Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.1.1
4.1.1 Wettekst
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450713:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Ondernemingskamer pleegt altijd gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid de rechtspersoon te veroordelen voor de onderzoekskosten zekerheid te stellen. Zie § 4.4.1.
Zie over kostenverhaal onder meer Geerts 2004, p. 224-240; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/779; Assink || Slagter 2013, p. 1686-1687, 1802-1815; Storm 2014, p. 183-187; Borrius 2016. Pogingen tot kostenverhaal op een voormalige bestuurder, commissaris of voormalige werknemers neemt de laatste jaren toe. Anders dan Borrius 2016, p. 65-69, echter betoogt, blijkt uit het empirisch onderzoek van Van Calker dat het aantal verzoeken dat wordt toegewezen niet toeneemt. Zie Van Calker 2017, p. 518-520. De reden voor de toename van het aantal pogingen tot kostenverhaal is dat dit gebruikt wordt als opstapje voor aansprakelijkheid. Zie § 1.2.2.
De bepaling over de kosten van het onderzoek is opgenomen in artikel 2:350 lid 3 BW. Dit artikellid luidt als volgt:
“Wordt het verzoek toegewezen, dan stelt de ondernemingskamer het bedrag vast dat het onderzoek ten hoogste mag kosten. De ondernemingskamer kan hangende het onderzoek dit bedrag op verzoek van de door haar benoemde personen verhogen, na verhoor, althans oproeping van de oorspronkelijke verzoekers. De ondernemingskamer bepaalt de vergoeding van de door haar benoemde personen. De rechtspersoon betaalt de kosten van het onderzoek alsmede de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van de met het onderzoek belaste personen terzake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege de uitvoering van het onderzoek of het verslag van de uitkomst van het onderzoek; in geval van geschil beslist de ondernemingskamer op verzoek van de meest gerede partij. De ondernemingskamer kan bepalen dat de rechtspersoon voor betaling der kosten zekerheid moet stellen.”
Op grond van deze bepaling moet de rechtspersoon de kosten van het onderzoek betalen en daarvoor zekerheid stellen.1 In de praktijk komt het voor dat de rechtspersoon dit niet kan en de verzoeker of een andere belanghebbende deze kosten betaalt.
Artikel 2:354 BW voorziet in een mogelijkheid voor de rechtspersoon deze kosten te verhalen op de verzoekers of op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon was in de onderzoeksperiode. Verhaal van de onderzoekskosten op de verzoekers is mogelijk indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan. Verhaal van de onderzoekskosten op een bestuurder, een commissaris of een ander in dienst van de rechtspersoon is mogelijk indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken. Een bespreking van de bepaling over kostenverhaal valt buiten de scope van mijn onderzoek, die betrekking heeft op het onderzoek zelf.2
Bij de Wet aanpassing enquêterecht is aan artikel 2:350 lid 3 BW toegevoegd dat de rechtspersoon de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van de met het onderzoek belaste personen ter zake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege de uitvoering van het onderzoek of het verslag van de uitkomst van het onderzoek betaalt. Deze bepaling is een reactie op de toegenomen tendens van partijen om de onderzoekers aansprakelijk te stellen. Ook de aansprakelijkheid van de onderzoekers voor fouten bij het onderzoek valt buiten de scope van mijn onderzoek.3
Bij de Wet aanpassing enquêterecht is voorts aan artikel 2:359 BW een tweede lid toegevoegd, dat de situatie regelt als de Hoge Raad de uitspraak waarbij de Ondernemingskamer een onderzoek heeft gelast (of onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen) vernietigt. Dit artikellid luidt als volgt:
“Indien aan een beschikking waarbij een persoon met een onderzoek is belast dan wel is aangesteld als bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen, door vernietiging de grondslag komt te ontbreken, wordt de door de ondernemingskamer aan die persoon toegekende vergoeding onderscheidenlijk beloning geacht niet onverschuldigd te zijn.”