Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/6.2.3
6.2.3 Aanspraak aandeelhouder jegens vennootschap
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS345563:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder veel meer de bijdrage van B. Bier, Betekent winstrecht ook recht op winst?, in: P.J. van der Korst, R. Abma en G.T.M.J. Raaijmakers, Handboek onderneming en aandeelhouder, Deventer: Kluwer 2012, p. 192-205.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 6 juni 2011, JOR 2011/282 (Jeezet/Synpact), rov. 3.10, zie over het spanningsveld tussen het recht op redelijk dividend en het uitgangspunt dat het stemrecht van de aandeelhouder mag dienen om zijn eigen belang te behartigen en over de rol van bestuur en algemene vergadering hierbij J.M. Blanco Fernández in diens JOR-noot onder de beschikking sub 2-4.
Hoge Raad 12 juli 2013, JOR 2013/301 en Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 9 januari 2014, JOR 2014/97, zie voorts H. Koster, Exit dividend litigation KLM, Ondernemingsrecht 2015/123.
Overigens kan ook in het kader van een procedure een recht op informatie voortvloeien uit het Wetboek van Rechtsvordering. Vergelijk over informatierechten en het onderscheid tussen pre- processuele en processuele informatierechten: P.J. van der Korst, Bedrijfsgeheimen en transparantieplichten (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2007, p. 161-170 en 174-183.
E.J.J. van der Heijden en W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, nr. 203.1, L. Timmerman, in: C.W. de Monchy en L. Timmerman, De nieuwe algemene bepalingen van boek 2 BW, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Zwolle: Tjeenk Willink 1991, p. 51, P. van Schilfgaarde, J. Winter en J.B. Wezeman, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2013, p. 228, M. Koelemeijer, Redelijkheid en billijkheid in kapitaalvennootschappen (diss. Maastricht), Deventer: Kluwer 1999, p. 93, zie voorts p. 333, B.F. Assink || W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013, p. 701, 702, H.M. Vletter-van Dort, Informatierechten van de aandeelhoudersvergadering en de individuele aandeelhouder: een update, in: P.J. van der Korst, R. Abma en G.T.M.J. Raaijmakers, Handboek onderneming en aandeelhouder, Deventer: Kluwer 2012, p. 214, 215, Asser-Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/327.
Zie de conclusie van A-G Timmerman onder 3.6.8 voor Hoge Raad 9 juli 2010, JOR 2010/228 (ASMI).
Hoge Raad 9 juli 2010, JOR 2010/228 (ASMI), rov. 4.6.
B.F. Assink || W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013, p. 702, 703. Zie ook Wolf, die een verband legt tussen de twee sporen door bij zijn bespreking van de informatieplicht van de vennootschap ook de ASMI-beschikking te bespreken. Hij betoogt dat deze beschikking ruimte laat om op grond van de redelijkheid en billijkheid te blijven afwijken van de hoofdregel dat de aandeelhouder buiten de aandeelhoudersvergadering geen recht heeft op informatie. Hij signaleert dat bij een BV gemakkelijker kan worden afgeweken dan bij een beursgenoteerde NV, waarvan in de ASMI-beschikking sprake was, R.A. Wolf, De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (diss. Maastricht), Deventer: Kluwer 2013, p. 364-369.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer), 26 mei 1983, NJ 1984/481 (Linders/Hofstee), rov. 4.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer), 30 november 2000, JOR 2001/4, rov. 3.1 en Hoge Raad 1 maart 2002, JOR 2002/79 (Zwagerman Beheer), rov. 3.2-3.4.
Hoge Raad 4 april 2014, NJ 2014/286 (Cancun), rov. 4.7.2. Volledigheidshalve zij vermeld dat ik bij deze zaak betrokken was als advocaat van een van de bestuurders van Cancun Holding II.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 6 juni 2011, JOR 2011/282 (Jeezet/Synpact), rov. 3.24, zie ook reeds Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 17 februari 2009, JOR 2009/129 (Butôt), rov. 3.7, waarover ook paragraaf 4.3.3. In de beschikking van de Hoge Raad over Butôt kwam dit punt niet aan de orde.
De zuivere aanwezigheid van een minderheidsaandeelhouder brengt nog niet zo’n zorgvuldigheidsplicht mee, vergelijk M. van Olffen, Meerderheidsaandeelhouders versus minderheidsaandeelhouders, een bijzondere zorg(vuldigheids)plicht? Zwagerman revisited, in: P.J. van der Korst, R. Abma en G.T.M.J. Raaijmakers, Handboek onderneming en aandeelhouder, Deventer: Kluwer 2012, p. 378.
De aandeelhouder kan aan de norm van artikel 2:8 BW ook aanspraken ontlenen jegens de vennootschap. Aan de orde komen de aanspraak op uitkering van dividend en het recht van een individuele aandeelhouder op informatie.
a. Dividend
Op grond van artikel 2:105 lid 1 BW komt bij de naamloze vennootschap de winst aan de aandeelhouders ten goede. De statuten wijken hiervan vaak af in de zin dat de algemene vergadering van aandeelhouders bevoegd is te besluiten over de bestemming van de winst. Bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is dat sinds 2012 de regel, zie artikel 2:216 lid 1 BW. De aandeelhoudersvergadering is daarin niet geheel vrij. De (minderheids) aandeelhouder kan aan de norm van artikel 2:8 BW in het algemeen aanspraak op een redelijk dividend ontlenen tenzij het belang van de vennootschap tot reservering noopt.1
De Ondernemingskamer geeft enig inzicht in de enquêtebeschikking inzake JeeZet/Synpact:2
“De algemene vergadering van aandeelhouders dient bij het nemen van het besluit tot winstbestemming de redelijkheid en billijkheid in het oog te houden. Het belang van een (minderheids)aandeelhouder bij uitkering van dividend dient zorgvuldig te worden afgewogen tegen het belang van de vennootschap en de wens van de andere aandeelhouder(s) om de winst (geheel of gedeeltelijk) aan de reserves toe te voegen. In beginsel dient de winst aan de aandeelhouders te worden uitgekeerd, tenzij het vennootschappelijk belang vereist dat tot (gehele of gedeeltelijke) reservering van de winst wordt overgegaan. Het gedurende een onbepaalde tijd handhaven van een beleid waarbij alle winst wordt gereserveerd zal in het algemeen niet gerechtvaardigd zijn. Het dividendbeleid dient kenbaar te zijn voor de aandeelhouders en te worden gemotiveerd.”
Dat de vennootschap – of wellicht beter gezegd de algemene vergadering van aandeelhouders die over de winstbestemming besluit – de nodige vrijheid heeft bij de belangenafweging ter zake volgt uit het arrest van de Hoge Raad over het dividendbeleid van KLM N.V. Uit de enquêtebeschikking van de Ondernemingskamer over KLM N.V. volgt echter weer dat ook indien besluiten over winstbestemming niet vernietigbaar zijn wegens strijd met artikel 2:8 BW, er toch reden kan zijn het dividendbeleid aan een onderzoek in een enquêteprocedure te onderwerpen (zie ook paragraaf 6.2.1b over het verschil in “toetsingsintensiteit” in een procedure op grond van artikel 2:15 BW en een enquêteprocedure).3
b. Recht op informatie
De algemene vergadering van aandeelhouders heeft een informatierecht: op grond van artikel 2:107/217 lid 2 BW verschaffen bestuur en raad van commissarissen haar alle verlangde inlichtingen, tenzij een zwaarwegend belang van de vennootschap zich daartegen verzet. De wet voorziet niet in een informatierecht voor de individuele aandeelhouder. Op grond van artikel 2:8 BW komt de individuele aandeelhouder onder omstandigheden mogelijk wel een recht op informatie toe.
De ontwikkeling van de vraag naar informatierechten van de aandeelhouder buiten vergadering heeft zich langs twee sporen voltrokken. Het ene spoor neemt als vertrekpunt de vraag van de aandeelhouder aan (het bestuur van) de vennootschap om informatie te verschaffen, het andere spoor neemt als vertrekpunt de omstandigheden waaronder de vennootschap gehouden is zelf informatie te verschaffen aan de aandeelhouder (in dat spoor veelal aangeduid als “opening van zaken geven”). Hoewel de sporen in de jurisprudentie nauwelijks samenkomen (een enkele beschikking van de Ondernemingskamer daargelaten), zijn zij te beschouwen als hoofdregel en uitzondering.4
Wordt de informatievraag van een individuele aandeelhouder als vertrekpunt genomen, dan biedt de literatuur een gemengd beeld, dat tendeert naar afwijzing vaneen informatierecht van de aandeelhouder buiten de algemene vergadering.5 In de jurisprudentie is de ASMI-beschikking van de Hoge Raad richtinggevend. In die enquêteprocedure hadden enkele aandeelhouders aangevoerd dat (het bestuur van) ASM International N.V. tekortschoot in de nakoming van haar informatieverplichtingen jegens de aandeelhouders en onvoldoende openheid betrachtte door vragen onbeantwoord te laten. De Ondernemingskamer ging daarin mee, kennelijk met het oog op (onvoldoende) informatieverschaffing tijdens de algemene vergadering6 De Hoge Raad liet de beschikking van de Ondernemingskamer op dit punt in stand maar overwoog, kennelijk ten overvloede en overigens ongeclausuleerd, dat buiten de algemene vergadering geen recht van de aandeelhouders bestaat op het verstrekken van door hen afzonderlijk verlangde informatie.7
Wordt de gehoudenheid van de vennootschap tot vertrekpunt genomen, wordt in de literatuur betoogd dat artikel 2:8 BW kan meebrengen dat de vennootschap soms verplicht is uit eigen beweging informatie te verschaffen, waarbij met name wordt gedacht aan gevallen van belangenverstrengeling.8 In de jurisprudentie valt te wijzen op een lange reeks uitspraken, vaak in het kader van (de omgang met) belangenverstrengeling of dreigende tenachterstelling van een aandeelhouder. In de Linders/Hofstee-beschikking overwoog de Ondernemingskamer dat de vennootschap, als waarborg voor het zorgvuldig scheiden van tegenstrijdige belangen, openheid moet betrachten en onder omstandigheden, gelet op de in acht te nemen redelijkheid en billijkheid, de aandeelhouders informatie moet verstrekken.9 In de beschikking inzake Zwagerman Beheer oordeelde de Ondernemingskamer langs dezelfde lijnen, welk oordeel door de Hoge Raad in stand werd gelaten.10 In de hiervoor in paragraaf 6.2.2e reeds genoemde Cancun-beschikking oordeelde de Hoge Raad onder meer over de verplichting van het bestuur van een vennootschap om de voorgenomen overdracht van aandelen door een aandeelhouder aan een andere aandeelhouder, waardoor die laatste een meerderheidsbelang zou krijgen, te melden aan de derde aandeelhouder. De Hoge Raad repte niet over het ontbreken van een informatierecht van de aandeelhouder buiten vergadering in het algemeen dat aan het verschaffen van informatie in de weg zou staan. De Hoge Raad constateerde dat er geen specifieke plicht voor het bestuur is een aandeelhouder te informeren over een voorgenomen overdracht tussen twee andere aandeelhouders, maar oordeelde dat zo’n informatieplicht toch bestaat voor (het bestuur van) de vennootschap jegens de aandeelhouder, gelet op de zorgvuldigheid waar artikel 2:8 BW toe noopt.11
De twee hiervoor beschreven sporen zijn mijns inziens te beschouwen als een hoofd-regel en een uitzondering. De Ondernemingskamer heeft de verhouding tussen beide sporen in sommige gevallen zo geschetst, bijvoorbeeld in de beschikking inzake Jeezet/Synpact.12
“De Ondernemingskamer overweegt in het algemeen ten aanzien van het informatierecht van aandeelhouders dat de hoofdregel is dat het bestuur van een vennootschap haar aandeelhouders door middel van de jaarrekening informeert en dat de aandeelhouders in de algemene vergadering van aandeelhouders aan het bestuur informatie kunnen vragen en dat het bestuur in beginsel gehouden is deze informatie te verschaffen. Buiten de algemene vergadering van aandeelhouders hebben de aandeelhouders in beginsel geen recht op het verkrijgen van de bedoelde informatie. Van deze hoofdregel dient – onder meer – te worden afgeweken in een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van een besloten vennootschap met een joint venture-karakter met drie aan-deelhouders van wie er twee gezamenlijk optrekken en de meerderheid van de stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders vertegenwoordigen en die tevens in het bestuur van de vennootschap voorzien. In dat geval rust er op het bestuur van de vennootschap een bijzondere zorgplicht jegens de minderheidsaandeelhouder die geen bestuurder is en dient jegens hem meer openheid te worden betracht met betrekking tot de informatie waarop een aandeelhouders als zodanig geen recht heeft. Dit geldt in het bijzonder indien sprake is van (mogelijke) belangenverstrengeling.”
Kortom, in beginsel heeft een aandeelhouder buiten de algemene vergadering geen recht op informatie van de vennootschap (de ASMI-beschikking), maar de op grond van artikel 2:8 BW in acht te nemen zorgvuldigheidsplicht kan meebrengen dat de vennootschap opening van zaken geeft en de aandeelhouders op hun verzoek of op eigen initiatief informatie verschaft (bijvoorbeeld in de Cancun-beschikking). Daartoe kan bijvoorbeeld aanleiding zijn in situaties met meerderheids- en minderheidsaandeelhouders, waarbij de meerderheidsaandeelhouder dichter op het bestuur zit en tenachterstelling van de minderheidsaandeelhouders dreigt13 en in situaties – het zal geregeld samenvallen – waarin belangenverstrengeling dreigt. Indien de vennootschap vervolgens informatie verschaft, moet dat gelet op artikel 2:92/201 lid 2 BW aan alle aandeelhouders gebeuren; bij beursvennootschappen zal die informatie algemeen verkrijgbaar moeten worden gesteld.