Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.6
V.6 Bewijswaardering zonder vooringenomenheid
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596286:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover ook reeds § III.3.2.
Aldus EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83, par. 77(Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje). Vgl. echter ook reeds ECieRM 30 maart 1963, nr. 788/60, rep., par. 179 (Oostenrijk/ Italië – Pfunders). Zie recent nog EHRM 12 mei 2016, nr. 26711/07, par. 64 (Poletan en Azirovik/Macedonië).
Zo reeds General Comment 1984/13. In de EU-richtlijn wordt dit punt niet gemaakt.
ECieRM 21 maart 1975, nr. 5574/72, dec., par. 4 (X./Verenigd Koninkrijk).
Op de overlap tussen beide rechten is zowel in de literatuur als door het EHRM gewezen. Zie bijv. Remmelink 1966, p. 323; Veldt 1997, p. 174; Corstens & Pradel 2002, p. 413; Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 625; Grabenwarter 2014, p. 167. Zie ook EHRM 7 oktober 1988, nr. 10519/83, NJ 1991, 351, par. 30, m.nt. Alkema (Salabiaku/Frankrijk).
Zie ogenschijnlijk anders Veldt 1997, p. 175. Volgens haar vallen de onschuldpresumptie als opdracht aan de rechter de verdachte niet als schuldige te behandelen en het recht op een onpartijdige rechter samen, zo lijkt.
Dat onderscheid is verre van watertight, maar biedt wel houvast bij uiteenrafeling van het leerstuk, aldus bijv. EHRM (GK) 15 december 2005, nr. 73797/01, par. 119 (Kyprianou/Cyprus); EHRM (GK) 15 oktober 2009, nr. 17056/06, par. 95 (Micallef/Malta); EHRM 9 januari 2013, nr. 21722/11, par. 105 (Oleksandr Volkov/Oekraïne).
Zie bijvoorbeeld EHRM 24 mei 1989, nr. 10486/83, NJ 1990, 627, m.nt. Van Dijk, par 48-49 (Hauschildt/Denemarken); EHRM 15 december 2005 (GK), nr. 73797/01, par. 118 (Kyprianou/Cyprus); EHRM (GK) 15 oktober 2009, nr. 17056/06, par. 96 (Micallef/Malta); EHRM 18 mei 2010, nr. 64962/01, par. 48 (Ozerov/Rusland).
Vgl. daarover zeer afwijzend de dissent van De Meyer bij EHRM 7 augustus 1996, nr. 19874/92, (Ferrantelli en Santangelo/Italië): “[...] worshipping once again at the altar of ‘appearances’ [...].”
Zie onder vele EHRM 23 juni 1981, nrs. 6878/75 en 7238/75, par. 58 (Le Compte, Van Leuven en De Meyere/België); EHRM 24 mei 1989, nr. 10486/83, NJ 1990, 627, m.nt. Van Dijk, par. 47 (Hauschildt/Denemarken); EHRM (GK) 15 december 2005, nr. 73797/01, par. 119 (Kyprianou/Cyprus).
Zo ook Stavros 1993, p. 159; Veldt 1997, p. 56; Kuijer 2004, p. 309 e.v.
Daarvan week het CRM af door het Peruaanse systeem waarin zogenaamde ‘faceless judges’ ad hoc en anoniem werden aangewezen onder verwijzing naar de onschuldpresumptie af te keuren, zie CRM 6 november 1997, nr. 577/1994, par. 8.8 (Polay Campos/ Peru). Vgl. ook CRM 22 juli 2003, nr. 981/2001, par. 7.3 (Casafranca/Peru) en de concluding observations bij het derde periodieke landenrapport van Peru, VN Doc CCPR/C/79/ Add.72, 18 november 1996, par. 11.
Zie aldus CRM 30 maart 1992, nr. 248/1987, par. 6.2 (Campbell/Jamaica).
Zo uitdrukkelijk punt 6 van de dissenting opinion van Judge Costa bij EHRM (GK) 15 december 2005, nr. 73797/01 (Kyprianou/Cyprus).
EHRM 27 januari 2004, nr. 73797/01 (Kyprianou/Cyprus).
EHRM (GK) 15 december 2005, nr. 73797/01 (Kyprianou/Cyprus).
Zie de dissenting opinion van Costa bij EHRM (GK) 15 december 2005, nr. 73797/01 (Kyprianou/Cyprus), i.h.b. punt 6.
Zo was wel sprake van een tweevoudige schending door de Letse zittingsrechter die in interviews aangaf dat zij niet zeker wist of ze de verdachte gedeeltelijk zou vrijspreken of voor alle feiten zou veroordelen en haar verbazing uitsprak over de ontkennende proceshouding van de verdachte. EHRM 28 november 2002, nr. 58442/00 (Lavents/Letland). Zie tevens EHRM 9 februari 2006, nrs. 73443/01 en 74860/01 (Freimanis en Lidums/ Letland), waarin ook jegens de medeverdachten van Lavents de onschuldpresumptie door deze feiten geschonden bleek.
Zie daarover uitgebreid en zeer kritisch Goss 2014, p. 65-88. Vgl. ook punt 1 van de dissenting opinion van Costa bij EHRM (GK) 15 december 2005, nr. 73797/01 (Kyprianou/ Cyprus).
Zie hierna § VI.3.1 en VI.4.
EHRM 20 maart 2001, nr. 33501/96 (Telfner/Oostenrijk).
ECieRM 2 maart 1983, nr. 8744/79, dec. (X. en Y./Bondsrepubliek Duitsland).
ECieRM 30 mei 1967, nr. 2742/66 (X./Oostenrijk); EHRM 10 februari 1982, nrs. 7299/75 en 7496/76, NJ 1987, 315 (Albert en Le Compte/België); EHRM 20 maart 2012, nr. 18450/07, NJ 2013, 361, dec., m.nt. Van Kempen (Bingöl/Nederland). Daartegen kan meer bezwaar bestaan wanneer op dat strafblad ook vrijspraken of niet-onherroepelijke veroordelingen prijken.
De ECieRM had al in 1965 uitgemaakt dat op basis van de in de lidstaten gangbare praktijk beschikking over de documentatie niet ontoelaatbaar kon worden geacht. ECieRM 14 december 1965, nr. 2518/65, dec. (X./Denemarken). Zie ook ECieRM 3 april 1967, nr. 2676/65, dec. (X./Oostenrijk). Het EHRM heeft in Bingöl/Nederland daarvan gemaakt dat het strafblad bij de schuldvraag ook daadwerkelijk in aanmerking mag worden genomen, zie EHRM 20 maart 2012, nr. 18450/07, NJ 2013, 361, dec., m.nt. Van Kempen (Bingöl/Nederland) en punt 3 van de noot van Van Kempen.
Citaat van het U.S. States Court of Appeals for the Fifth Circuit 15 april 1977 (United States/Meyers), ontleend aan Van Sliedregt 2009, p. 27, voetnoot 110.
Vgl. Van Kempen, annotatie bij: EHRM 20 maart 2012, nr. 18450/07, NJ 2013, 361, dec. (Bingöl/Nederland), punt 4.
Dan gaat het om publieke uitlatingen van overheidsfunctionarissen en de presentatie van de verdachte op de zitting (bijv. geboeid, in gevangeniskleding, etc.). Zie over de sanctionering daarvan hierna § VI.4; § VI.5.3.
Vgl. en contrasteer bijv. aan de ene kant CRM 6 november 1997, nr. 577/1994 (Polay Campos/Peru); CRM 31 oktober 2002, nr. 771/1997 (Baulin/Rusland) waarin art. 14 lid 1 als 14 lid 2 beide werden onderzocht en aan de andere kant CRM 25 maart 1983, nr. 16/ 1977 (Mbenge/Zaïre); CRM 14 juli 2003, nr. 796/1998 (Reece/Jamaica), waarin het onschuldvermoeden ‘no separate issue’ vormde.
Voorbeelden zijn CRM 22 maart 1991, nr. 410/1990 (Parkanyi/Hongarije); CRM 8 april 1991, nr. 253/1987, par. 5.13 (Kelly/Jamaica); CRM 28 juli 1997, nr. 679/1996 (Darwish/ Oostenrijk).
CRM 30 maart 1992, nr. 248/1987, par. 6.2 (Campbell/Jamaica).
CRM 1 november 1991, nr. 240/1987 (Collins/Jamaica) met door vier leden onderschreven dissenting opinion.
Om die reden was ongegrond de klacht over een proces-verbaal van de terechtzitting waarin de klager is aangeduid als ‘de dader’ in plaats van ‘de verdachte’, zie CRM 26 juli 2011, nr. 1812/2008 (Levinov/Wit-Rusland). Ook bij voorbaat kansloos is een klacht over vooringenomenheid van de rechter die uiteindelijk heeft vrijgesproken, zie CRM 19 juli 1995, nr. 473/1991, par. 8.3 (Del Cid Gomez/Panama).
Inhoudelijk stelt de bewijsdimensie aan de inrichting van het strafprocesrecht verschillende eisen. De eerste daarvan houdt in dat de over het bewijs oordelende instantie die beoordeling verricht zonder vooringenomenheid ten nadele van de verdachte. Een adequaat strafrechtelijk onderzoek ter terechtzitting verlangt dat de rechter zonder vooroordeel de zaak beoordeelt en de aan hem toevertrouwde beslissingen neemt. Dat geldt in de grootst mogelijke mate voor de beslissingen of de verdachte het hem verweten feit heeft begaan. Om de verdachte ten volle van het recht zijn onschuld niet te hoeven bewijzen te doen profiteren en het voordeel van de twijfel werkelijke betekenis te geven, is het noodzakelijk dat de over schuld oordelende instantie de schuld van de verdachte niet als nulhypothese hanteert.1
Vanaf de allereerste zaak waarin de onschuldpresumptie op het Straatsburgse bord terechtkwam, staat een open opstelling en attitude van de over de strafzaak beslissende autoriteit dan ook voorop: “[...] [W]hen carrying out their duties, the members of a court should not start with the preconceived idea that the accused has committed the offence charged.”2 Het VN Mensenrechtencomité schrijft die autoriteit voor dat “[n]o guilt can be presumed until the charge has been proved”.3 De hier bedoelde autoriteit kan zowel een zittingsrechter als een jury zijn.4 Aan de overwegingen valt op dat geen preoccupatie ten gunste van de verdachte wordt verlangd. De zittingsrechter hoeft niet van de onschuld van de verdachte uit te gaan. Verboden is echter dat hij ten nadele van de verdediging bevooroordeeld is. Een open, niet-vooringenomen en beïnvloedbare geestesgesteldheid is derhalve gevraagd. Daarmee stelt de bewijsdimensie aan de zittingsrechter, anders dan de behandelingsdimensie aan alle overheidsautoriteiten, een cognitieve eis.
Deze meer cognitieve norm hangt nauw samen met het in lid 1 van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR opgenomen vereiste van onpartijdigheid van de rechter. Beide vergen een neutrale ruimdenkendheid, een open mind.5 Het onpartijdigheidsleerstuk is evenwel aanzienlijk breder dan het uit de onschuldpresumptie af te leiden verbod op vooringenomenheid. Nog daargelaten dat de onpartijdigheidseis ook geldt onder de civiele tak van het recht op een eerlijk proces, heeft deze ook inhoudelijk een ruimere betekenis.6
Het onpartijdigheidsleerstuk valt in de Straatsburgse benadering namelijk uiteen in een objectieve en een subjectieve toets.7 Bij de objectieve toets draait het om de door objectieve factoren gewekte indruk, die vrees voor partijdigheid objectief rechtvaardigt.8 Daadwerkelijke partijdigheid hoeft niet te worden aangetoond; ook de schijn daarvan moet ontbreken.9 De subjectieve toets betreft de persoonlijke overtuiging van de betrokken rechter, diens personal bias. Subjectieve onpartijdigheid wordt vermoed, eventuele partijdigheid moet overtuigend blijken.10 Omdat deze, meer innerlijke, partijdigheid moeilijk te bewijzen is en bovendien een ernstig verwijt inhoudt, komen schendingen ervan in de internationale rechtspraak slechts sporadisch voor.11
De onschuldpresumptie overlapt niet met de door de objectieve onpartijdigheidstoets beheerste functionele partijdigheidsproblemen die worden veroorzaakt door bijvoorbeeld oneigenlijke functiecumulaties.12 De onschuldpresumptie ziet louter op daadwerkelijke, innerlijke, persoonlijke vooroordelen en uitsluitend voor zover zij betrekking hebben op de schuld van de verdachte aan het voorliggende strafrechtelijk verwijt. Faalt een klacht over de rechterlijke onpartijdigheid, dan zal een op de onschuldpresumptie gebaseerde klacht over vooringenomen bewijswaardering over het algemeen eenzelfde lot beschoren zijn.13 Slaagt de klacht dat de zittingsrechter blijk gaf van subjectieve, persoonlijke partijdigheid, dan betekent dat daarentegen niet altijd tevens een schending van het onschuldvermoeden.14
Illustratief voor een en ander is de zaak Kyprianou/Cyprus. In de zaak die leidde tot dat arrest was hetgeen een strafadvocaat ter zitting naar voren bracht de Cypriotische rechtbank in het verkeerde keelgat geschoten. De rechtbank berechtte de advocaat daarop onmiddellijk en in ongewijzigde samenstelling wegens contempt of court. De rechtbank was zowel objectief als subjectief partijdig. De subjectieve partijdigheid bleek ten eerste uit uitlatingen die een gebrek aan afstandelijkheid en een persoonlijke betrokkenheid verrieden. Zo had de rechtbank laten weten dat de leden “als personen” zich door de gedragingen van klager diep gekwetst voelden. Die overmatige betrokkenheid raakte de onschuldpresumptie echter niet. Daarnaast hadden de rechters in de Kyprianou-zaak zich (subjectief) partijdig getoond door de verdachte raadsman louter de ruimte te laten zijn beledigende uitlatingen in te trekken en andere verzachtende omstandigheden aan te voeren, alvorens zij een straf zouden bepalen. Daarbij had het Cypriotisch gerecht ter zitting overwogen dat “[w]e consider that what has just been said by Mr Kyprianou, and in particular the manner with which he addresses the Court, constitutes a contempt of court”. Dat laatste levert niet alleen een gebrek op in de onpartijdigheid, maar ook in de onschuldpresumptie, zo oordeelde de tweede sectie van het EHRM unaniem.15
De Grote Kamer liet die laatste vaststelling achterwege en vond dat de klacht onder artikel 6 lid 2 geen separate issue betrof.16Dissenter Costa merkt daarover op dat schending van de subjectieve onpartijdigheid ook goed mogelijk is zonder directe aantasting van de onschuldpresumptie. Het oordeel dat van schending van de onschuldpresumptie in casu sprake was, zou aanvullende, niet al geïmpliceerde afkeuring over de Cypriotische gang van zaken hebben gecommuniceerd.17 De beslissing van de Grote Kamer is evenwel kenmerkend voor de rechtspraak: met de overlap tussen onpartijdigheid en onschuldvermoeden gaat het Straatsburgse Hof inconsequent om.18 Dit is een symptoom van een bredere, meer algemene kwestie. De verhouding tussen het meer algemene lid 1 en de specifiekere rechten van het tweede en derde lid van artikel 6 EVRM, grijpt het Hof dan eens aan om klachten alleen onder lid 1 te behandelen, dan weer om juist het specifiekere recht te beoordelen of beide leden in onderlinge samenhang te bespreken.19
Hoewel een niet-vooringenomen waardering van het bewijs de interne denkwereld van de rechter raakt, kan het bestaan ervan louter aan de hand van externe omstandigheden worden vastgesteld.20 Evenals de subjectieve onpartijdigheid, zal ook de naleving van het vermoeden van onschuld in dit opzicht moeten worden vermoed. Schending van de onschuldpresumptie door de zittingsrechter nemen de Straatsburgse organen niet snel aan op andere gronden dan op basis van verbale uitlatingen die inhouden dat de verdachte het feit heeft begaan. Per saldo lijkt die toets daardoor veel op de in het kader van de behandelingsdimensie aan te leggen maatstaf.21 Zie ik het goed dan is alleen in Telfner/Oostenrijk met het beginsel strijdige vooringenomenheid vastgesteld op een andere grond dan de door de zittingsrechter gedane verbale uitlatingen. In dat geval gaf de bewezenverklaring zelf blijk van vooringenomenheid.22
Het direct na aflegging van een getuigenis à décharge gegeven bevel tot arrestatie van de getuige wegens meineed was bijvoorbeeld niet in strijd met de onpartijdigheid of de onschuldpresumptie.23 Ook zonder succes is in Straatsburg geklaagd over rechterlijke inzage in de justitiële documentatie van de betrokkene, die mogelijk vooringenomenheid zou kunnen veroorzaken. Doordat de onschuldpresumptie op de straftoemeting in beginsel toepassing mist, is weinig verrassend dat de rechter daarbij op een strafblad acht mag slaan.24 Minder vanzelfsprekend is dat ook bij de schuldvaststelling het strafblad van de verdachte mag worden betrokken.25 Dat is bijvoorbeeld een andere benadering dan die van een Amerikaans Federaal Gerechtshof, dat inzage van de jury in de verdachtes criminal record verbood en daartoe overwoog dat een”concommitant of the presumption of innocence is that a defendant must be tried for what he did not for who he is”.26 Het verband met de onschuldpresumptie moet in het risico van vooringenomenheid worden gezocht, want een omkering van de bewijslast of een bejegening als schuldige aan een niet-bewezen feit, levert inzage in het strafblad van de verdachte op zichzelf niet op. Toelaatbaarheid van die inzage herbergt echter het reële en moeilijk traceerbare risico dat de schuld aan het tenlastegelegde delict niet meer onbevooroordeeld en louter op basis van het (ter terechtzitting geleverde) bewijs wordt beoordeeld, maar dat in de plaats een soort eens-een-dief-altijd-een-dief-redenering de overhand neemt.27 De keuze de praktijk desondanks te fiatteren, past goed bij het uitgangspunt dat rechters uit hoofde van hun ambt moeten worden vermoed onbevooroordeeld te zijn en dat voor het aannemen van subjectieve partijdigheid bewijs moet worden geleverd. Aan de andere kant is stellig de vraag of een strafblad, zeker bij veelplegers, niet een grotere prejudiciërende potentie heeft dan de op de voet van de behandelingsdimensie wel gesanctioneerde bejegeningswijzen.28
Ook het VN Mensenrechtencomité behandelt klachten over vooringenomenheid van de zittingsrechter niet consequent onder lid 1 en/of lid 2 van artikel 14 IVBPR.29 De slagingskansen van een klacht over vooringenomenheid lijken bovendien bescheiden. Bij die inschatting past enige voorzichtigheid, nu de jurisprudentie vooral gevallen laat zien waarin het – min of meer verkapte – klachten over de uitkomst van de bewijswaardering betreft, waaraan het Comité de vingers in beginsel niet wil branden.30 Daarnaast gaf echter ook bijvoorbeeld de Jamaicaanse rechter die het na een ontkennende verklaring van de verdachte nodig vond de jury te instrueren dat ze niet alleen op de inhoud van de verklaring dienden te letten, maar ook op de houding die de verdachte daarbij aannam, daarmee geen blijk van vooringenomenheid.31 Aan vooringenomenheid stelt het Comité tevens de eis dat het rechterlijk vooroordeel in een denial of justice heeft kunnen resulteren. In Collins/Jamaica had de zittingsrechter in een eerder stadium de raadkamerzitting over schorsing van de voorlopige hechtenis voorgezeten. Daarbij had hij terloops opgemerkt dat hij, in het – toen onwaarschijnlijk geachte – geval dat hij ook zittingsrechter in de zaak zou zijn, zou verzekeren dat Collins de doodstraf zou krijgen. Hij was toch ook de zittingsrechter. Nu hij echter geen discretionaire bevoegdheid had bij de strafoplegging en beïnvloeding van de jury niet was gesteld, vond een meerderheid van het verdeelde Comité – ondanks oplegging van de doodstraf – geen schending van de leden 1 en 2 van artikel 14 IVBPR.32 Meer in het algemeen lijkt het Comité niet bereid vooringenomenheid aan te nemen als de uitlatingen die daarop wijzen niet tot een voor de verdachte nadelige beslissing hebben geleid.33
Al met al is de aanvullende betekenis van het uit het verdragsrecht op de onschuldpresumptie af te leiden verbod van vooringenomenheid ten opzichte van het recht op een onpartijdige rechter zeer beperkt. Het toetsingscriterium dat het EHRM hanteert, stemt bovendien in feite overeen met de voor andere overheidsfunctionarissen krachtens de behandelingsdimensie geldende maatstaf dat zij zich niet over de verdachte als schuldige mogen uitlaten. Slechts incidenteel gebruikt het EHRM of het VN Mensenrechtencomité het verbod op een vooringenomen bewijswaardering als vangnet om een (apert willekeurige) bewezenverklaring te sanctioneren.