Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.7.4
4.7.4 Zekerheidstelling voor de onderzoekskosten door een derde
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451856:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 juni 2009, NJ 2011/210, m.nt. W.J.M. van Veen onder NJ 2011/211, JOR 2009/192 m.nt. J.J.M. van Mierlo onder JOR 2009/193 (KPNQwest), r.o. 3.4.1 en 3.4.2. Winters en Ploeger 2007, p. 36, hebben betoogd dat de Ondernemingskamer geen onderzoek zou behoren te gelasten indien onzeker is of voor de kosten van het onderzoek zekerheid wordt gesteld. Zij wijzen op het risico dat als er geen onderzoek komt, het voorlopige oordeel van de Ondernemingskamer in de eerstefasebeschikking toch een min of meer definitief karakter krijgt, omdat er geen vervolg komt.
HR 26 juni 2009, NJ 2011/211, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2009/193, m.nt. J.J.M. van Mierlo (KPNQwest), r.o. 3.3. Op die grond wees OK 7 oktober 2010, ARO 2010/158 (Geomar) een enquêteverzoek af.
OK 3 januari 2006, JOR 2006/44, m.nt. J.J.M. van Mierlo onder JOR 2006/45 (LCI Technology Group), r.o. 3.8. In OK 28 december 2006, JOR 2007/67 (KPNQwest) nam de Ondernemingskamer impliciet dezelfde beslissing. De onderzoekers in de KPNQwest-zaak zijn uiteindelijk eerst benoemd bij beschikking OK 5 december 2008, ARO 2008/193 (KPNQwest).
OK 14 september 2006, ARO 2006/162 (LCI Technology Group). Aanvankelijk wilde de VEB voor slechts € 50.000 zekerheid stellen. Zie de brief van de secretaris van de Ondernemingskamer d.d. 14 december 2007, te kennen uit de conclusie van A-G Timmerman voor HR 26 juni 2009,NJ 2011/211, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2009/193, m.nt. J.J.M. van Mierlo (KPNQwest), nrs. 1.3-1.6.
OK 21 augustus 2008, JOR 2008/267, m.nt. M. Brink (KPNQwest), r.o. 2.5.
Zie § 4.8.3.
Zie § 4.8.
Conclusie A-G Timmerman voor HR 26 juni 2009, NJ 2011/210, m.nt. W.J.M. van Veen onderNJ 2011/211, JOR 2009/192, m.nt. J.J.M. van Mierlo onder JOR 2009/193 (KPNQwest), nr. 6.18.
Zie bijvoorbeeld OK 17 februari 2006, ARO 2006/42 (Decidewise); OK 17 december 2008, ARO 2009/2 (Delascos Holding); OK 3 april 2014, ARO 2009/184 (Broekmans Assuranti ë n).
HR 26 juni 2009, NJ 2011/211, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2009/193, m.nt. J.J.M. van Mierlo (KPNQwest); OK 26 maart 2013, ARO 2013/80 (Van Lier-Van der Lans). Zie verder § 11.5.3.
Zie bijvoorbeeld OK 5 december 2014, ARO 2014/184 (Leaderland c.s.), r.o. 3.6.
Zo ook A-G Timmerman in zijn conclusie voor HR 26 juni 2009, NJ 2011/210, m.nt. W.J.M. van Veen onder NJ 2011/211, JOR 2009/192, m.nt. J.J.M. van Mierlo onder JOR 2009/193 (KPNQwest), nr. 6.15. Ook de Ondernemingskamer vindt het ontoelaatbaar dat een derde die zekerheid wil stellen voor het onderzoeksbudget zich op enigerlei wijze enige invloed verschaft en de verdere financiering van het onderzoek afhankelijk stelt van de wijze waarop en door wie het wordt verricht. Zie de brief van de secretaris van de Ondernemingskamer d.d. 14 december 2007, te kennen uit de conclusie van A-G Timmerman voor HR 26 juni 2009, NJ 2011/211, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2009/193, m.nt. J.J.M. van Mierlo (KPNQwest), nr. 1.6. Onder bijzondere omstandigheden is een uitzondering op dit uitgangspunt denkbaar. Zie § 4.4.2.
Het bovenstaande betekent dat het onderzoek alleen kan plaatsvinden indien een derde zich bereid verklaart de kosten van het onderzoek voor zijn rekening te nemen en daarvoor zekerheid te stellen. Dit behoeft niet te geschieden voordat de Ondernemingskamer beslist op het verzoek tot het gelasten van een enquête. In de KPNQwest-beschikking1 heeft de Hoge Raad beslist dat in beginsel, behoudens omstandigheden van uitzonderlijke aard, een verzoek een onderzoek te gelasten naar een insolvente rechtspersoon inhoudelijk behandeld moet worden en de praktische uitvoerbaarheid van een eventueel door de Ondernemingskamer te bevelen onderzoek niet als voorwaarde voor een verdere behandeling mag worden gesteld. Het staat de Ondernemingskamer evenwel vrij, als zij daartoe in het processuele debat aanleiding ziet, eerst te onderzoeken of, en in hoeverre, een eventueel door haar te bevelen onderzoek in verband met de daartoe benodigde financiële middelen ook daadwerkelijk zal kunnen plaatsvinden en, als zij tot de conclusie komt dat daarop geen reëel uitzicht bestaat, het verzoek op die grond af te wijzen. Of het uit een oogpunt van proceseconomie de voorkeur verdient eerst dan een onderzoek te bevelen wanneer is gegarandeerd dat de daarvoor benodigde gelden beschikbaar zijn, hangt af van een feitelijke waardering die aan de Ondernemingskamer, als rechter die over de feiten oordeelt, is voorbehouden.2
Indien de Ondernemingskamer een onderzoek naar een insolvente rechtspersoon gelast terwijl op voorhand niet duidelijk is wie de kosten van het onderzoek zal betalen, pleegt de Ondernemingskamer af te wachten of er een derde bereid is voor de onderzoekskosten zekerheid te stellen alvorens de onderzoekers te benoemen.3 In de LCI-zaak nam de Ondernemingskamer genoegen met het feit dat de VEB voor een kwart van het onderzoeksbudget groot € 60.000 zekerheid stelde, en benoemde zij vervolgens een onderzoeker.4 In de KPNQwest-zaak nam de Ondernemingskamer geen genoegen met het feit dat de VEB slechts voor € 250.000 zekerheid wilde stellen terwijl zij het onderzoeksbudget had vastgesteld op € 500.000 (waarbij, zoals de Ondernemingskamer overwoog, ook nog € 95.000 BTW kwam).5 Waarom de Ondernemingskamer in deze zaken tot een diametraal verschillend oordeel kwam, is speculeren. Wellicht dat haar ervaringen met de LCI-zaak6 de Ondernemingskamer tot het inzicht hebben gebracht dat het niet verstandig is met het onderzoek te beginnen voordat voor het gehele onderzoeksbudget zekerheid is gesteld. Ook kan een rol hebben gespeeld dat, anders dan in de LCI-zaak, in de KPNQwest- zaak belanghebbenden bezwaar hadden gemaakt tegen de benoeming van onderzoekers zolang niet voor het gehele onderzoeksbudget zekerheid was gesteld.
Met de aan de KPNQwest-beschikking ten grondslag liggende gedachte dat niet met het onderzoek moet worden begonnen alvorens de financiering van het onderzoek is gewaarborgd, ben ik het volledig eens. Zoals in § 4.3.2 uiteengezet, meen ik dat het de voorkeur verdient dat de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget vaststelt na overleg met de onderzoekers (en partijen). Dat geldt zeker bij een onderzoek naar een insolvente rechtspersoon, omdat in dat geval niet zeker is of het onderzoeksbudget later wel kan worden verhoogd. Als er dan niemand blijkt te zijn die voor een verhoging zekerheid wil stellen, kan de Ondernemingskamer ook niemand daartoe dwingen.7 Dit overleg tussen de Ondernemingskamer, de beoogde onderzoekers en partijen zou er ook toe kunnen leiden dat de Ondernemingskamer de omvang van het onderzoek of de periode waarover het zich uitstrekt nader beperkt vanwege ontoereikende middelen.8
Mocht er uiteindelijk niemand zijn die voor het onderzoeksbudget zekerheid wil stellen, dan kan de Ondernemingskamer de onderzoekers ontheffen van hun taak9 of het gehele onderzoek beëindigen.10
Op zich stuit het niet op bezwaren indien derden voor het onderzoeksbudget zekerheid stellen als de rechtspersoon niet kan betalen. Het feit dat de kosten van het onderzoek door een derde worden betaald, betekent niet dat de onderzoekers niet onafhankelijk zijn.11 Wat echter niet acceptabel is, is dat die derden door het verbinden van voorwaarden aan hun aanbod tot financiering invloed trachten uit te oefenen op het onderzoek of op de persoon van de te benoemen onderzoeker.12 Het enige wat de verzoeker of een derde die voor (een deel van) het onderzoeksbudget zekerheid wil stellen kan doen, is de Ondernemingskamer verzoeken de omvang van het onderzoek of de periode waarover het zich uitstrekt te beperken, om op die manier te bereiken dat met een lager onderzoeksbudget kan worden volstaan. De uiteindelijke beslissing is echter aan de Ondernemingskamer.