Volgens het Centraal curatele- en bewindregister zijn de goederen van [de man] en [de vrouw] ten tijde van het opstellen van deze conclusie nog steeds onder bewind gesteld.
HR, 04-10-2024, nr. 23/02777
ECLI:NL:PHR:2025:1333
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-10-2024
- Zaaknummer
23/02777
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2025:1333, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑12‑2025
ECLI:NL:HR:2024:1431, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑10‑2024; (Cassatie)
ECLI:NL:HR:2024:1367, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑10‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1364
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:366
ECLI:NL:PHR:2024:366, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1367
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑07‑2023
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2024-0081
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0081
Conclusie 05‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Contractenrecht. Dwingende bewijskracht akte (art. 157 lid 2 Rv.). Partijen bij de overeenkomst en passeren bewijsaanbod in dat verband. Beoordeling gebreken.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02777
Zitting 5 december 2025
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
ID2 Bewindvoering B.V.
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van[de man] en [de vrouw]1.
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerster 2]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [verkopers] respectievelijk [verweerders]
1. Inleiding en samenvatting
[de vrouw] (hierna: [de vrouw] ), de echtgenote van [de man] (hierna: [de man] ), was eigenaar van een woning met bijbehorende grond die zij heeft verkocht en geleverd aan [verweerders] Die laatsten hebben [verkopers] aansprakelijk gesteld wegens de aanwezigheid van gebreken. In dat verband hebben zij betoogd dat ook [de man] , die onder andere in de koopakte als verkoper is vermeld, als verkoper partij was bij de koopovereenkomst, ook al is in de notariële akte ter gelegenheid van de levering alleen [de vrouw] , die enig eigenaar was, als verkoper vermeld. De rechtbank en het hof hebben [verweerders] ten aanzien van de gestelde gebreken deels in het gelijk gesteld, [de man] aangemerkt als verkoper en hem uit dien hoofde aansprakelijk gehouden. In het principaal cassatieberoep komen [verkopers] hiertegen op. Mijns inziens heeft dat deels succes, nu het hof tegen de achtergrond van de wilsvertrouwensleer ten onrechte een bewijsaanbod heeft gepasseerd met betrekking tot wat bij de notaris is besproken over de vraag of [de man] verkoper is. [verweerders] hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld, mijns inziens zonder succes.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan r.o. 3.1 t/m 3.9 van het bestreden arrest van het hof Den Haag van 18 april 2023 (hierna: het arrest).2.
2.2
Op respectievelijk 1 en 9 mei 2017 hebben [verkopers] en [verweerders] een akte getekend met betrekking tot de koop van een onroerende zaak in Rotterdam (hierna: de koopakte respectievelijk de woning). Het slot van de koopakte bevat – voor zover in cassatie relevant – het volgende:
“De ondergetekende(n)
A. | Verkopers: | Echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner of andere medeverkoper: |
Naam: | [de man] | [de vrouw] |
Voornamen: | [voornamen] | [voornamen] |
(…)
De verkoper(s)
[de man] [handtekening]
Echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner verkoper
[de vrouw] [handtekening]”
2.3
Op 24 mei 2017 hebben partijen nog een allonge bij de koopakte gevoegd. Deze is namens de verkoper(s) ondertekend door [de man] en [de vrouw] . Op 27 juli 2017 heeft een inspectie van de woning plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan zijn partijen een tweede allonge overeengekomen. Ook deze is namens de verkoper(s) ondertekend door [de man] en [de vrouw] .
2.4
Bij notariële akte van 28 juli 2017 (hierna: de notariële akte) heeft [de vrouw] de woning geleverd aan [verweerders]
2.5
hebben na de levering diverse gebreken in de woning geconstateerd. Op 25 september 2017 hebben [verweerders] [verkopers] in gebreke gesteld en gesommeerd de gebreken binnen acht dagen te herstellen. [verkopers] heeft niet daaraan voldaan.
2.6
Bij dagvaarding van 17 november 2017 hebben [verweerders] bij de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) een procedure tegen onder anderen [verkopers] aanhangig gemaakt. Zij hebben verschillende vorderingen geformuleerd, gegrond op wanprestatie. Als producties 1 en 7 hebben zij kopieën van de koopakte respectievelijk de notariële akte overgelegd. In eerste aanleg is verder, op hoofdlijnen en voor zover nog van belang in cassatie, het volgende gebeurd:
Op 24 januari 2018 hebben [verkopers] een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring genomen, ertoe strekkende dat de makelaar die namens [verkopers] betrokken was bij de kooptransactie, [de makelaar] , alsook zijn bv, in vrijwaring worden opgeroepen. Bij vonnis in incident van 28 februari 2018 is dit toegestaan.
Op 11 april 2018 hebben [verkopers] een conclusie van antwoord genomen.
Op 21 augustus 2018 heeft een comparitie plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.
In een vonnis van 5 december 2018, hersteld bij vonnis van 23 januari 2019, heeft de rechtbank geoordeeld dat (i) [de man] naast [de vrouw] verkoper is van de woning (zie r.o. 4.2 t/m 4.4) en (ii) zij behoefte heeft aan voorlichting van een deskundige met betrekking tot het bestaan van de gebreken en de ernst daarvan (zie r.o. 4.15 en dictum). In het verlengde daarvan hebben partijen aktes genomen.
Bij vonnis van 22 mei 2019 heeft de rechtbank een schriftelijk deskundigenbericht bevolen en ing. M.C.D. Heijnen tot deskundige (hierna ook: de deskundige) benoemd.
Op 31 januari 2020 heeft de deskundige een definitief deskundigenbericht uitgebracht (hierna ook: het deskundigenbericht).
Op 15 april 2020 hebben [verweerders] een akte na deskundigenbericht/eisverduidelijking/eiswijziging/eisvermeerdering genomen.
Op 24 juni 2020 hebben [verkopers] een antwoordconclusie na deskundigenbericht, tevens houdende verzet tegen de wijziging en vermeerdering van eis (hierna: de antwoordconclusie na deskundigenbericht) genomen.
op 12 januari 2021 heeft een tweede comparitie plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt. Partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd.
In een vonnis van 10 maart 2021 heeft de rechtbank (i) geoordeeld dat [verkopers] ter zake van een aantal gebreken aansprakelijk zijn (zie r.o. 2.16 t/m 2.81), (ii) ter zake van de schadebegroting gelegenheid gegeven voor nadere uitlatingen van partijen (zie r.o. 2.82 en 2.83 en dictum) en (iii) tussentijds hoger beroep opengesteld tegen het vonnis (zie r.o. 2.88 en dictum).
2.7
Bij dagvaarding van 6 mei 2021 hebben [verkopers] hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 5 december 2018, 22 mei 2019 en 10 maart 2021. In hoger beroep is verder, op hoofdlijnen en voor zover nog van belang in cassatie, het volgende gebeurd:
Op 1 november 2021 heeft een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt, zonder weergave van het besprokene.
Op 11 januari 2022 hebben [verkopers] een memorie van grieven genomen. Met grief II zijn zij – kort gezegd – opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat [de man] verkoper is. In dat verband hebben zij in nr. 54 een bewijsaanbod gedaan. Met grief XII zijn zij – eveneens kort gezegd – opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot gebreken aan de gevelopbouw.
Op 29 maart 2022 hebben [verweerders] een memorie van antwoord genomen.
Op 18 april 2023 heeft het hof het arrest uitgesproken. Het heeft net als de rechtbank geoordeeld dat [de man] verkoper is (zie r.o. 6.3 t/m 6.7) en ten aanzien van de gebreken op punten, waaronder de vorenbedoelde gevelopbouw, anders geoordeeld dan de rechtbank (zie r.o. 6.8 t/m 6.25). Het hof heeft in het dictum, voor zover van belang, het vonnis van 10 maart 2021 vernietigd voor zover daarin is geoordeeld dat [verkopers] aansprakelijk zijn voor gebreken in de fundering van de serre, de raamkozijnen, de meterkast en de gevelvlakken en houtskeletstructuren (dit laatste betreft grief XII), de vonnissen voor het overige bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam voor verdere behandeling.
2.8
Bij procesinleiding van 17 juli 2023 hebben [verkopers] – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het arrest. In cassatie is verder het volgende gebeurd:
Op 7 december 2023 hebben [verweerders] een verweerschrift ingediend en daarin tevens (onvoorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Op 12 januari 2024 hebben [verkopers] bij akte in incident de schorsing van het geding ingeroepen wegens de verandering van de persoonlijke staat van deze partijen als bedoeld in art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv. Daaraan hebben zij ten grondslag gelegd dat de goederen van [de man] bij beschikking van de rechtbank Limburg van 18 oktober 2023 (overgelegd als productie 1) met ingang van 1 november 2023 onder beschermingsbewind zijn gesteld, waarbij ID2 Bewindvoering B.V. tot bewindvoerder is benoemd, en dat datzelfde geldt voor de goederen van [de vrouw] op grond van een beschikking van de rechtbank Limburg van (eveneens) 18 oktober 2023 (overgelegd als productie 2). [verkopers] hebben, voor geval geen grond tot schorsing aanwezig wordt geacht, verzocht een termijn te bepalen waarbinnen de bewindvoerder in het geding kan verschijnen om dit van [verkopers] over te nemen en te hunnen behoeve verder te voeren.
Op 26 januari 2024 hebben [verweerders] een verweerschrift in het incident ingediend. Daarin hebben zij betoogd dat onderbewindstelling geen grond voor schorsing is en dat de bewindvoerder het geding desgewenst kan overnemen.
Advocaat-generaal E.M. Wesseling-van Gent heeft op 5 april 2024 in het incident geconcludeerd tot het bepalen van een termijn waarbinnen [verkopers] de bewindvoerder kunnen oproepen om in het geding te verschijnen. In haar conclusie vermeldde zij dat – hoewel zich volgens haar een schorsingsgrond voordoet – alleen de bewindvoerder de schorsingsgrond kan inroepen.
Bij arrest in het incident van 4 oktober 2024, hersteld bij arrest van 11 oktober 2024, heeft de Hoge Raad verstaan dat het geding is geschorst. Daartoe heeft de Hoge Raad overwogen – kort gezegd – dat de ingeroepen schorsingsgrond zich voordoet en dat zowel de bewindvoerder als de partij over wier goederen het bewind is ingesteld (in dit geval [de man] respectievelijk [de vrouw] ) deze grond voor schorsing van het geding kunnen inroepen.
Bij akte van 21 februari 2025 hebben [verweerders] het geding op de voet van art. 418a, aanhef en onder b, Rv in verbinding met art. 227 lid 1 Rv hervat en de Hoge Raad verzocht om de te verrichten proceshandeling te bepalen en partijen hiervan in kennis te stellen onder vermelding van de toepasselijke termijnen.
Op 21 februari 2025 heeft de rolraadsheer beslist dat [verweerders] in de gelegenheid wordt gesteld om ID2 Bewindvoering B.V. als bewindvoerder van [de man] en [de vrouw] op te roepen tot hervatting van het geding met als uiterste verschijndatum 27 maart 2025.
Bij exploot van 7 maart 2025 hebben [verweerders] ID2 Bewindvoering B.V. aldus doen oproepen.
Op 26 maart 2025 heeft mr. C.S.G. Janssens, advocaat bij de Hoge Raad, aan de griffie van de Hoge Raad bericht dat hij zich op de rol van 28 maart 2025 stelt voor ID2 Bewindvoering B.V., die dus formeel procespartij is. Ik duid de eisende zijde in cassatie niettemin aan met ‘ [verkopers] ’, nu dat beter correspondeert met het arrest en met de cassatiestukken.
Op 27 juni 2025 hebben partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Op 11 juli 2025 hebben [verweerders] gedupliceerd.
3. Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
Inleiding
3.1
Het middel in het principaal cassatieberoep is opgebouwd uit drie onderdelen. Voordat ik toekom aan een bespreking van de onderdelen, merk ik het volgende op.
3.2
De onderdelen hebben betrekking op de vraag of [de man] naast [de vrouw] , die ten tijde van de levering enig eigenaar was van de woning,3.als verkoper partij is bij de koopovereenkomst. Met ‘koopovereenkomst’ bedoel ik dan niet de koopakte, maar een contractuele rechtsverhouding die voldoet aan de kenmerken van art. 7:1 BW.
3.3
Eerst: wat is de praktische relevantie van de vraag of [de man] verkoper is en uit dien hoofde (mogelijk) aansprakelijk op grond van wanprestatie? Kennelijk is de relevantie van die vraag gelegen in de verhaalsmogelijkheden van [verweerders] Hoewel rechtbank en hof daarover niets hebben vastgesteld, leid ik – zuiver voor het duiden van de context van deze cassatieprocedure – uit het procesdossier in feitelijke instanties af dat [de man] en [de vrouw] niet in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd.4.Dit hebben [verkopers] ook zo naar voren gebracht in de inleidende paragraaf van hun procesinleiding (zie p. 2). Het is niet vergezocht om ervan uit te gaan dat dit de achtergrond ervan is dat alleen [de vrouw] eigenaar was van de woning.5.[verweerders] hebben (kennelijk) belang bij de vaststelling dat [de man] zich als verkoper heeft gebonden, met uiteindelijk een dienovereenkomstige veroordeling van [de man] tot schadevergoeding, zodat zij zich (ook) kunnen verhalen op vermogensbestanddelen van [de man] (en vice versa heeft [de man] er belang bij dat dat niet gebeurt).6.
3.4
Terug naar de vraag. Voor het bestaan (en voor de inhoud) van een contractuele rechtsverhouding tussen partijen is de zogenoemde wilsvertrouwensleer, die besloten ligt in art. 3:33 en 3:35 BW, beslissend.7.Het gaat er in de voorliggende zaak dus per saldo om wat [verweerders] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs moesten begrijpen en mochten verwachten. Deze benadering vloeit voort uit genoemde wetsbepalingen en uit klassieke arresten als Bunde/ […] ,8.Kribbebijter9.en Haviltex,10.alsook recentere rechtspraak.11.Ik hoef daar niet in algemene zin bij stil te staan; het is wel nuttig om iets meer te zeggen over hoe dit werkt bij de koop van een tot woning bestemde onroerende zaak, in het bijzonder tussen particulieren.
3.5
Transacties over tot woning bestemde onroerende zaken voltrekken zich in Nederland veelal volgens een schema waarbij een onderscheid wordt gemaakt – en tijd verloopt – tussen (a) het sluiten van een koopovereenkomst (verbintenissenrecht) en (b) het verlijden en inschrijven van een notariële akte, waardoor de onroerende zaak wordt geleverd (goederenrecht).
3.6
Vooropgesteld: art. 7:2 lid 1 BW bevat een schriftelijkheidsvereiste voor het geval de onroerende zaak tot bewoning bestemd is en de koper een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Een akte is dan nodig, zo blijkt uit art. 7:2 lid 2 BW. Dit vereiste hangt samen met de driedaagse bedenktijd van eveneens art. 7:2 lid 2 BW: die bedenktijd wordt geactiveerd door terhandstelling van (een afschrift van) de akte aan de koper. Het schriftelijkheidsvereiste verlangt dat de koop in een akte tot uitdrukking wordt gebracht, maar verlangt niet dat de inhoud van de rechtsverhouding integraal uit akten moet blijken. De essentialia volstaan, naar mijn mening.12.Kortom, art. 7:2 lid 1 BW neemt niet de relevantie weg van wat partijen bijvoorbeeld mondeling hebben besproken of in (e-mail)correspondentie hebben uitgewisseld. Nu deze bepaling in cassatie niet ter discussie staat, kan ik de precieze implicaties ervan laten rusten.
3.7
Het procedé van ‘koop en levering’ verloopt in de praktijk geregeld minder ‘rechtlijnig’ dan volgens het onder 3.5 weergegeven schema. Het is namelijk goed mogelijk dat partijen ná het ondertekenen van de koopakte mondeling of schriftelijk wijzigingen aanbrengen in hun contractuele rechtsverhouding. In dit verband is onder andere van belang dat de notariële akte veelal nog (veel) méér bevat dan de verklaringen die nodig zijn voor de levering (te weten de verklaring van de vervreemder dat registergoed X wordt geleverd en de verklaring van de verkrijger dat registergoed X wordt aanvaard). Zo is het gebruikelijk dat de notariële akte tot levering ook de bepalingen uit de koopakte bevat, mogelijkerwijs met aanpassingen en/of (correcties van) onvolkomenheden.13.Kortom, de koopakte is niet (altijd) zaligmakend voor wat betreft de inhoud van de koopovereenkomst, terwijl de notariële akte bestemd tot – primair – levering ook een (beetje) koopakte kan zijn. Er ontstaat natuurlijk een potentieel spanningsveld als er discrepanties zijn tussen beide akten.
3.8
Dat de notariële akte van levering óók contractueel betekenis kan hebben, stond centraal in het bekende arrest […] / […] .14.Dit arrest betrof op hoofdlijnen de volgende casus. A (verkoper) en B (koper) ondertekenden op 9 juni 1978 een koopakte, waarin de omvang van het verkochte grondstuk als “circa 80 are” werd aangeduid. Op 23 juni 1978 volgde de ondertekening van een notariële akte tot levering tussen A en B, volgens welke de omvang van het te leveren grondstuk 85,90 are is. Als B ongeveer tien jaar later het stuk grond van 85,90 heeft verkocht aan C, en dit wil leveren, stelt A zich op het standpunt dat hij altijd eigenaar is gebleven van het stuk grond van 5,90 are, omdat voor dat gedeelte een titel voor overdracht zou ontbreken. Het hof verwerpt dit betoog, mede wegens de omschrijving van het verkochte in de notariële leveringsakte (zie r.o. 3.2 onder i en ii). Dit oordeel houdt in cassatie stand. De Hoge Raad overweegt in r.o. 3.3 in algemene zin dat indien de onroerende zaak, zoals omschreven in de tot levering bestemde akte, groter is dan partijen bij “de koopovereenkomst” zijn overeengekomen, de eigendom van het meerdere niet is overgegaan omdat voor overdracht van dat meerdere een geldige titel ontbreekt. De vraag is echter of er meer is geleverd dan er is verkocht. In r.o. 3.4 constateert de Hoge Raad – en daarom gaat het hier – dat de tot levering bestemde akte als verklaring van partijen niet alleen inhoudt dat zij een perceel weiland van 85,90 are overdragen maar ook dat A dat perceel aan B heeft verkocht, zoals B dat perceel van A heeft gekocht. In r.o. 3.5 overweegt de Hoge Raad dan – voor zover van belang – het volgende:
“Het Hof heeft vastgesteld dat [A] persoonlijk aanwezig is geweest bij het verlijden van de tot levering bestemde akte. Daarin ligt besloten dat naar het oordeel van het Hof, [B] ervan mocht uitgaan dat de tekst van de akte, waarin is vermeld dat een perceel met een oppervlakte van 85,90 are aan [B] was verkocht en aan hem werd overgedragen, in overeenstemming was met hetgeen [B] voor ogen stond. Aldus oordelende heeft het Hof, anders dan in het onderdeel wordt aangevoerd, niet miskend dat het bij de uitleg van de koopovereenkomst voor het antwoord op de vraag wat de verkoper aan de koper heeft verkocht ervan afhangt wat de verkoper en de koper over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen of gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid.”
Kortom: wat er ‘bij de notaris gebeurt’ en wat partijen in de notariële akte (doen) vastleggen over wat er is verkocht, is in het licht van de wilsvertrouwensleer van belang voor het bepalen van de inhoud van de koopovereenkomst.15.Hierbij was in de zaak […] / […] de bewijskracht van de notariële akte van belang, een onderwerp dat ik hierna in 3.26 t/m 3.41 nader bespreek.
3.9
Voorts is voor de verhouding tussen de koopovereenkomst enerzijds en de goederenrechtelijke levering anderzijds het volgende van belang. Art. 7:9 lid 1 BW bepaalt, onder meer, dat de verkoper verplicht is “de verkochte zaak met toebehoren in eigendom over te dragen”. Deze redactie kan de lezer op het verkeerde been zetten. De wetsgeschiedenis wijst uit dat “[d]e verkoper zijn verbintenis [kan] nakomen door zijn eigendom over te dragen na deze zelf verkregen te hebben, maar (…) er ook voor [kan] zorgen dat een derde die eigenaar is, de eigendom rechtstreeks aan de koper overdraagt”, want “[h]et komt”, aldus de wetsgeschiedenis, “alleen op het resultaat aan.”16.De verkoper heeft dus een verbintenis tot eigendomsverschaffing,17.die hij kan nakomen zonder dat hij/zij op enig moment eigenaar hoeft te zijn van de verkochte zaak.18.In de (commerciële) vastgoedpraktijk komt het voor dat een verkoper van een onroerende zaak niet de eigenaar daarvan is (denk aan zogenoemde ABC-contracten).19.Een en ander laat onverlet dat de omstandigheid dat iemand (ten tijde van de levering) geen eigenaar was van de verkochte zaak in voorkomende gevallen – in het kader van de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van het resultaat van uitleg – als contra-indicatie kan meewegen bij beantwoording van de vraag of die persoon als verkoper partij is bij de koopovereenkomst. Automatismen zijn hier niet aan de orde; de context doet er steeds toe.
3.10
Ik keer terug naar de hier voorliggende zaak. Het hof heeft de kwestie onmiskenbaar – en terecht – benaderd langs de lijnen van de wilsvertrouwensleer. Dit staat in cassatie buiten kijf en volgt uit wat het hof in r.o. 6.4 t/m 6.6 in aanmerking neemt:
“6.4 Grief II slaagt niet. [verweerders] mocht ervan uitgaan dat [de man] optrad als medeverkoper, gelet op het feit dat:
i. [de man] zich in het kader van het verkoopproces, waaronder de rondleiding, als verkoper heeft gepresenteerd;
ii. [de man] in de kop van de koopovereenkomst als verkoper wordt aangeduid en in de hoedanigheid van verkoper de koopovereenkomst ook heeft ondertekend;
iii. [de man] de vragenlijst voor de verkoop van de woning heeft ingevuld en ondertekend;
iv. [de man] ook in de allonge van 24 mei 2017 als een van de verkopers wordt aangeduid en deze allonge in de hoedanigheid van verkoper (mede) heeft getekend;
v. [de man] in de kop van de allonge die opgesteld is naar aanleiding van de inspectie op 27 juli 2017 staat vermeld als de verkoper ( [de vrouw] als de echtgenote of “andere medeverkoper”) en deze allonge als eerst vermelde verkoper (mede) heeft ondertekend.
6.5.
Het feit dat [verweerders] bij de totstandkoming van de koopovereenkomst een eigendomsbewijs en kadastraal uittreksel heeft gekregen dat alleen [de vrouw] vermeldt als eigenaar en het gegeven dat [verweerders] bij de koopovereenkomst heeft verklaard bekend te zijn met de inhoud van deze documenten, zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er kunnen allerlei redenen zijn waarom iemand die ten tijde van het sluiten van een koopovereenkomst geen eigenaar is, de koopovereenkomst wel (mede) aangaat. Het aangaan van een koopovereenkomst vereist niet dat de verkoper eigenaar is van het te verkopen goed. Gelet daarop en gezien de hiervoor genoemde omstandigheden hoefde [verweerders] er niet aan te twijfelen dat de verklaring van [de man] (mede) verkoper te zijn in de door hem (mede) ondertekende koopovereenkomst c.a. overeenstemde met [de man] ’s wil.
6.6.
Het feit dat de leveringsakte [de man] niet noemt als medeverkoper, dat de leveringsakte vermeldt dat [de man] als echtgenoot van [de vrouw] toestemming verleent tot verkoop, dat de kandidaat-notaris [verweerders] erop heeft gewezen dat de leveringsakte op dit punt afweek van de koopovereenkomst en dat [verweerders] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, dwingt niet tot een andere conclusie. Uit een en ander volgt niet dat partijen met de leveringsakte hebben beoogd vast te leggen of te verduidelijken dat voor [de man] geen eigen verplichtingen voortvloeien uit de koopovereenkomst. Daarom is, anders dan [verkopers] meent, ook niet relevant dat partijen in de leveringsakte zijn overeengekomen dat op de koop de bepalingen vermeld in de koopovereenkomst van toepassing zijn voor zover daarvan niet uitdrukkelijk is afgeweken in de leveringsakte.”
3.11
Tegen de achtergrond van het voorgaande, kom ik nu toe aan een bespreking van de onderdelen. Ik zie aanleiding om eerst onderdeel 2 te bespreken.
Onderdeel 2
3.12
Onderdeel 2 draagt het opschrift ‘Passeren bewijsaanbod’ en klaagt in de kern dat het hof het in nr. 54 van de memorie van grieven vervatte bewijsaanbod niet mocht passeren, althans niet met de daarvoor in r.o. 6.7 gegeven motivering, die als volgt luidt:
“Het aanbod van [verkopers] om bewijs te leveren van de feiten en omstandigheden die [verkopers] in dit verband heeft aangevoerd, kan het hof passeren. Uit het voorgaande volgt dat die feiten en omstandigheden niet kunnen meebrengen dat [de man] geen medeverkoper is.”
3.13
Het onderdeel bestaat uit subonderdelen 2.1 en 2.2, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen.
3.14
In subonderdeel 2.1 wordt – samengevat – betoogd dat rechtens onjuist is het oordeel van het hof in r.o. 6.7 dat uit r.o. 6.4 t/m 6.6 volgt dat de feiten en omstandigheden waarvan [verkopers] bewijs hebben aangeboden niet kunnen meebrengen dat [de man] geen medeverkoper is. Uit die feiten en omstandigheden kan volgen, aldus het subonderdeel, dat [verweerders] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [de man] verkoper van de onroerende zaak was dan wel dat met de notariële akte is beoogd de koopovereenkomst op dat punt te wijzigen. Met “feiten en omstandigheden” heeft het subonderdeel op het oog – ik citeer – “de stelling dat de instrumenterende notaris de notariële akte voorafgaand aan de levering met partijen heeft besproken en er daarbij uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de notariële akte afwijkt van de eerdere koopovereenkomst, omdat alleen [de vrouw] als verkoper optreedt en [de man] alleen figureert als toestemming gevende echtgenoot ex artikel 1:88 BW, waartegen [verweerders] geen bezwaar heeft gemaakt”.
3.15
Daarbij merk ik op dat subonderdeel 2.1 het hof weliswaar primair een schending van het zogenoemde ‘prognoseverbod’ verwijt, doch dat dit subonderdeel gelet op zijn overige inhoud ook zo kan worden begrepen dat het hof [verkopers] ten onrechte niet tot getuigenbewijs heeft toegelaten waar het daartoe gehouden was. Het subonderdeel betoogt immers in wezen dat het hof bepaalde gestelde feiten en omstandigheden ten onrechte irrelevant heeft bevonden en op die grond het bedoelde bewijsaanbod heeft gepasseerd.
3.16
In subonderdeel 2.2 wordt – samengevat – betoogd dat het oordeel in r.o. 6.7 onbegrijpelijk is. Zonder nadere motivering valt niet in te zien, zo vat ik het subonderdeel samen, waarom de in r.o. 6.4 t/m 6.6 bedoelde omstandigheden eraan in de weg staan dat de koopovereenkomst is gewijzigd door de bespreking bij de notaris en/of de notariële akte, in die zin dat [verweerders] [de man] niet langer als (mede)verkoper konden beschouwen.
3.17
Naar mijn mening slagen deze klachten. Ik licht dat toe.
3.18
In nr. 54 van de memorie van grieven hebben [verkopers] aangeboden te bewijzen – kort gezegd – dat [de man] niet als verkoper wilde optreden en dat ook [verweerders] dat moeten hebben begrepen. [verkopers] voeren daar onder andere “ [kandidaat-notaris] van [A] ” als getuige op,20.ter zake van een voorafgaand aan de ondertekening van de notariële akte met [verweerders] gevoerde bespreking waar deze notaris [verweerders] uitdrukkelijk erop heeft gewezen – aldus [verkopers] – dat (naar ik begrijp: het concept voor) de notariële akte afweek van de koopakte doordat alleen Terborg als verkoper optrad en dat [verweerders] daartegen geen bezwaar maakten.
3.19
Ik schets in dit verband nog enige relevante achtergronden van het partijdebat:
In de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring hebben [verkopers] het betoog gevoerd dat [de man] door de verkoopmakelaar, die daar met zijn bv in vrijwaring wordt opgeroepen, ten onrechte in de koopakte is vermeld.
In de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie, hebben [verkopers] onder de kop “ [de man] is geen verkoper” diverse stellingen betrokken. Daarbij hebben zij, bij nr. 3, onder andere een beroep gedaan op de notariële akte, waarin – aldus [verkopers] – wordt vermeld dat [de vrouw] verkoopt en [de man] slechts tekent voor toestemming ingevolge art. 1:88 BW. En zij hebben daar, bij nr. 4, aangevoerd dat [verweerders] bij de levering op 28 juli 2017 akkoord zijn gegaan met een wijziging van de contractuele relatie, gelet op de inhoud en de ondertekening van de akte.
Blijkens het proces-verbaal daarvan is de genoemde [kandidaat-notaris] verschenen bij de comparitie in eerste aanleg van 21 augustus 2018. Uit dat proces-verbaal blijkt niet dat hij daar heeft verklaard over wat hij destijds met [verweerders] heeft besproken.21.Maar de stellingen van partijen gaven in eerste aanleg wellicht ook geen aanleiding om dit onderwerp met [kandidaat-notaris] ter zitting te bespreken.
Nadat de rechtbank in het tussenvonnis van 5 december 2018 (zie r.o. 4.2 t/m 4.4) oordeelde dat [de man] als verkoper is opgetreden, hebben [verkopers] in nrs. 14 t/m 39 van de antwoordconclusie na deskundigenbericht uitgebreid uiteengezet waarom de rechtbank zou moeten terugkomen op deze eindbeslissing. In nr. 20 gaan [verkopers] erop in dat naast [verweerders] alleen [de vrouw] (en dus niet [de man] ) als comparant is verschenen, waaruit blijkt – aldus [verkopers] – “dat het niet de bedoeling van partijen was, en in ieder geval niet de bedoeling van [de man] , dat ook [de man] als verkoper zou optreden, en dat ook [verweerders] dit – zo al niet eerder, dan toch in elk geval op dát moment – redelijkerwijs heeft moeten begrijpen.” In nr. 24 betogen zij dat de notariële akte mede strekt tot wijziging van de koopovereenkomst, waarbij zij erop wijzen dat de koopakte “is opgesteld door een juridisch niet of nauwelijks onderlegde makelaar, terwijl de notariële akte d.d. 28 juli 2017 is opgesteld en verleden door een juist bij uitstek deskundige notaris.”
Op 12 januari 2021 heeft – nog steeds in eerste aanleg – een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Volgens de ten behoeve daarvan overgelegde spreekaantekeningen, nrs. 1 en 2, is namens [verkopers] gepersisteerd bij het betoog dat [de man] geen verkoper is. Zie ook het proces-verbaal van die mondelinge behandeling. Mr. Krumpelman heeft daar namens [verweerders] aangevoerd dat de notariële akte niet is besproken met partijen. Mr. Holthuijsen heeft daarop namens [verkopers] gereageerd en onder andere betoogd: “Het is juist dat partijen niet aanwezig waren bij het passeren van de leveringsakte bij de notaris. Maar de concepten van de leveringsakte zijn wel op voorhand aan partijen toegestuurd, voordat zij een volmacht gaven aan de notaris. Ze zullen ook verschenen zijn ten kantore van de notaris om die volmacht te tekenen.”
Blijkens r.o. 2.9 t/m 2.11 van het vonnis van 10 maart 2021 is de rechtbank niet willen terugkomen van de eindbeslissing in het tussenvonnis van 5 december 2018.
In de memorie van grieven zijn [verkopers] hiertegen opgekomen.22.In nr. 54 is het door [verkopers] ingeroepen bewijsaanbod te vinden. In nr. 59 is aan het slot te vinden: “ [verweerders] heeft de leveringsakte op voorhand in concept ontvangen, de inhoud is aan hem toegelicht en hij ging daarmee akkoord.”
In hun reactie op grief II gaan [verweerders] niet in op wat er (al dan niet) is besproken bij de notaris, als ik het goed zie. Zie nrs. 17 t/m 25 van de memorie van antwoord.
Nadien heeft het hof het arrest uitgesproken.
3.20
Terug naar het onderdeel. In het licht van wat ik onder 3.4 t/m 3.9 hiervoor heb uiteengezet over de wilsvertrouwensleer, kan, tegen de achtergrond van het hiervoor bedoelde partijdebat, van belang zijn wat [verweerders] (al dan niet) met de notaris hebben besproken over wie (al dan niet na een wijziging aldaar) partij zijn bij de koopovereenkomst. Dat roept, zo zou ik denken, toch wel enige nieuwsgierigheid op. Uit wat (al dan niet) bij de notaris is besproken kan immers volgen, zoals het onderdeel betoogt, dat [verweerders] er toch niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [de man] verkoper van de onroerende zaak was dan wel – iets anders dus – dat met de notariële akte is beoogd de koopovereenkomst op dat punt te wijzigen.
3.21
Wat het hof in r.o. 6.5 en 6.6 overweegt, leidt niet tot de conclusie dat de notaris niet in relevant opzicht kan verklaren over de hiervoor bedoelde thema’s. Ook als [verweerders] niet eraan hoefden te twijfelen dat [de man] door middel de koopakte een met zijn wil overeenstemmende verklaring heeft uitgebracht dat hij de woning aan [verweerders] verkoopt en de notariële akte als zodanig niet tot een andere slotsom dwingt, dan laat dat onverlet dat gelet op de wilsvertrouwensleer rechtens relevant is wat voorafgaand aan de ondertekening van de notariële akte met [verweerders] is besproken omtrent de vraag of [de man] als verkoper optrad (eventueel in onderling verband met de tekst van de notariële akte).
3.22
Als het hof dat laatste, omtrent de wilsvertrouwensleer, in r.o. 6.7 niet heeft miskend, heeft het miskend dat het een getuigenverhoor moet bevelen indien een voldoende gespecificeerd aanbod tot het leveren van getuigenbewijs is gedaan ter zake van feiten die tot een beslissing van de zaak kunnen leiden, gelet op art. 166 lid 1, eerste volzin (oud) Rv23.in verbinding met art. 353 lid 1 Rv.24.Het oordeel in r.o. 6.7 is tegen die achtergrond mijns inziens in ieder geval niet afdoende gemotiveerd.
3.23
Het slagen van dit onderdeel heeft tot gevolg dat ook r.o. 6.6 niet in stand kan blijven, zodat de door het hof in r.o. 6.4 weergegeven slotsom dat grief II niet slaagt, evenmin in stand kan blijven. Hoewel daarmee, indien mijn conclusie wordt gevolgd, wordt bereikt waartoe ook onderdelen 1 en 3 strekken, bespreek ik deze voor de volledigheid ook.
Onderdeel 1
3.24
Onderdeel 1 draagt het opschrift ‘Bindende bewijskracht leveringsakte’ en valt uiteen in subonderdelen 1.1, 1.2, 1.3.1, 1.3.2, 1.3.3, 1.4 en 1.5. Het voert in de kern het betoog dat het hof in r.o. 6.6 niet de juiste, althans geen begrijpelijke, betekenis heeft gehecht aan de notariële akte, waarbij het in belangrijke mate een beroep doet op een daaraan volgens het onderdeel toekomende ‘dwingende bewijskracht’.
3.25
Subonderdeel 1.1 klaagt – samengevat – dat het hof met zijn oordeel in r.o. 6.6 heeft miskend dat de notariële akte bindende bewijskracht heeft. Gelet op die bindende bewijskracht dient de partijbedoeling zoals zij in die (authentieke) akte tot uitdrukking is gebracht, behoudens tegenbewijs, tot uitgangspunt van de tussen partijen geldende situatie te worden genomen. De notariële akte prevaleert boven de koopovereenkomst (ik lees: de koopakte), zo wordt geklaagd.
3.26
Het subonderdeel heeft kennelijk art. 157 lid 2 Rv met betrekking tot partijverklaringen in (authentieke of onderhandse) akten op het oog. In nr. 2.8 van de schriftelijke toelichting van [verkopers] wordt echter een beroep gedaan op art. 156 lid 2 Rv (in verbinding met – kennelijk – art. 157 lid 1 Rv). Het zou draaien, aldus de schriftelijke toelichting, om de in de notariële akte “vervatte verklaringen van de notaris als eigen handelingen of waarnemingen”, die ook “de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte verklaringen en bedoelingen van partijen” betreffen. Dit is mijns inziens echter een nieuwe wending, die niet op tijd naar voren is gebracht, nu de procesinleiding mijns inziens niet een voldoende kenbaar betoog met die strekking bevat.25.Hierop wordt terecht gewezen in nr. 2 van de dupliek van [verweerders]
3.27
Ik richt mij dus op art. 157 lid 2 Rv, met betrekking tot de dwingende bewijskracht van akten ter zake van daarin voorkomende partijverklaringen. Uitgangspunt van de wet, ook voor wat betreft geschriften, is vrije bewijskracht (art. 152 lid 2 Rv).26.Art. 157 lid 2 Rv vormt daarop een uitzondering, nu deze bepaling dwingende bewijskracht toekent aan bepaalde onderdelen van een akte.27.Welke onderdelen dat zijn, komt hierna aan de orde. De ‘dwingende bewijskracht’ uit hoofde van die bepaling houdt gelet op art. 151 Rv praktisch in, kort gezegd, dat de rechter geen nader bewijs mag verlangen van wat de akte bestemd is te bewijzen, maar laat de ruimte voor tegenbewijs onverlet.28.Kortom, die dwingende bewijskracht zet degene die er met succes een beroep op kan doen op voorsprong, zonder dat daarmee de race gelopen is.
3.28
Onder welke voorwaarden kan dan met succes een beroep worden gedaan op art. 157 lid 2 Rv en ten aanzien van welke onderdelen van een akte? Hoewel met regelmaat over deze bepaling is geschreven, ook aan het parket,29.blijft haar toepassing een moeilijke aangelegenheid. Daarvan getuigt ook deze zaak. De bepaling is ook niet eenvoudig geformuleerd:
“Een authentieke of onderhandse akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat (…).”
Mijns inziens is enige nadere opheldering niet overbodig. De tekst van art. 157 lid 2 Rv zegt iets over (a) waaruit het dwingende bewijs kan volgen, (b) wat daarmee dwingend kan worden bewezen en (c) wie daarop een beroep kunnen doen.
3.29
Te beginnen met (b), nu dat (a) mede kleurt. De bewijskracht die volgt uit art. 157 lid 2 Rv is materiële bewijskracht, te weten dat de verklaring van een partij de rechtsbetrekking tussen partijen juist weergeeft (dus ‘waar’ is).30.Dat het niet gaat om een kale, feitelijke verklaring maar om het bewerkstelligen dan wel bevestigen van rechtsgevolgen, blijkt ook uit de bijzin “tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat”. Het dient de rechtszekerheid dat een partij die een verklaring omtrent de inhoud van een rechtsbetrekking met een andere partij heeft vastgelegd, met het doel ervoor te zorgen dat daarvan bewijs (preuve préconstituée) voorhanden is, niet eenvoudig daarvan kan terugkomen.31.Van deze materiële bewijskracht moet formele bewijskracht worden onderscheiden, die betrekking heeft op de vraag of een partij een bepaalde verklaring heeft gedáán.32.Deze formele bewijskracht ligt niet besloten in art. 157 lid 2 Rv.33.Voor een notariële akte geldt wel dat op grond van heteerste lid van art. 157 Rv formele bewijskracht is verbonden aan de constatering van de notaris dat partijen bepaalde verklaringen hebben gedaan en de akte hebben ondertekend.34.Maar in het tweede lid van art. 157 Rv, dat hier dus centraal staat, gaat het slechts om de inhoud van de rechtsbetrekking, onder de veronderstelling dat vaststaat dat een partij heeft verklaard wat in de akte staat. Wát nu precies uit de akte voortvloeit met betrekking tot de inhoud van rechtsbetrekking tussen partijen, moet vervolgens door middel van uitleg worden vastgesteld, waarbij het aankomt op uitleg van alleen die akte zelf.35.Deze uitlegvraag speelt in deze zaak, wat mij betreft, overigens niet, zo zal blijken.
3.30
Overige feiten en omstandigheden, buiten de akte, kunnen een rol spelen in het kader van eventueel tegenbewijs (art. 151 lid 2 Rv).36.In dat verband merk ik op dat de dwingende bewijskracht van art. 157 lid 2 Rv niet meebrengt dat de desbetreffende akte zonder meer, dat wil zeggen definitief, een ‘hogere rang heeft’ (dus, in de woorden van het subonderdeel, “prevaleert boven”) enig ander bewijsmiddel. Die wetsbepaling, in verbinding met art. 151 Rv, zegt immers niets over hoeveel relatief gewicht een akte uiteindelijk heeft. Dwingende bewijskracht is geen superkracht. Zij wordt tenietgedaan indien de wederpartij kan ontzenuwen dat de verklaring in de akte de “waarheid” is.37.Op voorhand kan niet worden gezegd welke (typen) bewijsmiddelen daartoe wel en niet geschikt zijn.38.
3.31
Dan (a): waaruit kan het dwingende bewijs volgen? Wanneer men art. 157 lid 2 Rv grammaticaal beziet, is het de ‘akte’ die dwingend bewijs oplevert. Een ‘akte’ is volgens art. 156 lid 1 Rv een ondertekend geschrift, bestemd om tot bewijs te dienen. Uit art. 157 lid 2 Rv blijkt dat de daarin bedoelde bewijskracht gelijkelijk toekomt aan zowel authentieke (zoals notariële) als onderhandse akten.39.
3.32
Welbeschouwd is het object van de bewijskracht niet de integrale inhoud van de akte (zie ook in 3.27 hiervoor) maar, zo blijkt uit art. 157 lid 2 Rv, “de verklaring van een partij” die daarin is opgenomen. Kortom, alleen aan de uit de akte blijkende verklaringen kan op grond van die bepaling dwingend bewijs worden ontleend. In het geval een notariële akte is van belang dat daarin zowel constateringen van de notaris alsook aan partijen toegeschreven verklaringen kunnen zijn vervat.40.Een partij die de in art. 157 lid 2 Rv bedoelde dwingende bewijskracht inroept, zal dat dus alleen met succes kunnen doen indien zij een verklaring van een partij kan aanwijzen.
3.33
Deze zaak werpt de vraag op hoe beperkt of ruim “de verklaring van een partij” in art. 157 lid 2 Rv nu moet worden begrepen. Is bijvoorbeeld een partijaanduiding in de kop van de akte een “verklaring”? Is het ontbreken van de vermelding van de hoedanigheid van aan partij een verklaring? Mijns inziens laten de tekst en de strekking van art. 157 lid 2 Rv alsook de rechtspraak er geen twijfel over bestaan dat een tamelijk beperkte reikwijdte van “de verklaring van een partij” is aangewezen.
3.34
Die strekking van art. 157 lid 2 Rv kwam hiervoor in 3.29 al aan de orde: het draait om de materiële bewijskracht van akten, dus om wat een akte zegt over de rechtsbetrekking tussen partijen, met het oog op rechtszekerheid. In dit verband wordt aangenomen dat moet blijken van een ‘bewijsbestemming’.41.De dwingende bewijskracht komt dus niet zo maar toe aan alles wat in een akte kan worden gelezen, maar uitsluitend aan verklaringen met een kenbare bewijsfunctie. Natuurlijk moet dat niet te formeel worden aangevlogen: beslissend is niet waar een partijverklaring staat, maar of het partijverklaring is met een kenbare bewijsfunctie. Zo is het niet uitgesloten dat deze in de considerans van een overeenkomst is te vinden.42.
3.35
Een en ander veronderstelt, zo meen ik, dat de dwingende bewijskracht betrekking heeft op een kenbare uiting in relatie tot een rechtsbetrekking.43.Alleen een dergelijke uiting is een “verklaring van een partij” als bedoeld in art. 157 lid 2 Rv. De stellingen van een partij die zich op de in art. 157 lid 2 Rv bedoelde dwingende bewijskracht beroept, moeten dus betrekking hebben op zo’n kenbare uiting. Anders gezegd, die partij moet min of meer kunnen betogen: ‘kijk, daar verklaart de wederpartij dat ...’44.Dan volstaat bijvoorbeeld niet dat een partij een akte inroept met het betoog dat daaruit bepaalde ‘partijbedoelingen’ kunnen worden ‘afgeleid’. Tussen de regels zijn misschien wel relevante aanwijzingen, maar geen verklaringen te vinden. Minder nog kan de werking van art. 157 lid 2 Rv aanknopen bij het (op zichzelf in potentie relevante) gegeven dat iets niet in de akte staat. Argumenten langs die lijnen kunnen wel gewicht hebben, maar laten zich a priori slechts voortdrijven door vrije bewijskracht. De rechter komt dan reeds tegen de achtergrond van het partijdebat, dus nog zonder acht te hoeven slaan op de akte, niet aan art. 157 lid 2 Rv toe, omdat de toepassingsvoorwaarden van die bepaling niet zijn vervuld.45.Het lijkt mij wel zo helder om de grenzen te zien in de toepassingsvoorwaarden van genoemde bepaling; dat tempert de (oneigenlijke) verwachtingen omtrent wat dwingende bewijskracht nu wel en niet vermag.
3.36
Hoe dan ook, voor de hiervoor besproken beperkte interpretatie van “de verklaring van een partij” in art. 157 lid 2 Rv zijn ook aanknopingspunten te vinden in de rechtspraak van de Hoge Raad.
3.37
In een koopgeschil waarin de Hoge Raad in 2017 uitspraak deed, had het hof geen toepassing gegeven aan art. 157 lid 2 Rv nu het ingeroepen document, dat handgeschreven was, een “zeer summier karakter” had en “slechts losse steekwoorden” bevatte en had het overwogen dat “een duidelijke verklaring dat partijen door ondertekening overgaan tot koop en verkoop” ontbrak.46.De Hoge Raad overwoog:
“Het hof heeft in rov. 10.5 geoordeeld dat in de akte voor het standpunt van beide partijen argumenten zijn te vinden en dat, nu de akte zelf geen concrete, op koop en verkoop gerichte verklaring bevat, dat stuk dwingende bewijskracht ontbeert ten aanzien van de vraag of door de ondertekening ervan tussen partijen een overeenkomst van koop en verkoop tot stand is gekomen. Daarmee heeft het hof niet de dwingende bewijskracht van de akte miskend, maar geoordeeld dat (uitleg van) hetgeen partijen in de akte hebben verklaard onvoldoende is om daaraan met dwingende bewijskracht de conclusie te verbinden dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Anders dan het onderdeel kennelijk voorstaat, is het hof daarbij terecht ervan uitgegaan dat het voor de dwingende bewijskracht van de akte aankwam op (uitleg van) alleen die akte zelf.”47.
Hoewel de Hoge Raad hier (enigszins losjes) de “dwingende bewijskracht van de akte” tot uitgangspunt neemt (zie echter in 3.27 en 3.32 hiervoor) en het oordeel van het hof kennelijk – zij het tussen haakjes – begrijpt als een uitlegoordeel, sluiten de door de Hoge Raad in stand gehouden overwegingen van het hof mooi aan bij mijn begrip van “de verklaring van een partij” als bedoeld in art. 157 lid 2 Rv. Wordt de kwestie langs die kant, dus van de toepassingsvoorwaarden, benaderd, dan is de genoemde bepaling simpelweg niet van toepassing en wordt een heilloos debat in de sleutel van dwingende bewijskracht voorkomen. De rechter hoeft er dan simpelweg ook geen woorden daaraan te besteden, en kan zich richten op wat eventueel, zij het met vrije bewijskracht, wél uit het overgelegde document volgt.
3.38
Soortgelijks was aan de orde in een zaak over een C.V.-akte waarin de Hoge Raad in 2022 uitspraak deed. Ik citeer:
3.1.2
Het hof heeft in rov. 3.11 van zijn tussenarrest (onbestreden in cassatie) het in rov. 3.10 weergegeven betoog van [verweerders] aldus begrepen dat de C.V.-akte geen dwingend bewijs oplevert van de stelling die [eiser] aan zijn vordering ten grondslag legt. Uitgaande van deze uitleg van de stellingen van [verweerders] in hoger beroep heeft het hof vervolgens eerst beoordeeld of de C.V.-akte, in het bijzonder art. 5 van deze akte, een verklaring van een partij bevat omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, als bedoeld in art. 157 lid 2 Rv. Het hof is daarbij in rov. 3.12 met juistheid ervan uitgegaan dat het voor de beantwoording van deze vraag aankomt op (uitleg van) alleen de akte zelf. Eveneens met juistheid is het hof in rov. 3.13 ervan uitgegaan dat, waar [eiser] zich beroept op het rechtsgevolg van de door hem voorgestane uitleg van de C.V.-akte, op hem de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast hiervan rusten.
(…)
3.1.4
Het hof heeft zijn oordeel in rov. 3.14 dat alleen de C.V.-akte met haar bepalingen geen dwingend bewijs biedt voor het bestaan van een recht voor [eiser] als vennoot op een aandeel in de waardestijging van het perceel, in de eerste plaats erop gebaseerd dat (art. 5 van) de akte geen concrete verklaring bevat dat [de moeder] de economische eigendom van het perceel inbrengt of dat [eiser] bij voortzetting van de vennootschap als bedoeld in art. 13, recht heeft op een deel van de waardevermeerdering van het perceel. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de tekst van art. 5 van de C.V.-akte voor meer dan een uitleg vatbaar is en (voor zover hier van belang) zowel de inbreng van de economische eigendom van het perceel als het verschaffen van een gebruiks- of genotsrecht ten aanzien daarvan kan betekenen. Deze overwegingen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Hierbij verdient opmerking dat het hof in rov. 3.14 slechts heeft geoordeeld over de vraag of in de C.V.-akte zelf een verklaring als bedoeld in art. 157 lid 2 Rv is opgenomen. Hiervan moet worden onderscheiden de vraag of de overeenkomst die is belichaamd in de C.V.-akte, aldus moet worden uitgelegd dat [de moeder] de economische eigendom van het perceel heeft ingebracht in de vennootschap en [eiser] als vennoot meedeelt in de waardestijging van het perceel. Bij deze laatste vraag komt het, zoals het hof in rov. 3.15 en 3.16 terecht tot uitgangspunt heeft genomen, aan op een uitleg van de overeenkomst waarbij partijen de vennootschap zijn aangegaan aan de hand van de Haviltex-maatstaf.”
Kortom, het hof zag mede wegens het ontbreken van een “concrete verklaring” van de door eiser ingeroepen strekking geen grond voor toepassing van art. 157 lid 2 Rv. De Hoge Raad laat dat in stand.
3.39
Een goed voorbeeld van het geval waarin het beroep op (de voorganger van) art. 157 lid 2 Rv wel opging, is het in 3.8 hiervoor genoemde arrest […] / […] .48.Dáár werd in een notariële akte van levering de onroerende zaak aldus omschreven (zie r.o. 3.2): “een perceel weiland, gelegen aan de […] , uitmakende een gedeelte, groot ongeveer vijfentachtig are en negentig centiare van het perceel kadastraal bekend als gemeente […] en wel een zodanig gedeelte als ter plaatse kennelijk is aangegeven (…)”. Het hof oordeelde – en de Hoge Raad liet in r.o. 3.8 in stand – dat de notariële akte in dat geval “naar haar aard dwingend bewijs [oplevert] dat partijen – in afwijking van de onderhandse akte (…) – hebben verklaard te hebben verkocht, respectievelijk gekocht, een perceel weiland van 85,90 are.” De Hoge Raad overwoog dat “[h]et Hof (…) derhalve terecht [heeft] geoordeeld dat deze omschrijving tot uitgangspunt moet worden genomen met dien verstande dat daartegen in beginsel tegenbewijs openstaat.” Uiteindelijk gaat het om thematiek waarbij de rechter moest beslissen op basis van de concrete omstandigheden geval, zonder dat categorische richtsnoeren zijn te formuleren.
3.40
Over de vraag waaruit dwingende bewijskracht kan volgen, past volledigheidshalve nog de volgende opmerking. Pakt men de wet erbij, in het bijzonder art. 160 Rv, dan zou men concluderen dat er geen dwingende bewijskracht kan zijn indien niet een originele akte, of – waar het een notariële akte betreft – een afschrift daarvan, wordt overgelegd of ter griffie wordt gedeponeerd. Het overleggen van een fotokopie – standaardpraktijk – zou volgens deze redenering geen dwingende bewijskracht opleveren.49.Indien partijen er niet over twisten of de overgelegde kopie een trouwe weergave is van de oorspronkelijk akte, wordt door de rechter echter pragmatisch omgesprongen met art. 160 Rv en kan dwingende bewijskracht wel worden toegekend aan de kopie, aldus – vrij -vertaald – mijn ambtgenoot A-G Valk,50.met wie ik het graag eens ben dat dit pragmatisme terecht is. Dat dus slechts voor de volledigheid.
3.41
Ten slotte kort nog iets over (c), dus over wie een beroep kunnen doen op de werking van art. 157 lid 2 Rv. Alleen partijen (en bepaalde rechtsverkrijgenden) kunnen daarop een beroep doen, en alleen voor zover het de verklaring van een wederpartij betreft, zo volgt uit de wettekst. Een partij komt geen beroep toe op de dwingende bewijskracht van de akte ten aanzien van haar eigen verklaring.51.In de rechtspraak van de Hoge Raad is verhelderd dat de vraag wie ‘partij’ is afhankelijk is van, kort gezegd, de tekst van de akte:
“Het onderdeel betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat een onderhandse akte niet slechts dwingend bewijs oplevert tussen degenen die (materieelrechtelijk) zijn te beschouwen als partijen bij de akte, doch mede vóór degene(n) ten behoeve van wie de partij die de verklaring in de akte heeft afgelegd, op basis van de uitleg van de bewijsrechtelijke betekenis van de akte als bewijsrechtelijke handeling, geacht moet worden de akte bestemd te hebben om tegen hem tot bewijs te dienen. Een zodanige regel die zou meebrengen dat, indien hieromtrent niet aanstonds duidelijkheid bestaat, eerst afzonderlijk zou moeten worden vastgesteld ten behoeve van wie de akte bestemd is tot bewijs te dienen, kan niet als juist worden aanvaard. De inhoud en strekking van art. 157 Rv en de eisen van het rechtsverkeer brengen mee dat een akte slechts dwingend bewijs oplevert ten behoeve van de wederpartij (en haar rechtverkrijgenden), dat wil zeggen degene die in de akte als zodanig is aangewezen of degene te wiens behoeve de ondertekenaar van de akte zich blijkens de tekst daarvan heeft verbonden.”52.
3.42
Ik keer terug bij het subonderdeel, dat tegen de achtergrond van het voorgaande in 3.27 t/m 3.41 niet slaagt.
3.43
Het subonderdeel neemt immers de onjuiste rechtsopvatting tot uitgangspunt dat de dwingende bewijskracht in ruime zin betrekking heeft op “de partijbedoeling zoals zij in die (authentieke) akte tot uitdrukking is gebracht”. Art. 157 lid 2 Rv betrekt die dwingende bewijskracht immers op een partijverklaring en niet op alles wat in een akte kan worden gelezen. Het gaat erom wat [verweerders] op dit punt ten opzichte van [de man] hebben verklaard en het subonderdeel maakt niet duidelijk welke verklaring het op het oog heeft.53.
3.44
Het voorgaande strookt met ’s hofs oordeel. In r.o. 6.6 constateert het hof dat de notariële akte [de man] niet noemt als medeverkoper en dat de notariële akte vermeldt dat [de man] als echtgenoot van de verkoper [de vrouw] toestemming verleent tot verkoop. Hierin is volgens het hof geen verklaring van een partij gelegen die ertoe dwingt dat het hof (behoudens tegenbewijs) aanneemt dat – zoals het hof het in r.o. 6.6 formuleert – “partijen met de leveringsakte hebben beoogd vast te leggen of te verduidelijken dat voor [de man] geen eigen verplichtingen voortvloeien uit de koopovereenkomst.” Dit is onjuist noch onbegrijpelijk.
3.45
Ik voeg daaraan nog twee observaties toe. In nr. 2.9 van de schriftelijke toelichting namens [verkopers] wordt opgemerkt dat op grond van art. 3:89 lid 1 BW uit de leveringsakte moet blijken wie verkoper en koper zijn. Dat is strikt genomen niet juist. Uit de akte moet blijken wie de beschikkingsbevoegde vervreemder(s) en de beoogde verkrijger(s) zijn. Het is weliswaar gebruikelijk dat verkoper(s) en koper(s) tevens de vervreemder(s) en verkrijger(s) zijn, maar noodzakelijk is dit niet (vgl. in 3.9 hiervoor). Het komt mij voor dat de ‘definitiebepalingen’ in de leveringsakte waarin de vervreemder en verkrijger worden aangeduid als “verkoper(s)” respectievelijk “koper(s)” modelmatige standaardbepalingen zijn,54.eerder dan uitingen waarmee een gevalsspecifieke duiding of wijziging van de obligatoire verhouding is beoogd. Dat alleen [de vrouw] kon leveren, staat buiten kijf. Zij was immers de beschikkingsbevoegde persoon. Daarom is zij degene die als partij bij de leveringsakte wordt vermeld. Dat zij daarna – zoals dus gebruikelijk is in leveringsakten ten aanzien van vastgoed – als ‘verkoper’ wordt aangeduid hoeft niet te worden opgevat als een verklaring in de zin van art. 157 lid 2 Rv. In nr. 2.10 wordt – en dat komt vaker terug – opgemerkt dat de notaris “de gemaakte fout [heeft] herkend” (…) waarna de fout is hersteld”. Deze opmerking gaat ervan uit dat de notaris ‘de fout’ eenvoudig kon herkennen door vast te stellen dat alleen [de vrouw] beschikkingsbevoegd was. Maar zoals uit hetgeen ik eerder opmerkte al volgt, kan de notaris op grond van die omstandigheid niet vaststellen wie er daadwerkelijk partij bij de koopovereenkomst moeten zijn geweest. Omdat hij niet bij de totstandkoming van de koop betrokken is geweest en het rechtens niet onmogelijk is dat een ander dan de beschikkingsbevoegde eigenaar (mede)verkoper is, kan een notaris slechts vragen stellen.
3.46
Overigens is het ook nog maar de vraag of [de man] , gelet op de rechtspraak vermeld in 3.41 hiervoor, kan worden aangemerkt als partij bij de notariële akte, nu uit de tekst daarvan niet blijkt dat [de man] in de notariële akte als zodanig is aangewezen of geldt als degene te wiens behoeve een ondertekenaar van de akte zich heeft verbonden.
3.47
Subonderdeel 1.2 klaagt dat “althans” onbegrijpelijk is dat uit de in subonderdeel 1.1 genoemde omstandigheden niet zou voortvloeien dat partijen met de notariële akte zouden hebben beoogd dat [de man] niet als verkoper bij de koopovereenkomst optrad, maar slechts als toestemming gevende echtgenoot als bedoeld in art. 1:88 BW. Waar de notaris partijen immers uitdrukkelijk heeft voorgehouden dat [de man] geen verkoper was, maar dat hij de notariële akte alleen tekent als toestemming gevende echtgenoot, is immers duidelijk dat hij ook niet als verkoper in de koopovereenkomst moet worden beschouwd, aldus het subonderdeel. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dan ook onbegrijpelijk welke andere betekenis aan de mededeling van de notaris zou moeten worden gehecht.55.
3.48
Het subonderdeel berust op de premisse dat de notaris partijen uitdrukkelijk heeft voorgehouden dat [de man] geen verkoper was. Dit wordt in het subonderdeel geponeerd en wordt daarin vervolgens aangeduid als “de mededeling”. Het hof heeft echter niet vastgesteld wat in het subonderdeel wordt geponeerd, maar heeft – zo begrijp ik het – juist in het midden gelaten of de notaris uitdrukkelijk aan partijen heeft voorgehouden dat [de man] geen verkoper was. Het hof heeft in r.o. 6.6 immers het bewijsaanbod op dat punt, vervat in nr. 54 van de memorie van grieven, gepasseerd, waartegen onderdeel 2 mijns inziens met succes opkomt. Nu het hof in het midden heeft gelaten of de notaris uitdrukkelijk aan partijen heeft voorgehouden dat [de man] geen verkoper was, kan bij de behandeling van deze klacht veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat de notaris dat heeft gedaan. Tegen die achtergrond slaagt het subonderdeel in zoverre dat in r.o. 6.6 niet zonder meer begrijpelijk is dat de mededeling van de notaris niet afdoet aan wat het hof in r.o. 6.5 overweegt en oordeelt. Daarbij kan ik het, zo meen, ik laten.
3.49
Subonderdeel 1.3.1 luidt dat het hof daarnaast heeft miskend dat wanneer er een discrepantie bestaat tussen de tekst van de koopakte en de tekst van de daaropvolgende notariële akte, dwingende bewijskracht toekomt aan de inhoud van de notariële akte en dat daartegen tegenbewijs openstaat.56.Aldus dient ervan te worden uitgegaan dat “partijen” de koopovereenkomst opnieuw of nader hebben vastgelegd in de notariële akte en dat alleen de aldus in de notariële akte opnieuw of nader vastgelegde obligatoire overeenkomst rechtsgevolg heeft, hetgeen het hof ten onrechte niet heeft gedaan, zo wordt geklaagd.
3.50
Het subonderdeel, dat een rechtsklacht bevat, berust op de premisse dat aan de notariële akte dwingende bewijskracht toekomt ten aanzien van de vraag of – zoals het hof het in r.o. 6.6 formuleert – “partijen met de leveringsakte hebben beoogd vast te leggen of te verduidelijken dat voor [de man] geen eigen verplichtingen voortvloeien uit de koopovereenkomst.” Gelet op wat onder 3.42 t/m 3.46 hiervoor aan de orde kwam, gaat deze premisse niet op. Daarom slaagt het subonderdeel niet.
3.51
Subonderdeel 1.3.2 klaagt – samengevat – dat r.o. 6.6 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting waar het hof aan de hand van de in r.o. 6.4 weergegeven omstandigheden heeft geoordeeld dat uit die omstandigheden niet volgt dat partijen met de notariële akte hebben beoogd vast te leggen of te verduidelijken dat er voor [de man] geen eigen verplichtingen uit de koopovereenkomst voortvloeien. Het hof ziet er aldus ten onrechte aan voorbij dat de obligatoire overeenkomst niet slechts bestaat uit de door de makelaar opgestelde koopovereenkomst, maar dat die overeenkomst ook wordt bepaald door de (van de koopakte afwijkende) notariële akte en de feiten en omstandigheden die na ondertekening van de koopakte hebben plaatsgevonden. Het hof heeft de uitleg van de koopakte tot uitgangspunt genomen en de na ondertekening van de koopakte plaatsgevonden feiten en omstandigheden “apart beoordeeld” in r.o. 6.6. Daarmee heeft het hof miskend dat feiten en omstandigheden die na ondertekening van de overeenkomst hebben plaatsgevonden integraal in de beoordeling moeten worden betrokken.
3.52
Het subonderdeel slaagt voor zover onderdeel 2 slaagt. Dat behoeft hier geen nadere toelichting; ik verwijs naar wat ik in 3.48 hiervoor heb opgemerkt.
3.53
Subonderdeel 1.3.3 luidt – samengevat – dat onbegrijpelijk is dat volgens r.o. 6.6 niet relevant is dat partijen in de notariële akte zijn overeengekomen dat de bepalingen van de koopakte van toepassing zijn voor zover daarvan niet uitdrukkelijk in de notariële akte is afgeweken. Zonder nadere motivering valt immers niet in te zien waarom geen betekenis zou moeten toekomen aan die bepaling in de notariële akte, in het licht van de omstandigheid dat partijen bewust van de koopakte zijn afgeweken door [de man] niet als verkoper in de notariële akte op te nemen, welke wijziging ten opzichte van de koopakte uitdrukkelijk door de notaris met partijen is besproken en waarover wilsovereenstemming tussen partijen bestond. Die wilsovereenstemming blijkt immers uit de verklaring in de notariële akte dat partijen tijdig voor het verlijden van die akte daarvan hebben kennisgenomen en dat zij met de inhoud daarvan instemmen, aldus het subonderdeel.
3.54
Het subonderdeel slaagt voor zover onderdeel 2 slaagt, nu het hier bestreden oordeel in r.o. 6.6 (“Daarom is … de leveringsakte.”) voortbouwt op het oordeel dat uit wat [verkopers] naar voren hebben gebracht niet volgt dat partijen met de notariële akte hebben beoogd vast te leggen of te verduidelijken dat voor [de man] geen eigen verplichtingen voortvloeien uit de koopovereenkomst. Dit oordeel kan, zo meen ik, ten gevolge van onderdeel 2 niet in stand blijven. Ik verwijs naar wat ik in 3.48 en 3.52 hiervoor heb opgemerkt. Het voorliggende subonderdeel valt daar deels mee samen.
3.55
Het subonderdeel slaagt echter niet voor zover het behelst dat het hof niet anders kón dan oordelen dat partijen de koopovereenkomst hebben gewijzigd gelet op het beding dat dat de bepalingen van “de koopovereenkomst” (ik lees: de koopakte) van toepassing zijn voor zover daarvan niet uitdrukkelijk in de notariële akte is afgeweken. Dat beding, dat een regeling bevat voor de verhouding tussen de koopakte en de notariële akte, mede voor het geval de notariële akte afwijkt van de koopakte, maakt immers niet dat het hof binnen de grenzen van het begrijpelijke niet tot een ander oordeel kón komen dan dat de koopovereenkomst daadwerkelijk is gewijzigd.
3.56
Subonderdelen 1.4 en 1.5 lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.57
Subonderdeel 1.4 klaagt – samengevat – dat de omstandigheid dat [de vrouw] volgens de tekst van de overeenkomst de leveringsverbintenis niet anders dan tezamen met [de man] bevrijdend kon nakomen (art. 9 onder a van de koopakte) dwingend tot de conclusie leidt dat partijen de koopovereenkomst bij de levering moeten hebben gewijzigd. Het oordeel van het hof in r.o. 6.6 is daarom onbegrijpelijk.
3.58
Subonderdeel 1.5 betoogt nog – samengevat – dat voor zover het hof tot het oordeel kon komen dat [de man] partij bij de koopovereenkomst is, het heeft miskend dat de omstandigheid dat [de man] de onroerende zaak niet heeft geleverd niet kan leiden tot aansprakelijkheid wegens non-conformiteit, aangezien de levering door [de vrouw] hem op grond van art. 9 onder a van de koopakte niet heeft bevrijd.
3.59
De subonderdelen slagen niet. Dit ‘bewijs uit het ongerijmde’, dat is gebouwd op art. 9 onder a van de koopakte, is klaarblijkelijk een ontoelaatbaar feitelijk novum in cassatie, want vindplaatsen naar in feitelijke instanties ingenomen stellingen ter zake ontbreken. Voor zover dergelijke stellingen in feitelijke instanties zouden zijn ingenomen,57.voldoen de subonderdelen bij gebreke van een vindplaats niet aan de daaraan te stellen eisen van precisie en bepaaldheid. Bovendien missen de subonderdelen overtuigingskracht, nu het niet op voorhand onmogelijk is dat een verkoper zijn verbintenissen nakomt zonder zelf in goederenrechtelijke zin te leveren. Het is dus mogelijk dat [de vrouw] én [de man] die verbintenissen zijn nagekomen (daargelaten de aanwezige gebreken) terwijl alleen [de vrouw] de woning (in goederenrechtelijke zin) kon leveren. Ik verwijs naar wat ik in 3.9 hiervoor heb opgemerkt. Zo’n verkoper die geen eigenaar is, kan als elke andere verkoper aansprakelijk zijn wegens non-conformiteit.
3.60
Onderdeel 1 slaagt dus gedeeltelijk, te weten voor zover het (delen van) subonderdelen 1.2, 1.3.2 en 1.3.3 betreft.
Onderdeel 3
3.61
Onderdeel 3 draagt het opschrift ‘Wilsvertrouwensleer’ en valt uiteen in subonderdelen 3.1.1, 3.1.2, 3.2 en 3.3.
3.62
Subonderdelen 3.1.1 en 3.1.2 lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.63
Subonderdeel 3.1.1 klaagt als volgt. De vraag of [de man] als verkoper bij de koopovereenkomst moet worden beschouwd dient te worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW. Daarbij komt het aan op het antwoord op de vraag of [verweerders] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [de man] verkoper was. Het hof heeft in r.o. 6.4 echter geoordeeld dat [verweerders] “ervan mocht uitgaan” dat [de man] als verkoper optrad en dat hij er “niet aan [hoefde] te twijfelen” dat [de man] wil overeenstemde met diens verklaring. Het hof heeft aldus een te ruim criterium gehanteerd.
3.64
Subonderdeel 3.1.2 klaagt – samengevat – dat ’s hofs oordeel (naar ik begrijp in r.o. 6.4) in ieder geval onbegrijpelijk is, omdat het heeft nagelaten het criterium te benoemen aan de hand waarvan het heeft beoordeeld of [de man] als verkoper moet worden beschouwd. Daardoor en door niet met zoveel woorden te oordelen dat [verweerders] gerechtvaardigd erop mochten vertrouwen dat de verklaring van [de man] overeenstemde met diens wil, voldoet het oordeel niet aan de eis dat het zowel voor partijen als voor derden, inclusief de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar is.
3.65
De subonderdelen berusten in belangrijke mate op semantiek. Een rechter is – gelukkig – niet ertoe gehouden om elke zin van zijn uitspraak in de exacte mallen van wetteksten en frasen uit vaste rechtspraak te gieten. Evenmin brengen de in subonderdeel 3.1.2 bedoelde Vredo/Veenhuis-eisen58.voor de motivering van rechterlijke uitspraken – dus controleerbaarheid en aanvaardbaarheid – zonder meer mee dat de rechter ertoe gehouden is in zijn uitspraak te vermelden op welke abstracte rechtsregel een oordeel is gegrond. Het gaat erom dat de rechter de substantie van de toepasselijke rechtsregels onderkent en op grond daarvan tot een rechtens houdbare beslissing komt. Of de motivering van die beslissing verlangt dat de rechter vermeldt welke abstracte rechtsregel wordt toegepast, hangt logischerwijs ervan af of partijen moeten (kunnen) begrijpen welke rechtsregel de rechter toepast, mede in het licht van het partijdebat.59.
3.66
In het voorliggende geval kan mijns inziens geen misverstand erover bestaan dat het hof toepassing heeft gegeven aan de in art. 3:33 en 3:35 BW besloten liggende wilsvertrouwensleer (zie ook hiervoor in 3.19). De subonderdelen brengen niet aan het licht dat het hof in r.o. 6.4 daadwerkelijk de wilsvertrouwensleer zou miskennen op het punt van wat [verweerders] redelijkerwijs moesten begrijpen en mochten verwachten, althans zijn oordeel tegen de achtergrond daarvan onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat er een verschil zou zijn tussen ‘ervan mogen uitgaan’ en ‘niet eraan hoeven twijfelen’ enerzijds en – zoals het subonderdeel het formuleert – ‘gerechtvaardigd ergens op mogen vertrouwen’ anderzijds is een woordenspel dat voor mij te subtiel is. Ik zie geen reden om aan te nemen dat het hof van een andere, ruimere, norm zou zijn uitgegaan dan de wilsvertrouwensleer voorschrijft.
3.67
Subonderdeel 3.2 klaagt – samengevat – als volgt. “Bovendien” heeft het hof in r.o. 6.6 rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk geoordeeld dat de omstandigheid dat de notaris de akte voor de levering met partijen heeft besproken en er daarbij uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de notariële akte afwijkt van de koopakte niet tot een andere conclusie dwingt. Zoals hierboven “in subonderdeel 3” betoogd, kon [verweerders] er ten tijde van de levering, toen de notaris hem had voorgehouden dat [de man] geen eigenaar van de onroerende zaak was en dat hij daarom in de notariële akte slechts optrad als toestemming gevende echtgenoot in de zin van art. 1:88 BW, er niet meer gerechtvaardigd op vertrouwen dat [de man] als verkoper bij de koopovereenkomst optrad of als zodanig had willen (blijven) optreden. Daarvoor was meer nodig dan de feiten en omstandigheden die het hof in r.o. 6.4 van het arrest aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, omdat die feiten omstandigheden hebben plaatsgevonden voordat de notaris de notariële akte met partijen had besproken en hen had voorgehouden dat de notariële akte afweek van de koopakte, omdat [de man] niet als verkoper in de notariële akte compareerde.
3.68
Het subonderdeel slaagt niet. Ik licht dat toe.
3.69
Vooropgesteld: het hof oordeelt of impliceert in r.o. 6.6 niet dat de notaris “uitdrukkelijk” erop heeft gewezen dat de notariële akte afwijkt van de koopakte, wat wellicht de suggestie zou wekken dat de notaris dat met nadruk heeft gedaan (en ook heeft benoemd wat daarvan de rechtsgevolgen zijn) en dat het [verweerders] niet kan zijn ontgaan. Het hof oordeelt daar, neutraler, dat niet tot een andere conclusie dwingt de – door [verkopers] gestelde – omstandigheid “dat de kandidaat-notaris [verweerders] erop heeft gewezen dat de leveringsakte op dit punt afweek van de koopovereenkomst en dat [verweerders] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt”.
3.70
Hoe dan ook, het subonderdeel betoogt ten onrechte dat het hof gelet op wat de notaris met [verweerders] heeft besproken of aan hen heeft medegedeeld niet anders kón oordelen dan dat – samengevat – [verweerders] er niet gerechtvaardigd op konden vertrouwen dat [de man] als verkoper bij de koopovereenkomst optrad of als zodanig had willen (blijven) optreden. Dit betoog miskent de ruimte die het hof had om bij de toepassing van de wilsvertrouwensleer te komen tot waarderingen van feitelijke aard die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kunnen worden beoordeeld, en wel met terughoudendheid.
3.71
Subonderdeel 3.3 klaagt ten slotte nog – samengevat – dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat zijn oordeel dat [de man] als verkoper van de onroerende zaak moet worden beschouwd eraan voorbijgaat dat de omstandigheid dat [verweerders] geen bezwaar heeft gemaakt dat [de man] niet als verkoper in de notariële akte is opgevoerd meebrengt dat [verweerders] afstand van zijn vordering heeft gedaan als bedoeld in art. 6:160 BW. Door levering van de onroerende zaak door [de vrouw] heeft zij immers als derde de verbintenis van [de man] op zich genomen en nu [verweerders] daartegen geen bezwaar had, is het vertrouwen opgewekt dat [de man] van zijn verbintenissen uit de koopovereenkomst was bevrijd.
3.72
Het subonderdeel slaagt niet. Het voert niet aan dat [verkopers] in feitelijke instanties een dergelijk op ‘afstand van een vorderingsrecht’ gegrond betoog hebben gevoerd en vermeldt ter zake ook geen vindplaatsen,60.zodat het klaarblijkelijk een ontoelaatbaar feitelijk novum in cassatie betreft. Voor zover een dergelijk betoog in feitelijke instanties zou zijn gevoerd,61.voldoet het subonderdeel bij gebreke van een vindplaats niet aan de daaraan te stellen eisen van precisie en bepaaldheid. Het subonderdeel overtuigt overigens ook niet, nu het – door te poneren dat [de vrouw] door levering van de onroerende zaak als “derde” de verbintenis van [de man] op zich genomen, tegen de achtergrond van het gegeven dat [de man] geen eigenaar was – over het hoofd ziet dat het niet onmogelijk is dat een verkoper voldoet aan zijn verplichtingen als bedoeld in art. 7:9 BW zonder zelf in goederenrechtelijke zin te leveren (zie in 3.9 hiervoor).
3.73
Onderdeel 3 leidt dus, wat mij betreft, niet tot cassatie.
4. Bespreking van het middel in het incidenteel cassatieberoep
4.1
Het middel in het incidenteel cassatieberoep is opgebouwd uit vier onderdelen.
Onderdeel 1
4.2
Onderdeel 1 valt uiteen in subonderdelen 1.1, 1.2 en 1.3.
4.3
Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof met zijn oordelen in r.o. 6.13, 6.14, 6.16 en 6.21 dat er ten tijde van de levering geen gebreken zijn geweest die in de weg stonden aan een normaal gebruik van de woning, heeft miskend dat het moest onderzoeken of de woning als gevolg van de verschillende gebreken gezamenlijk niet normaal gebruikt kon worden en dat het er niet om gaat of een afzonderlijk gebrek aan normaal gebruik van de woning in de weg staat. Oftewel: het hof heeft de gebreken ten onrechte niet in onderling verband en samenhang beoordeeld en aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zo klaagt het subonderdeel.
4.4
Het subonderdeel, dat alleen een rechtsklacht bevat, slaagt mijns inziens niet. Ik licht dat toe.
4.5
Vooropgesteld: partijen en hof nemen tot vertrekpunt artikel 6 van de koopakte (zie r.o. 3.2), dat is opgesteld langs de lijnen van het welbekende NVM-model. Kort gezegd draait het op grond daarvan om de vraag of de woning de feitelijke eigenschappen bezit die nodig zijn voor een “normaal feitelijk gebruik” als “woonhuis”. Hoewel zeer gangbaar, is dat model desalniettemin geen recht in de zin van art. 25 Rv en/of art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO.62.De vraag hoe dat een bepaling uit dat model moet worden uitgelegd en toegepast, is bijgevolg geen (zuivere) rechtsvraag. Voor zover het subonderdeel, dat dus alleen een rechtsklacht bevat, daaraan voorbijgaat, kan het niet slagen.
4.6
Er bestaat bij mijn weten geen algemene rechtsregel die meebrengt dat de rechter zonder méér (in woorden van nr. 11 van de dupliek: “hoe dan ook”) moet onderzoeken of de zaak niet “normaal gebruikt” kon worden – een contractueel begrip – als gevolg van de gezamenlijkheid van verschillende gestelde gebreken. Of gestelde gebreken afzonderlijk dan wel in onderling verband moeten worden beschouwd en, in dat laatste geval, wat de aard van dat verband is,63.verschilt, zo meen ik, van geval tot geval en is afhankelijk van wat tussen partijen is bedongen en van het partijdebat.64.In wezen gaat het erom hoe de koper zijn standpunt dat ten tijde van de levering normaal gebruik van de zaak niet mogelijk was, heeft onderbouwd tegen de achtergrond van de inhoud van de koopovereenkomst.65.Kortom, er is in dit soort gevallen, anders dan de klacht betoogt, geen rechtens voorgeschreven wijze waarop de rechter de conformiteitstoets moet uitvoeren.
4.7
Ik sta ten slotte stil bij de vraag wat het subonderdeel beoogt te bewerkstelligen. Het draait in deze zaak in de kern om schadevergoeding wegens wanprestatie (zie r.o. 1.1, 1.2, 4.1 en 4.2). Het hof heeft, met de rechtbank, ten aanzien van een deel van de gestelde gebreken geoordeeld dat deze inderdaad meebrengen dat de woning niet normaal gebruikt kon worden en de in dat verband door [verkopers] aangevoerde grieven verworpen.66.De volgende stap zou dan, na terugwijzing van de zaak naar de rechtbank (zie het dictum van het arrest), de begroting van de op die gebreken betrekking hebbende schade zijn. [verweerders] maakt niet duidelijk wat in het kader van de schadebegroting het belang is van de klacht – vrij vertaald – dat het hof de gestelde gebreken, waaronder dus andere gebreken, in onderlinge samenhang had moeten beschouwen om tot een overkoepelend oordeel te komen dat de woning niet normaal gebruikt kon worden. Zonder toelichting is onvoldoende duidelijk hoe een dergelijk oordeel volgens [verweerders] (potentieel) de hoogte van de schadevergoeding in het voorliggende geval zou beïnvloeden. Dat neemt niet weg dat ik me in het algemeen – los van het contractuele regime – wel kan voorstellen dat een rechter in een concreet geval komt tot een ‘integraalbeoordeling’. Als de gestelde gebreken X, Y en Z afzonderlijk géén non-conformiteit opleveren (anders dan hier67.), maar de rechter van oordeel is dat zij samen – in onderling verband bezien – meebrengen dat een onroerende zaak non-conform is, dan hangt daar logischerwijs een overkoepelend ‘prijskaartje’ aan. Hoe dat prijskaartje moet worden bepaald, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud van de koopovereenkomst, en het partijdebat daarover.68.
4.8
Subonderdeel 1.2 klaagt – samengevat – dat de oordelen in r.o. 6.13, 6.14, 6.16 en 6.21 ontoereikend zijn gemotiveerd omdat het hof niet (voldoende) heeft gerespondeerd op [verweerders] ’ essentiële stellingen dat (1) de woning door de gebreken niet gebruikt kan worden als woonhuis (dagvaarding in eerste aanleg, nr. 22) en (2) zij de woning sinds de levering niet hebben kunnen bewonen door de verschillende gebreken (memorie van antwoord, nr. 14).
4.9
Het subonderdeel heeft – als het welwillend wordt gelezen – op het oog dat [verweerders] in feitelijke instanties hebben betoogd dat de gebreken in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd.69.Kortom, subonderdeel 1.2 ligt in het verlengde van subonderdeel 1.1.
4.10
Daargelaten dat voor mij niet duidelijk is wat het subonderdeel wil bewerkstelligen en met welk belang (zie in 4.7 hiervoor), slaagt het subonderdeel mijns inziens ook inhoudelijk niet. Ik licht dat toe.
4.11
Het in het subonderdeel genoemde nr. 22 van de dagvaarding in eerste aanleg bevat het volgende:
“Het gekochte zal hersteld moeten worden, voordat het gebruikt kan worden als woonhuis. Er is sprake van een gevaarlijke situatie die gevaren voor de gezondheid (wegens vochtigheid en schimmels) en ernstig brandgevaar (kortsluiting) oplevert. De op onjuiste wijze aangebrachte elektra (open contactdozen weggewerkt achter het plafond) zijn gesitueerd op vochtige plekken. De lekkage van de serre kwam aan het licht toen het water bij de eerste regenbui via de inbouwspotjes binnen stroomde. Omdat er aan de buitenkant van de wanden van de ondergrondse woonruimte geen waterkerende laag is aangebracht is het niet op voorhand duidelijk of de ondergrondse woonruimte ooit waterdicht kan worden. Het bekleden van de buitenzijde van de ondergrondse ruimte is niet meer mogelijk. Daarnaast bestaat het vermoeden dat als gevolg van de fouten het houtskelet van de woning en het appartement zijn aangetast. Of dit ooit deugdelijk hersteld kan worden, zal nog moeten blijken.”
4.12
Het eveneens in het subonderdeel genoemde nr. 14 van de memorie van antwoord, onder de kop ‘Grief 1 – art. 21 Rv’, bevat het volgende:
“Vooralsnog zitten [verweerders] inmiddels sinds 2017 met een huis dat zij niet kunnen bewonen. Het appartement boven de garage is ook niet erg bewoonbaar, ook gezien de hoeveelheid zwarte schimmel op de benedenverdieping plus de zeer krappe afmetingen (voor een gezin van vier).”
4.13
De uitleg van deze passages uit de processtukken was aan het hof als feitenrechter en kan in cassatie alleen worden getoetst op begrijpelijkheid. Mijns inziens dwingen deze passages niet tot de uitleg dat de daarin aangeduide problemen aan de woning gezamenlijk en/of in onderling verband ertoe leiden dat de woning niet normaal gebruikt kan worden. Het subonderdeel legt ook niet uit waarom dat zo zou zijn. In nr. 22 van de dagvaarding worden immers verschillende problemen genoemd, zonder dat het hof binnen de grenzen van het begrijpelijke gedwongen was daarin het bedoelde verband te onderkennen.70.Nog minder geldt dat voor nr. 14 van de memorie van antwoord, al was het maar omdat dat is aangevoerd in een andere context, namelijk van de reactie van [verweerders] op grief I met betrekking tot de door [verkopers] aan [verweerders] verweten schending van art. 21 Rv.
4.14
Subonderdeel 1.3 klaagt dat het hof de positieve devolutieve werking heeft miskend door niet te responderen op [verweerders] ’ in eerste aanleg betrokken stelling (in de dagvaarding in eerste aanleg, nr. 22) dat de woning door de gebreken niet gebruikt kan worden als woonhuis.
4.15
Het subonderdeel slaagt niet. De algemene stellingname van [verweerders] dat de woning door de gebreken niet gebruikt kan worden als woonhuis behoefde het hof niet als zodanig, dus afzonderlijk van de concrete stellingen van [verweerders] met betrekking tot concrete gebreken, in beschouwing te nemen. Die algemene stellingname is immers zelfstandig, zonder uitwerking, onmiskenbaar te weinig concreet om als grondslag van enige vordering te dienen.71.Het hof is daarentegen in r.o. 6.8 t/m 6.25 ingegaan op stellingen van [verweerders] met betrekking tot wat er volgens hen aan de woning schort.
4.16
Onderdeel 1 leidt dus, wat mij betreft, niet tot cassatie.
Onderdeel 2
4.17
In onderdeel 2 wordt betoogd – samengevat – dat het hof hoor en wederhoor heeft geschonden met de oordelen in r.o. 6.21 dat:
(i) niet geoordeeld kan worden dat de gestelde gebreken in de gevelopbouw en houtskeletstructuren in de weg staan aan normaal gebruik van de woning of dat [verkopers] die had moeten melden indien hij daarmee bekend geweest zou zijn; en
(ii) de wijze waarop onder meer de gevel is uitgevoerd niet voldoet aan het Bouwbesluit en een risico op vochtproblemen meebrengt onvoldoende is om aan te nemen dat de woning niet normaal gebruikt kan worden.
Deze oordelen, aldus het onderdeel, berusten volgens r.o. 6.21 op het deskundigenbericht, terwijl de rechtbank nu juist heeft geoordeeld (r.o. 2.83 en 2.61 van het vonnis van 10 maart 2021) dat de deskundige in zijn rapport niet is ingegaan op [verweerders] ’ opmerkingen over het concept-deskundigenbericht en daarom nog een schriftelijke ronde gehouden moet worden over onder meer de gebreken aan de gevelopbouw en de houtskeletstructuren.72.Deze schriftelijke ronde heeft echter niet plaatsgevonden (nu [verkopers] tussentijds hoger beroep hebben ingesteld tegen onder andere het vonnis van 10 maart 2021; zie in 2.6 en 2.7 hiervoor).
4.18
In r.o. 2.61 van het vonnis van 10 maart 2021 is het volgende te vinden:
“De deskundige heeft naar aanleiding van de opmerkingen van [de man] en [de vrouw] zijn conclusies niet aangepast. De rechtbank ziet tegen die achtergrond geen redenen om in te gaan op de bezwaren van [de man] en [de vrouw] . Deze bezwaren zijn door de deskundige reeds beoordeeld en terzijde gelegd. De rechtbank volgt de deskundige dan ook in zijn bevindingen. Uit die bevindingen volgt dat sprake is van een gebrekkige gevelopbouw, die tot condensatieproblemen zal leiden. Die condensatieproblemen zullen vervolgens leiden tot aantasting van de houten draagstructuur en constructieve verzwakkingen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een gebrek dat in de weg staat aan een normaal gebruik als woonhuis. Verwacht mocht immers worden dat de gevels op deugdelijke wijze zijn opgebouwd en niet te duchten hebben van condensatieproblemen die tot verzwakking leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een gebrek waarvoor [de man] en [de vrouw] jegens [verweerders] aansprakelijk zijn.”
4.19
Vervolgens staat in r.o. 2.82 en 2.83 van het vonnis van 10 maart 2021 – voor zover van belang – het volgende:
“2.82 De deskundige heeft in het deskundigenbericht voor elk van de gebreken aangegeven wat volgens hem de kosten voor herstel daarvan zijn. [verweerders] hebben bezwaar gemaakt tegen de door de deskundige aangedragen oplossingen voor de gebreken en de daarvoor opgenomen kostenbegrotingen. Die zijn volgens [verweerders] incompleet. [verweerders] wijzen erop dat zij dit een en ander uitgebreid gemotiveerd aan de deskundige hebben voorgelegd in hun reactie op het concept-deskundigenrapport. (…) Op de opmerkingen van bureau ITX Bouwconsult is de deskundige evenwel in het geheel niet ingegaan, aldus [verweerders]
2.83
Uit het deskundigenbericht volgt dat de deskundige inderdaad niet is ingegaan op de door [verweerders] onder verwijzing naar het rapport van ITX Bouwconsult naar voren gebrachte opmerkingen op het concept-deskundigenbericht. (…) Uit dat rapport volgt dat ITX Bouwconsult uitvoerig is ingegaan op de door de deskundige voorgestelde herstelmethoden en de hoogte van de daarmee verband houdende herstelkosten. Nu de deskundige daarop in zijn uiteindelijk deskundigenbericht niet is ingegaan, kan niet zonder meer worden uitgegaan van de juistheid van de schadebegroting van de deskundige. Het schadedebat kan daarom nog niet als afgesloten worden beschouwd. De rechtbank zal de zaak dan ook verwijzen naar de rol voor nog een schriftelijke ronde over de schade als gevolg van de gebreken waarvoor [de man] en [de vrouw] in het voorgaande aansprakelijk zijn geacht. (…)”
[cursivering toegevoegd, A-G]
4.20
De door het onderdeel bedoelde “schriftelijke ronde” heeft dus niet betrekking op het debat over de aanwezigheid van gebreken aan de gevelopbouw en de houtskeletstructuren, maar op [verweerders] ’ bezwaren tegen de door de deskundige aangedragen oplossingen voor de gebreken en de daarvoor opgenomen kosten, dus de schadebegroting. Kortom, er is geen feitelijke grondslag voor wat het onderdeel aanvoert.73.
4.21
Onderdeel 2 leidt dus, wat mij betreft, niet tot cassatie.
Onderdeel 3
4.22
Onderdeel 3 valt uiteen in subonderdelen 3.1 t/m 3.4 en is gericht tegen r.o. 6.21.
4.23
Subonderdeel 3.1 klaagt – samengevat – dat het oordeel in r.o. 6.21 dat grief XII doelt treft onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd omdat het hof ten onrechte niet (voldoende) heeft gerespondeerd op “ [verweerders] ’ essentiële stelling dat zij wat betreft hun verweer tegen deze grief de conclusie van de deskundige op p. 40 van zijn rapport [van 31 januari 2020, A-G] tot de hunnen maken” (memorie van antwoord, nr. 8474.). Het subonderdeel citeert uit die pagina van het deskundigenbericht. Wat daar te vinden is, laat geen andere conclusie toe dan dat volgens de deskundige aanpassingen aan de woning noodzakelijk zijn om schade te voorkómen, aldus het subonderdeel. De vermelde stelling van [verweerders] is essentieel omdat deze inhoudt dat aanpassingen aan de woning noodzakelijk om de woning normaal te kunnen gebruiken, zo wordt geklaagd.
4.24
Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden. Het doet een beroep op wat [verweerders] hebben aangevoerd door incorporatie van de bevindingen van een deskundige, zonder enige concrete aanduiding, in de procesinleiding, van de punten waarop het hof dan nog precies had moeten responderen, terwijl het hof in het bestreden r.o. 6.21 wel woorden besteedt aan wat volgens hem aan p. 40 van het deskundigenbericht van 31 januari 2020 kan worden ontleend. Op die pagina van het deskundigenbericht is onder de kop “13. Gevelvlakken en 20. en 33. Opbouw van de houtskeletstructuren” enkele honderden woorden aan tekst te vinden, en het subonderdeel citeert dat deels, waarvan overigens een deel op p. 41 is te vinden. De reconstructie van wat dáárvan door het hof volgens het subonderdeel onvoldoende (kenbaar) in zijn beoordeling is betrokken, kan niet op deze wijze aan de cassatierechter worden overgelaten. Mijns inziens voldoet het subonderdeel dus niet aan de vereisten van bepaaldheid en precisie. In ieder geval is een algemene verwijzing naar wat op een bepaalde pagina in een deskundigenbericht te vinden is,75.geen essentiële stelling waarop het hof als zodanig moest responderen.76.
4.25
Subonderdelen 3.2 t/m 3.4 lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
4.26
Subonderdeel 3.2 klaagt dat het oordeel aan het slot van r.o. 6.21 dat de wijze waarop onder meer de gevel is uitgevoerd een risico op vochtproblemen meebrengt, onvoldoende is om aan te nemen dat normaal gebruik van de woning onmogelijk is, onbegrijpelijk is, omdat het geciteerde in subonderdeel 3.1 (uit het deskundigenbericht) geen andere conclusie toelaat dan dat volgens de deskundige aanpassingen ter voorkoming van schade noodzakelijk zijn en dat een dampdicht scherm aangebracht moet worden voor een gezond binnenklimaat. Een woning die aangepast moet worden om schade te voorkómen en waarin zonder aanpassingen geen gezond binnenklimaat heerst, kan immers niet normaal gebruikt worden, aldus het subonderdeel.
4.27
Subonderdeel 3.3 klaagt – samengevat – dat het door subonderdeel 3.2 bestreden oordeel ontoereikend is gemotiveerd omdat het hof niet (voldoende) heeft gerespondeerd op [verweerders] ’ essentiële stellingen (1) dat de vochtigheid in de woning leidt tot brandgevaar en gevaar voor de gezondheid (dagvaarding in eerste aanleg, nr. 22) en (2) dat de woning door deze gevaren onbewoonbaar is (dagvaarding in eerste aanleg, nr. 26).
4.28
Subonderdeel 3.4 klaagt dat het hof de positieve devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend door niet, laat staan voldoende, te responderen op de in subonderdeel 3.3 vermelde in eerste aanleg betrokken stellingen.
4.29
De subonderdelen slagen naar mijn mening niet. Ik licht dat toe.
4.30
Anders dan subonderdeel 3.2 betoogt, is ’s Hofs oordeel in r.o. 6.21 niet onbegrijpelijk tegen de achtergrond van het in subonderdeel opgenomen citaat uit p. 40-41 van het deskundigenbericht van 31 januari 2020. Zoals samengevat in het subonderdeel constateert de deskundige dat aanpassingen ter voorkoming van schade noodzakelijk zijn en dat een dampdicht scherm aangebracht moet worden voor een gezond binnenklimaat. Hiertegenover staat echter wat het hof in r.o. 6.21 overweegt, te weten dat “ten tijde van de schouw (ruim 2 jaar na de levering en 22 jaar na de bouw) geen tekenen zijn aangetroffen van aantasting van de houtskeletstructuur door schimmelvorming of houtrot als gevolg van inwendige condensatie (deskundigenrapport, p. 40).”
4.31
Kortom, het hof heeft het deskundigenbericht en de toestand ter plaatse zo begrepen dat hoewel volgens de deskundige aanpassingen nodig zijn om schade op termijn te voorkomen en het ventilatieniveau bovendien onvoldoende is, de deskundige niet heeft kunnen constateren dat binnen 22 jaar na de bouw nadelige gevolgen van vochtproblematiek zichtbaar zijn geworden. Het hof heeft kennelijk mede van belang geacht dat de deskundige op p. 40 van het deskundigenbericht van 31 januari 2020 vermeldt dat er een verhoogd risico op “inwendige condensatie” was, maar dat het daarbij wel de vraag is “of dit ook is gebeurd.” Het hof bedoelt dus onmiskenbaar dat een vochtprobleem zich na 22 jaar nog niet heeft gemanifesteerd. Dat het hof tegen die achtergrond op dit punt geen gebrek aanwezig heeft geacht berust op een waardering van feitelijke aard die mijns inziens de grenzen van het begrijpelijke zeker niet overschrijdt.
4.32
Dit, nu, gaat overeenkomstig op voor wat subonderdelen 3.3 en 3.4 aan de orde stellen. Het hof heeft kennelijk geredeneerd – vrij vertaald – dat het met de vochtproblematiek wel meevalt, nu door de deskundige 22 jaar na de bouw geen tekenen zijn aangetroffen van aantasting van de houtskeletstructuur door schimmelvorming of houtrot als gevolg van inwendige condensatie. Het hof heeft tegen die achtergrond klaarblijkelijk niet willen aannemen dat de vochtigheid in de woning leidt tot brandgevaar – wegens kortsluiting in de aanwezige elektra; zie dagvaarding in eerste aanleg, nr. 22 – en gevaar voor de gezondheid. Brandgevaar en (onmiddellijk) gevaar voor de gezondheid vermeldt de deskundige op dit punt immers ook niet. Dat het hof in zoverre geen gebrek aanwezig heeft geacht berust op een waardering van feitelijke aard die naar mijn appreciatie niet onbegrijpelijk is.
4.33
Onderdeel 3 leidt dus, wat mij betreft, niet tot cassatie.
Onderdeel 4
4.34
Onderdeel 4 bouwt voort op onderdelen 1 t/m 3 en leidt dus, wat mij betreft, niet tot cassatie.
5. Slotsom en afdoening
5.1
Naar mijn opvatting slaagt het middel in het principaal cassatieberoep gedeeltelijk, te weten voor zover het onderdeel 2 en – in het voetspoor daarvan – subonderdelen 1.2, 1.3.2 en 1.3.3 betreft.
5.2
Het middel in het incidenteel cassatieberoep slaagt mijns inziens niet.
5.3
Indien mijn conclusie wordt gevolgd, zal het arrest moeten worden vernietigd en zaak moeten worden verwezen naar een ander hof.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest, voor zover het met vrucht is bestreden door het principaal cassatieberoep, tot verwijzing en tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑12‑2025
Het hof veronderstelt dat, met [verkopers] , in r.o. 6.5.
[verkopers] hebben dat gesteld in nr. 17 van de antwoordconclusie na deskundigenbericht. Vgl. nr. 64 van de memorie van grieven (“uitsluiting van de huwelijksgemeenschap”). Steun daarvoor tref ik aan in productie 1 bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie. Dat betreft een akte van levering uit 18 augustus 1998 op grond waarvan [de vrouw] de woning heeft verkregen. In de kop van die akte is vermeld dat [de vrouw] “onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden [is] gehuwd met [de man] ”. Zie ik het goed, dan is dit nergens weersproken door [verweerders] Iets anders is dat [verweerders] in nr. 10 van de spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van 10 januari 2021 de vraag hebben opgeworpen “hoe het zit dat [ [de man] ] de woning heeft gebouwd in eigen beheer maar dat zijn vrouw (om niet?) enig eigenaar zou zijn geworden.” Dit is echter geen stelling met betrekking tot het karakter van de huwelijksgemeenschap van [de man] en [de vrouw] .
Vgl. r.o. 6.5 van het arrest van het hof.
Kennelijk is dat ook met zo veel woorden aan de orde geweest tijdens de comparitie na aanbrengen. Zie nr. 64 van de memorie van grieven.
Art. 6:217 lid 1 BW met betrekking tot “aanbod en aanvaarding” brengt niet anders mee. Zie daarover bijvoorbeeld nrs. 3.5 t/m 3.5.3, met de bronvermeldingen aldaar, van de conclusie van A-G Assink (ECLI:NL:PHR:2024:104) voor HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:628.
HR 17 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5835, NJ 1977/241 (Bunde/ […] ).
HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521 (Kribbebijter).
HR 13 maart 1981,ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 (Haviltex).
HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5352, NJ 2002/60 (Verkoop camping), r.o. 3.7; HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213, NJ 2011/572 (Batavus/X), r.o. 3.4 en HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1889, NJ 2022/254 (Waternet/X), r.o. 3.2.2.
Zie bijvoorbeeld Asser/Hijma 7-I 2024/223 en H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 213-214. Anders W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken (Monografieën Privaatrecht nr. 9), Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 28: “Een (…) vraag in verband met art. 7:2 lid 1 is erin gelegen of de schriftelijke koopovereenkomst alle relevante bepalingen dient te bevatten. Naar mijn mening is dit inderdaad het geval. Indien slechts een summier koopcontract is opgemaakt - dat in ieder geval de essentialia van de overeenkomst zal moeten bevatten -, dan zal de overeenkomst overigens geregeerd worden door het, in beginsel regelende, recht van titel 7.1. Indien partijen echter alsnog daarvan afwijkende nadere afspraken zouden willen maken, dan zullen deze in beginsel weer schriftelijk moeten worden vastgelegd. Naar mijn mening zal, indien sprake is van bepalingen die niet als puur bijkomende bedingen kunnen worden gekenschetst, moeten worden aangenomen dat er sprake is van een nieuwe overeenkomst die derhalve in beginsel ook zal leiden tot een nieuwe bedenktijd als bedoeld in art. 7:2 lid 2. Een vergelijkbare visie valt af te leiden uit de conclusie van de A-G voor ECLI:NL:HR:2013:43, zij het dat hij toevoegt dat denkbaar is dat een beroep op een nieuwe schriftelijke overeenkomst in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Zie conclusie A-G, ECLI:NL:PHR:2013:BZ7382 [bedoeld is: ECLI:NL:PHR:2013:BZ7392, A-G].” In genoemde conclusie van (destijds) A-G Wissink tref ik onder 13 slechts aan: “De vraag of (belangrijke) aanvullingen of wijzigingen in de koopovereenkomst ook schriftelijk moeten worden vastgelegd, is in cassatie niet aan de orde. Over die vraag bestaat in de in de literatuur de nodige discussie. Voor zover een dergelijk vereiste uit artikel 7:2 BW zou moeten worden afgeleid, is denkbaar dat een beroep daarop in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.” Hieruit leid ik niet af wat genoemde auteur eruit afleidt.
Zie uitgebreid daarover, bijvoorbeeld C.G. Breedveld-de Voogd, Vorm, vrijheid en gebondenheid bij de koop van een woning (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007, p. 183-206.
HR 22 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1345, NJ 1995/560.
Iets anders is de - hier niet relevante - vraag of de in de notariële akte opgenomen goederenrechtelijke rechtshandeling tot levering zich mede laat uitleggen aan de hand van de partijbedoeling bij het sluiten van de koopovereenkomst. Nee, is het antwoord. Zie HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901, NJ 2001/350 (Stichting Eelder Woningbouw), r.o. 3.3.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14 (1991), p. 95.
Zie ten aanzien van het oude BW, HR 4 februari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4535, NJ 1984/628, r.o. 3.2. Daaruit volgt, interessant genoeg, dat het vanuit historisch oogpunt helemaal geen nobrainer is dat de koper de eigendom wordt verschaft, naast het feitelijke genot van de zaak, althans waar het een roerende zaak betreft. Maar de Hoge Raad tekent op dat het Franse consensuele stelsel van eigendomsovergang - volgens welk de koopovereenkomst in beginsel de eigendom doet overgaan - een oneigenlijke invloed heeft gehad op de bepalingen omtrent koop, terwijl in een overdrachtsstelsel zoals wij dat kennen, eigendomsverschaffing wel degelijk een verplichting is van de verkoper. Voor wat betreft onroerende zaken werd dat al aangenomen. Zie de uitvoerige NJ-annotatie van C.J.H. Brunner.
Hoewel op het eerste gezicht misschien contra-intuïtief is dat een verkoper geen eigenaar hoeft te zijn van de verkochte zaak (vgl. art. 1507 van het BW van 1838), is het (in ieder geval onder het huidige BW) geenszins controversieel. Zie bijvoorbeeld Asser/Hijma 7-I 2024/408; B. Wessels & H.N. Schelhaas, Koop: algemeen (Monografieën BW nr. B65a), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 27; P. Klik, Koop en Consumentenkoop, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 98; Huijgen 2022, p. 44 en Heyman & Bartels 2021, p. 242.
Zie bijvoorbeeld - niet geheel willekeurig - S.E. Bartels, De titel van overdracht in driepartijenverhoudingen (diss. Utrecht), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2004, p. 21-32. Verder kan worden gedacht aan het geval waarin de verkoper een (roerende) zaak onder eigendomsvoorbehoud geleverd heeft gekregen en later - beschikkingsbevoegd op grond van een beding - de onvoorwaardelijke eigendom (als bedoeld in HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, NJ 2016/290 (Rabobank/Reuser), r.o. 4.2.3) aan de koper heeft verschaft zonder zelf ooit onvoorwaardelijk eigenaar te zijn geweest. Zie daarover bijvoorbeeld E.F. Verheul, Eigendomsvoorbehoud (diss. Groningen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 389-401.
Net als in nrs. 79 en 87 van de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie.
Uit r.o. 4.2 t/m 4.4 van het tussenvonnis van 5 december 2018, waar de rechtbank ingaat op de vraag of [de man] is opgetreden als verkoper, blijkt dat evenmin.
Grief II luidt: “Ten onrechte heeft de Rechtbank in r.o. 4.3 en 4.4 van haar tussenvonnis van 5 december 2018 en r.o. 2.11 van haar tussenvonnis van 10 maart 2021 geoordeeld dat ook [de man] moet worden aangemerkt als verkopende partij bij de litigieuze koopovereenkomst en dat [verweerders] daarom ontvankelijk zijn in hun vordering jegens [de man] als verkoper van de woning.”
De eerste volzin van deze bepaling luidde tot 1 januari 2025 - dus ook ten tijde van het arrest - als volgt: “Indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, beveelt de rechter een getuigenverhoor zo vaak een van de partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden.” Deze bepaling is vanaf 1 januari 2025 in vergelijkbare bewoordingen in de laatste volzin van art. 166 lid 1 Rv terug te vinden ten gevolge van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (Stb. 2024/62 en Stb. 2024/72).
Zie o.a. HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:856, NJ 2021/216, r.o. 3.2; HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1313, NJ 2020/310, r.o. 3.2; HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, NJ 2015/426, r.o. 3.51; HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3075, NJ 2014/485, r.o. 3.3.2 en HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8766, NJ 2013/261, r.o. 3.7.
Van belang is dat ook [verweerders] subonderdeel 1.1 blijkens nr. 14 van hun schriftelijke toelichting hebben begrepen als appellerend aan art. 157 lid 2 Rv en niet mede aan art. 157 lid 1 Rv. Overigens kan het tardieve betoog niet slagen, nu art. 157 lid 1 Rv zich niet uitstrekt tot dwingend bewijs van een ‘partijbedoeling’ die los van de verklaringen van partijen uit een akte is af te leiden, maar beperkt is tot de feitelijkheden omtrent waarnemingen en verrichtingen die de betreffende ambtenaar in de akte bij de uitoefening van zijn wettelijke opdracht vastlegt. Zie Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht (1988), p. 142 en 145.
Zie hierover ook J.G. Gräler, Schriftelijk bewijs (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 23), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 28, 78.
Uitdrukkelijk in die zin Asser Procesrecht/Asser 3 2023/257. Zie ook Gräler 2020, p. 29 (“bepaalde verklaringen in akten”). Voor de overige onderdelen van de akte geldt dus dat daaraan slechts vrije bewijskracht toekomt.
Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2023/257 en G.R. Rutgers & H.B. Krans, Bewijs (Pitlo-reeks. Deel 7), Deventer: Kluwer 2014, p. 112-113.
Zie o.a. de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2019:337) voor HR 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:855 (art. 81 lid 1 RO), nrs. 2.7 t/m 2.1 en haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:1423) voor HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2019:641, nr. 2.13-2.14.
Scherpst is dat te vinden in Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht (1988), p. 142: “De dwingende bewijskracht komt toe aan verklaringen omtrent de rechtsbetrekking; deze redactie maakt bepalingen als die van artt. 1906 en 1908 B.W. overbodig.” De lezer hoeft niet op zoek naar het oude BW. De genoemde bepalingen worden aangehaald in Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht (1988), p. 141. Bij de inhoud daarvan hoef ik nu niet stil te staan. Ik wijs nog op het in 2020 in werking getreden art. 8.18 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek (Belgisch Staatsblad 2019, p. 46353 e.v.): “Een onderhandse akte levert een bewijs op van de overeenkomst die erin is vervat tussen de ondertekenaars van de akte en ten aanzien van hun erfgenamen en rechtverkrijgenden.”
Rutgers & Krans 2014, p. 109 schrijven helder: “De materiële bewijskracht is terug te voeren op het volgende uitgangspunt: wie een schriftelijke verklaring ondertekent (bijvoorbeeld een kwitantie) geeft hiermee te kennen dat hij wil worden gehouden voor iemand tegenover wie de inhoud van de verklaring als waar geldt. Een andere bedoeling kan hij met het ondertekenen en ter hand stellen van een akte toch bezwaarlijk hebben gehad. Nog weer anders gezegd: de ondertekenaar van een akte schept aldus bij voorbaat bewijs tegen zichzelf, waarbij de term preuve préconstituée gangbaar is. Door de ondertekende verklaring af te geven, verschaft men de wederpartij derhalve bij voorbaat een bewijsmiddel met dwingende bewijskracht, waardoor de rechtszekerheid is gediend.”
Dit onderscheid wordt nadrukkelijk gemarkeerd in Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht (1988), p. 142-144. Zie over formele versus materiële bewijskracht bijvoorbeeld de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2018:1423) voor HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2019:641, nrs. 2.13 en 2.14. Zie ook nrs. 2.7 t/m 2.12 van haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:337) voor HR 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:855 (art. 81 lid 1 RO).
Dit staat expliciet in Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht (1988), p. 152: “Onder het huidige recht pleegt men, met een beroep op de artikelen 176 e.v. Rv., ook een z.g. ‘formele bewijskracht’ van de onderhandse akte aan te nemen. Het ontwerp bevat niet een dergelijk voorschrift. Wat men onder de formele bewijskracht verstaat, is een wettelijk vermoeden dat wat er boven de handtekening staat ook zó ondertekend is en niet later buiten voorkennis van de ondertekenaar is toegevoegd. (…) [H]et [zou] onjuist zijn, altijd zonder meer aan te nemen dat alles wat boven een handtekening staat werd ondertekend, zoals het er staat.” Zo ook de in de voorgaande voetnoot genoemde conclusies van A-G Wesseling-van Gent. Zie ook E.M. Hoogervorst, ‘Bewijs door geschriften’, in: J.W. de Groot , E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2025, p. 205-231, i.h.b. p. 209, Gräler 2020, p. 77-78 en Rutgers & Krans 2014, p. 111-112. Ongelukkigerwijs suggereert HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3263, NJ 2018/44, r.o. 3.4.2 - hoewel de formele bewijskracht daar niet aan de orde was - anders: “Kort gezegd levert een dergelijke [onderhandse, A-G] akte ingevolge art. 157 lid 2 Rv dwingend bewijs op - behoudens tegenbewijs - dat partijen hebben verklaard wat in de akte is vastgelegd en dat hetgeen is verklaard tussen partijen als waarheid geldt.” Voor deze zaak maakt dat niets uit, dus ik laat het rusten.
Vgl. T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘De bewijskracht van de notariële akte’, in: W. Burgerhart, J.H.M. ter Haar, B. Hoops, W.D. Kolkman & I. Visser (red.), Met grootse passen door het recht (Ars Notariatus nr. 183), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 441-447, i.h.b. p. 443. Voor een onderhandse akte geldt daarentegen, op grond van art. 159 lid 2 Rv, dat zij géén bewijskracht heeft tegenover een partij die stellig ontkent dat zij haar heeft ondertekend, zolang niet wordt bewezen van die de ondertekening afkomstig is.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:852, NJ 2022/218, r.o. 3.1.2 en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3263, NJ 2018/44, r.o. 3.4.2.
HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148, NJ 2018/422 (Bungalowpark), r.o. 3.4.5 en HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, NJ 2011/111 ( […] / […] ), r.o. 4.2.3.
Asser Procesrecht/Asser 3 2023/259 (p. 396).
Vgl. HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2016:848, NJ 2016/256, r.o. 3.4.1 t/m 3.4.3. Zie ook Gräler 2020, p. 30-33.
Deze tweeslachtigheid wordt uitgediept door Tjong Tjin Tai 2024.
Hiervoor bestaan, inderdaad, zowel aanknopingspunten in de definitie van ‘akte’ in art. 156 lid 1 Rv, alsook in de tekst van art. 157 lid 2 Rv zelf. Ik citeer de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2019:337) voor HR 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:855 (art. 81 lid 1 RO), nr. 2.12, met literatuurverwijzingen aldaar: “De bedoeling waarmee de akte is opgemaakt is bepalend voor het antwoord op de vraag of de akte is bestemd om tot bewijs te dienen van een bepaalde daarin opgenomen verklaring. De bewijsbestemming van de akte zal in de regel kunnen worden afgeleid uit de inhoud en de ondertekening, omdat in het algemeen een schriftelijke vastlegging zal zijn bedoeld om tot bewijs te dienen. In sommige gevallen moet dit echter worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval”.
Zie daarover de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2019:337) voor HR 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:855 (art. 81 lid 1 RO), nrs. 2.18 t/m 2.22 en 2.26.
Vgl. Rutgers & Krans 2014, p. 112: “Aandacht behoeft de zinsnede ‘omtrent hetgeen de akte bestemd is (...) te bewijzen’ waaruit is af te leiden dat de waarheid van een min of meer ‘losse’ opmerking in een akte daarop niet is te baseren; de materiële bewijskracht is dus beperkt tot de verklaringen die staan in de context van de aanleiding tot het opmaken van de akte. Een voorbeeld. A verklaart € 10.000 schuldig te zijn aan B en voorts dat - wanneer hij tot betaling overgaat - deze eerst zal strekken in mindering op een andere schuld aan B ten bedrage van oorspronkelijk € 2000 welk bedrag A een jaar tevoren van B heeft geleend. Deze akte levert dwingend bewijs op ten gunste van B dat A hem € 10.000 verschuldigd is. Maar B kan aan deze akte geen dwingend bewijs ontlenen dat A hem daarnaast bovendien nog € 2000 schuldig is.”
Ik citeer hier ook Gräler 2020, p. 29: “Voorwaarde voor de materiële bewijskracht, waar het uiteindelijk allemaal om draait, is dat de akte wel duidelijk en eenduidig is.”
In zoverre is uitleg van de akte dan dus niet aan de orde, althans niet voor zover het gaat om wat daaraan met dwingende bewijskracht kan worden ontleend. De rechter zal de akte alleen met een vrij-bewijs-oog bekijken.
Hof ’s-Hertogenbosch 26 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3231, r.o. 10.5.
HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3263, NJ 2018/44, r.o. 3.4.2.
HR 22 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1345, NJ 1995/560.
Waarover bijvoorbeeld Hoogervorst 2025, p. 213 en Gräler 2020, p. 83, 123, 125.
Nrs. 3.4 en 3.5 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:720) voor HR 15 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1754.
Rutgers & Krans 2014, p. 115.
HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3701, NJ 2004/75 ( […] /Standvast Wonen), r.o. 3.4. Herhaald in HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU310, NJ 2012/260 ( […] / […] ), r.o. 3.3.2.
Ik merk op dat in dit verband niet volstaat wat in nr. 58 van de memorie van grieven - waarnaar in het middel overigens ook niet wordt verwezen - is te vinden, te weten dat “partijen” in de notariële akte “expliciet hebben verklaard” dat “verkoper en koper” degenen zijn die op 9 mei 2017 een koopovereenkomst hebben gesloten, waarbij alleen [de vrouw] is gedefinieerd als “verkoper”, en niet [de vrouw] en [de man] . De bewuste passage in de notariële akte, waarin juist wordt verwezen naar de koopakte, dwong het hof niet tot het oordeel dat [verweerders] hebben verklaard dat zij bij uitsluiting met [de vrouw] hebben gecontracteerd.
Ik vind dergelijke definitiebepalingen terug in verschillende leveringsakten die ik ter gelegenheid van deze conclusie erbij heb gepakt. En ik zie het ook terug in bijvoorbeeld model I.3.4.7 van Modellen voor de rechtspraktijk, opgesteld door L.C.A. Verstappen. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de modellen voor verschillende typen leveringsakten die worden aangeboden door het Kadaster: https://www.kadaster.nl/zakelijk/registraties/inschrijving/over-kik/kik-voorbeeldakten. En ook in een modelakte voor de levering van een appartementsrecht die wordt aangeboden door VvERecht.nl staat het zo: https://vverecht.nl/wp-content/uploads/2014/07/Model-Leveringsakte-appartementsrecht-VvERecht.nl_.pdf. Hiermee strookt dat bijvoorbeeld J.W.A. Hockx, Koop en levering van vastgoed. Editie 2006/2007, Den Haag: Sdu 2006, paragraaf 12.2 in het kader van de akte van levering volautomatisch schrijft over “verkoper” en “koper”. En het is ook de ‘normale situatie’, dat de verkoper tevens de vervreemder is en de koper de verkrijger. Kortom, het lijkt vaste notariële praktijk te zijn. Hiervoor is mogelijk (ook) een historische verklaring te geven, namelijk dat onder het BW van 1838 geen afzonderlijke leveringsakte was vereist en de koopovereenkomst in de openbare registers kon worden ingeschreven. Pas door een wetswijziging in 1956 (de invoering van art. 671a BW (oud), Stb. 1956/376) veranderde dat. Zie hierover H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht, Den Haag: Boom juridisch 2019, nr. 148. Het is denkbaar dat hierin een achtergrond ligt van de ‘koopterminologie’ in de leveringsakten.
Daaraan wordt in het subonderdeel nog het volgende toegevoegd. Voor zover het hof zou hebben bedoeld te oordelen dat de mededeling van de notaris alleen zo kan worden begrepen dat [de man] ondanks het feit dat hij niet de eigendom van de onroerende zaak heeft als verkoper van de onroerende zaak moet worden beschouwd, is die mededeling zinledig. In dat geval had de notaris [de man] immers als verkoper van de woning moeten benoemen en opmerken dat hij niet de eigenaar van de onroerende zaak is en dat levering alleen door [de vrouw] plaatsvindt. De notaris heeft [de man] daarentegen niet als verkoper in de leveringsakte genoemd, zodat hij ook niet als verkoper kan worden beschouwd, zo wordt geklaagd.
In voetnoot 5 van de procesinleiding wordt verwezen naar HR 22 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1345, NJ 1995/560 en naar Hof Den Haag 25 september 2002, ECLI:NL:GHSGR:2002:AE8414, NJ 2003/128.
Ik kom die stellingen overigens ook nergens tegen, als ik goed heb gekeken.
HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 (Vredo/Veenhuis), r.o. 3.4.
Vgl. M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 288: “De rechter heeft zich een goed beeld gevormd van de inhoud en strekking van de norm. De norm behoeft niet altijd eerst in extenso te worden weergegeven (bijvoorbeeld de elementen van de onrechtmatige daad uit art. 6:162 BW), zeker niet wanneer partijen dat al hebben gedaan. Wanneer de norm echter verhelderend werkt, is het raadzaam die wel op te schrijven, bij voorkeur zo kort mogelijk. De rechter legitimeert namelijk zijn beslissing door te expliciteren op welke wijze die is te herleiden tot aan het rechtssysteem ontleende normen.”
Voor de volledigheid: zonder een daartoe strekkend betoog mocht het hof gelet op art. 24 (nu: art. 24 lid 1) Rv niet dienovereenkomstig oordelen. Zie o.a. HR 29 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2521, NJ 1996/421; HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9900, NJ 2005/92, r.o. 3.4; HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1357, r.o. 3.3.2; HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:23, JBPr 2020/58, r.o. 3.1.2 en HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:437, NJ 2025/104, r.o. 3.1.3.
Ik kom dat betoog nergens tegen, als ik goed heb gekeken.
Dat vindt bevestiging in bijvoorbeeld HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2414, NJ 2010/62, r.o. 3.6 en 3.7. Dat de Hoge Raad daarin verlangt dat de rechter een bepaalde uitleg van het NVM-model tot uitgangspunt neemt, doet daaraan niet af. Dit brengt niet mee dat de rechter niet tot een andere uitleg kan komen, mits afdoende gemotiveerd.
Men kan denken in termen van causaal verband tussen gestelde gebreken, maar dat hoeft niet. Het is mogelijk dat er zo veel onvolkomenheden zijn die afzonderlijk weliswaar geen gebreken zijn, maar gezamenlijk wel een gebrek opleveren (een ‘cumulatief verband’). Het zal duidelijk zijn dat dit sterk casuïstische thematiek betreft, omdat sterk kan verschillen wat de koper mocht verwachten.
Zoals terecht betoogd in nrs. 3.3 t/m 3.6 van schriftelijke toelichting van [verkopers]
Het subonderdeel voert (anders dan subonderdeel 1.2 hierna) niets aan over wat [verweerders] op dat punt aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd.
Zie r.o. 6.9 (ten aanzien van grieven III, VII, VIII en IX), r.o. 6.23 (t.a.v. grief XIII) en, concluderend, r.o. 6.26.
Hier hebben rechtbank en hof immers geoordeeld dat [verkopers] aansprakelijk zijn wegens bepaalde gebreken. Zie in 2.6 en 2.7 hiervoor.
Het gaat er uiteindelijk om dat de disbalans wordt opgeheven tussen (a) de non-conforme onroerende zaak die is afgeleverd en (b) de koopprijs, waarbij de veronderstelling is dat die koopprijs correspondeert met wat de koper op grond van de gegeven koopovereenkomst, in het licht van de omstandigheden, mocht verwachten. De meest voor de hand liggende oplossing zal dan ook met regelmaat een koopprijsvermindering zijn, waartoe langs verschillende wegen kan worden gekomen: via gedeeltelijke ontbinding of via schadevergoeding wegens wanprestatie. Zie daarover bijvoorbeeld Jac. Hijma, ‘Koopprijsvermindering’, WPNR 7202 (2018). De rechter kan daartoe gelet op art. 24 lid 1 Rv echter niet komen zonder afdoende grondslag in het partijdebat, dat wil zeggen een kenbare koppeling tussen wat de koper de verkoper verwijt en wat de koper vordert, mede tegen de achtergrond van wat partijen hebben bedongen. Over koopprijsvermindering in de context van de NVM-akte C. Breedveld-de Voogd, ‘Conformerende uitleg van de NVM-koopakte’, in: P.C. van Es e.a. (red.), Hulde aan Huijgen, Deventer: Wolters Kluwer 2023, paragraaf 4.5.
Volgens nr. 12 van de dupliek draait het erom dat [verweerders] “onmiskenbaar [hebben gedoeld] op alle gebreken tezamen en dus in onderlinge samenhang beschouwd.”
Overigens heeft het hof de gestelde vochtproblematiek niet aanwezig bevonden, en de daarop betrekking hebbende gestelde gevaren (gezondheid, brandgevaar) dus ook niet (zie r.o. 6.20 en 6.21, waarover hierna in 4.30 t/m 4.32). Deze gestelde problematiek kan dus ook niet bijdragen aan het oordeel dat de woning niet voor normaal gebruik geschikt is.
Daaraan wordt in het onderdeel toegevoegd: “het hof heeft in rov. 4.4 ook vastgesteld dat de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld heeft om zich schriftelijk uit te laten over de omvang van de schade als gevolg van de in deze rov. 4.4 vermelde vijftien gebreken.”
Zoals terecht betoogd in nrs. 3.9 t/m 3.13 van de schriftelijke toelichting van [verkopers]
Het subonderdeel verwijst verder naar de memorie van antwoord, nrs. 30, 31, 32, 49, 51 en 78.
Nr. 84 van de memorie van antwoord luidt op dit punt: “ [verweerders] maken de conclusie van de Deskundige op p. 40 van zijn rapport tot de hare.”
Zoals terecht betoogd in nr. 3.16 en 3.17 van de schriftelijke toelichting van [verkopers]
Uitspraak 11‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Herstelarrest bij HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1367.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02777
Datum 11 oktober 2024
HERSTELARREST
In de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
hierna: [eiser 1],
2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
hierna: [eiseres 2],
EISERS tot cassatie, eisers in het incident,
hierna gezamenlijk: [eisers],
advocaat: C.S.G. Janssens,
tegen
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie, verweerders in het incident,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
advocaat: J.H.M. van Swaaij.
1. Het arrest in dit geding
1.1
De Hoge Raad heeft in deze zaak op 4 oktober 2024 een arrest in het incident gewezen (ECLI:NL:HR:2024:1367). In dat arrest staat in de kop dat [eisers] verweerders zijn in het incident en [verweerders] eisers in het incident. Dat is een kennelijke verschrijving, aangezien [eisers] het incident hebben geopend door de schorsing van het geding in te roepen.
Ook staat in rov. 3.5 van het arrest 'overgewogen' in plaats van overwogen:
“3.5 Uit hetgeen hiervoor in 3.2-3.4 is overgewogen volgt dat de door [eisers] ingeroepen schorsingsgrond van art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv zich voordoet.”
1.2
De advocaat van [eisers] heeft de Hoge Raad verzocht de hiervoor in 1.1 vermelde fouten te rectificeren. De advocaat van [verweerders] heeft laten weten geen bezwaar te hebben tegen dit verzoek. De Hoge Raad zal deze fouten, die zich lenen voor eenvoudig herstel, op de voet van art. 31 Rv als volgt verbeteren.
1.3
De kop van het arrest dient als volgt te worden gelezen:
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
hierna: [eiser 1],
2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
hierna: [eiseres 2],
EISERS tot cassatie, eisers in het incident,
hierna gezamenlijk: [eisers],
advocaat: C.S.G. Janssens,
tegen
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie, verweerders in het incident,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
advocaat: J.H.M. van Swaaij.
1.4
De hiervoor in 1.1 geciteerde zin in rov 3.5 van het arrest dienst als volgt te worden gelezen:
“3.5 Uit hetgeen hiervoor in 3.2-3.4 is overwogen volgt dat de door [eisers] ingeroepen schorsingsgrond van art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv zich voordoet.”
2. Beslissing
De Hoge Raad:
- verbetert de hiervoor in 1.1 vermelde fouten in het op 4 oktober 2024 in deze zaak gewezen arrest op de wijze als hiervoor in 1.3 en 1.4 vermeld;
- stelt de verbetering op de minuut van dat arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 11 oktober 2024.
Uitspraak 04‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Onderbewindstelling (art. 1:431 BW) van goederen procespartij tijdens procedure. Schorsing geding in cassatie op voet van art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv. Herstelarrest: ECLI:NL:HR:2024:1431
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02777
Datum 4 oktober 2024
ARREST IN HET INCIDENT
In de zaak van
1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [eiser 1] ,
2. [eiseres 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [eiseres 2] ,
EISERS tot cassatie, verweerders in het incident,
hierna gezamenlijk: [eisers] ,
advocaat: C.S.G. Janssens,
tegen
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het incident,
hierna gezamenlijk: [verweerders] ,
advocaat: J.H.M. van Swaaij.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/540113 / HA ZA 17-1134 van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2018, 23 januari 2019, 22 mei 2019 en 10 maart 2021;
b. de arresten in de zaak 200.296.300/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2023 en 9 januari 2024.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 18 april 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
[eisers] hebben op de voet van art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv de schorsing van het geding ingeroepen op de grond dat de goederen die aan [eisers] (zullen) toebehoren onder bewind zijn gesteld. [verweerders] hebben een verweerschrift in het incident ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot het bepalen van een termijn waarbinnen [eisers] de bewindvoerder oproepen om in het geding te verschijnen.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
[eisers] hebben in 2017 een woning verkocht en geleverd aan [verweerders] Na de levering hebben [verweerders] diverse gebreken geconstateerd in de woning.
2.2
In deze procedure vorderen [verweerders] een verklaring voor recht dat [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor herstel(kosten) van de gebreken en voor de (gevolg)schade van [verweerders] , nader op te maken bij staat, en betaling van een voorschot op de toe te kennen schadevergoeding van € 60.000,--.
2.3
De rechtbank heeft bij tussenvonnis geoordeeld dat [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een aantal gebreken (hierna: het tussenvonnis).
2.4
[eisers] hebben tussentijds hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis en de daaraan voorafgegane tussenvonnissen. Het hof1.heeft het tussenvonnis vernietigd voor zover daarin is geoordeeld dat [eisers] aansprakelijk zijn voor gebreken in de fundering van de serre, de raamkozijnen, de meterkast en de gevelvlakken en houtskeletstructuren, heeft de bestreden tussenvonnissen voor het overige bekrachtigd en heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Het hof heeft tussentijds cassatieberoep opengesteld.2.
2.5
De kantonrechter in de rechtbank Limburg heeft bij beschikkingen van 18 oktober 2023 de goederen die (zullen) toebehoren aan [eiser 1] onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand (art. 1:431 lid 1, aanhef en onder a, BW) en de goederen die (zullen) toebehoren aan [eiseres 2] onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden (art. 1:431 lid 1, aanhef en onder b, BW).
3. Beoordeling van de schorsing van het geding
3.1
[eisers] hebben de schorsing van het geding in cassatie ingeroepen op de grond dat als gevolg van de hiervoor in 2.5 genoemde onderbewindstelling sprake is van een verandering van de persoonlijke staat van een partij, als bedoeld in art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv.
3.2
Art. 1:441 lid 1 BW bepaalt dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende (degene wiens goederen onder bewind zijn gesteld) in en buiten rechte vertegenwoordigt. Of de rechthebbende in een procedure bevoegd is zelf als formele procespartij op te treden, hangt dus ervan af of het voeren van de desbetreffende procedure tot de taak van de bewindvoerder behoort.3.
Tot de taak van de bewindvoerder behoren blijkens art. 1:441 lid 1 BW alle handelingen die aan een goed bewind bijdragen. Hieronder zijn begrepen handelingen die kunnen bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de rechthebbende.4.
3.3
Wanneer gedurende een procedure een bewind wordt ingesteld over een of meer goederen van een procespartij en het voeren van die procedure tot de taak van de bewindvoerder behoort, is sprake van een verandering van de persoonlijke staat van die partij, als bedoeld in art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv. Zowel de bewindvoerder als de partij over wier goederen het bewind is ingesteld, kan deze grond voor schorsing van het geding inroepen.
3.4
In de onderhavige procedure strekken de vorderingen van [verweerders] ertoe dat [eisers] worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding (zie hiervoor in 2.2), terwijl een bewind is ingesteld over alle goederen die aan [eisers] (zullen) toebehoren (zie hiervoor in 2.5). Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, behoort het voeren van deze procedure tot de taak van de bewindvoerder.
3.5
Uit hetgeen hiervoor in 3.2-3.4 is overgewogen volgt dat de door [eisers] ingeroepen schorsingsgrond van art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv zich voordoet. De Hoge Raad zal daarom verstaan dat het geding is geschorst.
4. Beslissing
De Hoge Raad verstaat dat het geding is geschorst.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 4 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑10‑2024
Gerechtshof Den Haag 18 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1364.
Gerechtshof Den Haag 9 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:34.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, rov. 3.1.2.
Vgl. HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, rov. 3.1.3; Kamerstukken II 2011/12, 33054, nr. 3, p. 13 en 34-35.
Conclusie 05‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Incident in cassatie. Onderbewindstelling tijdens lopende procedure. Schorsinggrond als bedoeld in art. 225 lid 1 onder b Rv? Procesbekwaamheid en gevolgen.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02777
Zitting 5 april 2024
CONCLUSIE
E.M. Wesseling-van Gent
Conclusie in het incident in de zaak
1. [eiser 1] ,
2. [eiseres 2] ,
tegen
1. [verweerder 1] ,
2. [verweerder 2] .
1. Aanduiding partijen; korte inhoud hoofdzaak en zaak in het incident
1.1
Eisers tot cassatie worden hierna afzonderlijk aangeduid als [eiser 1] en [eiseres 2] , en gezamenlijk als [eisers]Verweerders worden gezamenlijk aangeduid als [verweerders]
1.2
hebben een woning gekocht van [eisers] en hen nadien op 119 gebreken in de woning aangesproken. [eisers] hebben de aansprakelijkheid bestreden en onder meer aangevoerd dat de gestelde gebreken niet aan normaal gebruik van de woning in de weg staan. In het in het principaal cassatieberoep bestreden arrest heeft het hof geoordeeld dat [eisers] voor minder gebreken aansprakelijk zijn dan de vijftien gebreken die de rechtbank had aangenomen.1.
1.3
Bij beschikking van 18 oktober 2023 heeft de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan [eiser 1] met ingang van 1 november 2023 onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand.De goederen die (zullen) toebehoren aan [eiseres 2] zijn door de kantonrechter bij beschikking van dezelfde datum met ingang van 1 november 2023 voor de duur van vijf jaar onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden.
1.4
In dit incident in cassatie wordt door [eisers] primair de schorsing van het geding ingeroepen op de grond dat sprake is van een verandering in hun persoonlijke staat zoals bedoeld in art. 225 lid 1 onder b Rv.
2. Feiten en procesverloop
Feiten2.
2.1
Op respectievelijk 1 en 9 mei 2017 hebben [eisers] als verkoper en [verweerders] als koper een koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) getekend met betrekking tot een onroerende zaak aan [de woning] (hierna: de woning).
2.2
Bij notariële akte van 28 juli 2017 heeft [eiseres 2] de woning geleverd aan [verweerders]
2.3
hebben na de levering diverse gebreken in de woning geconstateerd.
2.4
Op 25 september 2017 zijn [eisers] in gebreke gesteld door [verweerders] en gesommeerd de gebreken binnen acht dagen te herstellen. [eisers] hebben niet voldaan aan die sommatie.
Procesverloop3.
2.5
[verweerders] hebben bij inleidende dagvaarding van 17 november 2017, voor zover thans van belang, [eisers] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, en na wijziging van eis – samengevat – gevorderd om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:- voor recht te verklaren dat [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor herstel(kosten) van de gebreken, nader op te maken bij staat;- [eisers] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 60.000,- als voorschot op de uiteindelijk toe te kennen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;- voor recht te verklaren dat [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de (gevolg)schade van [verweerders] nader op te maken bij staat.4.
2.6
[eisers] hebben in conventie gemotiveerd verweer gevoerd en een reconventionele vordering ingediend.
2.7
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 mei 2019 een (schriftelijk) deskundigenbericht bevolen ten aanzien van de gestelde gebreken in de woning.
2.8
Vervolgens is bij tussenvonnis van 10 maart 2021 in conventie door de rechtbank in rov. 2.81 geconcludeerd dat op een groot aantal punten sprake is van gebreken die in de weg staan aan normaal gebruik van de woning als woonhuis, waarmee [verweerders] niet bekend konden of hoefden te zijn en dat [eiser 1] en [eiseres 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor die gebreken. De rechtbank heeft verder de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling, iedere verdere beslissing aangehouden en tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis opengesteld.5.De beoordeling van de reconventionele vordering is eveneens aangehouden.6.
2.9
[eisers] zijn van onder meer genoemde vonnissen van 22 mei 2019 en 10 maart 2021 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag. Zij hebben verschillende grieven aangevoerd en het hof primair verzocht de vorderingen van [verweerders] integraal af te wijzen en de zaak zelf af te doen en subsidiair de zaak terug te wijzen naar de rechtbank voor zover het hof oordeelt dat [eisers] aansprakelijk zijn voor één of meer gebreken.7.
2.10
Bij eindarrest van 18 april 2023 heeft het hof, voor zover thans van belang:
- het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2021 vernietigd voor zover daarin is geoordeeld dat [eisers] aansprakelijk zijn voor gebreken in de fundering van de serre, de raamkozijnen, de meterkast en de gevelvlakken en houtskeletstructuren;
- de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam voor het overige bekrachtigd;
- de zaak teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam voor verdere behandeling.
2.11
[eisers] hebben van dit arrest tijdig8.cassatieberoep ingesteld.
2.12
Bij beschikking van 18 oktober 2023 heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, de goederen die (zullen) toebehoren aan [eiser 1] met ingang van 1 november 2023 onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand.9.
2.13
Bij beschikking van dezelfde datum heeft genoemde kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan [eiseres 2] met ingang van 1 november 2023 voor de duur van vijf jaar onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden.10.
2.14
[eisers] hebben vervolgens bij incidentele conclusie de schorsing van het (cassatie)geding ingeroepen op de voet van art. 225 lid 1 onder b Rv.[verweerders] hebben een verweerschrift in het incident ingediend.
3. Bespreking van het incident
3.1
[eisers] stellen in de akte in het incident, zakelijk weergegeven, dat zij door het uitspreken van het beschermingsbewind ingevolge art. 1:438 lid 1 BW de beheers- en beschikkingsbevoegdheid over hun goederen zijn verloren. Zij kunnen daardoor niet meer zelf(standig) procederen, maar worden op grond van art. 1:441 lid 1 BW in rechte door hun bewindvoerder vertegenwoordigd. Volgens [eisers] moet het gevolg daarvan zijn dat sprake is van een verandering in de persoonlijke staat van een partij zoals bedoeld in art. 225 lid 1 onder b Rv, zodat het geding daarom dient te worden geschorst.11.
3.2
Ter toelichting wordt aangevoerd dat in de literatuur doorgaans wordt aangenomen dat het uitspreken van een beschermingsbewind een verandering in de persoonlijke staat van een partij impliceert, omdat de bevoegdheid om zelf te procederen is teloorgegaan.12.Volgens [eisers] zijn de schorsingsgronden van art. 225 Rv te herleiden tot art. 3:304 BW en zien zij op situaties waarin de rechten en verplichtingen van een procespartij die in een procedure aan de orde zijn, op een ander overgaan of wanneer een partij voor het uitoefenen van die rechten en verplichtingen voortaan (of juist niet langer) afhankelijk wordt van een wettelijke vertegenwoordiger. Art. 3:304 BW bepaalt immers dat een rechtsvordering niet kan worden gescheiden van het recht tot welks bescherming zij dient.13.
3.3
In de akte in het incident wordt vervolgens ter toelichting gewezen op de annotatie van H.B. Krans bij HR 7 maart 201414., waarin is opgemerkt dat een in de loop van de procedure opgekomen bewind, anders dan ingeval een partij tijdens een aanhangig geding onder curatele wordt gesteld, geen schorsing van de procedure tot gevolg heeft. Volgens de toelichting is niet duidelijk waarop Krans zijn opvatting baseert en lijkt hij daarin alleen te staan, omdat ook in de feitenrechtspraak wordt aangenomen dat een tijdens een aanhangige procedure uitgesproken beschermingsbewind kwalificeert als verandering in de persoonlijke staat zoals bedoeld in art. 225 lid 1 onder b Rv.15.
3.4
Indien in weerwil van het voorgaande zou moeten worden geoordeeld dat het uitspreken van het beschermingsbewind geen wijziging in de persoonlijke staat van een partij meebrengt, verzoeken [eisers] een termijn te bepalen waarbinnen de bewindvoerder in het geding kan verschijnen om dit van [eisers] over te nemen en te hunnen behoeve verder te voeren.16.
3.5
[verweerders] hebben verweer gevoerd in het incident. Zij hebben, onder verwijzing naar par. 18 van de al genoemde annotatie van Krans, gesteld: (1) dat onderbewindstelling geen grond voor schorsing is; (2) de bewindvoerder desgewenst het geding kan overnemen, zonder dat het geding behoeft te worden geschorst; (3) daartoe ook geen reden is, omdat er niet wordt geprocedeerd over onder bewind staande goederen en (4) een onverhoopte schorsing een nodeloze vertraging van de cassatieprocedure veroorzaakt.
3.6
Uit deze stellingen van partijen leid ik de volgende geschilpunten af, waarover een beslissing moet worden genomen:(i) of het uitspreken van een beschermingsbewind een verandering in de persoonlijke staat als bedoeld in art. 225 lid 1 onder b Rv van de rechthebbende meebrengt;(ii) wat de gevolgen van onderbewindstelling tijdens een lopende procedure zijn; en(iii) of de woning onder de onder bewind staande goederen valt.
3.7
De eerste twee geschilpunten zijn algemeen, het derde geschilpunt hangt samen met het verweer dat in dit geval niet wordt geprocedeerd over onder bewind staande goederen.Alvorens op de behandeling van deze geschilpunten in te gaan, maak ik eerst enige algemene opmerkingen over onderbewindstelling en schorsing van het geding.
Onderbewindstelling17.
3.8
Art. 1:431 lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter een bewind kan instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan welb. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.18.
3.9
Deze onderbewindstelling, ook wel 'beschermingsbewind' of 'meerderjarigenbewind' genaamd, is een van de verschillende vormen van bewind. Volgens Kolkman & Salomons is de gemeenschappelijke eigenschap van de verschillende vormen van bewind dat het bewind een verband op goederen vormt, over welke het beheer niet aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder toekomt.19.
3.10
Bij zowel art. 1:431 lid 1 onder a BW als art. 1:431 lid 1 onder b BW is de kern van de grond tot onderbewindstelling dat de meerderjarige niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.20.De wettelijke regeling van het beschermingsbewind21.in titel 19 van boek 1 BW (art. 1:431 – art. 1:449 BW), beoogt een mogelijkheid tot bescherming te bieden van meerderjarigen die ten gevolge van hun lichamelijke en/of geestelijke toestand daartoe zelfstandig niet in staat zijn.22.
3.11
Die bescherming komt tot uitdrukking in de rechtsgevolgen van het beschermingsbewind zoals genoemd in art. 1:438 BW. Daarin is bepaald dat het beheer over de onder bewind staande goederen toekomt aan de bewindvoerder (lid 1) en dat de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen kan beschikken (lid 2). Het beheer van alle of van bepaalde goederen van een meerderjarige rechthebbende wordt daarmee aan de bewindvoerder opgedragen, zonder dat de rechthebbende deze beheersopdracht kan herroepen. Tevens ontneemt de onderbewindstelling aan de rechthebbende de bevoegdheid om zelfstandig over de onder beheer gestelde goederen te beschikken en beperkt zijn bevoegdheid daarop verhaalbare schulden te maken.23.De rechthebbende is ten aanzien van de onder bewind gestelde goederen dus beheersonbevoegd en beperkt beschikkingsonbevoegd.24.
3.12
Met ‘rechthebbende’ in de zin van art. 1:431 lid 1 BW is bedoeld de eigenaar of beperkt gerechtigde van de onder bewind gestelde goederen.25.Het begrip beheer ziet op de normale exploitatie van het goed (art. 3:170 lid 2, tweede volzin, BW) en heeft tot inhoud al datgene wat gedaan moet worden om het goed (de goederen, het vermogen) in stand te houden en de opbrengst ervan te verwerven. Het begrip beschikken ziet op het vervreemden of met enig recht bezwaren van een goed.26.Ik gebruik in deze conclusie zowel de term ‘rechthebbende’ als ‘onder bewind gestelde’.27.
3.13
De taak van de bewindvoerder zoals bedoeld in art. 1:438 lid 1 BW brengt ook mee dat, zoals art. 1:441 lid 1 BW het uitdrukt, de bewindvoerder gedurende het bewind bij de vervulling van zijn taak, de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.28.De woorden “bij de vervulling van zijn taak” beperken de vertegenwoordigingsbevoegdheid tot handelingen die in verband staan met de onder bewind gestelde goederen.29.De rechthebbende mist derhalve in zoverre ook procesbevoegdheid.30.
3.14
Een goed beheer, aldus de memorie van toelichting31., kan meebrengen dat een bewindvoerder gerechtelijke stappen voor de rechthebbende dient te nemen, waartoe de bewindvoerder op eigen verantwoordelijkheid kan overgaan.
Schorsing van het geding
3.15
Art. 225 en 227 Rv bevatten een regeling voor de schorsing en hervatting van het geding indien zich een van de in art. 225 lid 1, aanhef en onder a tot en met c, Rv genoemde schorsingsgronden voordoet.32.Deze gronden zijn:
(a) de dood van een partij;
(b) verandering van de persoonlijke staat van een partij;
(c) het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde, hetzij ten gevolge van rechtsopvolging onder algemene titel op een ander, hetzij door een andere oorzaak.
3.16
Het betreft situaties waarbij, hangende de instantie, de zeggenschap over het procesbeleid overgaat op een ander. Die ander kan behoefte hebben aan een termijn voor onderzoek naar de stand van de zaak, en voor beraad over voortzetting dan wel staking ervan.33.De schorsing van het geding in de zin van art. 225 Rv vindt niet van rechtswege plaats. Uit art. 225 lid 2 Rv blijkt dat schorsing facultatief is en een initiatief vereist van de partij bij wie de schorsingsgrond zich voordoet en dat de schorsing aan de wederpartij moet worden aangezegd.34.In een recent arrest van 9 februari 2024 heeft de Hoge Raad, voor zover thans van belang, herhaald dat de in art. 225 lid 1 Rv genoemde gronden voor schorsing van het geding niet kunnen worden ingeroepen door de wederpartij van de procespartij aan wier zijde zich de schorsingsgrond voordoet.35.
3.17
3.18
De regeling van schorsing van het geding in de huidige art. 225 en 226 Rv was vóór 2002 opgenomen in art. 254 Rv (oud).36.Daarin was, voor zover hier van belang, bepaald dat de “loop van een regtsgeding wordt geschorst (…) 2º Door verandering van den persoonlijken staat van eene der partijen.”Bij de herziening van het burgerlijk procesrecht in 2002 zijn de schorsingsgronden van art. 254 Rv (oud) inhoudelijk niet gewijzigd.37.
Literatuur
3.19
In zijn commentaar op art. 254 Rv (oud) heeft Van Rossem-Cleveringa38.toegelicht dat het geval van de “verandering van den persoonlijken staat van eene der partijen” zich voordoet bij wisseling van procesbekwaamheid, bijvoorbeeld wanneer een partij wegens krankzinnigheid onder curatele wordt gesteld.
3.20
Ook Fruytier39.meent dat met deze schorsingsoorzaak wordt bedoeld dat een procespartij, handelingsonbekwaam en dus procesonbekwaam wordt. Z.i. is curatele een verandering van de persoonlijke staat van een partij in de zin van art. 225 lid 1 onder b Rv, en, zo voegt hij toe, vermoedelijk ook onderbewindstelling omdat de betrokken procespartij ook dan de bevoegdheid om zelf te procederen verliest (art. 1:441 lid 1 BW).In geval van opheffing van de curatele of het bewind en bij meerderjarig worden van een minderjarige geldt volgens Fruytier niet de schorsingsgrond onder b, maar die onder c, omdat de curator of bewindvoerder respectievelijk de ouder of voogd de hoedanigheid van wettelijke procesvertegenwoordiger verliezen, waarmee de betrekking ophoudt waarin deze het geding voerde.
3.21
In T&C Rv is bij het commentaar op art. 225 Rv bij de schorsingsgrond verandering van staat door Mirzojan40.toegelicht dat hieronder “ondercuratelestelling, en wellicht ook onderbewindstelling [valt], omdat immers ook in dat laatste geval de bevoegdheid om zelf te procederen teloorgaat (art. 1:441 lid 1 BW).”
3.22
Van Schaick41.koppelt de schorsingsgrond onder b aan de afhankelijkheid van een partij aan de wettelijk vertegenwoordiger. Wettelijk uitgangspunt is dat door deze omstandigheden ook de rechtsvordering door een ander moet worden uitgeoefend (art. 3:304 BW).
3.23
Genoemde schrijvers nemen allen hetzelfde criterium aan voor het toepasselijk zijn van de schorsingsgrond verandering van de persoonlijke staat, namelijk wisseling van procesbekwaamheid.
Feitenrechtspraak
3.24
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arresten van 19 mei 202042.en van 22 februari 202243.geoordeeld dat onderbewindstelling een verandering van persoonlijke staat is.44.Ook de rechtbank ’s-Hertogenbosch had in een vonnis van 20 april 2012 al geoordeeld dat “door de onderbewindstelling, gelet op art. 1:441 BW, de hoedanigheid van formele procespartij van gedaagde [is] overgegaan naar de bewindvoerder en dat deze verandering van de persoonlijke staat van gedaagde voor gedaagde een grond voor schorsing van het geding [kan] vormen (art. 225 lid 1 aanhef en onder b Rv)”.45.Het gerechtshof Den Haag heeft in een arrest van 25 oktober 2022 daarentegen een slag om de arm gehouden.46.Afbakening curatele en onderbewindstelling
3.25
Het beschermingsbewind heeft een minder ingrijpend karakter dan de maatregel van curatele47., maar heeft daarmee wel overeenkomsten. Volgens de wetgever biedt onderbewindstelling aan de rechthebbende met betrekking tot door of jegens hem verrichte vermogensrechtelijke rechtshandelingen een bescherming die de bescherming die door een curatele op dit punt zou worden geboden in vele opzichten benadert.48.Ook in de literatuur wordt bewind gezien als een lichtere vorm van curatele.49.
3.26
In de memorie van toelichting bij de latere Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap is door de wetgever opgemerkt dat de wettelijke regels voor curatele, beschermingsbewind en mentorschap weliswaar een afzonderlijke ontstaansgeschiedenis en een te onderscheiden toepassingsbereik hebben, maar dat de doelstelling hetzelfde is, namelijk het bieden van adequate bescherming voor onvoldoende zelfredzame mensen. Met het oog op de eenduidigheid en consistentie van de wetgeving gelden dan ook waar mogelijk dezelfde regels voor curatele, beschermingsbewind en mentorschap, tenzij er een rechtvaardiging is om af te wijken.50.
3.27
Wat betreft de procesbevoegdheid hangt het verschil tussen curatele en onderbewindstelling samen met de omvang van de bescherming.Ondercuratelestelling heeft vanaf het tijdstip van inwerkingtreding handelingsonbekwaamheid van de curandus tot gevolg, die zich niet alleen uitstrekt tot het vermogensrecht maar ook - enige bijzondere wettelijke uitzonderingen daargelaten - tevens de rechtshandelingen van de curandus op het gebied van het personen- en familierecht, erfrecht, procesrecht en het publiekrecht betreft.51.De curandus is procesbekwaam/-bevoegd voor zover het zaken van curatele betreft (art. 1:381 lid 6 BW). In alle overige zaken is alleen de curator procesbevoegd.52.Kort gezegd heeft ondercuratelestelling betrekking op de persoon van de meerderjarige.
3.28
Onderbewindstelling wordt ingesteld over een of meer goederen van de meerderjarige en biedt daarom, anders dan de ondercuratelestelling, uitsluitend bescherming met betrekking tot de vermogensrechtelijke belangen van de meerderjarige. De meerderjarige wordt ook niet, zoals de curandus, handelingsonbekwaam, maar slechts handelingsonbevoegd ten aanzien van de goederen die onder bewind zijn gesteld (zie hiervoor onder 3.13).Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder enkel bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW)53.; in zoverre is sprake van een beperkte procesonbekwaamheid.54.
3.29
In de prejudiciële beslissing […] /Care 4 Animals55.heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen ten aanzien van de procesbevoegdheid bij het beschermingsbewind beantwoord en daarbij – voor zover van belang voor het onderhavige incident – het volgende overwogen:
“3.3.2 Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden (art. 1:438 leden 1 en 2 BW). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW). Hiermee strookt dat de bewindvoerder in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende (vgl. evenzo voor het testamentair bewind HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6341, NJ 2001/389). Hetzelfde geldt wanneer met betrekking tot een rechterlijke uitspraak in een zodanige procedure een rechtsmiddel wordt aangewend.
3.3.3
Indien echter een procedure met betrekking tot een onder bewind gesteld goed tegen de rechthebbende zelf is ingesteld door een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, vergen de redelijke belangen van de wederpartij en het algemene belang van een vlot verlopend rechtsverkeer, dat het bewind niet aan de wederpartij kan worden tegengeworpen. In een zodanig geval kan de procedure dus tegen de rechthebbende zelf aanhangig worden gemaakt, en worden gevoerd. In art. 1:440 lid 1 BW ligt besloten dat een eventuele veroordeling van de rechthebbende dan op de onder bewind gestelde goederen kan worden verhaald.
3.3.4
Gelet op het beschermingskarakter van het bewind brengt een redelijke wetstoepassing in een zodanig geval echter mee dat, indien de bewindvoerder tijdens het geding – zolang dit niet door een onherroepelijk geworden uitspraak is geëindigd - ervan op de hoogte raakt dat de rechthebbende zelf als partij is betrokken bij een geding over een onder bewind gesteld goed, hij in dat geding kan verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Hiermee strookt dat de bewindvoerder een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de rechthebbende zelf partij was.
(…)
3.4.1
Vraag 1. De bewindvoerder die in rechte verschijnt in een procedure waarin de rechthebbende zelf is gedagvaard, heeft als formele procespartij te gelden. De bewindvoerder is bevoegd in verzet te komen tegen een bij verstek gewezen vonnis in een geding waarin de rechthebbende zelf partij was, indien en voor zover in dit vonnis is geoordeeld over een onder bewind gesteld goed.
3.4.2
Vraag 2. In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken. Indien een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, echter een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. Indien een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij maar waarin de rechthebbende zelf partij was, dient dit (eveneens) te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande overeenkomstig van toepassing.
In het geval de wederpartij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind, kan hij de bewindvoerder oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren. Indien de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen.”
3.30
De Hoge Raad heeft verder in een arrest van 19 september 2014 ten aanzien van de vraag wie in cassatie de (formele) procespartij is in geval van bewind, onder verwijzing naar […] /Care 4 Animals het oordeel omtrent de procesbevoegdheid van de bewindvoerder herhaald56.en overwogen dat in een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte dient te worden betrokken.
3.31
In de hiervoor onder 3.29 geciteerde prejudiciële beslissing […] /Care 4 Animals heeft de Hoge Raad regels gegeven voor het in rechte aanhangig maken van een zaak door of tegen een partij wier goederen onder bewind zijn gesteld. In het onderhavige geval waren [eisers] ten tijde van het aanhangig maken van het cassatieberoep nog procesbevoegd. De procesinleiding is namelijk op 17 juli 2023 ingediend in het portaal van de Hoge Raad, terwijl de goederen die (zullen) toebehoren aan [eisers] bij beschikking van de kantonrechter van 18 oktober 2023 onder bewind zijn gesteld.
3.32
Het gaat in het onderhavige geval dus om de situatie dat tijdens een procedure de goederen van een procespartij onder bewind worden gesteld en (door die partij) een schorsingsgrond wordt ingeroepen. Daarover heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten.
3.33
Krans stipt deze situatie wel aan in zijn noot bij de prejudiciële beslissing […] /Care 4 Animals. Volgens Krans levert een onderbewindstelling tijdens een lopende procedure “waarschijnlijk” geen grond voor schorsing op, omdat ten tijde van het instellen van de vordering de wederpartij nog niet van het bewind – dat er toen nog niet was - wist en dit bewind dus niet aan hem kan worden tegengeworpen57.:
“18. (…) Voorafgaande aan deze uitspraak werd wel aangenomen dat onderbewindstelling tijdens een procedure wellicht grond was voor schorsing omdat zij kan worden aangemerkt als een verandering van staat tijdens een geding in de zin van art. 225 lid 1 onder b Rv (Van Maanen, T&C Burgerlijke Rechtsvordering 2014, art. 225, aant. 2 sub b). Hoe zit dat na bovenstaande antwoorden van de Hoge Raad? Indien tijdens de procedure een onderbewindstelling wordt uitgesproken, wist de wederpartij ten tijde van het instellen van de vordering nog niet van het bewind (dat er toen immers nog niet was). Dat bewind zal mijns inziens dan niet aan de wederpartij kunnen worden tegengeworpen (vergelijk r.o. 3.3.3).”
3.34
Hij vervolgt dan met de opmerking dat “hier waarschijnlijk [zal] gelden dat de bewindvoerder het recht heeft de procedure over te nemen en dat de wederpartij gerechtigd is de bewindvoerder op te roepen”. Een en ander betekent z.i. wel dat er verschil is tussen in de loop van de procedure opgekomen bewind (geen schorsing) en curatele (wel grond voor schorsing), maar legt verder niet uit waarom onderbewindstelling tijdens een lopende procedure – klaarblijkelijk in alle gevallen – geen schorsing van de procedure betekent, in tegenstelling tot curatele of waarom een dergelijk verschil tussen curatele en onderbewindstelling gerechtvaardigd zou zijn.
Eerste geschilpunt: brengt het uitspreken van een beschermingsbewind een verandering in de persoonlijke staat als bedoeld in art. 225 lid 1 onder b Rv van de rechthebbende mee?
3.35
Art. 225 lid 1 onder b Rv bevat een schorsingsgrond in geval van een verandering van de persoonlijke staat van een partij, zoals curatele. Die verandering ziet blijkens de hiervoor onder 3.19 t/m 3.22 geciteerde schrijvers op de “wisseling van procesbekwaamheid”. Uit de hiervoor weergegeven ontstaansgeschiedenis van het meerderjarigenbewind blijkt dat, waar mogelijk, de regels voor curatele en onderbewindstelling dezelfde moeten zijn (zie onder 3.26).
3.36
Nu in geval van onderbewindstelling een partij procesbevoegdheid verliest met betrekking tot handelingen in verband met de onder bewind gestelde goederen, is m.i. bij onderbewindstelling vanaf de datum van de desbetreffende uitspraak sprake van een verandering van de persoonlijke staat als bedoeld in art. 225 lid 1 onder b Rv. Onderbewindstelling is, anders dan [verweerders] betogen, dus een schorsingsgrond.
Tweede geschilpunt: wat zijn de gevolgen van onderbewindstelling tijdens een lopende procedure?
3.37
Het gevolg van het oordeel dat onderbewindstelling van goederen als een verandering van de persoonlijke staat van de rechthebbende moet worden opgevat, is dat de rechthebbende zijn procesbevoegdheid verliest en dat alleen de bewindvoerder kan optreden als formele procespartij. Dat gevolg treedt m.i. in ongeacht of er een lopende procedure is of niet. Het verlies van procesbevoegdheid is een schorsingsoorzaak zoals bedoeld in art. 225 lid 1 onder b Rv en dus ook in een lopende procedure. Op dit punt ben ik het dus niet eens met Krans.
3.38
Omdat de procesbevoegdheid van de rechthebbende door de onderbewindstelling komt te vervallen, kan m.i. alleen de bewindvoerder de schorsing van de procedure inroepen.58.De rechthebbende kan dat zelf niet meer en de wederpartij komt die bevoegdheid niet toe (zie hiervoor onder 3.16).
3.39
Bij het voorgaande geldt overigens wel het voorbehoud dat het voeren van de desbetreffende procedure tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort. Alleen dan kan de rechthebbende niet meer als formele procespartij optreden. Art. 1:441 lid 1 BW bepaalt immers dat tijdens het bewind de beschermingsbewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.59.Over deze vraag – die ik bevestigend zal beantwoorden – gaat het in het derde geschilpunt (zie hierna onder 3.46-3.47).
3.40
In rov. 3.4.2 van de prejudiciële beslissing […] /Care 4 Animals heeft de Hoge Raad een aantal consequenties geschetst van het verlies van procesbevoegdheid. Hoewel de beantwoording van de prejudiciële vragen, als gezegd, niet de situatie betreft dat een onderbewindstelling tijdens een lopende procedure plaats vindt, kan de beantwoording wel mede voor deze situatie tot richtsnoer dienen, nu de Hoge Raad handvatten heeft gegeven voor de situatie dat tijdens een lopende procedure blijkt dat de rechthebbende niet (meer) procesbevoegd is, en deze aanwijzingen m.i. hier één op één kunnen worden toegepast.
3.41
De door de Hoge Raad genoemde aanwijzingen zijn de volgende.In de eerste plaats kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om het geding als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat.De bewindvoerder kan m.i. (eventueel) vervolgens de wijziging van de persoonlijke staat van de rechthebbende als bedoeld in art. 225 lid 1 onder b Rv als schorsingsgrond inroepen.
3.42
In de tweede plaats kan de onder bewind gestelde tijdens het geding de wederpartij en de rechter van de onderbewindstelling op de hoogte stellen teneinde te bewerkstelligen dat de bewindvoerder door hen wordt opgeroepen om in het geding te verschijnen.60.
3.43
In de derde plaats kan de wederpartij, in het geval zij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind, de bewindvoerder oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren.
3.44
Tot slot kan de rechter die in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt, zo nodig ambtshalve, de meest gerede partij in staat stellen de bewindvoerder op te roepen.61.Volgens Krans moet de rechter partijen, althans één van hen, dus de kans geven de bewindvoerder in het proces te betrekken. Daar de Hoge Raad hier het begrip ‘de meest gerede partij’ hanteert, hoeft het volgens Krans niet altijd de wederpartij te zijn die de bewindvoerder oproept en kan ook de rechthebbende zelf de bewindvoerder oproepen.62.
3.45
Hierin ben ik het met Krans eens. Ook de partij aan wier zijde de verandering van de persoonlijke staat plaatsvindt, mag in de procedure kenbaar maken dat er een verandering heeft plaatsgevonden en de rechter verzoeken om een termijn te bepalen waarbinnen de bewindvoerder in het geding kan verschijnen om de procedure over te nemen, zoals [eisers] in dit incident subsidiair hebben verzocht.63.
Derde geschilpunt: valt de woning onder de onder bewind staande goederen?
3.46
[verweerders] hebben in hun verweerschrift in het incident onder 3 (louter) gesteld dat er niet wordt geprocedeerd over onder bewind staande goederen.
3.47
In dit geval zijn alle goederen van [eisers] onder bewind gesteld. Voor zover verweerders menen dat door de verkoop en levering van de woning (zie onder 2.1 en 2.2) de eigendom daarvan is overgegaan en dat de hoofdzaak daarom niet onder de taak van de bewindvoerder valt, wordt eraan voorbij gezien dat de bewindvoerder op grond van art. 1:441 lid 1 BW een ruime taakopvatting heeft en de bevoegdheid heeft om alle handelingen te verrichten die aan een goed bewind bijdragen.64.De aansprakelijkheid van de onder bewind gestelde voor de verkoop en levering van een woning met gebreken heeft onmiskenbaar gevolgen voor de financiële situatie en in zoverre raakt de hoofdzaak het onder bewind gestelde vermogen van [eisers]65.
Slotsom
3.48
Op grond van het voorgaande meen ik dat het door [eisers] bij akte inroepen van schorsing van de procedure66.geen effect heeft en dat Uw Raad, overeenkomstig het subsidiaire verzoek van [eisers]67., een termijn kan bepalen waarbinnen zij de bewindvoerder oproepen om in het geding te verschijnen.
4. Conclusie in het incident
4.1
De conclusie strekt tot het bepalen van een termijn waarbinnen [eisers] de bewindvoerder oproepen om in het geding te verschijnen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑04‑2024
Zie rov. 1.1-1.2 van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1364 (hierna: het arrest).
Voor zover in het incident van belang. Zie rov. 3.1, 3.6, 3.7 en 3.9 van het arrest.
Voor zover in het incident van belang.
Zie rov. 4.1 van het arrest.
Rov. 2.81 en 3.1-3.3 van het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2021.
Rov. 2.89 en 3.4 van het tussenvonnis van 10 maart 2021.
Zie het arrest, rov. 5.1.
De procesinleiding is op 17 juli 2023 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
Zie prod. 2 bij de akte houdende schorsing geding.
Akte houdende schorsing geding, par. 2 en 5.
In par. 3 en voetnoot 1 van de akte houdende schorsing geding wordt hierbij verwezen naar: Van Dam-Lely/Mirzojan, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 225 Rv, aantekening 2b en P.A. Fruytier, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 225 Rv, aantekening 3.
In de akte houdende schorsing geding wordt verwezen naar Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/188.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, NJ 2015/69, m.nt. H.B. Krans.
Hierbij wordt verwezen naar gerechtshof 's-Hertogenbosch 22 februari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:547, rov. 3.3; rb. Rotterdam 28 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:6581, rov. 4.1 en rb. 's-Hertogenbosch 12 april 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BW2505, rov. 4.5.
De akte houdende schorsing van het geding verwijst hierbij naar HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1585, NJ 2015/287.
Het rechtskader is deels ontleend aan mijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2014:105 onder 2.1 e.v., voor HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, NJ 2015/69 m.nt. H.B. Krans ([…] /Care 4 Animals). Zie ook de conclusie van A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2019:1238 onder 3.9-3.16, voor HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, NJ 2020/171.
Het onder b. genoemde gedeelte van art. 1:431 lid 1 BW is bij de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap (Stb. 2013, 414) ingevoerd per 1 januari 2014 (inwerkingtreding: Stb. 2014, 85).
Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/690 met vermelding van vele voorbeelden.
Ingevoerd bij Wet van 15 mei 1981, Stb. 1981, 283 (Kamerstukken 15350), in werking getreden op 1 september 1982, Stb. 1982, 452 en gewijzigd/aangevuld bij de in voetnoot 18 genoemde wet.
M.J.C. Koens, T&C BW, commentaar op titel 19 Boek 1 BW, inleidende opmerkingen onder 2 met verwijzingen (actueel t/m 05-03-2024).
Zie mijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2014:105 onder 2.7 en de verwijzingen in voetnoot 26, voor HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, NJ 2015/69 m.nt. H.B. Krans ([…] /Care 4 Animals). Zie ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/732.
Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/700; M.J.C. Koens, T&C BW, commentaar op art. 1:431 BW, aant. 6 (actueel t/m 5 maart 2024).
Ik gebruik in de conclusie beide termen in verband met de omstandigheid dat in de hoofdzaak onderdeel van het debat is of [eiser 1] optrad als (mede)verkoper of als toestemming gevende echtgenoot op de voet van art. 1:88 BW. Zie de procesinleiding, par. 1.1 e.v. en de bestreden uitspraak in de hoofdzaak (voetnoot 1), rov. 6.4-6.7. Dit punt is in het onderhavige incident inhoudelijk niet van belang.
Zie de verduidelijking door de Minister van Justitie in de memorie van antwoord, Kamerstukken II 1979/80, 15 350, nr. 5, p. 21 en Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/737. Zie ook nog Kamerstukken II 1979/80, 15 350, nr. 7, p. 10.
Procesbevoegdheid en procesbekwaamheid worden in de literatuur door elkaar gebruikt.
Kamerstukken II 1978/79, 15 350, nr. 3, p. 15. Zie ook Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 34 over de bevoegdheid van de bewindvoerder om te doen wat aan een goed bewind bijdraagt door de toevoeging aan art. 1:441 lid 1 BW, slotzin, dat de bewindvoerder voorts voor de rechthebbende alle handelingen kan verrichten die aan een goed bewind bijdragen.
HR 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:217, rov. 3.1.2.
N. Mirzojan, T&C Rv, commentaar op art. 225 Rv, aant. 1a (actueel t/m 1 januari 2024). Zie ook de in voetnoot 35 genoemde conclusie van A-G Ten Kate.
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 131; Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 7, p. 11 (NvW). De schorsing moet door de belanghebbenden aan de wederpartij worden betekend, dan wel moet een daartoe strekkende akte ter rolle worden genomen.
Zie HR 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:217, rov. 3.1.2 met verwijzing naar HR 8 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4307. In zijn conclusie voor laatstgenoemd arrest heeft A-G Ten Kate opgemerkt dat art. 256 lid 1 Rv oud (over betekening van de oorzaak van de schorsing; het huidige art. 225 lid 2 Rv) is geschreven in het belang van hen, aan wie bij het zich voordoen van een dezer oorzaken - die overigens niet limitatief in art. 254 Rv. zijn opgesomd - de uitoefening van de rechten en plichten als gevolg daarvan toevalt. Zij moeten zich kunnen beraden over de situatie waarin zij zijn gekomen. Alleen zij mogen schorsing verlangen.
Zie over de oorsprong ook de conclusie van A-G Snijders, ECLI:NL:PHR:2023:1117 onder 3.11 e.v., voor HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:97.
Zie Kamerstukken II 1999–2000, 26 855, nr. 3, p. 130-131.
Van Rossem-Cleveringa, art. 254, aant. 4.
N. Mirzojan, T&C Rv, commentaar op art. 225 Rv, aant. 2b (actueel t/m 1 januari 2024). In de voorgaande versies vanaf 2002 van T&C Rv stond deze opmerking over onderbewindstelling en de toepassing van art. 225 Rv ook. Die versies zijn in chronologische volgorde bewerkt door: C.J.J. van Maanen (2002- 1e druk, 2005 – 2e druk, 2008 – 3e druk, 2010 – 4e druk, ) en C.J.J. van Maanen/J.H. van Dam-Lely (2012- 5e druk).
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1601, rov. 3.3.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 februari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:547, rov. 3.1-3.4.
Zie ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:368, rov. 3.5-3.6 en rb. Rotterdam 28 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:6581, rov. 4.1 waar de opheffing van de onderbewindstelling in verband met de schorsingsgrond verandering van persoonlijke staat o.g.v. art. 225 lid 1 onder b Rv en het ophouden van de dienstbetrekking in art. 225 lid 1 onder c Rv wordt gebracht. Zo ook bij schorsing door wisseling van de bewindvoerder, zie gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1150, rov. 3.4.2.
Rb. ’s-Hertogenbosch 20 april 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BW2505, rov. 4.4-4.7.
Gerechtshof Den Haag 25 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2049, rov. 2.5.
Zie o.m. Kamerstukken II 1978-1979, 15 350, nr. 3, p. 12 en 25.
M.J.C. Koens, T&C BW, commentaar op titel 16 Boek 1 BW: Inleidende opmerkingen, aant. 5 (actueel t/m 05-03-2024); Zie ook M.J.C. Koens, T&C BW, commentaar op titel 19 Boek 1 BW (actueel t/m 05-03-2024);Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/691 en J.H.M. ter Haar, ‘Kroniek rechtspraak curatele, mentorschap en bewind’, FJR 2019/16, par. 3, laatste alinea.
Zie ook de conclusie van A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2019:1238 onder 3.14, voor Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, NJ 2020/171.
Aldus A-G Snijders, ECLI:NL:PHR:2023:754 voetnoot 23, voor Hoge Raad 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:217.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, NJ 2015/69 m.nt. H.B. Krans ([…] /Care 4 Animals).
HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2738, NJB 2014/1729, rov. 4.3.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, NJ 2015/69 m.nt. H.B. Krans ([…] /Care 4 Animals).
Vgl. het commentaar in Van Rossem/Cleveringa, art. 256 Rv, aant. 1, p. 711-712, waar wordt opgemerkt dat de schorsingsoorzaak niet zonder deugdelijke betekening werkt. Als de betekening ook de hervattingsverklaring moet behelzen, dient zij kennelijk uit te gaan van hem, die deze kan afleggen, en dus, wanneer een partij wegens krankzinnigheid onder curatele wordt gesteld, van den curator. Zie ook voetnoot 35.
Zie HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, NJ 2020/171, rov. 3.1.2-3.1.3 met verwijzing naar HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010, rov. 3.3 en HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, rov. 3.3.2.
Zie daarover de noot van Krans bij HR […] /Care 4 Animals, onder 17.
Zie ook gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1601, rov. 3.3.
Zie zijn annotatie bij HR 7 maart 2014, NJ 2015/69 ([…] /Care 4 Animals), onder 16. Zie ook rb. ’s-Hertogenbosch 20 april 2012, vindplaats in voetnoot 45, rov. 4.6.
Kamerstukken II 2011-2012, 33 054, nr. 3, p. 13 en 34.
Zie ook gerechtshof Leeuwarden 26 augustus 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AU1865, rov. 6: “Aangezien onderbewindstelling bescherming beoogt te bieden van meerderjarigen die ten gevolge van hun lichamelijke en/of geestelijke toestand niet in staat zijn zelfstandig hun vermogensrechtelijke belangen waar te nemen, dient de term 'goederen' niet zodanig eng/strikt te worden uitgelegd dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de beoogde bescherming.”
Akte houdende schorsing geding, onder 5.
Akte houdende schorsing geding, onder 6.
Beroepschrift 17‑07‑2023
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
Eisers tot cassatie zijn:
- 1.
[eiser 1], wonende te [woonplaats]
- 2.
[eiseres 2], wonende te [woonplaats]
beiden te dezer zake woonplaats kiezende bij Ploum, gevestigd te (3011 TA) Rotterdam aan de Blaak 28, van welk kantoor mr. C.S.G. Janssens hen als advocaat bij de Hoge Raad in dit geding in cassatie vertegenwoordigt en als zodanig deze procesinleiding in cassatie ondertekent en indient.
Verweerders in cassatie zijn:
- 1.
[verweerder 1], wonende te [woonplaats]
- 2.
[verweerster 2], wonende te [woonplaats],
in vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen hebbende bij Dock Legal Experts, gevestigd te (3012 KJ) Rotterdam aan de Westblaak 179, ten kantore van hun advocaat in die instantie mr. F.J.H. Krumpelman.
Eisers tot cassatie stellen hierbij op grond van artikel 407 Rv beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag, Afdeling Civiel recht, op 18 april 2023 tussen eisers tot cassatie als appellanten en verweerders in cassatie als geïntimeerden gewezen onder zaaknummer 200.296.300/01.
Verweerders in cassatie worden opgeroepen om ten laatste op vrijdag 22 september 2023 om 10:00 uur 's ochtends, niet in persoon maar vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, te verschijnen op de zitting van de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden in het gebouw aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag. De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, 's ochtends om 10:00 uur op de vrijdagen die zijn vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden.
Eisers tot cassatie kunnen zich niet verenigen met het hierboven genoemde arrest van het Gerechtshof Den Haag en zij voeren daartegen aan het navolgende:
Cassatiemiddel
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het Gerechtshof Den Haag in het bestreden arrest d.d. 18 april 2023 onjuiste en/of onbegrijpelijke oordelen heeft gegeven, gelet op één of meer van de navolgende, zo nodig in onderling verband en samenhang te lezen redenen:
Inleiding
Eisers tot cassatie (verder: [eiser 1] en [eiseres 2]) zijn buiten gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. [eiseres 2] is eigenaar van de echtelijke woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats]. Die woning is verkocht aan verweerders in cassatie (verder: [verweerders] c.s.). De makelaar die de koopovereenkomst heeft opgesteld heeft over het hoofd gezien dat de woning alleen de eigendom van [eiseres 2] was. In de koopovereenkomst1. (een standaard NVM-koopovereenkomst) heeft de makelaar [eiser 1] namelijk per abuis onder het kopje ‘verkoper(s)’ opgevoerd en is zijn echtgenote [eiseres 2] onder het kopje ‘echtgen(o)t(e) of geregistreerd partner of andere medeverkoper’ vermeld, terwijl dat andersom had moeten zijn. [eiseres 2] was als eigenaar immers verkoper van de woning en [eiser 1] tekende ingevolge artikel 1:88 BW als echtgenoot mee, omdat het de verkoop van de echtelijke woning betrof:
De ondergetekende(n):
A | Verkopers: | Echtgen(o)t(e) of geregistreerd partner of andere medeverkoper | |
Naam: | [eiser 1] | [eiser 1]-[eiseres 2] | |
Voornamen: | [eiser 1] | [eiser 1] |
[eiser 1] en [eiseres 2] hebben de fout van de makelaar niet opgemerkt, maar de notaris die de leveringsakte opstelde wél. Bij de levering heeft de notaris de fout met partijen besproken en gemeld dat de leveringsakte op dit punt afweek van de koopovereenkomst.2. [verweerders] c.s. had daartegen geen bezwaar.3. In de leveringsakte is de fout hersteld en is alleen [eiseres 2] als verkoper aangeduid. [eiser 1] heeft in de akte verklaard niet het (mede)bestuur van de onroerende zaak te hebben en hij heeft ex artikel 1:88 BW toestemming gegeven voor de verkoop van de echtelijke woning.
Naderhand heeft [verweerders] c.s. [eiser 1] en [eiseres 2] aangesproken op een groot aantal beweerdelijke gebreken aan de onroerende zaak, hetgeen heeft geresulteerd in de voorliggende procedure. Van de veelheid aan gestelde verborgen gebreken hebben rechtbank en hof geoordeeld dat [eiser 1] en [eiseres 2] voor slechts enkele daarvan kunnen worden aangesproken. [eiser 1] heeft betoogd dat hij geen partij is bij de koopovereenkomst, zodat hij niet voor de verborgen gebreken aansprakelijk kan zijn. Rechtbank en hof hebben evenwel geoordeeld dat [eiser 1] naast [eiseres 2] aansprakelijk is voor de schade die [verweerders] c.s. als gevolg daarvan lijdt. Tegen dat oordeel richt zich het cassatieberoep.
1. Bindende bewijskracht leveringsakte
In rov. 6.6 heeft het hof geoordeeld dat de omstandigheid dat [eiser 1] niet als verkoper in de leveringsakte is genoemd, maar dat hij in die akte als echtgenoot van verkoper toestemming verleent voor de rechtshandeling, dat de instrumenterende notaris [verweerders] c.s. erop heeft gewezen dat de leveringsakte op dit punt van de koopovereenkomst afweek en dat [verweerders] c.s. daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, er niet toe leidt dat [eiser 1] geen partij bij de koopovereenkomst is. Naar oordeel van het hof volgt uit de genoemde omstandigheden niet dat partijen hebben beoogd overeen te komen of vast te leggen dat voor [eiser 1] geen verplichtingen uit de overeenkomst voortvloeien. Om die reden is naar 's hofs oordeel ook niet relevant dat partijen in de leveringsakte zijn overeengekomen dat de bepalingen van de koopovereenkomst van toepassing zijn voor zover daarvan niet uitdrukkelijk in de leveringsakte is afgeweken.
Klachten
1.1
Met dit oordeel heeft het hof miskend dat de leveringsakte bindende bewijskracht heeft, zodat ingeval door een fout van de makelaar een situatie ontstaat als in deze zaak aan de orde, te weten dat een persoon ten onrechte als verkoper in de koopovereenkomst wordt opgevoerd in plaats van als toestemming gevende echtgenoot ex artikel 1:88 BW, de leveringsakte prevaleert boven de koopovereenkomst. Dat klemt temeer nu de notaris bij de levering met partijen heeft besproken dat [eiser 1] ten onrechte als verkoper in de koopovereenkomst is genoemd en dat de leveringsakte op dat punt van de koopovereenkomst afwijkt en dat [verweerders] c.s. daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Gezien de dwingende bewijskracht van de leveringsakte dient de partijbedoeling zoals zij in die (authentieke) akte tot uitdrukking is gebracht, behoudens tegenbewijs, tot uitgangspunt van de tussen partijen geldende situatie te worden genomen, hetgeen het hof — als gezegd — heeft miskend. Zulks klemt temeer nu [eiser 1] en [eiseres 2] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd hebben gesteld dat de dwingende bewijskracht van de leveringsakte het vertrekpunt dient te zijn bij de beoordeling.4.
1.2
Althans is onbegrijpelijk dat uit de in het vorige subonderdeel genoemde omstandigheden niet zou voortvloeien dat partijen met de leveringsakte zouden hebben beoogd dat [eiser 1] niet als verkoper bij de koopovereenkomst optrad, maar slechts als toestemming gevende echtgenoot ex artikel 1:88 BW. Waar de notaris partijen immers uitdrukkelijk heeft voorgehouden dat [eiser 1] geen verkoper was, maar dat hij de leveringsakte alleen tekent als toestemming gevende echtgenoot, is immers duidelijk dat hij ook niet als verkoper in de koopovereenkomst moet worden beschouwd. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dan ook onbegrijpelijk welke andere betekenis aan de mededeling van de notaris zou moeten worden gehecht. Voor zover het hof zou hebben bedoeld te oordelen dat de mededeling van de notaris alleen zo kan worden begrepen dat [eiser 1] ondanks het feit dat hij niet de eigendom van de onroerende zaak heeft als verkoper van de onroerende zaak moet worden beschouwd, is die mededeling zinledig. In dat geval had de notaris [eiser 1] immers als verkoper van de woning moeten benoemen en opmerken dat hij niet de eigenaar van de onroerende zaak is en dat levering alleen door [eiseres 2] plaatsvindt. De notaris heeft [eiser 1] daarentegen niet als verkoper in de leveringsakte genoemd, zodat hij ook niet als verkoper kan worden beschouwd.
1.3.1
Daarnaast heeft het hof miskend, en ook aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dat ingeval discrepantie bestaat tussen de tekst van de koopovereenkomst en de daaropvolgende leveringsakte, dwingend bewijs aan de inhoud van de leveringsakte toekomt en dat daartegen tegenbewijs openstaat.5. Aldus dient ervan te worden uitgegaan dat partijen de koopovereenkomst opnieuw of nader hebben vastgelegd in de leveringsakte en dat alleen de aldus in de leveringsakte opnieuw of nader vastgelegde obligatoire overeenkomst rechtsgevolg heeft, hetgeen het hof ten onrechte niet heeft gedaan.
1.3.2
Evenzo heeft het hof in rov. 6.6 van het arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het aan de hand van de in rov. 6.4 weergegeven omstandigheden heeft geoordeeld dat uit die omstandigheden niet volgt dat partijen met de leveringsakte hebben beoogd vast te leggen of te verduidelijken dat er voor [eiser 1] geen eigen verplichtingen uit de koopovereenkomst voortvloeien. Het hof ziet er aldus ten onrechte aan voorbij dat de obligatoire overeenkomst niet slechts bestaat uit de door de makelaar opgestelde koopovereenkomst, maar dat die overeenkomst ook wordt bepaald door de (van de koopovereenkomst afwijkende) leveringsakte en de feiten en omstandigheden die na ondertekening van de koopovereenkomst hebben plaatsgevonden. Bij de beantwoording van de vraag of [eiser 1] verkoper van de onroerende zaak was, had het hof dan ook niet uitsluitend de schriftelijke koopovereenkomst zoals die aanvankelijk is ondertekend en de daaraan voorafgaande feiten en omstandigheden tot uitgangspunt van de beoordeling kunnen nemen, maar had het ook de daarvan afwijkende leveringsakte en de na ondertekening van die koopovereenkomst plaatsgevonden feiten en omstandigheden moeten betrekken. Het hof heeft bij de beantwoording van die vraag echter de uitleg van de koopovereenkomst tot uitgangspunt genomen en de na ondertekening van de koopovereenkomst plaatsgevonden feiten en omstandigheden apart beoordeeld door in rov. 6.6 van het arrest te oordelen dat die feiten niet tot een andere conclusie dienen. Daarmee heeft het hof miskend dat feiten en omstandigheden die na ondertekening van de overeenkomst hebben plaatsgevonden integraal in de beoordeling moeten worden betrokken.
1.3.3
Bovendien is onbegrijpelijk het oordeel, eveneens in rov. 6.6 van het arrest, dat niet relevant is dat partijen in de leveringsakte zijn overeengekomen dat de bepalingen van de koopovereenkomst van toepassing zijn voor zover daarvan niet uitdrukkelijk in de leveringsakte is afgeweken.6. Zonder nadere motivering valt immers niet in te zien waarom geen betekenis zou moeten toekomen aan die bepaling in de leveringsakte, in het licht van de omstandigheid dat partijen bewust van de koopovereenkomst zijn afgeweken door [eiser 1] niet als verkoper in de leveringsakte op te nemen, welke wijziging ten opzichte van de koopovereenkomst uitdrukkelijk door de notaris met partijen is besproken en waarover wilsovereenstemming tussen partijen bestond. Die wilsovereenstemming blijkt immers uit de verklaring in de leveringsakte dat partijen tijdig voor het verlijden van die akte hebben kennisgenomen en dat zij met de inhoud daarvan instemmen.7.
Onmogelijkheid na te komen
1.4
Het vorengaande klemt eens temeer in het licht van artikel 9 sub a van de koopovereenkomst, waarin is opgenomen dat ingeval er twee of meer verkopers zijn, zij slechts gezamenlijk de voor hen uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen kunnen nakomen. Waar vaststaat dat [eiser 1] geen eigenaar van de onroerende zaak was, kon [eiseres 2] de overeenkomst niet bevrijdend nakomen door de onroerende zaak aan [verweerders] c.s. te leveren. Daarvoor was ingevolge artikel 9 sub a van de koopovereenkomst immers nodig dat ook [eiser 1] de onroerende zaak zou leveren. Anders dan het oordeel van het hof met zich meebrengt, leidt deze omstandigheid evenzeer dwingend tot de conclusie dat partijen de koopovereenkomst bij de levering moeten hebben gewijzigd. In het licht van dit een en ander is het oordeel van het hof in rov. 6.6 dat het feit dat de leveringsakte [eiser 1] niet als medeverkoper noemt maar slechts als toestemming verlenende echtgenoot ex artikel 1:88 BW, dat de notaris [verweerders] c.s. erop heeft gewezen dat de leveringsakte op dit punt afweek van de koopovereenkomst en dat [verweerders] c.s. daartegen geen bezwaar heeft gemaakt niet dwingt tot een andere conclusie eens temeer onbegrijpelijk.
1.5
Voor zover moet worden geoordeeld dat het hof tot het oordeel kon komen dat [eiser 1] partij bij de koopovereenkomst is, heeft het hof miskend — en daarmee wederom blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting — dat de omstandigheid dat [eiser 1] de onroerende zaak niet heeft geleverd ten hoogste kan leiden tot aansprakelijkheid voor de boete die de koopovereenkomst stelt op het niet-leveren van de onroerende zaak, maar niet tot aansprakelijkheid voor de schade die het gevolg is van de gestelde non-conformiteit van de onroerende zaak. [eiser 1] heeft de zaak immers niet geleverd en op grond van artikel 9 sub a van de koopovereenkomst is [eiser 1] niet van zijn verplichting tot levering van de onroerende zaak bevrijd omdat [eiseres 2] de onroerende zaak heeft geleverd. Uit dat artikel volgt immers dat ingeval er twee verkopers zijn, zij slechts gezamenlijk de voor hen uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen kunnen nakomen. Daarmee kan [eiser 1] niet aansprakelijk zijn voor schade aan de geleverde zaak, omdat hij de onroerende zaak niet heeft geleverd en de levering door [eiseres 2] hem niet heeft bevrijd. Het verzuim van [eiser 1] leidt dan ook niet tot aansprakelijkheid voor de gestelde non-conformiteit van de onroerende zaak.
2. Passeren bewijsaanbod
[eiser 1] en [eiseres 2] hebben bewijs aangeboden8. van feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie9. dat [eiser 1] niet als verkoper wilde optreden en dat ook [verweerders] c.s. dat moet hebben begrepen. Daarbij hebben zij aangeboden de instrumenterende notaris als getuige voor te brengen, omdat zij voorafgaand aan de levering met [verweerders] c.s. uitdrukkelijk heeft besproken dat de leveringsakte afweek van de koopovereenkomst in dier voege dat alleen [eiseres 2] als verkoper optrad en dat [eiser 1] alleen de toestemming gevende echtgenoot als bedoeld in artikel 1:88 BW was, en dat [verweerders] c.s. daartegen geen bezwaar maakte. Het hof heeft in rov. 6.7 van het arrest echter geoordeeld het bewijsaanbod te kunnen passeren, omdat de te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden niet kunnen leiden tot het oordeel dat [eiser 1] geen medeverkoper is.
Klachten
2.1
Met het oordeel dat het bewijsaanbod van [eiser 1] c.s. kan worden gepasseerd omdat de te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden niet kunnen leiden tot het oordeel dat [eiser 1] geen medeverkoper is, heeft het hof een verboden prognose omtrent het resultaat van de bewijslevering gegeven en daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De stelling dat de instrumenterende notaris de leveringsakte voorafgaand aan de levering met partijen heeft besproken en er daarbij uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de leveringsakte afwijkt van de eerdere koopovereenkomst, omdat alleen [eiseres 2] als verkoper optreedt en [eiser 1] alleen figureert als toestemming gevende echtgenoot ex artikel 1:88 BW, waartegen [verweerders] c.s. geen bezwaar heeft gemaakt kan immers, indien bewezen, wel degelijk leiden tot het oordeel dat [eiser 1] niet als verkoper wilde optreden en dat [verweerders] c.s. dat moet hebben begrepen. Uit de getuigenverklaring van de notaris kunnen de gestelde feiten immers zonder meer voortvloeien, waarmee ofwel kan worden geoordeeld dat [verweerders] c.s. er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [eiser 1] verkoper van de onroerende zaak was, ofwel dat met de leveringsakte ook is beoogd de koopovereenkomst op dat punt te wijzigen en dat daarover wilsovereenstemming bestond. Het oordeel van het hof dat bewijslevering niet tot een ander oordeel zou kunnen leiden is in dat licht bezien rechtens onjuist.
2.2
Het oordeel dat het bewijsaanbod van [eiser 1] en [eiseres 2] kan worden gepasseerd is bovendien onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien waarom de in rovv. 6.4–6.6 van het arrest gememoreerde omstandigheden eraan in de weg zouden staan dat in de leveringsakte wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van de koopovereenkomst door daarin [eiser 1] niet als verkoper, maar uitsluitend als toestemming gevende echtgenoot ex artikel 1:88 BW op te voeren. De in die rechtsoverwegingen weergegeven feiten en omstandigheden betreffen immers de vraag of [verweerders] c.s. eraan kon twijfelen dat de verklaring van [eiser 1] (mede)verkoper te zijn in de door hem ondertekende koopovereenkomst overeenstemde met diens wil. Zonder nadere motivering is niet te begrijpen waarom de bespreking bij de notaris niet heeft kunnen leiden tot een wijziging van de koopovereenkomst in dier voege dat [verweerders] c.s. [eiser 1] niet langer als (mede)verkoper kon beschouwen.
3. Wilsvertrouwensleer
Nadat het hof in rov. 6.3 van het arrest de door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden kort heeft weergegeven, heeft het in rov. 6.4 aan de hand van een aantal omstandigheden die [verweerders] c.s. had aangevoerd geoordeeld dat hij
‘(…) ervan [mocht] uitgaan dat [eiser 1] optrad als medeverkoper.’
In rov. 6.5 heeft het hof de door [eiser 1] aangevoerde feiten en omstandigheden verkort opgesomd en geoordeeld dat die onvoldoende zijn om tot een ander oordeel te komen:
‘Er kunnen allerlei redenen zijn waarom iemand die ten tijde van het sluiten van een koopovereenkomst geen eigenaar is, de koopovereenkomst wel (mede) aangaat. Het aangaan van een koopovereenkomst vereist niet dat de verkoper eigenaar is van het te verkopen goed. Gelet daarop en gezien de hiervoor genoemde omstandigheden hoefde [verweerders] c.s. er niet aan te twijfelen dat de verklaring van [eiser 1] (mede) verkoper te zijn in de door hem (mede) ondertekende koopovereenkomst c.a. overeenstemde met [eiser 1]'s wil.’
Klachten
3.1.1
De vraag of [eiser 1] als verkoper bij de koopovereenkomst moet worden beschouwd dient te worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer van artikelen 3:33 en 3:35 BW. Daarbij komt het aan op het antwoord op de vraag of [verweerders] c.s. er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [eiser 1] verkoper was. Het hof heeft echter geoordeeld dat [verweerders] c.s. ‘ervan mocht uitgaan’ dat [eiser 1] als verkoper optrad10. en dat hij er ‘niet aan [hoefde] te twijfelen’ dat [eiser 1]s wil overeenstemde met diens verklaring.11. Het hof heeft aldus een te ruim criterium gehanteerd, waarmee het heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Als gezegd gaat het er immers om dat [verweerders] c.s. er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [eiser 1]s wil overeenstemde met diens verklaring, hetgeen een strenger criterium is.
3.1.2
In ieder geval is 's hofs oordeel onbegrijpelijk, omdat het heeft nagelaten het criterium te benoemen aan de hand waarvan het heeft beoordeeld of [eiser 1] als verkoper moet worden beschouwd. Zonder dat criterium expliciet te benoemen en niet met zoveel woorden te oordelen dat [verweerders] c.s. gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat de verklaring van [eiser 1] overeenstemde met diens wil, is immers niet controleerbaar welk criterium het hof heeft gehanteerd en voldoet dat oordeel niet aan de daaraan te stellen eisen om dat zowel voor partijen als voor derden, inclusief de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
3.2
Bovendien heeft het hof in rov. 6.6 van het arrest rechtens onjuist, danwel onbegrijpelijk geoordeeld dat de omstandigheid dat de notaris de akte voor de levering van de onroerende zaak met partijen heeft besproken en er daarbij uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de leveringsakte afwijkt van de koopovereenkomst niet tot een andere conclusie dwingt. Zoals hierboven in subonderdeel 3 betoogd, kon [verweerders] c.s. er ten tijde van de levering, toen de notaris hem had voorgehouden dat [eiser 1] geen eigenaar van de onroerende zaak was en dat hij daarom in de leveringsakte slechts optrad als toestemming gevende echtgenoot ex artikel 1:88 BW, er niet meer gerechtvaardigd op vertrouwen dat [eiser 1] als verkoper bij de koopovereenkomst optrad of als zodanig had willen (blijven) optreden. Daarvoor was, in ieder geval na de bespreking bij de notaris, meer nodig dan de feiten en omstandigheden die het hof in rov. 6.4 van het arrest aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, omdat die feiten omstandigheden hebben plaatsgevonden voordat de notaris de leveringsakte met partijen had besproken en hen had voorgehouden dat de leveringsakte afweek van de koopovereenkomst, omdat [eiser 1] niet als verkoper in de leveringsakte compareerde. Na deze mededeling van de notaris en de omstandigheid dat [verweerders] c.s. daartegen geen bezwaar maakte, konden [eiser 1] en [eiseres 2] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [eiser 1] niet de (mede)verkoper van de onroerende zaak was.
3.3
Het hof heeft ten slotte blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het met zijn oordeel dat [eiser 1] als verkoper van de onroerende zaak moet worden beschouwd eraan is voorbijgegaan dat de omstandigheid dat [verweerders] c.s. geen bezwaar heeft gemaakt dat [eiser 1] niet als verkoper in de leveringsakte is opgevoerd (maar alleen als toestemming gevende echtgenoot ex artikel 1:88 BW), met zich meebrengt dat [verweerders] c.s. afstand van zijn vordering heeft gedaan als bedoeld in artikel 6:160 BW. Door levering van de onroerende zaak door [eiseres 2] heeft zij immers als derde de verbintenis van [eiser 1] op zich genomen en nu [verweerders] c.s. daartegen geen bezwaar had, is het vertrouwen opgewekt dat [eiser 1] van zijn verbintenissen uit de koopovereenkomst was bevrijd.
Redenen waarom:
Eisers tot cassatie vorderen dat de Hoge Raad der Nederlanden het beroepen arrest op grond van het aangevoerde cassatiemiddel vernietigt, met zodanige verdere beslissing als hij zal vermenen te behoren, met veroordeling van verweerders in cassatie in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na het in deze zaak te wijzen arrest.
Rotterdam, 17 juli 2023
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑07‑2023
Inleidende dagvaarding, productie 1. Zie ook arrest, rov. 3.2.
Memorie van grieven, posita 49–64, arrest, rov. 6.6.
Idem.
Antwoordconclusie na deskundigenbericht, posita 14–39, memorie van grieven, posita 49–64.
HR 22 april 1994, NJ 1995, 560, m.nt. WMK (Bouwmeester/Van Leeuwen), Hof Den Haag 25 september 2002, NJ 2003,128. Zie voor verdere vindplaatsen Antwoordconclusie na deskundigenbericht, posita 29–32, memorie van grieven, positum 56.
Zie voor de daarop van toepassing zijnde stellingen memorie van grieven, positum 60.
Memorie van grieven, positum 54.
Memorie van grieven, positum 54.
Idem.
Arrest, rov. 6.4.
Idem.