Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.7.3
4.7.3 Geen veroordeling van derden om zekerheid voor de onderzoekskosten te stellen
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS456670:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld OK 18 januari 2008, ARO 2008/24 (Hadenta), r.o. 2; OK 21 oktober 2010, ARO 2010/160 (Cancun Holding II), r.o. 2.2; OK 12 augustus 2011, ARO 2011/131 (Middle Europe Investments c.s.), r.o. 2.
Zie bijvoorbeeld OK 4 juni 1992, NJ 1992/717, De NV 1992, p. 179 (Avantgarde International Stationery); OK 9 augustus 2006, ARO 2006/156 (Euroyal Properties c.s.). Zie Geerts 2004, p. 215, 222 en daar genoemde jurisprudentie.
GH 14 januari 2014, ARO 2014/49 (TC), r.o. 2.1; GH 18 februari 2014, ARO 2014/78 (TC).
OK 27 december 2012, JOR 2013/42, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Van Lier-Van der Lans). Zie hierover Eikelboom 2013.
Zie HR 14 september 2007, JOR 2007/238, m.nt. S.M. Bartman onder JOR 2007/239 (Versatel), r.o. 4.2.
Zo ook M.W. Josephus Jitta, annotatie bij OK 27 december 2012, JOR 2013/42 (Van Lier-Van der Lans). HR 18 november 2016, JOR 2017/30, m.nt. A. Hammerstein, (Meavita), r.o. 3.5.2 heeft beslist dat een redelijke uitleg van artikel 2:354 BW meebrengt dat ook de verzoekers van de enquête kunnen verzoeken de door hen betaalde kosten van het onderzoek op de voet van deze bepaling te mogen verhalen. Ik meen dat dit ook geldt voor andere partijen dan de verzoekers die de kosten van het onderzoek hebben betaald.
Zie bijvoorbeeld OK 8 december 2015, ARO 2016/11 (Phanos Reit c.s.), r.o. 3.4; OK 8 april 2016,ARO 2016/87 (VTS Groep Nederland), r.o. 2.2.
De wet bepaalt dat de rechtspersoon de kosten van het onderzoek betaalt en dat de Ondernemingskamer kan bepalen dat de rechtspersoon voor de kosten van het onderzoek zekerheid moet stellen (artikel 2:350 lid 3, vierde en vijfde volzin, BW). Als de rechtspersoon de kosten van het onderzoek niet kan betalen en daarvoor evenmin zekerheid kan stellen, kan de Ondernemingskamer niet een ander dan de rechtspersoon veroordelen om die zekerheid te stellen. Dat heeft zij diverse keren ook zo beslist.1 Desondanks heeft zij ook weleens anderen dan de rechtspersoon veroordeeld om zekerheid voor het onderzoeksbudget te stellen.2 Zij is in dit opzicht dus niet consequent. Bovendien heeft zij naar mijn mening ten onrechte die anderen veroordeeld voor de onderzoekskosten zekerheid te stellen. De wet laat geen andere interpretatie toe. Als de verzoeker of een belanghebbende aanbiedt om zekerheid voor de onderzoekskosten te stellen, kan de Ondernemingskamer in vertrouwen daarop het onderzoek gelasten of, als zij twijfelt aan de financiële gegoedheid van die partij, haar vragen om haar gegoedheid aan te tonen. Vervolgens is het aan deze derde om ten behoeve van de onderzoekers zekerheid te stellen. Laat die dat achterwege, dan kan de Ondernemingskamer het onderzoek op die grond beëindigen. In een Curaçaose zaak heeft het Gemeenschappelijk Hof geëist dat de verzoeker zekerheid zou stellen ten behoeve van de nog te benoemen onderzoekers.3 In Curaçao kan dit, omdat artikel 2:274 lid 3 CBW het Gemeenschappelijk Hof de mogelijkheid biedt de verzoeker te veroordelen voor de kosten van het onderzoek zekerheid te stellen. In een Nederlandse enquête vind ik dit echter niet acceptabel.
In de zaak-Van Lier-Van der Lans heeft de Ondernemingskamer, op verzoek van de verzoeker tot de enquête, bij wege van onmiddellijke voorziening een rechtspersoon-bestuurder van de vennootschap alsmede de bestuurder daarvan veroordeeld op straffe van een dwangsom om binnen vijf dagen na haar beschikking zekerheid te stellen voor de onderzoekskosten.4 Achtergrond daarvan was dat de vennootschap de onderzoekskosten niet kon betalen en dat die bestuurder volgens de Ondernemingskamer verantwoordelijk was voor een onverklaard kastekort van € 90.000.
Aan de Ondernemingskamer kan worden toegegeven dat zij in het belang van het onderzoek een onmiddellijke voorziening mag treffen.5 Een onmiddellijke voorziening kan ook afwijken van dwingend recht, in dit geval artikel 2:350 lid 3 BW.6 Desalniettemin meen ik dat deze uitspraak zich niet verdraagt met het wettelijk systeem dat de rechtspersoon de kosten van het onderzoek moet voorschieten, onverminderd de mogelijkheid van verhaal op (onder meer) degenen die voor het wanbeleid verantwoordelijk zijn.7 Na deze uitspraak is het ook in andere zaken waarin de rechtspersoon geen zekerheid voor het onderzoeksbudget kon stellen, voorgekomen dat partijen een vergelijkbare onmiddellijke voorziening verzochten. De Ondernemingskamer heeft deze verzoeken verworpen met als motivering dat in beginsel niet kan worden bepaald (i) dat anderen dan de rechtspersoon de kosten van het onderzoek dragen of (ii) dat anderen dan de rechtspersoon zekerheid stellen. Dat is, aldus de Ondernemingskamer onder verwijzing naar de Van Lier-Van der Lans-beschikking, slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden anders.8