Stille getuigen
Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.3.5:7.3.5 Nalatigheid van de verdediging
Stille getuigen 2015/7.3.5
7.3.5 Nalatigheid van de verdediging
Documentgegevens:
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
‘Opmerkingen van de Nederlandse regering betreffende klacht 25307/10’, brief van 24 februari 2012 (niet gepubliceerd).
EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland), § 51. Zie daarover § 2.7.
HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.76.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak D.T. betoogde de Nederlandse regering in de Straatsburgse procedure dat de verdediging in cassatie niet had geklaagd over de door het gerechtshof geboden compensatie. Dat zou volgens de regering tot gevolg moeten hebben dat de klacht niet-ontvankelijk zou worden verklaard wegens niet-uitputting van de nationale rechtsmiddelen.1 Hoewel het ehrm de nationale rechtsmiddelen wel voldoende uitgeput achtte, roept dit verweer de vraag op of de verdediging in cassatie concreet zou moeten klagen dat de door het gerechtshof toegepaste compensatie onvoldoende is. Ik vermoed dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, aangezien de Hoge Raad in deze zaak de klacht niet heeft laten falen om de reden dat niet specifiek was geklaagd over compensatie, maar om de reden dat de geboden compensatie volgens de Hoge Raad voldoende was.
Hieraan verwant is de vraag of de verdediging in de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep er actief op zou moeten aansturen compenserende maatregelen getroffen te krijgen. Moet de verdediging bijvoorbeeld verzoeken om een onderzoek door een deskundige wanneer de officier van justitie of rechter daartoe geen initiatief neemt? Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan het antwoord op deze vraag niet worden afgeleid. Het ehrm lijkt van de verdediging een actieve houding te verwachten met betrekking tot compenserende factoren, maar ook zijn rechtspraak is op dit punt niet duidelijk.2
Wanneer de verdediging pas op een laat moment in de procedure een getuigenverzoek heeft gedaan, heeft het ehrm dit de verdediging een enkele keer tegengeworpen in het kader van de beoordeling van compensatie. De Hoge Raad heeft deze omstandigheid nooit in dat kader in zijn beoordeling betrokken. Wel heeft de hij aangegeven dat het feit dat een getuigenverzoek op een laat moment is gedaan, terwijl het redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan, een rol mag spelen bij de beoordeling van een getuigenverzoek.3