Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/3.2.1.2
3.2.1.2 De ontwikkeling en functies van het recht van reclame
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90977:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de uitgebreide geschiedenis: Feenstra 1949; Fikkers 1992, p. 13-44; Asser/Hijma 7-I* 2013/599. Ik beperk mij in mijn onderzoek tot de regeling in het BW (oud) en het huidige BW.
Land 1902, p. 313-316 en p. 325-326.
Trostorff 1861, p. 63; Land 1902, p. 313-316 en p. 328.
Fikkers 1992, p. 225.
Trostorff 1861, p. 64.
HR 8 december 1978, NJ 1979/361 (Braat q.q./Assurances); Fikkers 1992, p. 36.
TM, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 291.
TM, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 291.
TM, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 291.
Het recht van reclame was onder het oude recht neergelegd in twee wettelijke regelingen, te weten art. 1191-1192a BW (oud) die de leverancier het recht gaf om zaken te reclameren buiten het faillissement van de koper en art. 230-239 WvK (oud) voor het geval de koper gefailleerd was.1
Art. 1191 BW (oud) bepaalde dat de verkoper het reclamerecht buiten het faillissement van de koper kon uitoefenen indien hij roerende zaken niet op krediet had geleverd.2 Het recht van reclame werd beperkt tot verkopen à contant. Volgens de wetgever verdiende de leverancier in dit geval namelijk bescherming. Een leverancier heeft namelijk pas de verplichting om de zaken te leveren op het moment dat hij de koopprijs betaald krijgt. Partijen moeten in beginsel gelijk oversteken. De leverancier kan besluiten om de zaken te leveren voordat hij betaling ontvangt, omdat het onpraktisch is om gelijktijdig de prestaties te verrichten. Hij vertrouwt er vervolgens op dat de koper hem de koopprijs betaalt. Doet de koper dit niet, dan wordt de leverancier in dit vertrouwen geschaad. Voor dat geval biedt de wet hem de mogelijkheid om de zaak terug te nemen, zodat de leverancier en de koper in dezelfde positie worden gebracht als voor het moment van levering.3 Met andere woorden, het recht van reclame verleende aan partijen een korte periode waarbinnen zij gelijk kunnen oversteken. Het beoogde ‘kwesties rond koop en verkoop vlot tot afwikkeling’ te brengen.4 Een leverancier die zaken op krediet leverde, behoefde volgens de wetgever buiten het faillissement van de koper geen bescherming door het recht van reclame. De leverancier gaf namelijk uit eigen beweging een (lange) termijn aan de koper om de koopprijs te betalen, waarbij hij de zaken al direct levert. In dat geval mag aangenomen worden dat de verkoper voor betaling vertrouwt op de solvabiliteit van de koper of zekerheid bedingt.5
De vraag was echter wanneer sprake was van een levering à contant of op krediet. De Hoge Raad bepaalde deze grens in het arrest Braat q.q./Assurances. Hij oordeelde dat sprake was van een ‘koop zonder tijdsbepaling’ in de zin van art. 1191 BW (oud), indien de betaling binnen dertig dagen na aflevering kon worden gevorderd. De Hoge Raad legde aan dit oordeel een teleologische interpretatie van de strekking van art. 1191 BW (oud) ten grondslag. Op grond van ‘de eisen van het tegenwoordige rechtsverkeer in samenhang met de gedragslijn die bij de uitvoering van koopovereenkomsten [zonder tijdsbepaling] thans gewoonlijk wordt gevolgd’, meent de Hoge Raad dat een termijn van dertig dagen redelijk is voor de koper om de koopprijs te betalen. Verleende de leverancier een dergelijke korte betalingstermijn aan de koper, dan is dat niet zonder meer kredietverlening, maar kan het ook gaan om het gunnen van een redelijke termijn om de betaling tot stand te brengen.6 De Hoge Raad dacht hierbij in het bijzonder aan het feit dat veel betalingen giraal geschieden, mogelijk ook via internationale banken, en dat dit tijd kost.
Voor het recht van reclame onder het huidige BW kan hetzelfde worden gezegd. De leverancier kan zaken leveren aan de koper en hem een betalingstermijn gunnen, zonder dat hij het oogmerk heeft om krediet te verstrekken. Hij geeft de koper een redelijke termijn om de tegenprestatie te voldoen. De leverancier bedingt hiervoor geen zekerheid. Met de betalingstermijn wordt in feite een periode gecreëerd waarbinnen de partijen ‘gelijk oversteken’. Zodoende kan het handelsverkeer soepel verlopen; de prestaties hoeven immers niet daadwerkelijk tegelijkertijd verricht te worden. Wordt één van beide prestaties niet verricht, in dit geval de betaling door de koper, dan kan de leverancier zijn prestatie ongedaan maken. Hij herkrijgt de eigendom. Partijen bevinden zich vervolgens in dezelfde posities als voor de verkoop en levering.
Dat de huidige termijn voor uitoefening van het recht van reclame zestig dagen na aflevering van de zaak is in plaats van dertig dagen zoals in het BW (oud), maakt dit niet anders. In de Toelichting Meijers wordt opgemerkt dat het niet reëel is dat de leverancier direct na de aflevering van de zaken of het opeisbaar worden van de vordering een aanmaning zou sturen aan de koper die de koopprijs niet betaald.7 Hij meende zelfs dat een termijn van zes weken na het opeisbaar worden van de vordering:
“[B]ij verkoop zonder tijdsbepaling nog te kort [is], omdat dan de eerste maand geen aanmaning pleegt te worden gezonden. Daarom is voor het vervallen van de vordering tevens vereist dat zestig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop de zaak onder de koper of onder iemand van zijnentwege is opgeslagen.”8
Ook in het huidige recht beoogt de wetgever met het recht van reclame dus om de leverancier te beschermen die ‘gelijk’ wil oversteken en daarbij een korte betaling verleent aan zijn koper.
Het recht van reclame had onder het oude recht nog een tweede functie, die eveneens terugkomt in het huidige recht. Ondanks dat de wetgever namelijk niet beoogde om de leverancier die zaken op krediet levert aan de koper buiten het faillissement te beschermen op grond van art. 1191 BW (oud), leidde deze bepaling wel tot dit resultaat. De leverancier kon namelijk het recht van reclame uitoefenen in alle gevallen waarin hij een betalingstermijn van maximaal dertig dagen aan zijn koper had gegeven buiten faillissement. Met het verlenen van een betalingstermijn van dertig dagen kon de leverancier hebben beoogd om een periode voor gelijk oversteken te geven, maar ook om kort krediet te verstrekken. Aangezien het onderscheid tussen beiden in de praktijk lastig te maken was, kon de leverancier in beide gevallen het recht van reclame buiten faillissement uitoefenen.
Deze tweede functie van het recht van reclame onder het oude recht, valt eveneens af te leiden uit de oude regeling van het recht van reclame tijdens het faillissement van de koper in art. 230 tot en met 239 van het Wetboek van Koophandel. Deze bepalingen tonen ook de beide functies van het recht van reclame. Met deze bepalingen beoogde de wetgever bescherming te bieden aan de leverancier die zaken levert met een maximale betalingstermijn van dertig dagen, ongeacht of partijen een verkoop à contant of op krediet waren overeengekomen. De wetgever meende dat de leverancier die zakenverkoopt en levert en de koper een betalingstermijn van maximaal dertig dagen verleent, dit zowel in het kader van een levering à contant als een levering op krediet kan doen en in beide gevallen bescherming verdient tijdens het faillissement van de koper. Het recht van reclame kon dus in beide gevallen worden ingeroepen.
Ook het huidige recht kent geen onderscheid tussen een levering à contant en op krediet. Zowel buiten als tijdens faillissement kan de leverancier het recht van reclame uitoefenen gedurende zestig dagen na aflevering en zes weken na het opeisbaar worden van de vordering. De wet vereist niet de zaken à contant moeten zijn geleverd. Het huidige recht van reclame vervult dus eveneens beide genoemde functies. De eerste functie is hiervoor al uiteengezet. De tweede functie kan met name worden afgeleid uit de termijn van zes weken die is gekoppeld aan de opeisbaarheid van de vordering (art. 7:44 BW). In de Toelichting-Meijers wordt opgemerkt dat:
“Indien op krediet is gekocht, [kan] de verkoper het recht van reclame eerst uitoefenen, wanneer de koopprijs opeisbaar is geworden, hetzij door het verstrijken van de termijn van het krediet, hetzij door de faillietverklaring van de koper. De vervaltermijn kan niet eerder beginnen te lopen. Daar men niet onmiddellijk na het opeisbaar worden van de vordering een aanmaning pleegt te sturen en voor het nodige beraad en het eventueel inschakelen van een advocaat de nodige tijd moet worden gelaten, is de termijn van dertig dagen op zes weken gebracht.”9
Het recht van reclame dient dus mede om de leverancier die zaken op krediet verstrekt te beschermen tegen de koper die in gebreke blijft met de betaling van de koopprijs. De leverancier heeft dit recht zes weken nadat de vordering opeisbaar is geworden. De minister merkt zelfs op dat partijen een langere krediettermijn kunnen overeenkomen, omdat zij het moment dat de vordering opeisbaar wordt contractueel kunnen bepalen. Zij kunnen dus afspreken dat de vordering niet direct opeisbaar is, maar pas na verloop van een bepaalde termijn. Op dat moment gaat de zeswekentermijn pas lopen.