Stille getuigen
Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.3.1:7.3.1 Algemeen
Stille getuigen 2015/7.3.1
7.3.1 Algemeen
Documentgegevens:
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 mei 2003, NJ 2003, 672.
HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145, r.o. 3.4.
HR 17 november 2009, NJ 2010, 191, r.o. 3.3; HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6919; HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:349. Een algemene overweging over compensatie werd soms ten overvloede opgenomen, zoals in r.o. 3.4 van HR 6 juli 2010, NJ 2010, 509.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Reeds in 2003 – ruim voordat het ehrm het arrest Al-Khawaja & Tahery wees – introduceerde de Hoge Raad de mogelijkheid van compensatie in het geval een beslissende getuige niet was ondervraagd. Het betrof een zaak waarin het verzoek tot ondervraging van een minderjarig slachtoffer van een zedendelict was afgewezen. De Hoge Raad overwoog:
‘In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om ontucht met een minderjarige, zal de rechter, indien hij daartoe gronden aanwezig acht, het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer mogen doen prevaleren boven het recht van de verdachte om het slachtoffer te (doen) ondervragen. Als dientengevolge voor de verdachte de gelegenheid heeft ontbroken het slachtoffer te (doen) ondervragen, staat art. 6 EVRM er niet zonder meer aan in de weg dat de door het slachtoffer bij de politie afgelegde verklaring, indien voldoende steunbewijs in de hiervoor onder 3.3 bedoelde zin ontbreekt, tot het bewijs wordt gebezigd. In een dergelijk geval dient aan de verdachte die die verklaring op haar betrouwbaarheid wenst te toetsen, een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie te worden geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot (rechtstreekse) ondervraging van het slachtoffer (vgl. EHRM 20 december 2001, NJ 2002, 435, en EHRM 2 juli 2002, nr. 34209/96). De wijze waarop een zodanige compensatie zal kunnen worden geëffectueerd zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Daarbij valt in zaken als de onderhavige te denken aan het ter terechtzitting afspelen van de videoband die is gemaakt van het afleggen van de belastende verklaring van het slachtoffer tegenover de politie en zo nodig het gelasten van een onderzoek door een deskundige van het aldus vastgelegde verhoor.’1
In deze zaak ontbrak de genoemde compensatie. Daarom werd een schending van het ondervragingsrecht vastgesteld. Naar aanleiding van het arrest Al- Khawaja & Tahery overwoog de Hoge Raad in het standaardarrest uit 2013:
‘dat de omstandigheid dat de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen om een op verzoek van de verdediging opgeroepen en ter terechtzitting verschenen getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring omdat die getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen, niet in de weg staat aan het gebruik van die verklaring voor het bewijs indien aan de verdachte met het oog op zijn wens die verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen, een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijke ondervraging van de getuige, waarbij de wijze waarop een zodanige compensatie zal kunnen worden geëffectueerd afhangt van de omstandigheden van het geval’.2
In deze zaak kwam de Hoge Raad niet toe aan de vraag naar compensatie, omdat de getuigenverklaring niet van beslissende betekenis was. Hoewel de Hoge Raad de hiervoor geciteerde overweging uit NJ 2003, 672 een aantal malen heeft herhaald in andere arresten, heeft hij zich slechts enkele malen uitgelaten over de concrete toepassing van compenserende maatregelen.3