘jammer’ is, is maar een gedeelte van zijn verklaring. Immers, indien hem vervolgens word: gevraagd of hij wist dat het door de politie in beslag genomen radioapparaat een ‘jammer’ is, antwoordt cliënt dat hij dit niet wist.
Deze omstandigheid zou er toe dienen te leiden dat cliënt wordt vrijgesproken van het twaalfde feit op deze dagvaarding. Zowel het opzet op het aanwezig hebben van een ‘jammer’ als het door de delictsomschrijving geëiste oogmerk om met zo'n apparaat het telecommunicatienetwerk te verstoren kan dan immers niet bewezen worden geacht.’
5.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘12.
hij op 8 november 2011 in de gemeente Roermond met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in art. 161sexies lid 1 van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een technisch hulpmiddel, te weten een zwart draagbaar radiozendapparaat, als bedoeld in art. 1.1 onder kk van de Telecommunicatiewet (zogenaamde jammer voorde mobiele communicatie) welke niet was voorzien van enig merk, type en/of serienummer, dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, voorhanden heeft gehad.’
5.4
In het arrest heeft het hof overwogen:
‘Feit 12
Onder feit 12 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij een zogenaamde jammer voorhanden heeft gehad.
De verdediging heeft betoogd dat verdachte weliswaar heeft verklaard te weten wat een jammer is maar tegelijkertijd de in zijn woning aangetroffen jammer niet als zodanig heeft herkend. Volgens de verdediging ontbreekt het opzet op het voorhanden hebben van een jammer alsmede het oogmerk om daarmee een van de handelingen te verrichten als opgenomen in het eerste lid van artikel 161sexies Sr (oud). Hieruit volgt dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt onder meer — zakelijk weergegeven — het navolgende. Op 8 november 2011 is in de woning van verdachte een jammer aangetroffen. Het gebruik en bezit ervan is aan vergunning gebonden en verdachte heeft deze vergunning niet. Een jammer is een technisch hulpmiddel waarmee het mogelijk is om enig werk voor telecommunicatie onbruikbaar te maken dan wel ernstig te verstoren. Verdachte heeft verklaard het aangetroffen voorwerp al zo'n drie tot vierjaar in zijn woning te hebben. Hij heeft voorts verklaard dat hij niet wist dat het een jammer was. Ook heeft hij verklaard wel te weten wat een jammer is.
Met de rechtbank hecht het hof geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij jarenlang een jammer in huis heeft gehad zonder te weten dat het een jammer betrof. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte wist dat hij de jammer voorhanden had en dat — gelet op het voornaamste gebruik van jammers te weten het onbruikbaar maken dan wel verstoren van telecommunicatie — daarmee het oogmerk is gegeven als bedoeld in artikel 161 sexies van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof betrekt bij dit oordeel dat het een algemene ervaringsregel is dat een jammer zoals in de woning van verdachte aangetroffen door criminelen wordt gebruikt om telecommunicatie onbruikbaar te maken dan wel ernstig te verstoren. Verdachte heeft geen alternatief gebruik voor die jammer aangegeven.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.’
5.5
Het bewezenverklaarde is als gekwalificeerd als:
‘Het onder 12 bewezen verklaarde levert op:
- —
Het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel geschikt gemaakt of ontworpen tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in het eerste lid van artikel 161 sexies van het Wetboek van Strafrecht met het oogmerk om daarmee een misdrijf te plegen als bedoeld in genoemd artikel.’
5.6
Artikel 161sexies (oud) Sr stelde ten tijde van het tenlastegelegde/bewezenverklaarde strafbaar:
- ‘1.
Hij die opzettelijk enig geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:
- 1o.
met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie, indien daardoor wederrechtelijk verhindering of bemoeilijking van de opslag, verwerking of overdracht van gegevens ten algemene nutte of stoornis in een openbaar telecommunicatienetwerk of in de uitvoering van een openbare telecommunicatiedienst, ontstaat;
- 2o.
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen of voor de verlening van diensten te duchten is;
- 3o.
met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
- 4o.
met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
- 2.
Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft hij die, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in het eerste lid wordt gepleegd:
- a.
een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, vervaardigt, verkoopt, verwerft, invoert, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft, of
- b.
een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verkoopt, verwerft, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft.’
5.7
Per 2015 is art. 161sexies Sr gewijzigd waarbij (onder meer) het oude lid 2 is overgeheveld naar art. 350d (lid 2) Sr.
5.8
Het bedoelde ‘oogmerk’ moet zijn gericht op het plegen van een misdrijf als bedoeld in art. 161 lid 1 Sr (350d lid 1 Sr) en niet op dat het technisch hulpmiddel geschikt, gemaakt of ontworpen is tot het plegen van zodanig misdrijf. Voor het vereiste oogmerk volstaat niet dat de verdachte gehandeld heeft met voorwaardelijk opzet op zodanig misdrijf.32.
5.9
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij een ‘jammer’ voorhanden heeft gehad. Namens de verdachte is onder meer aangevoerd dat verdachte geen oogmerk heeft gehad om met de ‘jammer’ het telecommunicatienetwerk te verstoren. Het hof heeft in het arrest overwogen dat in de woning van de verdachte een jammer is aangetroffen; dat verdachte geen vergunning hiervoor heeft; dat een jammer een technisch hulpmiddel waarmee het mogelijk is om enig werk voor telecommunicatie onbruikbaar te maken dan wel ernstig te verstoren en dat verdachte eerst verklaarde dat hij niet wist wat een jammer was en later wel. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het hof geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat hij een jammer voorhanden heeft gehad. Het hof heeft vervolgens overwogen/geoordeeld dat nu het voornaamste gebruik van jammers bestaat uit het onbruikbaar maken dan wel verstoren van telecommunicatie het oogmerk is gegeven als bedoeld in artikel 161 sexies van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft hierbij betrokken dat het een algemene ervaringsregel is dat een jammer zoals in de woning van verdachte aangetroffen door criminelen wordt gebruikt om telecommunicatie onbruikbaar te maken dan wel ernstig te verstoren en dat verdachte geen alternatief gebruik voor die jammer heeft aangegeven. Nu uit het enkele voorhanden hebben van een jammer niet reeds (ook) het oogmerk volgt dat verdachte de jammer voorhanden heeft gehad om deze te gebruiken ter verstoring van het telecommunicatienetwerk en het oogmerk ook niet uit de bewijsmiddelen kan volgen is de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Middel VI
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 7 EVRM, 1, 24c lid 3, 57, 60a en 88 Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Ten onrechte heeft het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast bepaald op in totaal meer dan 360 dagen, zodat de Hoge Raad de duur zal dienen te verminderen, in dier voege dat de duur van de gijzeling ten hoogste in totaal 360 dagen zal belopen.
Toelichting:
6.1
In het arrest van 17 september 2020 heeft het hof onder meer feit 8 van parketnummer 04-850427-12 bewezen verklaard, te weten dat:
‘hij in de periode van 1 september 2011 tot en met 8 november 2011 te Hom, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
- —
[A] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten bestratingswerkzaamheden en,
- —
[B] heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten lichtbakken en het verlenen van diensten, te weten het ontwerpen en afhangen van lichtbakken en,
- —
[C] VOF heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten
dakbevestigingsmaterialen en het verlenen van diensten, te weten
dakbedekkingswerkzaamheden en,
- —
[D] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten het aanleggen van een gazon en bekiezeling en,
- —
[E] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten het leggen
van waterleiding en gasleiding, elektro werkzaamheden en het aansluiten van een heater en,
- —
[F] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten
het aanleggen van een gazon met beregeningsinstallatie en het aanleggen van een grindvlakte,
hebbende verdachte en zijn mededader toen aldaar telkens met voren omschreven oogmerk
- —
zakelijk weergegeven — valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide koper(s) en opdrachtgever(s), waardoor voornoemde
- —
[A] en,
- —
[B] en,
- —
[C] VOF en,
- —
[D] en,
- —
[E] en,
- —
[F],
werden bewogen tot bovenomschreven afgifte en het bovenomschreven verlenen van diensten’.
6.2
In het arrest heeft het hof ook beslissingen genomen ten aanzien van vorderingen van benadeelde partijen. In het arrest heeft het hof onder meer overwogen en geoordeeld:
‘Vordering van de benadeelde partij [d]
De benadeelde partij [D] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.700,00 ter zake materiële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [D] als gevolg van verdachtes onder 8 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 1.700,-.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [D] is toegebracht tot een bedrag van € 1.700,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [c]en
De benadeelde partij [C]en heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.781,06 (incl. BTW) ter zake van materiële schade en bestaande uit factuurnummer 11.11.08 van € 6.055,16 (met een btw-bedrag van 966,79) en factuurnummer 11.11.30 van € 725,90 (met een btw-bedrag van 115,90).
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.088,37. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
()
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [C]en BV als gevolg van verdachtes onder 8 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 5.088,37.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [C]en is toegebracht tot een bedrag van € 5.088,37. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [f]
De benadeelde partij [F] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 9.559,16, bestaande uit factuurnummer 110812 met een bedrag van 9181,72 waarvan een btw-bedrag van 1252,72 (19%) en van 75,60 (6%) en factuurnummer 110823 meteen bedrag van 377,44 waarvan een btw-bedrag van 14,06 (19%) en van 16,38 (6%) ter zake materiële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.200,38. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [F] als gevolg van verdachtes onder 8 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot het bedrag van € 8.200,38.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 8 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
[F] is toegebracht tot een bedrag van € 8.200,38. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [b]
De benadeelde partij [B] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.950,00 (waarvan een btwbedrag van 950,-) ter zake materiële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [B] als gevolg van verdachtes onder feit 8 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot het bedrag van € 5.000,-.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [B] is toegebracht tot een bedrag van € 5.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [a]
De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 29.486,77 (waarvan een btw-bedrag van 4.707,97) ter zake van materiële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 24.778,80. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [A] als gevolg van verdachtes onder feit 8 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot het bedrag van € 24.778,80.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [A] is toegebracht tot een bedrag van € 24.778,80. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij Wijers Installatie
De benadeelde partij Wijers Installatie heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.294,05 bestaande uit rekeningnr. 400252 van 407,54 (waarvan een BTW-bedrag van 65,07) en rekeningnummer 400257 van 965,13 (waarvan een btw-bedrag van 154,10) en rekeningnummer 400221 van 1921,38 (waarvan een btw-bedrag van 306,77) ter zake materiële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.768,11. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet
toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij Wijers Installatie als gevolg van verdachtes onder feit 8 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 2.768,11.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer Wijers Installatie is toegebracht tot een bedrag van € 2.768,11. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij Aegon schadeverzekeringen
De benadeelde partij Aegon schadeverzekeringen heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8.410,10 ter zake materiële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij Aegon schadeverzekeringen als gevolg van verdachtes onder feit 11 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 8.410,11.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Schadevergoedingsmaatregel.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer Aegon schadeverzekeringen is toegebracht tot een bedrag van € 8.410,10. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 3, 11, 1 la van de Opiumwet en de artikelen 36f, 47, 57, 161 sexies, 225, 311,326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
()
Beslissing
Het hof:
()
Vordering van de benadeelde partij [d]
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 27 (zevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling hef) de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
()
Vordering van de benadeelde partij [c]en
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
()
Vordering van de benadeelde partij [f]
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 76 (zesenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
()
Vordering van de benadeelde partij [b]
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
()
Vordering van de benadeelde partij T.T. Bestratingen
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 158 (honderdachtenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
()
Vordering van de benadeelde partij Wijers Installatie
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 37 (zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
()
Vordering van de benadeelde partij Aegon schadeverzekeringen
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 77 (zevenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.()’
6.3
Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken behoort een ‘herstelarrest’, waarin het hof heeft overwogen/geoordeeld:
‘Overweging betreffende het herstel van een verschrijving
Het hof heeft na het wijzen van bovengenoemd arrest geconstateerd dat het dictum een kennelijke misslag bevat.
Per 1 januari 2020 is de Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stb. 2017, 82) in werking getreden. Op grond van het thans geldende artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast. Bij het bepalen van de duur wordt voor elke volle € 25,- van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste één jaar.
In het dictum van het arrest beloopt de totale duur van de gijzeling echter meer dan één jaar.
Het hof herstelt deze kennelijke misslag in dit herstelarrest, door de maximaal toegestane duur van de gijzeling, te weten één jaar, zijnde 365 dagen, naar rato te verdelen over de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof hierna het verbeterde dictum in zijn geheel opnieuw opnemen.
Beslissing
Het hof herstelt de uitspraak in zijn arrest van 17 september 2020 onder voormeld parketnummer, in die zin dat het dictum komt te luiden:
()
Vordering van de benadeelde partij [d]
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 11 (elf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
()
Vordering van de benadeelde partij [c]en
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
()
Vordering van de benadeelde partij [f]
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
()
Vordering van de benadeelde partij [b]
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
()
Vordering van de benadeelde partij [a]
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 162 (honderdtweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
()
Vordering van de benadeelde partij Wijers Installatie
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen. Toepassing van die gijzeling hef) de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
()
Vordering van de benadeelde partij Aegon schadeverzekeringen
()
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.’
6.4
Vooropgesteld dient te worden dat voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang — en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten — moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt, alsmede dat eventueel door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 15 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en — voor zover van toepassing — artikel 49 lid 1 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Indien dat laatste niet het geval is, zal de rechter deze bepalingen buiten toepassing moeten laten.33.
6.5
De hier bedoelde sanctieregels waarvoor de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de wetgever niet geldt, kunnen zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels ten aanzien van de sanctieoplegging betreffen.34. Daarvan is geen sprake indien de veranderde regeling louter betrekking heeft op de executie van een eerder opgelegde sanctie en als zodanig geen wijziging brengt in de aard en maximale duur van die sanctie, of wanneer de wetswijziging in algemene zin naast strafrechtelijke afdoening óók een bestuursrechtelijke afdoening mogelijk maakt.35. Ook veranderingen die de voorwaarden voor het opleggen van bepaalde sancties in algemene zin beperken of verruimen,36. en/of die niet rechtstreeks betrekking hebben op de sanctieoplegging maar in de zaak van de verdachte wel bepalend zijn voor de aard en/of maximale duur van de op te leggen sanctie, kunnen worden aangemerkt als sanctieregels in de hier bedoelde zin.37.
6.6
In de EHRM zaak Scoppola tegen Italië waren regels van sanctierecht na het begaan van het feit ten gunste van verdachten gewijzigd. Die wijziging was echter in de loop van de procedure teruggedraaid, waarna de nationale rechter de nieuwe bepalingen toepaste. De Grote Kamer van het EHRM oordeelde dat art. 7 EVRM van toepassing was, omdat het ging om ‘a provision of substantive criminal law concerning the length of the sentence to be imposed in the event of conviction (…)’. Het EHRM kwam tot het oordeel dat art. 7 EVRM was geschonden. Het
overwoog daartoe onder meer dat: ‘the applicant was given a heavier sentence than the one prescribed by the law which, of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment, was most favourable to him.’38.
6.7
Op grond van art. 36f Sr kan een verdachte de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. Het achtste lid van art. 36f Sr bepaalt dat (onder meer) artikel 24c Sr van overeenkomstige toepassing is. Artikel 24c Sr bepaalde eerder dat de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar beloopt. Door de inwerkingtreding van de Wet USB is de vervangende hechtenis per 1 januari 2020 vervangen door gijzeling, zodat thans ten aanzien van een schadevergoedingsmaatregel de rechter geen vervangende hechtenis kan/moet opleggen, maar de duur van de gijzeling zal dienen te bepalen.39. De betreffende regels worden gezien als voor de verdachte gunstiger zodat de Hoge Raad in zaken waarin het hof eerder vervangende hechtenis heeft bepaald terwijl nadien de wet is gewijzigd in cassatie de uitspraak van het hof aanpast.
6.8
Tot 1 januari 2020 werd in het strafrecht met ‘een jaar’ een kalenderjaar bedoeld. De wetgever is voornemens dat aan te passen door zowel in art. 88 Sr, als in art. 136, eerste lid, Sv op te nemen dat met een jaar een termijn van 12 maanden van 30 dagen (en dus 360 dagen) wordt bedoeld. Vóór de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen op 1 januari 2020 werd reeds beslist deze wijziging voor art. 136 Sv uit te stellen. De wijziging van art. 88 Sr is echter wél doorgevoerd. Dat veroorzaakte de onwenselijke situatie dat in het Wetboek van Strafrecht (via art. 88 Sr) vanaf 1 januari 2020 een andere definitie van een jaar gold, dan in het Wetboek van Strafvordering (via art. 136 Sv). Met de inwerkingtreding van de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is deze wijziging per 25 juli 2020 tijdelijk teruggedraaid. Tijdelijk, omdat op het moment dat de wijziging van art. 136 Sv in werking treedt, bij de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel I, van de Wet USB — het specifieke artikel waarin art. 136 Sv wordt gewijzigd -, art. 88 Sr eveneens weer (terug) wordt gewijzigd. Vanaf dat moment zal voor zowel het Wetboek van Strafrecht, als het Wetboek van Strafvordering te gelden hebben dat met een jaar — kort gezegd — 360 dagen wordt bedoeld. Tot die tijd wordt met een jaar, een kalenderjaar bedoeld.40.
6.9
Nu de wet na het bewezenverklaarde maar voor de terechtzitting in hoger beroep in voor verdachte gunstiger zin is gewijzigd op 1 januari 2020 en verdachte hierop een beroep doet is verdachte van mening dat het arrest niet in stand kan blijven, althans dat de Hoge Raad het arrest van het hof zal dienen te vernietigen voor zover daarbij schadevergoedingsmaatregelen zijn opgelegd en daarbij de duur van gijzeling is bepaald die bij elkaar opgeteld meer dan 360 dagen beloopt. Hieraan doet niet af dat na de inwerkingtreding van de spoedreparatiewet op 25 juli 2020 de maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden gijzeling thans weer 365 dagen is. In de onderhavige zaak blijft art. 88 Sr, zoals dat van 1 januari 2020 tot en met 24 juli 2020 van kracht is geweest, van toepassing, omdat deze bepaling voor de verdachte ‘of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment’ de meest gunstige is.41.
Middel VII
Op 23 september 2020 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Het dossier is op 27 oktober 2021 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen zodat het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden. Gelet hierop is de redelijke termijn van de berechting geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.
Toelichting
7.1
Op 23 september 2020 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Op 1 december 2020 hebben de raadslieden van verdachte zich bij de Hoge Raad als advocaten voor verdachte gesteld. De stukken van het geding zijn op 27 oktober 2021 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen zodat het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden. Dit dient te leiden tot strafverlaging.42.
7.2
Aan de verdachte zal niet kunnen worden tegengeworpen dat hij onvoldoende belang heeft bij zijn klacht nu hij zelf de oorzaak zou zijn geweest van de schending van de redelijke termijn door het instellen van het beroep in cassatie. De raadslieden van verdachte zijn immers pas in staat geweest de stukken van de zaak te bestuderen nadat hen de stukken waren toegezonden. Voorts zijn de raadslieden pas in staat geweest een cassatieschriftuur in te dienen nadat de aanzegging van de Hoge Raad was betekend. De Hoge Raad is daartoe pas in staat geweest nadat het hof de stukken van het geding naar de Hoge Raad had gezonden. Dit houdt in dat de schending van de redelijke termijn te wijten is aan de te late inzending van het dossier door het hof.
7.3
Van belang is voorts het volgende. In zijn arrest van 11 september 2012 heeft de Hoge Raad gesteld klachten over schending van de redelijke termijn af te zullen doen m.b.v. art. 80a RO, indien in die zaken alleen zou worden geklaagd over schending van de redelijke termijn, of indien in die zaken ook over andere kwesties zou worden geklaagd, welke klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.43. Op Nederland rust evenwel de plicht de rechtspleging zo in te richten, dat procedures binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld.44. Geconstateerd moet worden dat Nederland, ondanks meerdere pogingen daartoe, er nog steeds niet in is geslaagd er zorg voor te dragen dat in de cassatieprocedures de Hoge Raad uitspraak doet binnen de vereiste redelijke termijn. Integendeel. In 2014 heeft de raadsman van verdachte in 39 strafzaken ook geklaagd over schending van de redelijke termijn. In 2015 heeft de raadsman in 43 cassatieprocedures (onder meer) geklaagd over schending van de redelijke termijn na het instellen van cassatie. In 2016 en 2017 is beide jaren meer dan 50 keer geklaagd over de schending van de redelijke termijn, terwijl in 2018 hieromtrent meer dan 60 klachten zijn ingediend. In 2019 zijn maar liefst 75 klachten ingediend over de schending van de redelijke termijn. Bij deze aantallen zijn dus niet zaken meegerekend waarin geen (andere) klacht in de cassatieprocedure kon worden gevoerd. Ook in de nabije toekomst behoeft een verbetering niet te worden verwacht. Zo blijkt uit het in 2014 verschenen rapport ‘Werkdruk bewezen’ van de NVvR dat een te hoge werkdruk de kwaliteit van de rechtspraak ondergraaft. Overigens heeft de (voormalig) president van de Hoge Raad reeds in februari 2013 in een brief de noodklok geluid over de werkdruk.45. Zie voorts de opmerkingen van de Procureur-Generaal in het Jaarverslag 2012.46. Nog op 1 maart 2015 heeft de voorzitter van de Raad voor Rechtsspraak aangegeven dat door gebrek aan capaciteit de werkdruk voor rechters zo hoog is dat er achterstanden ontstaan, waarbij gebrek aan geld de belangrijkste oorzaak voor het capaciteitsprobleem wordt aangewezen.47.
7.4
Onder deze omstandigheden dient thans te worden geconcludeerd dat er sprake is van een verzuim dat — naar uit objectieve gegevens — blijkt zozeer bij herhaling voor te komen dat zijn structurele karakter vaststaat èn dat de verantwoordelijke autoriteiten, te weten de Regering en het Parlement zich onvoldoende inspanningen hebben getroost herhaling te voorkomen. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
7.5
Voorkomen moet worden dat ‘onder de zegel’ van cassatie de norm ten aanzien van de duur van de berechting steeds maar weer wordt verlegd waardoor er ook vanwege alle bezuinigingen en reorganisaties geen substantiële druk meer op de overheid wordt gelegd om een onredelijke procesduur zoveel mogelijk te vermijden.48. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
7.6
Voorts in de onderhavige schriftuur de verdachte ook nog andere klachten naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op de ‘prior criminal proceedings’, zodat ook om deze reden niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht over de schending van de redelijke termijn.49.
7.7
Bovendien is afdoening op basis van art. 80a RO niet aangewezen, gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en omdat afdoening op basis van art. 80a RO inbreuk maakt op het recht van ‘effective remedy’.50. Indien de Hoge Raad van oordeel is dat afdoening van de zaak door middel van art. 80a RO in zaken als de onderhavige geen inbreuk lijkt te maken op het EVRM, is veroordeelde van mening dat de Hoge Raad deze kwestie zal dienen voor te leggen aan het EHRM en wel door middel van het stellen van prejudiciële vragen. Uit hetgeen hierboven is aangevoerd volgt dat in zaken als de onderhavige, waarin sprake is van schending van de redelijke termijn die het gevolg is van het door het hof niet in acht nemen van de wettelijk voorgeschreven termijnen, art. 13 EVRM immers een ‘effective remedy’ vereist. De vragen zouden kunnen luiden:
- 1.
Vereisen de artikelen 6 en 13 EVRM dat de cassatierechter een inhoudelijk oordeel velt over een klacht betreffende de schending van redelijke termijn in zaken waarin de redelijke termijn van de berechting in cassatie wordt geschonden doordat de laatste feitelijke rechter geldende termijnen met betrekking tot het opstellen van relevante stukken en het opsturen van die stukken niet in acht neemt?
- 2.
Maakt het daarbij verschil uit of in cassatie ook andere klachten naar voren zijn gebracht?
- 3.
Maakt het daarbij verschil uit of deze andere klachten een behandeling in cassatie rechtvaardigen?
- 4.
Maakt het daarbij verschil uit of de verdachte/veroordeelde in de betreffende zaak gedetineerd is?
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 7 januari 2022
Advocaten
R.J. Baumgardt
P. van Dongen
S. van den Akker
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 07‑01‑2022
EHRM 15 december 2011, Al-hawaia & Tahery vs. UK, appl. 26766/05.
EHRM 23 maart 2016, appl. 47152/06.
EHRM 12 oktober 2017, appl. 26073/13.
EHRM 12 maart 2020, appl. 53791/11.
Zoals beschreven in de Al-Khawaja and Tahery judgment van het EHRM en verder is genuanceerd in de Schatschaschwili judgment: EHRM 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, NJ 2012/283 m.nt. Schalken en Alkema (Al-Khawaja en Tahery/Verenigd Koninkrijk) en EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, NJ 2017/294 m.nt. Myjer (Schatschaschwili/Duitsland), §§ 107 e.v. Voor een nadere bespreking van deze driestappentoets met verdere verwijzingen naar (recentere) EHRM-jurisprudentie zie CAG Aben behorende bij HR 11 februari 2020, NJ 2020/186, m.nt. W.H. Vellinga, randnummers 9–12.
Zo is de enkele omstandigheid dat de getuige zich in het buitenland bevindt niet voldoende voor een goede reden, zie EHRM 10 april 2012, nr. 8088/05 (Gabrielyan/Armenië). Bovendien moeten de justitiële autoriteiten actief op zoek naar de getuige en elke redelijke maatregel nemen die de aanwezigheid van de getuige verzekert, zie EHRM 27 februari 2014, nr. 5699/11 (Lučić/Kroatië), § 79.
Zie Al-Khawaja en Tahery (§ 156) en EHRM 17 september 2013, nr. 23789/09 (Brzuszczyński tegen Polen), § 82. Daar staat tegenover dat uit de aanwezigheid van een good reason niet zonder meer voortvloeit dat aan de verplichtingen van artikel 6 EVRM is voldaan, zie bijvoorbeeld: EHRM 10 juli 2012, nr. 29353/06, ECLI:NL:XX:2012:BX3071, NJ 2012/649 m.nt. Schalken (Vidgen/Nederland), en EHRM 28 augustus 2018, nr. 37617/10 (Cabral/Nederland).
EHRM 10 mei 2012, nr. 28328.
HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2943 en HR 17 oktober 2006, NJ 2006/581.
HR 16 november 2010, NJ 2011/355, m.nt. Y. Buruma; HR 6 november 2012, NJ 2013/144, m.nt. J.M. Reijntjes en HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1833.
Ook J.M. Reijntjes uit zich over het arrest kritisch in zijn noot onder HR 6 november 2012, NJ 2013/144.
HR 4 juli 2017, NJ 2017/440, m.nt. T. Kooijmans.
EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin t. Nederland), NJ 2021/93, m.nt. W.H. Vellinga.
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. J.M. Rejintjes. Zie voorts HR 25 mei 2021, NJ 2021/211; HR 25 mei 2021, NJ 2021/212; HR 13 juli 2021, NJ 2021/365, m.nt. N. Jörg; HR 14 september 2021, NJ 2021/366, m.nt. N. Jörg; HR 14 september 2021, NJ 2021/368, m.nt. N. Jörg en HR 28 september 2021, NJ 2021/371, m.nt. N. Jörg.
R.o.v. 2.4.2 HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, NJ 2021/368, m.nt. N. Jörg.
R.o.v. 2.4.2. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930.
R.o.v. 2.5.2 HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:782.
Zie o.m. overweging 9 CAG Paridaens 14 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:586.
HR 18 november 1997, NJ 1998/225; HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264.
Vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470,
Vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50 alsmede HR 20 maart 2018, NJ 2018/169.
HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225; HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, NJ 2003/64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814.
HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, NJ 2002/536, rov. 3.4 alsmede overweging 8 CAG Bleichrodt 10 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:155.
Overweging 24 CAG Aben 11 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:309 waarin verwezen wordt naar A.N. Kesteloo, ‘Het bijzondere opzetvereiste bij deelneming aan een criminele organisatie: wetenschap (in de zin van onvoorwaardelijk opzet)’, TPWS 2016/38.
HR 22 januari 2008, NJ 2008/72.
HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2631.
Zie overweging 9 CAG Spronken 17 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1607.
HR 16 december 2014, NJ 2015/391,m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320 over art. 141 Sr en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1322 over bedreiging met geweld.
HR 5 juli 2016,ECLI:NL:HR:2016:1323; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315 en HR 3 april 2018, NJ 2018, 296, m.nt. T. Kooijmans,
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511. Ook zo en zeer recent HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1745.
Van Elst, T&C Strafrecht, art. 350d, aant. 7.
Zie o.m. r.o.v. 4.3 van HR 26 mei 2020, NJ 2020/409, m.nt. J.M. ten Voorde, ECLI:NL:HR:2020:914.
Zo onder meer HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878, NJ 2012/78, m.nt. Keijzer; HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5374, NJ 2013/481, m.nt. Keulen, rov. 2.5; HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2716, NJ 2017/104, m.nt. Wolswijk (onder NJ 2017/105), rov. 2.4.1; en HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409, m.nt. Ten Voorde, rov. 4.3.
HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5063, NJ 2013/190, m.nt. Keulen, respectievelijk HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3257, NJ 2013/163.
Zie in de context van art. 1, eerste lid, Sr bijv. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2524, NJ 2016/482, rov. 2.4 (taakstrafverbod); en HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2714, NJ 2017/105, m.nt. Wolswijk (verval van het vereiste in art. 36e, derde lid, Sr dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld)
Vgl. bijv. HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2716, NJ 2017/104, m.nt. Wolswijk (onder NJ 2017/105), over een wijziging van art. 77c Sr waardoor het toepassingsbereik van het zogenoemde adolescentenstrafrecht werd uitgebreid.
EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03 (Scoppola tegen Italië), § 119.
HR 26 mei 2020, NJ 2020/409, m.nt. J.M. ten Voorde, ECLI:NL:HR:2020:914.
Zie in dit verband CAG Spronken 19 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:37.
CAG Bleichrodt behorende bij HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, par. 25–27 (conclusie gevolgd door de HR). Zie daarnaast voorts CAG Keulen behorende bij HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1743, par. 8–12 (conclusie gevolgd door de HR) CPG Vegter behorende bij HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1708, par. 18–22 (conclusie gevolgd door de HR) en tot slot CAG Paridaens behorende bij 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1477, par. 18–22 (conclusie gevolgd door de HR).
HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. J. de Hullu, alsmede HR 14 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241 — 245, m.nt. F.W. Bleichrodt.
EHRM 26 mei 1993, NJ 1993/466, m.nt. E.A. Alkema en EHRM 23 februari 1999, nr. 34966/97 (De Groot/Nederland), NJ 1999/641, m.nt. G. Knigge.
NRC 4 februari 2013.
Jaarverslag 2012, p. 23/24.
Noot van T.M. Schalken onder HR 27 oktober 2015, NJ 2015/469.
EHRM 27 augustus 2013, nr. 12810/13 (Celik/Nederland).
Zie F.W. Bleichrodt onder HR 22 januari 2013, NJ 2013/245 en —met name— de door het EHRM aan Nederland gestelde vragen in EHRM 18 december 2018, nr. 585/19 (Nelissen/Nederland).