Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/3.3.3
3.3.3 Onderscheid tussen onderzoekers en deskundigen
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451870:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hermans 2006b, p. 304-311; Geerts 2004, p. 137-140; Timmerman en Thierry 2004, p. 217-219; Wesseling-Van Gent 2006, p. 368-373; Storm 2014, p. 137. Zie voorts § 5.2.2.
Holtzer 2003, p. 256-257; Van den Blink 2010, p. 60; Van Hassel 2010, p. 144.
Van den Blink 2010, p. 60.
Van Hassel 2010, p. 144. In § 5.3.3 ga ik hierop uitvoerig in.
Zie bijvoorbeeld Thierry 2002, p. 430; Hermans 2006b, p. 304-311; Wesseling-Van Gent 2006, p. 359; De Bock 2011, p. 289-294.
Rutgers, Flach & Boon 1988, p. 319 en 329.
Hermans 2006b, p. 289-314.
Zie § 5.3.3.
Conclusie A-G Timmerman voor HR 20 november 2009, NJ 2011/212, m.nt. W.J.M. van Veen,JOR 2010/8, m.nt. M. Brink (KPNQwest), nr. 3.12.
Zie § 3.4.
Zie § 3.5.
Zie § 3.6.
In de literatuur wordt vaak een parallel getrokken tussen deskundigen en onderzoekers.1 Vooral onderzoekers benadrukken dat er een fundamenteel verschil is tussen een deskundige in een civiele procedure en een onderzoeker.2 Volgens Van den Blink is het verschil dat de deskundige, bijvoorbeeld een medicus of een bouwkundige, werk doet dat de rechter zelf niet kan doen. De onderzoeker, met name in enquêtes die in feite niet meer zijn dan de eerste ronde in een schadevergoedingsprocedure, zou echter werk doen dat de Ondernemingskamer ook zelf zou kunnen doen.3 Volgens Van Hassel bestaat het verschil daarin dat de deskundige omwille van zijn deskundigheid wordt ingehuurd voor de beantwoording van een in een procedure opgekomen specifieke (deel)vraag, terwijl de onderzoeker – ter voldoening aan een rechterlijke beslissing – is aangesteld om, met een brede blik op de problemen bij de onderneming, een feitenonderzoek te verrichten.4 Ofschoon ik niet wil ontkennen dat er verschillen zijn tussen een deskundigenbericht en een enquêteonderzoek, zijn de overeenkomsten groter dan de verschillen, zeker als het gaat om meer financieel gerichte deskundigenberichten.
De bewering dat een deskundigenbericht niet mede een feitenonderzoek is, althans niet behoeft te zijn, is ongegrond. In de praktijk krijgen deskundigen van de rechter ook de opdracht feiten te verzamelen en deze vervolgens te onderzoeken en te beoordelen op grond van hun expertise.5 Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de deskundige in de praktijk tevens nader feitenonderzoek zal willen verrichten en dat de rechter bij het formuleren van de aan de deskundige te stellen vragen daarmee rekening pleegt te houden. Op die manier wordt – aldus de minister van Justitie – de deskundige alle noodzakelijke ruimte gelaten om binnen het kader van de opdracht alle relevant geachte feitelijke aspecten te onderzoeken.6 Eerder heb ik al eens betoogd dat het voorlopig deskundigenbericht als alternatief kan dienen voor een enquêteonderzoek, juist met het oog op het boven tafel krijgen van de feiten.7
Het argument dat de onderzoekers geen materiedeskundigheid behoeven te hebben is evenmin valide. Een van de taken van de onderzoekers is immers het beoordelen van de vastgestelde feiten. Dat vereist wel degelijk kennis van de normen waaraan het gedrag van de vennootschap moet worden getoetst, met andere woorden: materiedeskundigheid.8 Die beoordeling van de handelwijze van de rechtspersoon is voor zowel partijen als de Ondernemingskamer van belang. Dat de Ondernemingskamer hecht aan materiedeskundigheid blijkt ook uit het feit dat zij in grote inquisitoire enquêtes naar beursgenoteerde ondernemingen vaak drie onderzoekers benoemt: een advocaat, een accountant en een (voormalige) bestuurder van een grote onderneming.
Timmerman meent dat de positie van een deskundige in een deskundigenonderzoek wezenlijk anders is dan die van de onderzoeker in de enquêteprocedure omdat, zo begrijp ik hem, de Ondernemingskamer alleen tot het oordeel wanbeleid kan komen als het onderzoeksverslag daartoe een aanknopingspunt biedt, terwijl dat bij het deskundigenbericht in de civiele procedure niet het geval is.9 Dat dit een verschil is, ben ik graag met hem eens, maar voor de eisen die aan een deskundige en aan een onderzoeker moeten worden gesteld, lijkt mij dit niet wezenlijk.
Om die reden meen ik dat het wel degelijk zinvol is deskundigen en onderzoekers met elkaar te vergelijken en te onderzoeken of de inzichten die zijn ontwikkeld bij het vaststellen van de eisen waaraan deskundigen moeten voldoen, ook kunnen worden toegepast op de onderzoekers in de enquêteprocedure. Hetzelfde geldt voor de aan deskundigen en onderzoekers eventueel te stellen opleidingseisen,10 de eventuele registratie van deskundigen en onderzoekers11 en de invloed van partijen op de benoeming van deskundigen en onderzoekers.12