Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/1.4.3
1.4.3 De materiële betekenis van het onderzoek in de enquêteprocedure
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS459119:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2:354 BW voorziet ook in verhaal op de verzoeker, indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke gronden is gedaan, maar dat komt in de praktijk nauwelijks voor en dat laat ik daarom verder buiten beschouwing.
Zie over de ondertekening van het verslag § 10.3.11.
In de jurisprudentie werd op deze regel al geanticipeerd. Zie o.m. HR 9 januari 1999, NJ 1999/413, m.nt. H.J. Snijders (L./Gemeente Utrecht), r.o. 3.6.
HR 18 april 2003, NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/110, m.nt. J.M. Blanco Fernández (RNA), r.o. 3.13, 3.21; HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Cancun Holding II),r.o. 4.4. Vgl. Soerjatin 2016, p. 39, die er terecht op wijst dat de Ondernemingskamer alleen acht kan slaan op feiten en omstandigheden die in de tweedefaseprocedure zijn gesteld als er voldoende con-nexiteit is met het onderzoeksverslag.
HR 31 mei 2000, NJ 2000/555, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2000/149 (Vied’Or), r.o. 3.4.1; HR8 april 2005, NJ 2006/443, m.nt. mr. drs. R.M. Hermans, JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus), r.o. 3.4- 3.5.
HR 18 april 2003, NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/110, m.nt. J.M. Blanco Fernández (RNA), r.o. 3.13, 3.21; HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Cancun Holding II), r.o. 4.4.
HR 8 april 2005, NJ 2006/443, m.nt. mr. drs. R.M. Hermans, JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus),r.o. 3.9. Zie echter § 7.3.4.4, waar ik deze jurisprudentie bestrijd.
Zie bijvoorbeeld HR 4 juni 1997, NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer (Text Lite Holding), r.o. 4.4.2; HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Cancun Holding II), r.o. 4.4.
De materiële betekenis van het onderzoek voor de enquêteprocedure wordt bepaald door hetgeen de Ondernemingskamer op basis van het onderzoeksverslag kan doen, te weten: (i) declaratoir vaststellen dat er sprake is geweest van wanbeleid en een of meer van de in artikel 2:356 BW genoemde voorzieningen treffen welke zij op grond van de uitkomst van het onderzoek geboden acht, (ii) indien verzocht, vaststellen bij wie de verantwoordelijkheid voor het gebleken wanbeleid berust en (iii) beslissen dat de rechtspersoon de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon.1 De rol van het onderzoeksverslag daarbij is de volgende. Het onderzoeksverslag is een onderhandse akte in de zin van artikel 156 Rv. Het onderzoeksverslag wordt immers door de onderzoekers ondertekend en is bestemd om als bewijsmiddel in de tweedefaseprocedure te dienen.2 Op de enquêteprocedure zijn de algemene regels van de verzoekprocedure van toepassing, hetgeen sinds 1 januari 2002 ook formeel betekent dat het voor vorderingsprocedures geldende bewijsrecht van overeenkomstige toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet (artikel 284 lid 1 Rv).3 De eigen aard van de enquêteprocedure brengt mee dat niet alle regels van het bewijsrecht van toepassing zijn. Uit artikel 2:355 lid 1 BW vloeit voort dat uitsluitend voorzieningen kunnen worden getroffen indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken. Evenzo kan blijkens artikel 2:354 BW verhaal van kosten alleen plaatsvinden indien uit het verslag blijkt dat een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon verantwoordelijk is. Dit betekent dat de regel dat feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (artikel 149 lid 1 Rv), niet zonder meer van toepassing is op de enquêteprocedure. Voor de gerechtelijke erkentenis (artikel 154 Rv) geldt hetzelfde. Evenmin geldt de regel dat bewijs kan worden geleverd door alle middelen rechtens (artikel 152 lid 1 Rv). De feitelijke grondslag voor de vaststelling dat er sprake is van wanbeleid respectievelijk kostenverhaal moet blijken uit het verslag. Het oordeel van de Ondernemingskamer over gebleken wanbeleid behoeft niet uitsluitend zijn grondslag te vinden in en volledig gebaseerd te zijn op hetgeen uit het onderzoek is gebleken. De Ondernemingskamer mag haar oordeel mede baseren op hetgeen voorts in de procedure is gesteld en gebleken. De Ondernemingskamer is dus niet gebonden aan de oordelen die de onderzoeker in zijn verslag heeft verbonden aan de door hem onderzochte feiten. Zij kan mede aan de hand van hetgeen partijen voor haar hebben aangevoerd tot een ander oordeel over de onderzochte handelingen komen.4
De materiële betekenis van het onderzoek in de enquêteprocedure kan in de volgende regels worden samengevat:
De Ondernemingskamer is in de tweedefaseprocedure gebonden aan de grondslag van het verzoek tot het vaststellen van wanbeleid en het treffen van voorzieningen. Die grondslag bepaalt de omvang van de rechtsstrijd.5
De verzoeker moet stellen en aantonen dat sprake is van wanbeleid en, indien verzocht, bij wie de verantwoordelijkheid voor dat beweerdelijke wanbeleid berust. Evenzo moet de rechtspersoon stellen en aantonen dat er een grondslag is voor kostenverhaal, dat wil zeggen dat een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst is van de rechtspersoon verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon.
Het bewijs voor wanbeleid respectievelijk de grondslag voor kostenverhaal kan niet worden geleverd door alle middelen rechtens (artikel 152 lid 1 Rv), maar moet zijn grondslag vinden in het verslag. Onder het verslag moet in dit verband worden verstaan zowel het eigenlijke verslag als de daarbij behorende bijlagen. De Ondernemingskamer mag haar oordeel echter mede baseren op hetgeen voorts in de procedure is gesteld en gebleken.6
De verwerende partijen kunnen, in afwijking van het bepaalde in artikel 151 lid 2 Rv, niet met alle middelen tegenbewijs leveren. Zij hebben wél het recht de bevindingen van de onderzoekers te bestrijden. Indien het gaat om stellingen die essentieel zijn voor de in dat geding te nemen beslissingen, dient de Ondernemingskamer daaraan in haar beschikking aandacht te besteden.7
De waardering van het bewijs is aan de Ondernemingskamer overgelaten (artikel 152 lid 2 Rv). Het onderzoeksverslag heeft geen dwingende bewijskracht. Dat kan eventueel wél het geval zijn met onderhandse aktes die voldoen aan het criterium van artikel 157 lid 2 Rv en die als bijlage aan het onderzoeksverslag zijn gehecht.
De Ondernemingskamer is niet gebonden aan het oordeel van de onderzoekers dat sprake is van wanbeleid.8