Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang
Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/6.3.4:6.3.4 Conclusie
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/6.3.4
6.3.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS351720:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar huidig recht ligt de grens van de kring van artikel 2:8 BW mijns inziens in het criterium van het hebben van wettelijke of statutaire rechten binnen de rechtspersoon. Daaronder vallen, naast de bestuurders en commissarissen, de aandeelhouders (met inbegrip van houders van stemrechtloze of winstrechtloze aandelen), de houders van certificaten die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven of (bij de BV) waar de statuten vergaderrecht aan verbinden, pandhouders en vruchtgebruikers met stemrecht, statutair winstgerechtigden en houders van converteerbare obligaties. Enkele andere figuren liggen aan de wat rafelige randen van deze kring.
De stemgevolmachtigde valt naar mijn opvatting binnen de kring van artikel 2:8 BW, net als de pandhouder en vruchtgebruiker zonder stemrecht voor zover zij dezelfde rechten hebben als de houder van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten dan wel certificaten met vergaderrecht. Naar mijn opvatting kunnen houders van certificaten zonder vergaderrecht of die zonder medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven wel tot de kring van artikel 2:8 BW worden gerekend, al is de werking van de normen van artikel 2:8 BW ten aanzien van hun verhouding tot de vennootschap beperkt tot de norm van gelijke behandeling. Hun overige aanspraken gelden jegens de certificerende aandeelhouder en zijn van diens aanspraken afgeleid. Dat lijkt evenwel niet bezwaarlijk, omdat zij op de voet van artikel 2:15 of 2:346 BW normschendingen jegens die aandeelhouder aan de kaak kunnen stellen. Naar mijn opvatting kunnen aspirant-aandeelhouders, zoals bijvoorbeeld overnemers en houders van een optie jegens de vennootschap waaronder beschermingsstichtingen, niet tot de kring van artikel 2:8 BW worden gerekend, met uitzondering van de gewezen aandeelhouder wiens aandelen ten titel van beheer tijdelijk zijn overgedragen door de Ondernemingskamer.
Noch in de literatuur noch in de jurisprudentie wordt de eis gesteld dat een aandeel-houder, om tot de kring van artikel 2:8 BW te behoren, het economische belang bij zijn aandelen houdt. Die eis ligt ook niet voor de hand. Het niet-hebben van het economische belang bij zijn aandelen laat de aandeelhoudersbevoegdheden immers onverlet (vergelijk paragraaf 5.2) terwijl het van belang blijft (of zelfs van groter belang wordt) de uitoefening van die bevoegdheden aan de normen van artikel 2:8 BW te kunnen toetsen. Ook het handelen van een stichting administratiekantoor is toetsbaar op grond van artikel 2:8 BW. Hetzelfde moet gelden voor een aandeelhouder met een netto short positie. Die heeft wel de aandeelhoudersrechten die aan zijn aandelen zijn verbonden, maar heeft dus netto een negatief economisch belang bij de aandelen. Ook hij behoort nog steeds tot de kring van artikel 2:8 BW.
Tegenover de aandeelhouder zonder economisch belang staan de houders van een economisch belang die geen aandeelhouder zijn, maar wier belang is gebaseerd op de hiervoor in hoofdstuk 2 omschreven derivaten. Gelet op het criterium van het hebben van wettelijke of statutaire rechten binnen de rechtspersoon vallen deze houders van economische belangen buiten de kring van dit artikel.